Skip to main content

Full text of "Woltjer Latijnsche Grammatica 1924"

See other formats


WOL 



J V I 



i n 



1 1 



A 






?S - C€0MItl6SM DEH 




i Ee 



Dr. J. Woltjer, Latijnsche Grammatica, zesde herziene en omgewerkte druk 
door Dr. R.H. Woltjer, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam 
Bij J.B. Wolters' U.M. - Groningen, Den Haag, 1924 

Pdf-pagina 8: inhoudsopgave 
Pdf-pagina 275: vertaling van de voorbeeldzinnen 
Pdf-pagina 314: aangehaalde antieke schrijvers en werken 
Pdf-pagina 316: register op Latijnse woorden en trefwoorden 

Let wel: het register is uit een eerdere druk. Omdat het register werkt met paragraafnummers, 

en niet met paginanummers, kloppen de meeste verwijzingen. 

Het in de inhoudsopgave (pdf-pagina 12) beloofde register is mij onbekend. 

De scans zijn per dubbele pagina (opengeslagen boek) op 300 dpi. 

Leo Nellissen 

www.stilus.nl 

november 2012 









D R I WOLTJER 



LATIJNSCHE GRAMMATICA 



ZESDE HERZIENE EN OMGEWERKTE DRUK 



DOOR 



D R R. H. WOLTJER 

HOOGLEEKAAR AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT 
TE AMSTERDAM 




Ing, f 9,^ C,50 
Geb. - 900 8,90 



BIJ J. B. WOLTERS' U. M. _ GRONINGEN, DEN HAAG, 1924 






BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS. 



VOORBERICHT VOOR DEN ZESDEN DRUK. 



Weinig kon ik, toen door den dood van den schrijver dezer Grammatica de 
verzorging van hare zesde uitgave voor mijne rekening kwam, vermoeden, dat 
eerst zooveel tijd later de nieuwe bewerking volledig het licht zien zou; en onge- 
twijfeld hadde ik, indien een dergelijke loop der dingen te voorzien geweest ware, 
eene meer grondige herziening tot een eventueelen volgenden druk uitgesteld. 

Het schijnt thans niet noodig, de oorzaken van deze vertraging te bespreken; 
slechts voorzoover ze gelegen zijn in de moeilijkheden der bewerking zelve, 
kan het nut hebben, er hier kort bij stil te staan. 

De Latijnsche Grammatica van mijnen Vader is van den beginne aan algemeen 
niet slechts als een praktisch schoolboek, maar ook als een werk van weten- 
schappelijke beteekenis erkend; en dien naam heeft zij in den loop der jaren 
eer versterkt, dan verzwakt. Als werk van wetenschap echter heeft ze wel 
eenerzijds hare blijvende waarde, doch vertoont tevens min of meer het stempel 
van den tijd, waarin zij ontstond, al was zij ook in meer dan een opzicht dien 
tijd vooruit. En waar blijkens hun voorberichten reeds voor de laatste drukken 
min of meer ingrijpende veranderingen in verband met den tegenwoordigen 
stand der wetenschap werden overwogen en sindsdien geruime tijd verliep, scheen 
mij voor eene eenigszins grondige herziening gereede aanleiding aanwezig. Afge- 
zien van het laatste gedeelte der Syntaxis, dat m, i. van meet af aan eenigszins 
te kort gekomen is in vergelijking met andere hoofdstukken, als bijv. dat over 
het gebruik der casus, was, naar ik meen, met name zulk eene verandering 
noodig ten opzichte van de klankleer. Men zou wellicht over de noodzake- 
lijkheid van eene klankleer in eene Latijnsche schoolgrammatica kunnen twisten 
(voor mij is ze niet twijfelachtig), maar neemt men haar eentnaal op, dan moet 
wel in de eerste plaats in dit opzicht de Grammatica, om eene uitdrukking 
uit eene vroegere voorrede te gebruiken, beantwoorden aan het standpunt, 
waarop de Philologie thans staat. Welnu, de klankleer scheen mij in dit opzicht 
het meest wijziging te behoeven. Deze Latijnsche Grammatica ontstond in een 
tijd, toen Philologie en Linguistiek nog niet op zulk een goeden voet stonden 
als thans het geval is. De nieuwe taalwetenschappelijke richting was eerst in 
haar opkomst, en de onzekerheid van menig resultaat maakte de philologen 
huiverig, zich met haar in te laten. Dit standpunt weerspiegelt zich ook tot 
op zekere hoogte in het eerste ontwerp van dit boek. Wel was mijn Vader 
verstandig en wetenschappelijk genoeg, om de beteekenis van de historische 
taalstudie ook voor zijn doel te erkennen, en hare resultaten te gebruiken; 
maar de wijze waarop hij dit doet, verraadt toch de bijzondere omzichtigheid, 
die in het algemeen het philologisch standpunt van dien tijd in dit opzicht 
kenmerkt en aan geleerden als Blass ook nog later eigen is gebleven: „Wat 
de vergelijkende, of liever, in dit geval althans, de historische taalstudie en hare 
resultaten betreft, heb ik gemeend zeer voorzichtig te moeten zijn ; alleen reeds 
de lezing van Delbrflck's Einleitung in das Sprachstudium noopt 



; 



VI 



VOORBERICHT. 



den leek daartoe", zoo luidt het in het voorbericht van 1883. En van dezen 
hoek uit wordt ook later de zaak nog bezien : „Ik heb er over gedacht of ik 
in dezen vierden druk de klankleer meer in overeenstemming zou brengen met 
de tegenwoordige theorie en terminologie der taalwetenschap, maar ben tot de 
slotsom gekomen, dat ik daardoor wel de moeilijkheden voor den leeraar en 
den leerling zou vermeerderen, maar het boek als Ieerboek niet beter zou maken". 
Waar het hier op aankomt, is niet zoozeer de zaak zelve, als wel de orien- 
teering, het uitgangspunt. Om dit te gevoelen, vergelijke men slechts de 
voorrede van de bijna tien jaar later verschenen Grieksche Grammatica, welker 
polemiek tegen Blass zich feitelijk richt tegen de eigen orienteering van vroeger: 
»De onzekerheid van sommige verklaringen, die de vergelijkende taalwetenschap 
ons aanbiedt, is geen grond om het goede, dat vooral in de methode gevonden 
wordt (en deze kan soms uit enkele voorbeelden blijken), niet te waardeeren 
en te gebruiken . . . Wie meent dat zij (de grammatica n.L), wanneer zij zich 
maar van het terrein der vergelijkende taalstudie verwijderd houdt, vasten grond 
onder de voeten heeft, vergist zich deerlijk". Sedert dit geschreven werd, is de 
band tusschen taalwetenschap en klassieke philologie steeds nauwer aangehaald, 
ook voor de praktijk van het onderwijs. Brugmann, Cauer, Skutsch, 

NlEPMANN, STURMER, KRETSCHMER, KROLL, HOFFMANN, HARTMANN, WACKER- 

nagel, Sommer, Ed. Hermann met zijn voortreffelijk werk: „Die Sprachwis- 
senschaft in der Schule" (1923), bij de Franschen Meillet en Marouzeau, 
in Engeland Lindsay, ten onzent Cannegieter, Bierma, Schrijnen, Muller, 
om niet meer te noemen, hebben alien in deze richting gewerkt. In de Revue 
des Etudes Latines verscheen eerst eenige maanden geleden eene verhandeling 
van Marouzeau over dit thema (La Linguistique et l'Enseignement du Latin. 
Principes et methodes), waaruit ook blijkt, hoezeer thans het vraagstuk van de 
beteekenis der taalwetenschap voor het klassieke onderwijs in Frankrijk op den 
voorgrond staat, terwijl op des schrijvers verzoek de Leidsche hoogleeraar 
Fr. Muller, „a la tois linguiste et pedagogue", in dezelfde aflevering deze 
beteekenis met voorbeelden illustreert ten opzichte van de klankleer en de 
buigingsleer. Hermann spreekt in het zooeven genoemde werk van eene 
„kraftvolle Bewegung unter den jiingeren Sprachlehrern". En ik twijfel dan 
ook geen oogenblik, of mijn Vader, die in de in 1911 verschenen vijfde uitgave 
reeds schreef : „Nauwgezet heb ik overwogen, of ik in dezen nieuwen druk niet 
meer kon volgen het systeem der nieuwere linguistiek", en dientengevolge de 
§§ 20-22 wijzigde, zou thans zelf verder zijn gegaan. Zoo zie ik het dan ook 
niet als iets nieuws, maar als een voortgaan in zijn geest, als een voldoen aan 
den door hem zelf gestelden eisch, het boek „naar verhouding van zijn aard 
te doen beantwoorden aan het standpunt waarop de Philologie thans staat", 
wanneer ik, zij het nog met behoud van den vroegeren vorm en indeeling, 
vooral in de klankleer en de buigingsleer materieel meer dan in vorige drukken 
geschied is, met de resultaten der taalwetenschap rekening heb gehouden. 

Ik denk hierbij weer niet alleen aan het feitelijke op zich zelf, maar ook aan 
hetgeen daarachter ligt. Let men enkel op het resultaat, dan komt het vrijwel 
op hetzelfde neer, of men bijv. in pes de d voor eene s direct weg laat vallen, 
dan wel zich eerst laat assimileeren (tot t, dan tot s), en daarna de geminata 
zich verenkelen laat; zoodra het echter gaat om inzicht in het taalproces, 
staan beide voorstellingen geenszins gelijk. Als ik den vorm gigno naast genu! 
door syncope verklaar, dan komt dit praktisch op hetzelfde neer als dat ik 
den Ablaut te hulp roep, maar zoodra een scherpzinnig leerling ■yiyvoftat-iysvomv 



VOORBERICHT. 



VII 



kent, loopt men de kans, aldus vragen te krijgen, waarop een bevredigend 
antwoord niet mogelijk is. Op zich zelf schijnt het onschuldig, de e in cecini 
uit a te laten ontstaan, doch inderdaad komt men zoo niet alleen in strijd met 
het Grieksch, waarin de klinker der reduplicatie steeds s is, maar is ook taal- 
wetenschappelijk zulk een overgang moeilijk te begrijpen. Zoowel de nom. honor, 
als de genet, honoris had oorspronkelijk s in plaats van r, maar in den laatsten 
vorm is de r over z uit s ontstaan, in den eersten heeft zij de s door analogie 
verdrongen. Laat men dergelijke onderscheidingen buiten beschouwing, dan 
wekt men licht den indruk van willekeur en loopt gevaar, het juiste inzicht in 
het taalproces af te snijden. 

Het scheen mij dus mijne taak, eenerzijds negatief overeenkomstig den beken- 
den eisch van Brugmann zooveel mogelijk alles weg te nemen of te verbeteren 
wat volgens den tegenwoordigen stand der wetenschap onjuist is en verkeerde 
voorstellingen zou kunnen wekken omtrent het wezen der taal, aan den anderen 
kant zulke taalwetenschappelijke opmerkingen toe te voegen, die aan het 
bijbrengen van taalkundig inzicht bevorderlijk zijn. 

Nu weet ik wel, dat het hier tenslotte eene vraag is van meer of minder, 
daar volledigheid en absolute nauwkeurigheid zich toch niet laat bereiken; en 
in het algemeen stem ik ook toe, dat deze vraag er eene is van didactischen 
aard, waarin niet de wetenschap, maar de school het laatste woord hebben 
moet. Doch vooral in de tegenwoordige omstandigheden schijnt mij hier toch 
eenige voorzichtigheid geboden en acht ik het in het belang van de school 
zelve, dat ook de wetenschap meespreekt. 

Vergis ik mij niet, dan is het groote gevaar voor de klassieke opleiding op 
dit oogenblik niet zoozeer gelegen in de aanvallen van principieele voorstanders 
van voorbereidend hooger onderwijs zonder Grieksch en Latijn, als wel in de 
steeds verder doorgevoerde demokratiseering van ons onderwijs. Men heeft nog 
onlangs de klacht kunnen lezen van een klassiek docent, dat de gymnasiasten 
van de lagere school komen, zonder andere kennis dan die van de Nederlandsche 
taal, zooals de onderwijzer hun die geleerd heeft, en niet voorbereid op de 
moeilijkheden, die het eerste Latijnsche onderwijs brengt, als daar zijn het begrip 
naamval, de verschillende beteekenissen van van en het gebruik van dit woord. 

Zoo schijnt mij de roep om vereenvoudiging van het onderwijs in de oude 
talen een noodkreet, maar een noodkreet die te denken geeft, en bij hen 
die zich rustig bezinnen, de vraag moet doen rijzen, of de oplossing wel in 
dezen weg behoort te worden gezocht, en of niet eene dergelijke „vereenvou- 
diging" inderdaad de dood is voor alle werkelijke klassieke vorming. 

Het bestek van dit Voorbericht laat niet toe, op deze vraag in te gaan. Ik 
volsta daarom met de verklaring, dat ik persoonlijk geneigd ben, mij te scharen 
aan de zijde van den schrijver dezer Grammatica, die reeds meer dan dertig 
jaar geleden van oordeel was, dat „het onderwijs in Latijn en Grieksch niet 
meer kan worden verminderd in omvang, zal het niet geheel zijne beteekenis 
verliezen", en over de waarde van taalwetenschappelijke verklaringen zich aldus 
uitliet: ,,'t Komt me voor, dat ze voor de leerlingen der hoogere klassen, vooral 
nu de propaedeusis aan de Openbare Universiteiten vervallen is, nuttig kunnen 
zijn, daar zij tot een dieper inzicht in de taal en hare wetten aanleiding kunnen 
geven en, voor vlugge leerlingen vooral, het genot in taalstudie kunnen verhoogen". 

De studie der klassieke talen is nu eenmaal niet eenvoudig, en het schijnt 
mij vooral thans noodzakelijk dit openlijk en onomwonden uit te spreken ; wie 
daar niet aan wil, die kan zich zelf en anderen veel onaangenaamheid besparen, 



VIII 



VOORBERICHT. 



indien hi] zich van dit terrein verre houdt. Methoden die; waar het voornamelijk 
om het leeren spreken van eene levende taal te doen is, wellicht goede resul- 
taten opleveren, zijn daarora nog niet bruikbaar voor het gymnasiaal onderwijs 
in Latijn en Grieksch, dat een geheel ander doel heeft. En voor de bereiking 
van dit doel schijnt het mij in elk geval met Hartmann (Glotta XII (1923), 
biz. 254) hoogst bedenkelijk, wanneer, zooals hij zich uitdrukt, „infolge solcher 
Riicksicht auf die Fassungskraft der Schiiler selbst die fiberlieferten Formen der 
Texte zurecht gemacht, die Akkusative auf -is, die 2. Personen auf -re, die 
Genetive wie negoti, consili usw. beseitigt werden"; volkoraen terecht noemt 
deze paedagoog zulk een verzwijgen van een groot gedeelte der feiten „ein 
falsches Kiirzungsprinzip,- das nur zu Haibwissen und Pfuscherei fiihrt". 

Natuurlijk wil ik aan de andere zijde geenszins het gevaar loochenen van 
een teveel aan leerstof, te minder waar een ervaren docent als Dr. Bierma in 
het bekende Rapport over de klassieke Oudheid in het Gymnasiaal Onderwijs 
(1916), bij alle waardeering waarvan zijne woorden overigens getuigen, reeds 
tegen den vorigen druk der Grammatica uit dit oogpunt bezwaren had. Ik 
laat nu daar, of het voorbeeld ter opheldering, dat hij geeft („Als aan den 
leerling wordt gezegd, dat de gen. op -orum ontstaan is uit een vorm op -osum, 
vormt dit voor hem een nieuw feit, dat zijn inzicht in niets vergemakkelijkt"), 
heel gelukkig is gekozen : over den oorsprong van -drum bij de o-stammen 
toch werd in den vorigen druk, voorzoover ik zie, gezwegen; waarschijnlijk 
bedoelt Dr. Bierma, wanneer hij althans op de Grammatica het oog heeft, 
-arum bij de a-stammen, waarover men in § 92, A. 2 inderdaad kan lezen: 
„De uitgang van den gen. plur. -rum schijnt ontstaan te zijn uit -s-um (vgl. 
§ 27)". Maar overigens wil ik niet tegenspreken, dat deze en andere dergelijke 
mededeelingen op zich zelf voor de leerlingen van geringe waarde zijn. 
De consequentie hieruit moet echter, naar ik meen, eene geheel andere wezen : 
want als men bij -drum slechts opmerkt, dat het de jongere vorm is, naast het 
oudere -um opgekomen onder den invloed van -arum der a-stammen, en bij 
-arum niet volstaat met de mededeeling, dat het op -asont berust, maar tevens 
het Homerische dea(6)cov vergelijkt en daarbij voegt, dat -asom eigenlijk een 
uitgang der pronomina was, wier verbuiging ook in andere opzichten op die 
der substantia ingewerkt heeft, dan voorkomt men niet alleen verkeerde taal- 
wetenschappelijke voorstellingen en heldert een vorm op, die anders vooral om 
de verdere overeenstemming tusschen de verbuiging der o-stammen in het 
Latijn en het Grieksch {-I, -um, -Is, -os: -oi, -a>v, -ok, -ovs) licht zou kunnen 
bevreemden, maar vestigt ook de aandacht op den samenhang van anders voor 
het besef der leerlingen op zich zelf staande en daardoor niet begrepen vormen, 
en voldoet zoo toch zeker aan den door Dr. Bierma zelf gestelden eisch, dat, 
„waar een historisch feit wordt meegedeeld, dit door de verbinding die het 
vormt tusschen andere feiten, door het gemakkelijker inzicht de vermeerdering 
der stof weer goed (moet) maken". Met andere woorden : wil men, gelijk ook 
Dr. Bierma verlangt, het grammaticaal onderwijs opbouwen op den grondslag 
der taalwetenschap, dan zal men niet kunnen bekorten, maar moet ook feiten 
meedeelen, die, op zich zelf wellicht van weinig waarde, hun beteekenis hebben 
in de omstandigheid, dat ze de tusschenschakel vormen tusschen belangrijke 
dingen. Ik heb gemeend, bij het besproken voorbeeld en elders deze consequentie 
te moeten trekken ; en de. vermeerdering van den inhoud der Grammatica in 
de nieuwe bewerking is voor een niet gering deel daaraan toe te schrijven : 
niet op een, rriaar op tientallen van plaatsen heb ik het gevoel gehad, dat ik 



VOORBERICHT. 



IX 



zou moeten kiezen: of alles weglaten, of uitbreiden in de zodeven aangeduide 
richting. Dat ik in een werk als deze Grammatica het laatste koos, zal, naar 
ik hoop, gebillijkt worden door alien die het wenschelijk achten, „dat de 
leerlingen eenig denkbeeld krijgen van de taal als een veranderend geheel, dat 
ze zien, dat die veranderingen volgens vaste wetten plaats hebben, en dat men 
dus van de taal kan spreken als een zich ontwikkelend organisme" (Bierma, p. 35). 
De enkele opmerking, dat de uitgang van de genet, sing, der consonantstammen 
oorspronkelijk -os, -us, -es was en met het Grieksche -os kan vergeleken worden, 
schijnt mij - om nog een voorbeeld te noemen - hier niet voldoende, en 
kan integendeel verwarrend werken: zegt men echter, dat -is, evenals bijv. in 
scribis, op -es berust en dit laatste in Ablautsverhouding staat tot het in het 
oude Latijn ook nog voorkomende -os (Gr. -os), dat later -us werd evenals in 
servos, dan voldoe ik volkomen aan den gestelden eisch. En wanneer men in 
beginsel eene dergelijke wijze van behandelen aanvaardt, dan zie ik weinig 
reden, haar tot een of enkele casus te beperken. 

Natuurlijk zou men ook voor de taalwetenschappelijke verklaring een afzon- 
derlijk boek kunnen nemen, zooals bijv. de door Dr. Renkema in het Neder- 
landsch bewerkte Latijnsche klankleer van Niedermann of voor het Grieksch 
Sommer's Sprachgeschichtliche Erlauterungen ; maar in de eerste plaats wordt 
men dan licht te uitvoerig, en ten tweede schijnt het mij zoowel uit paedagogisch, 
als uit wetenschappelijk oogpunt de voorkeur te verdienen, dat stof en verklaring 
in een werk zijn vereenigd. 

Richt men zulk een werk zoo in, dat de verklaringen als regel in de Aan- 
merkingen eene plaats vinden, dan schijnt mij voor de vrees, dat aldus de 
leerstof eene te groote uitbreiding zal verkrijgen, nauwlijks reden. Het is van 
groot belang, dat de leerling gedurende zijn geheelen leertijd eenzelfde Grammatica 
kan gebruiken, en reeds om die reden kan de Grammatica niet te klein zijn 
en met de hoofdzaken volstaan, al mag ze natuurlijk niet in een repertorium 
van allerlei bijzonderheden ontaarden. Maar ik zou het ten eenen male onjuist 
achten, wanneer men alles wat in zulk eene Grammatica voorkomt, tot de 
eigenlijke leerstof ging rekenen, die per se gememoriseerd moet worden. En 
- met name bij de taalwetenschappelijke opmerkingen komt het hoofdzakelijk aan 
op het begrijpen. Wat men daarvan bij het onderwijs te pas kan brengen, hangt 
af van de individueele omstandigheden, die de leeraar zelf moet beoordeelen. 
„Vernfinftige Lehrer werden schon weglassen, was zu viel ist: das ergibt sich 
in der Praxis des Unterrichtes vielfach ganz von selbst", merkt Hermann, Die 
Sprachwissenschaft in der Schule, biz. 6 vlg. terecht op, en ik zeg het mijn 
Vader na in het Voorbericht zijner Grieksche Grammatica: „Wie deze (taal- 
wetenschappelijke verklaringen) niet gebruiken wil, kan ze weglaten". Dat er 
niettegenstaande de ongunstige omstandigheden ook ten onzent docenten zijn, 
die er prijs op stellen, omdat zij uit ervaring de juistheid weten van Hermann's 
oordeel: „WeiI sprachwissenschaftliche Betrachtung, in vernrinftiger Weise ange- 
stellt, den Schiiler leicht innerlich zu packen vermag, weil sie seine Ideen 
bereichern kann, erleichtert sie es dem Lehrer, Macht fiber die Jugend zu bekom- 
men", rechtvaardigt mijns inziens alleen reeds het opnemen ervan. Zelfs zou 
het mij geenszins bevreemden, wanneer ik naar het .oordeel van dezen ofgenen 
in de verandering en uitbreiding nog niet ver genoeg gegaan was; ten slotte 
blijft dit altijd min of meer subjectief, en ook speelt hier het verloop der 
bewerking eene rol. 

Ook in de Syntaxis heb ik er naar gestreefd het taalwetenschappelijk element 



VOORBERICHT. 



raeer tot zijn recht te laten komen, en verschillende taalwetenschappelijke opmer- 
kingen en verklaringen toegevoegd (zoo bijv. over den genet, bij participia, den 
genet, definitivus, quam na comparativi, den conjunct, in afh. vragen, den ace. c. 
inf. enz.), maar hier is het groote verschil met den vorigen druk toch ook nog 
aan een anderen factor te danken. Gelijk ik zeide, heb ik reeds. lang den indruk 
gehad, dat, terwijl het eerste deel van de Syntaxis aan volledigheid en duide- 
lijkheid weinig of niets te wenschen overliet, het latere daarmee niet geheel in 
evenredigheid was en met name de leer van het verbum infinitum en de conjuncties 
niet voldoende tot haar recht kwam. Waar hier het onderscheid met-het Neder- 
landsch betrekkelijk groot is, scheen mij overeenkomstig het door den schrijver 
der Grammatica zelf aanvaarde beginsel eene breedere behandeling noodzakelijk. 
Dientengevolge heeft het laatste gedeelte der Syntaxis bij de bewerking de meeste 
uitbreiding en verduidelijking ondergaan. 

Hier verder op de aangebrachte veranderingen in te gaan, schijnt mij overi- 
gens onnoodig: voor den gebruiker van het boek doet het er weinig toe, of 
iets al dan niet in den vorigen druk stond; en wie uit anderen hoofde daar 
belang in stelt, die kan gemakkelijk zelf door vergelijking het onderscheid con- 
stateeren. Ik volsta daarom met de algemeene opmerking, dat ik zoo zorgvuldig 
en nauwkeurig als mij mogelijk was alles heb nagegaan en wat mij niet meer 
juist of niet volkomen helder scheen, heb verduidelijkt of gewijzigd: ofschoon 
daarbij, gelijk gezegd, de opzet behouden bleef en blijven moest, zal men toch 
nauwelijks eene bladzijde aantreffen, die volkomen hetzelfde is, en zijn sommige 
paragrafen geheel omgewerkt of zelfs nieuw geschreven. In de Syntaxis is het 
getal der voorbeelden, waar dit wenschelijk scheen, vermeerderd, de vertaling 
daarvan herzien, en eene lijst van de aangehaalde schrijvers en werken toegevoegd. 

Bijzondere zorg heb ik ook besteed aan het uiterlijk: zoo zijn boven aan de 
bladzijden, overeenkomstig een in eene recensie geuiten wensch, de paragrafen 
en de inhoud vermeld, bij de substantiva en het verbum de uitgangen beter 
onderscheiden, meer aandacht geschonken aan de lengteteekens, nog grootere 
duidelijkheid in den druk en gemakkelijker overzicht nagestreefd. 

Dat door dit alles de omvang van het boek aanmerkelijk grooter moest 
worden, spreekt m. i. van zelf. Wei bewijst Sommer's voorbeeld, dat men zelfs 
eene taalwetenschappelijke schoolgrammatica schrijven kan van geringen omvang; 
maar of dit voorbeeld tot navolging opwekt, waag ik te betwijfelen: men zie 
slechts de paragrafen over den Lautwechsel. Ik voor mij ben tevreden, wanneer 
men op deze bewerking het woord van Martialis kan toepassen: „Non sunt 
longa, quibus nihil est, quod demere possis". Of dit inderdaad het geval is, 
mogen anderen beoordeelen; dezulken gelieven echter daarbij niet uit het oog te 
verliezen, dat de omstandigheden mij schenen te eischen, bij de bewerking meer 
dan tot dusver geschiedde, rekening te houden met eene kategorie van gebruikers, 
die Dr. Mendes da Costa op het oog had, toen hij in zijne bespreking van 
den vorigen druk schreef: „Gaarne voeg ik daaraan als mijn overtuiging toe, 
dat ook menigeen, die de gymnasiumbanken, ja, die de universiteit achter den 
rug heeft, van het degelijke werk van Prof. Woltjer nog heel veel nut kan hebben". 

Dat ik voor de herziening ruimschoots gebruik gemaakt heb van nieuwere 
en oudere literatuur, behoef ik nauwlijks te verzekeren. Volledige opsomming 
van de werken die ik van meet af aan of in een later stadium raadpleegde, is 
echter niet wel mogelijk, en heeft ook weinig nut. Voor de klankleer heb ik 
mij meest gehouden aan de nieuwe uitgave van Sommer's „Handbuch der 
Lateinischen Laut- und Formenlehre" met de ,,Kritische Erlauterungen", daar- 



VOORBERICHT. 



XI 



naast echter ook Lindsay's „Latin Language" en „Short Historical Latin Grammar" 
(1915), de „Historische Grammatik der Lateinischen Sprache" I van Stolz, 
Ernout's „Morphologie Historique du Latin" (1914) en ook Niedermann's 
,.Historische Lautlehre des Lateinischen" gebruikt. Voor de Syntaxis hebben de 
vierde uitgave der Lateinische Grammatik van Stolz en Schmalz, de Gram- 
maire Comparee du Grec et du Latin, Syntaxe, van Riemann en Goelzer, de 
door Lejay herziene Syntaxe Latine van Riemann (1920), voor het laatste gedeelte 
ook Laurand's Gramm. hist, latine en de nieuwe bewerking van KOhner's Ausf. 
Grammatik der Lat. Sprache, Satzlehre, doorSTEGMANN, mij goede diensten bewezen. 

Van de vreemde schoolgrammatica's die ik vergeleek, mogen hier metname 
die van Sonnenschein (A new Latin Grammar, 1917), Postgate, Hale en 
Buck, Harre, Landgraf, Niepmann en Sommer's Lat. Schulgr. en Ver- 
gleichende Syntax der Schulsprachen (voor het laatste gedeelte der Syntaxis) 
genoemd worden; ook de Nederlandsche heb ik geregeld ingezien. 

Dat ook werken over de Grieksche grammatica als Brugmann— Thumb, 
Hirt, Stahl, en algemeene als Brugmann's Kurze Vergleichende Grammatik 
mij van nut waren, spreekt van zelf. 

Wanneer ik daarbij nog Neue— Wagner, Walde, den Antibarbarus, Meillet— 
Prinz, Schrijnen, KROLL (Die wissenschaftliche Syntax im Lat. Unterricht), 
Cramer (Der Lat. Unterricht), ,Wackernagel's Vorlesungen, monographieen 
als van Lebreton, en verschillende besprekingen en artikelen in de (Berliner) 
Philologische Wochenschrift, Bursian's Jahresberichte en Glotta noem, dan meen 
ik althans het voornaamste te hebben aangegeven. 

Hun die mij in eenigen vorm opmerkingen maakten die tot verbetering van 
het werk dienen konden, breng ik hier openlijk mijn dank. Inzonderheid komt 
die dank toe aan mijn ambtgenooten Schrijnen en Muller, van wie de eerste 
de proeven over de klankleer heeft doorgezien, de ander ook voor bijkans heel 
het overige deel van het werk mij van zijn' veelomvattende kennis en die'p inzicht 
heeft laten profiteeren. Met erkentelijkheid vermeld ik voorts nog, dat mijn 
ambtgenoot De Groot over de paragraaf over den rhythmus zijn oog heeft 
laten gaan. En eindelijk is het mijn plicht, hier uiting te geven aan mijne 
waardeering voor de zeer tegemoetkomende houding der Firma J. B. Wolters. 

Ik ben aan het einde. Mijn voorwoord is onwillekeurig eene apologie gewor- 
den, eene apologie voor mij zelf, mijne wijze van bewerken, voor de onverzwakte 
handhaving van het peil van het klassiek onderwijs, maar niet voor het boek als 
zoodanig. Want dit heeft geen verdediging van noode. „(Deze grammatica) heeft 
haar weg gevonden en zal die wel blijven vinden", schreef Dr. Mendes da 
Costa in de aangehaalde bespreking van den vorigen druk, aldus aan een feit 
dat hij vaststelt, eene voorspelling vastknoopend. Het feit behoeft geen nadere 
verklaring: de wetenschappelijke opzet en paedagogische inrichting van het 
werk, zijn eenvoudige en rationeele methode, zijn volgen van het genetisch 
principe bij de behandeling van verbuiging en vervoeging, zijn uitgaan van 
het zuivere klassieke proza, om niet meer te noemen, motiveeren het ten voile. 
Of de voorspelling thans nog in vervulling gaan zal, moet de toekomst leeren : 
de omstandigheden zijn niet meer dezelfde als toen zij werd gedaan. Indien 
desniettemin mijn arbeid er toe mocht hebben bijgedragen, dat zij wordt 
bewaarheid en aldus de meer wetenschappelijke beoefening van het Latijn ook 
op het Gymnasium wordt bevorderd, zou de moeite en zorg die deze bewerking 
mij gekost heeft, althans niet ijdel geweest zijn. 

Amsterdam, Mei 1924. r h. WOLTJER. 



INHOUD. 



XIII 

Pag. 



INHOUD. 



INLEIDING 



Pag. 



EERSTE DEEL. 
DE LEER DER KLANKEN EN LETTERGREPEN. 

HOOFDSTUK I. 

Klankteekens en uitspraak 

A. Klankteekens 

B. Uitspraak 

HOOFDSTUK II. 

De klinkers en hunne veranderingen 9 

A. Verdeeling tier vocalen 

B. Veranderingen der vocalen 

HOOFDSTUK III. 

18 
De medeklinkers en hunne veranderingen 

A, Verdeeling der consonanten 

B Veranderingen der consonanten ■ • 

C. SamensteUing van voorzetsels met andere woorden ... 26 

HOOFDSTUK IV. 

Lettergrepen, Quantiteit, Accent, Leesteekens 30 

A. Lettergrepen 

B. Quantiteit 

a. der lettergrepen ■ ■ ' 

b. der klinkers 37 

C. Accent ' 3g 

I Het Latijnsche woordaccent • • • • 

II. Het Latijnsche zinaccent (Procliticae en encliticae) . . . 40 

D. Leesteekens 






TWEEDE DEEL. 
BUIGINGSLEER. 

HOOFDSTUK I. 

Het substantivum 42 

A. De declinatie der consonantstamtnen 45 

1°. De mutastammen 47 

2°. De liquidastammen 50 

30. De nasaalstammen 51 

4°. De spirantstammen 53 

B. De declinatie der vocaalstammen 54 

10. De i-stammen • • 54 

2°. De u-staramen 60 

3°. De e-staramen • • • 62 

4°. De a-stammen °4 

5°. De o-stammen . • "6 

Overzicht der verbuiging . 70 

HOOFDSTUK II. 

Het adiectivum 72 

A. Adiectiva van drie uitgangen 72 

B. Adiectiva van twee uitgangen .75 

C. Adiectiva van een uitgang • ■ 76 

D. Comparatio 79 

Aanhangsel I: Substantiva en adiectiva anotnala . 82 

A. Abundantia °3 

B. Defectiva . 86 

C. Indeclinabilia 90 

Aanhangsel II: Grieksche woorden in 't Latijn ......... 90 

HOOFDSTUK III. 

Numeralia 94 

Verbuiging en verdere bijzonderheden 97 

1) Cardinalia 97 

2) Ordinalia " 

3) Distributiva • • " 

4) Adverbialia • • 10 ° 

5) en 6) Multiplicativa en proportionalia . 101 

7) Van of met telwoorden gevormde adiectiva en sub- 

stantiva 101 

8) Breuken 102 

HOOFDSTUK IV. 

Het pronomen 102 

1) Pronomina personalia 103 

2) Pronomen reflexivum 104 



XIV 



INHOUD. 



Pag. 

3) Pronomina possessiva 105 

4) Pronomina demonstrativa 105 

5) Pronomina determinati va 107 

6) Pronomina relativa 108 

7) Pronomina interrogativa 110 

8) Pronomina indefinita Ill 

Correlativa 114 

HOOFDSTUK V. 

Het verbum 115 

A. Vervoeging van een regelmatigen consonantstam ... 119 

1°. Enkelvoudige tijden 119 

2°. Samengestelde-tijden. Esse 129 

B. Vervoeging der regelmatige vocaalstammen 134 

Paradigmata 137 

C. Vervoeging der verba deponentia 144 

Paradigmata 146 

D. Coniugatio periphrastica 154 

E. Bijzonderheden in de vervoeging 156 

I. De vorming der stamtijden 156 

A. Praesensstam 156 

1. Ongelijkheid van praesensstam en verbaalstam . . . 156 

2. Vermenging v. conjugaties i. d. praesensstam (capio) 158 

B. Perfectumstam 160 

C. Supinumstam 164 

II. Afwijkingen van de paradigmata in enkele vormen. 165 

F. Onregelmatige werkwoorden 167 

I. Verba defectiva 167 

II. Verba anomala 172 

Lijst der meest gebruikelijke werkwoorden met opgave der 

perfecta en supina 181 

A. Consonantstammen 182 

I. Sterk perfectum 

1) met reduplicatie 

a) supinum op -turn 182 

b) „ i, -sum 182 

c) zonder supinum 183 

d) met praesensreduplicatie 183 

e) de reduplicatie in het perfectum is afgevallen .... 184 

2) zonder reduplicatie, met verlenging van den stamklinker 

a) supinum op -turn 185 

b) „ » -sum . . 186 

c) zonder supinum 187 

3) zonder reduplicatie en zonder verandering v. d. stamklinker 

a) supinum op -turn 187 

b) „ „ -sum 188 

c) zonder supinum 189 



INHOUD. 



XV 



II. Zwak perfectum 

1) op -vi. 

a) Het praesens heeft -scb achter den verbaalst. gevoegd. 190 

b) Het praesens is versterkt met eene n 191 

c) Praesensreduplicatie 191 

d) Cons.st. hebben in het pert, en 't sup. eene l aangenomen 192 

2) op -ui. 

a) supinum op -turn (-itum) 192 

b) „ „ -sum 194 

c) zonder supinum 194 

3) op -si. 

a) supinum op -turn 194 

b) „ „ -sum ...... 196 

c) zonder supinum 198 

Semideponens 198 

Deponentia 198 

B. Vocaalstammen . 200 

a) T-stammen. 

I. Sterk perfectum 

1) met reduplicatie 200 

2) zonder reduplicatie, met verlenging v. d. stamklinker . 201 

II. Zwak perfectum 

1) op -vi 201 

2) op -ui 201 

3) op -si 202 

Deponentia 202 

b) E-stammen. 

I. Sterk perfectum 

1) met reduplicatie 203 

2) zonder reduplicatie, met verlenging v. d. stamklinker. 204 

3) zonder redupl. en zonder verandering v. d. stamkl. . 204 

II. Zwak perfectum 

1) °P -vl 205 

2) op -ui 205 

3) op -si 208 

III. Verba zonder perf. en supin 209 

Semideponentia 209 

Deponentia 210 

c) A-stammen. 

I. Sterk perfectum 

1) met reduplicatie » , 210 

2) zonder reduplicatie, met verlenging v. d. stamklinker . 211 
II. Zwak perfectum 

l)-op -vi 211 

2) op -ui .... 212 

Deponentia 213 



XVI 



INHOUD. 



- Pag- 
HOOFDSTUK VI. 
Particulae. 

1. Het adverbium 213 

1) Vorming der adverbia van adiectiva. ........ 213 

2) Pronominale adverbia 213 

3) Comparatio . 215 

2. De praepositiones 216 

3. De coniunctiones 218 

4. De interiectiones 222 

A. Eigenlijke tusschenwerpsels 222 

B. Oneigenlijke tusschenwerpsels 222 



DERDE DEEL. 

DE LEER DER WOORDVORJWINC. 

Substantiva 224 

A. Derivata 224 

a. Substantiva denominativa 225 

h. Substantiva verbalia 228 

B. Composita 229 

Adiectiva 230 

A. 



2. 



3. 



4. 



240 



Derivata 230 

a. Adiectiva denominativa . 230 

b. Adiectiva verbalia 232 

c. Adiectiva adverbialia • ■ 233 

B. Composita 233 

Verba 233 

A. Derivata .......' • • 233 

a. Verba verbalia . 233 

b. Verba denominativa (nominalia) 235 

B. Composita. ■ 236 

Adverbia 236 

A. Derivata • 

B. Composita. . 

VIERDE DEEL. 



DE SYNTAXIS. 

HOOFDSTUK I. 
Het nomen. 

A. Casus recti. Congruentia 241 

I. De nominativus. Congruentia 241 

a. De nominativus als subject 241 

b. Congruence van subject en praedicaat ..... 242 

c. Appositie en Attribuut 24& 

. 947 

II. De vocativus ^*' 



INHOUD. 



xvn 



Pag. 
B. Casus obliqui. Rectio. 

I. De accusativus. 

a. De accusativus van het object 248 

1) De enkele accusativus. 248 

2) De dubbele accusativus 252 

3) De accusativus in elliptische zinnen 254 

b. De accusativus tot aanwijzing v. d. richting (het 
doel) en van de uitbreiding in ruimte en tijd . . 255 

1) zonder praepositie 256 

2) met praeposities 256 

c. De accusativus bij uitroepen . 260 

II. De dativus. 

a. De dativus commodi et incommodi 260 

b. De dativus tot aanwijzing van doel of strekking 267 

III. De genetivus. 

a. De genetivus bij substantiva 268 

1) Genetivus subiectivus en obiectivus ........ 268 

2) Genetivus explicativus 269 

3) Genetivus possessivus 270 

4) Genetivus partitivus 271 

5) Genetivus qualitatis 273 

b. De genetivus bij adiectiva 274 

c. De genetivus bij verba 275 

1) Genetivus possessivus 275 

2) Genetivus obiectivus 276 

3) Genetivus „definitivus" 277 

4) Genetivus pretii 278 

IV. De ablativus. 

a. De eigenlijke ablativus 280 

1) Ablativus separativus in engeren zin 280 

2) Ablativus copiae et inopiae 281 

3) Ablativus originis . 283 

4) Ablativus rei efficientis 284 

5) Ablativus causae . 284 

6) Ablativus limitationis of respectus 285 

7) Ablativus mensurae 286 

8) Ablativus comparative 287 

Praeposities bij den eigenlijken ablativus 287 

b. De locativus (ablativus localis) 289 

1) De locativus 289 

2) De ablativus localis 290 

10. De ablativus loci 290 

20. De ablativus temporis 293 

Praeposities bij den ablativus localis 294 

c. De ablativus instrumentalis (sociativus) 298 

1) Ablativus instrumentalis in engeren zin 298 

2) Ablativus pretii 299 

3) Ablativus modi 300 



XVIII 



INHOUD. 



Pag. 

4) Ablativus qualitatis 301 

[5) Ablativus absolutus: zie biz. 411] 302 

Praeposities bij den ablativus instrumentalis 302 

V. Eenige werkwoorden met verschillende constructie 

bij verschillende beteekenis 303 

VI. Grieksch gebruik der casus bij dichters 305 

C. Verschillend gebruik der notnina in het Latijn en in 
onze taal. 

1. Het substantivum 305 

2. Het adiectivum 306 

a) Adiectiva adverbialiter of substantive gebruikt 306 

b) Comparatio der adiectiva 309 

3. Pronomina 311 

a) Pronomen personale 311 

b) Pronomen possessivum 312 

c) Pronomen reflexivum 312 

d) Pronomen demonstrativum 315 

e) Pronomen determinativum 316 

/) Pronomen relativum. 317 

g) Pronomen interrogativum 319 

h) Pronomen indefinitum 320 

i) Adiectiva pronominalia 321 

HOOFDSTUK II. 
Het verbum. 

A. Genera 323 

B. Tempora 325 

1) Praesens 326 

2) Imperfectum 326 

3) Futurum 327 

4) Perfectum 328 

5) Plusquamperfectum 330 

6) Futurum exactum 331 

7) De tijden in den briefstijl 331 

8) Coniugatio periphrastica . 332 

C. Modi. 

I. De indicativus 333 

II. De coniunctivus 

A. In hoofdzinnen 336 

1) De potentialis . . 336 

2) De optativus 337 

3) De (ad)hortativus 337 

4) De concessivus 338 

5) De dubitativus 338 

B. In afhankelijke zinnen 
a. zonder voegwoord 

1. na werkwoorden ■ • 339 

2. in afhankelijke vragen 340 

3. in relatieve zinnen 342 



INHOUD. 



XIX 



Pag. 

b. met voegwoord 

1. in causale zinnen 346 

2. in voorwaardelijke zinnen 347 

3. in concessieve zinnen 351 

4. in comparatieve zinnen 352 

5. in finale zinnen . . , , 353 

6. in consecutieve zinnen 357 

7. in tempOrale zinnen . 362 

la. in zinnen met cum 364 

c. Aanhangsel : Consecutio temporum 367 

III. De imperativus 372 

D. Verbum infinitum 373 

I. De infinitivus 374 

a. De enkele infinitivus . 375 

1°. als subject 375 

20. als object . 375 

b. De nominativus cum infinitivo 380 

c. De accusativus cum infinitivo 382 

1) De ace. c. inf. als object 384 

2) De ace. c. inf. als subject 389 

3) De ace. c. inf. en andere constr. bij dezelfde verba . 390 

4) Bijzonderheden in het gebruik van den ace. c. inf. . 394 

d. De tijden van den afhankelijken infinitivus . . 398 

II. Het participium 403 

a. Genus en tempus 403 

b. Het participium als bijzin 406 

1) Het participium coniunctum 406 

2) Het part, als hoofdbegrip, met de strekking van een 
subst. verb 408 

3) De ablativus absolutus .....411 

c. Het participium als aanvullende praedicatieve 
bepaling bij het object, en als praedicaatsnomen 416 

d. Adiectiveering en substantiveering v. participia 418 

1«. Adiectiveering 418 

2°. Substantiveering 419 

III. Het gerundivum en het gerundium 421 

1. Het gerundivum 423 

1° als participium necessitatis 423 

20 als part, praes. pass, (gerundivumconstr.) 426 

2. Het gerundium 427 

3. Het gebruik der casus obliqui v. h. gerundium 

en v. h. gerundivum in de gerundivumconstr. . 430 

IV. Het supinum 434 

E. Oratio obliqua 435 



XX 



INHOUD. 



Pag. 

HOOFDSTUK III. 
De particulae. 

A. Het adverbium 444 

1) Algemeene opmerkingen 444 

2) Bijzonderheden over de modale adverbia .... 446 

a) Negatieve 446 

b) Confirmatieve 449 

B. De praepositio 451 

C. De coniunctio ................. 455 

1) Copulativae 456 

2) Negativae 460 

3) Disiunctivae 463 

4) Adversativae. • 467 

5) Causales 472 

6) Conclusivae. , 479 

7) Interrogativae 480 

8) Ut. Quia .................. 488 

9) Temporales 494 

HOOFDSTUK IV. 

Tropen en figuren. 

1) Tropen 501 

2) Figuren. 

a. Grammatische figuren 502 

b. Rhetorische figuren. 

1) Verborum 505 

2) Sententiarum 508 

3) Aanhangsel: Onjuiste uitdrukkingen 509 

HOOFDSTUK V. 

WOORDSCHIKKING EN ZINSBOUW. 

A. Woordschikking. 503 

1°. Algemeene regels. 510 

2°. Bijzondere regels over de plaatsing v. d. afz. 

woorden 515 

B. Zinsbouw 521 



AANHANGSEL. 

Vertaling der voorbeelden 1* 

Lijst der aangehaalde werken ..... 79* 

Register*). 



*) Een uitvoerig register wordt zoo spoedig mogelijk afzonderlijk toegezonden. 



i 









. 



I N L E I D I N G. 



§ 1. Het Latijn is, wat den naam betreft, de taal der Latini of bewoners 
van de in Midden-Italie gelegen landstreek Latium, inderdaad is het de taal 
van eene Latijnsche stad : het oude Rome, die, tengevolge van de ver- 
overing der wereldheerschappij door de Romeinen, zich langzamerhand tot 
wereldtaal ontplooide. 

Het behoort, als een der oude Italische dialecten, tot de groote familie der 
Indo-Germaansche talen, en heeft in het bijzonder met twee van deze vele 
punten van overeenkomst : aan de eene zijde met het Keltisch, aan de andere 
met het Grieksch. 

Behalve het Latijn rekent men tot den Italischen taaltak, als zelfstandige groep 
voornamelijk het Oscisch, de taal der Samnieten, en het Umbrisch, beide 
uit enkele opschriften ons eenigermate bekend. Daarentegen is het Etruscisch, 
de taal der Etruriers, waarin wij meer dan 8000 inscripties bezitten (voor het 
grootste deel weliswaar alleen namen bevattend), vrij zeker noch eene Italische, 
noch ook eene Indo-Germaansche taal; voor het overige heeft men het tot nu 
toe trots zeer veel scherpzinnigheid slechts voor een klein deel kunnen ontcij- 
feren, en is het nog niemand gelukt, de verwantschap ervan met eenige andere 
taal te bewijzen ; veel verder dan de negatieve uitspraak van Dionysius van 
Halicarnassus : „De Etruriers zijn aan geen volk gelijk, noch in taal, noch in 
zeden", zijn ook wij in dit opzicht nog niet gekomen. 

Door de uitbreiding van Romes macht over Italie hebben de andere Italische 
dialecten,- die geen of althans bijna geen eigen letterkunde bezaten, moeten 
wijken voor het Latijn: vooral na het mislukken van de laatste poging der 
Italische volken tot behoud van hunne individualiteit, waarvan de bondge- 
nootenoorlog (90-88 v. Chr.) eene uiting was, zijn zij weldra geheel uit het 
gebruik verdwenen. 

§ 2. a) Als iedere levende taal, heeft het Latijn gedurende de vele eeuwen, 
dat het gesproken werd, tal van veranderingen ondergaan; veranderingen, 
welke ten slotte hebben geleid tot het ontstaan der zoogenaamde Romaansche 
talen van thans, die zich uit de (overigens in verschillende kringen en op ver- 
schillende plaatsen van het uitgestrekte Romeinsche rijk verschillend gesproken) 
populaire omgangstaal (het zoogen. vulgaire of volks-Latijn) hebben 
ontwikkeld. 

Deze veranderingen te beschrijven, is de taak der historische grammatica. 

Tot de Romaansche talen, die dus als dochtertalen tot het Latijn als moeder- 
taal, in dezelfde verhouding staan, als dit tot de Indo-Germaansche grondtaal, 

woltjer, Lat. Oramm. 6e druk. l 



INLE1DING. 



§§ 2-3. 



behooren hoofdzakelijk het Rumeensch, het ltaliaansch (niet te verwarren 
met het hiervoor genoemde Italisch), het Fransch, het Spaansch en het 
Portugeesch. 

Aanm. Het onderscheid tusschen het valgaire Latijn en de hoogere schrijf- 
taal openbaart zich in klankveranderingen en accentverschuivingen [bijv. "cinque 
(= quinque), Fr. cinq vijf ; *auscoltare (== auscultare), Fr. ecouter luisteren ; 
tenebrae (schrijft. te'nebrae), Fr. tenebres duisternis], in analogievormingen, in 
vereenvoudiging en nivelleering van de verbuiging en vervoeging, met name 
ook in den woordenschat die van de schrijftaal dikwijls aanmerkelijk ver- 
schilt ; ter iilustratie van dit laatste mogen de volgende voorbeelden dienen : 





Schrijftaal 


Valgair Latijn 


Fransch 


avond 


vespera 


sera (dies) 


soir 


been 


cms 


gamba (xa^nrf) 


jambe 


bron 


tons 


fontana 


fontaine 


hoofd 


caput 


testa 


tete 


mond 


OS 


bucca (wang) 


bouche 


paard 


equus 


caballus 


cheval 


schaap 


ovis 


vervex, berbix 


(berbis) brebis 


laag 


h u m i 1 i s 


bassus 


bas 


eten 


edere 


manducare (kauwen) 


manger 


dikwijls 


saepe 


subinde 


souvent. 



b) Wanneer wij hier van het Latijn handelen, hebben we echter niet het oog 
op deze gesproken taal, maar, althans in de eerste plaats op de veel minder en 
veel langzamer zich wijzigende, en daardoor van de spreektaal steeds meer ver- 
schillende hoogere schrijf- en literatuurtaal, zooals die ons hoofdzakelijk 
in de letterkundige voortbrengselen der oude Romeinen bewaard is. 

In deze schrijf- en literatuurtaal pleegt men, afgezien van enkele voor- 
literaire overblijfselen (fragmenten van cultusliederen en wetten), die - ofschoon 
gedeeltelijk in een jongeren vorm overgeleverd - uit het oogpunt van de 
geschiedenis der taal, natuurlijk groot belang hebben, maar voor ons doel van 
ondergeschikte beteekenis zijn, de volgende perioden te onderscheiden : 

10. de archaische periode (± 240— ± 80 v. Chr.); 

2«. de klassieke of gouden periode (± 80 v. Chr.— ± 14 n. Chr. [dood 
van Augustus]); 

3°. de periode van het zilveren Latijn (± 14— ± 117 n. Chr.); 

4°. de archa'iseerende periode (± 117— + 180 n. Chr.); 

5°. de periode van verval. 

§ 3. 10. De archaische periode is de periode van groei, van het 
begin der onder den bevruchtenden invloed der Grieksche beschaving opbloei- 
ende literatuur. Over het algemeen staat de schrijftaal in deze periode nog 
tamelijk dicht bij het gesproken Latijn ; vandaar dat het archaische Latijn een 
aantal verschijnselen gemeen heeft met het latere volkslatijn en met de Romaan- 
sche talen, die men in het klassieke Latijn tevergeefs zal zoeken. De uitste- 
kendste vertegenwoordigers dezer periode zijn PLAUTUS en Terentius, voor 
het proza ook Cato Maior. 



§§ 4-6. 



INLEIDING. 



§ 4. 2°. Haren hoogsten bloei bereikte de Latijnsche schrijftaal in de laatste 
jaren der Republiek en onder de regeering van keizer Augustus; deze tijd heet 
de klassieke of „gouden" periode. Voor ons doel is deze periode de meest 
belangrijke. In haar bloeiden de voornaamste schrijvers: Cicero, Caesar, 
Sallustius, Vergilius, Horatius, Ovidius enz.. Cicero vooral is onze 
rijkste bron voor het klassieke Latijn, daar hij de urbanitas, de beschaafde taal 
der oude aanzienlijke familien in Rome (in tegenstelling met den sermo plebeius 
of msticus), het zuiverst uitdrukt, en bij hem de voortreffelijke eigenschappen 
van het Latijn, kracht en waardigheid, logische juistheid en helderheid, het 
meest uitkomen. Met Cicero wedijvert in menig opzicht Caesar. 

Andere prozaschrijvers uit dien tijd zijn, wat de zuiverheid van taal betreft, 
minder navolgenswaardig : zij jagen naar effect, meer dan naar helderheid en 
juistheid van uitdrukking; dat effect trachten zij te verkrijgen, door archaismen 
(verouderde woordvormen en uitdrukkingen) en Graecismen te bezigen, zooals 
vooral Sallustius doer, of door de taal der dichters na te volgen, wat bijv. 
het eigenaardige van den stijl van Livius uitmaakt. 

§ 5. 3°. Op dezen bloeitijd volgde de periode van het „zilveren" Latijn, 
waartoe reeds Livius den overgang vormt. Onder de prozaschrijvers uit dit 
tijdperk zijn vooral te noemen : Seneca, Quintilianus, Plinius de jongere 
en Tacitus. Door de groote uitbreiding die het Latijn verkregen had, werden 
de taalvormen hoelangs zoo meer vermengd en verzwakt, terwijl de schrijvers 
door eenen rhetorisch gekunstelden stijl zochten te behagen ; de grenzen tus- 
schen poezie en proza werden dikwijls uitgewischt ; en met name verdwijnt de 
kunst van den periodenbouw (§ 682), waardoor het klassieke Latijn zich kenmerkt: 
over het algemeen geeft men aan korte, los aaneengevoegde zinnen de voor- 
keur. Overigens ging ieder auteur zijn eigen weg; een algemeene regel bestond 
er niet; reeds daardoor alleen zou het moeilijk zijn, deze periode tot voorbeeld 
te nemen. 

4°. In de archa'iseerende periode, die zich nauw aan de vorige aansluit, 
tracht men de literatuurtaal weer tot nieuw leven te brengen door het gebruik van 
allerlei woorden en uitdrukkingen uit het voor-Ciceroniaansch Latijn, waarbij 
tevens eene zekere minachting voor den klassieken stijl aan den dag gelegd wordt. 
De voornaamste schrijvers van dezen tijd zijn Gellius, Fronto, Apuleius. 



§ 6. 5°. Tegen het einde der 2de eeuw na Chr. begint voor de hoogere 
schrijftaal de periode van verval: in steeds sterkere mate dringen elementen 
der volkstaal, provincialismen en vulgarismen, in haar binnen, waarmede eene 
toenemende vermindering van de kennis der klassieke schrijftaal, verwording van 
den zinsbouw, verkeerd gebruik der buigingsvormen enz. hand in hand gaat. 
Toen de innerlijk verzwakte Romeinsche wereldmacht bezweek onder den druk 
der Germaansche volksstammen, moest ook de Latijnsche literatuurtaal de heer- 
schappij afstaan aan den eeuwen lang door haar teruggedrongen sermo vulgaris. 
Van beteekenis is deze laatste periode in de geschiedenis der oud-Latijnsche 
schrijftaal vooral door den toenemenden invloed der Christelijke schrijvers, 
als Tertullianus, Cyprianus, Augustinus en anderen, in wier kring ze zich 
nog het langst staande hield. 

Uit het gewone leven verdrongen, vindt de oude Latijnsche schrijf- en 
literatuurtaal eene toevlucht in de Middeleeuwsche kloosters, en leeft daar 

1* 



INLE1DING. 



§ 7. 



verder haar eigen leven. Eene werkelijk „doode" taal wordt ze eerst door het 
Italiaansche Humanisme, dat, door terug te keeren tot het Ciceroniaansch Latijn 
en navolging hiervan tot eisch te stellen, aan alle levende historische ontwik- 
keling een einde maakte. 

Min of meer kunstmatig geconserveerd is de Latijnsche schrijftaal als taal 
van wetenschap en Kerk, tot op onzen tijd in gebruik gebleven. 

§ 7. Onze kennis van het Latijn wordt voornamelijk geput: 

1°. allermeest uit de Romeinsche literatuur, voorzoover ze ons in 
afschriften (handschriften, libri manuscripti, codices) bewaard is; de alleroudste 
handschriften die wij bezitten, klimmen waarschijnlijk niet hooger op dan tot 
de 3de eeuw na Chr.. Buitendien hebben wij nog fragmenten van papyrusrollen, 
die te Herculaneum en in Egypte opgedolven zijn ; 

2°. uit de Romeinsche opschriften (inscriptiones) in steen en metaal, 
waarvan een enkele opklimt tot in de 5de of 6de eeuw v. Chr. ; 

3°. uit de mededeelingen der Romeinsche taalgeleerden {gram- 
matici). 



EERSTE DEEL. 
DE LEER DER KLANKEN EN LETTERGREPEN. 



HOOFDSTUK I. 

KLANKTEEKENS EN UITSPRAAK. 
A. KLANKTEEKENS. 

§ 8. De oude Romeinen gebruikten, om de klanken, die in hunne 
woorden gehoord werden, door teekens voor te stellen, een alphabet 
van 21 letters, wier naam en vorm (hoofdletters) overeenstemmen met 
die der onze welke eraan ontleend zijn. 

Klinkers: A, E, I, O, V(U). 

Medeklinkers: B, C, D, F, G, H, K, L, M, N, P, Q, R, S, T, X. 

Het klassieke Latijn kent 4 tweeklanken: EU (zeer zelden), AE, 
AU, OE. 

Aanm. 1. De Romeinen hebben hun alphabet aan de Chalcidische Grieken 
van Beneden-Italie ontleend, maar de namen der letters zelf gevormd. 

Aanm. 2. De J (eene verlengde I) en de W (eene dubbele V) werden 
door hen niet gebruikt; voor de U ell de V hadden zij slechts een teeken : 
V; Y en Z komen alleeh in vreemde, vooral in Grieksche, woorden voor. 

Tegenwoordig neemt men in de uitgaven der Latijnsche schrijvers ge- 
woonlijk de 1 als klinker en als medeklinker (J), maar de V als mede- 
klinker en de U als klinker; in enkele is echter de V consequent zoowel 
klinker als medeklinker. 

Aanm. 3. De C werd oorspronkelijk gebruikt, zoowel om den K-klank, 
als om den G-klank (§ 10, 2) voor te stellen: 'leciones 1 ) = legiones, *Cartaci- 
niensis = Carthaginiensis ; vandaar nog in het klassieke Latijn C. als 
verkorting voor den eigennaam Gains en Cn. voor Gnaeus. 

Het letterteeken G is (omstreeks 300 v. Chr.) door eene kleine wijziging 
van de C gemaakt, toen men den stemhebbenden keelklank (§ 22) door 
een teeken van den stemloozen wilde onderscheiden. 

Aanm. 4. De K werd in het klassieke Latijn slechts zelden gebruikt, 
met name als verkorting voor Kalendae de eerste dag der maand, Kaeso, 
een eigennaam, en kaput (kapittel); schrijft men deze woorden voluit, dan 
kan men K of C gebruiken: Kalendae (Kal.) of Calendae (CaL), Kaeso of 
Caeso, Kaput of Caput. Zoo ook Karthago en Carthago. 



1) Vormen, met een sterretje voorzien, moeten niet gebruikt worden. 



KLANKLEER. 



B. U1TSPRAAK. 



§§ 9-10. 



§ 9. Wij spreken over het algemeen het Latijn gewoonlijk 
uit even als onze eigene taal, doch dienen op de volgende 
bijzonderheden te letten: 

1° De c wordt voor a, o, u en au, voor medeklinkers en aan 
het einde der woorden, als k, voor andere klinkers en 
tweeklanken als s of ts uitgesproken: career kerker, spreek 
uit kartser; Caesar keizer; fac doe; Cyprus; centaarus. 

2° De i wordt uitgesproken als j, wanneer zij in 't begin van eene 
lettergreep voor een klinker staat, overigens als i: 
iam reeds, spr. uit jam; ieiunus nuchter, spr. uit jejunus; iocus 
scherts, spr. uit jocus; iudex rechter, spr. uit judex; coniungo ik 
voeg samen, spr. uit cdnjungo ; m a a r : praeteriens voorbijgaand, spr. 
uit prae-ter-i-ens; tenuia tengere, spr. uit te-nu-i-a. 

3° In de klankverbindingen -ngu-, gevolgd door een klinker, qu-, waarop 
altoos een klinker volgt, en sua-, sue-, wordt de u in den rege! 
als een medeklinker (w) uitgesproken: 

anguis slang, spr. uit angwis; lingua tong, spr. uit llngwa; 
languidus kwijnend, spr. uit langwidus; quldam een zeker iemand, 
spr. uit kwiedatn; quasi alsof, spr. uit kwasi; quoque ook, spr. uit kwokwe; 
suddeo ik raad aan, spr. uit swddeo; suavis aangenaam, spr. uit swavis; 
suetus gewoon, spr. uit sweetas; maar: arguo ik stel in het licht, 
spr. uit argu-o; sua zijne, spr. uit su-a. 

4° ti- luidt voor klinkers als tsi- : 

negotium zaak, ordtio redevoering, iustitia rechtvaardigheid, spr. uit 
jus-ti-tsi-a, distinctio onderscheiding, prudentius verstandiger; 
doch na s, t en x blijft de uitspraak -ti-: ostium monding, iustius 
rechtvaardiger (vergelijk iustitia), Bruttius ager het land der Bruttii, 
permixtio vermenging; zoo ook in totlus van den geheelen, spr.' 
uit too- tie- us. 

Aanm. Ook de oude infinitivi op -ier, als 'tidier steunen (= nltJ), 
behouden den zuiveren t-klank. 

50 De tweeklank oe wordt uitgesproken als de hollandsche klank eu, 
eu daarentegen als ui : prooemium inleiding, voorwoord, eheu ach ! 

6« Waar ie in het Latijn voorkomt, moeten steeds beide klinkers 
afzonderlijk worden uitgesproken, bijv.: dies dag, spr. uit di-es ; 
paries wand, spr. uit pdri-es; audiebam ik hoorde, spr. uit audi-eham. 

§ 10. De in de vorige § beschreven uitspraak sluit zich aan bij die van de 
Humanisten uit de 15de eeuw, en geeft dus althans tot op zekere hoogte 
de uitspraak weer van het Latijn in zijne laatste periode. 

Van deze humanistische uitspraak wijkt die der beschaafde 
Romeinen in den bloeitijd aanmerkelijk af. Over deze oud-Romeinsche 
uitspraak van het Latijn zij het volgende opgetnerkt: 



10. 



UITSPRAAK. 






1. De c werd altijd als k uitgesproken: career kerker (dus: karker); 
cellarium kelder; cerasus kers; Caesar keizer ; cista kist; arnicas, amlci; died, ditis; 
acer, acris; Kixsgmv = Cicero; nQiyxlma = principia; zoo vindt men op oude 
inscripties: *dekembres voor decembres; *pake voor pace; KHNSON = censum. 

2. De g klonk ongeveer als de g in het fransche garde, grand. 
Daar in den oudsten tijd voor den C- en den G-klank slechts het eene teeken C 
werd gebruikt (§ 8, A. 3) en ook de stemlooze en de stemhebbende gutturale 
explosiva (§ 22) in de uitspraak elkander nader kwamen dan later, is er dikwijls nog 
weifeling in de spelling van sommige woorden merkbaar : vicesimus en vigesimus 
de twintigste ; tricesimus en trigesimus de dertigste ; cygnus en eyenus zwaan x ). 

3. De h was eigenlijk geen zelfstandige klank, maar slechts eene 
adspiratie (aanblazing) van den klinker. De oude Romeinen gebruikten haar 
zelden ; ten tijde van Cicero verkeerde men in eene periode van overgang en 
in 't laatst van den keizertijd verdwijnt zij geheel. Niet zelden vindt men verschil 
in spelling: harena en arena zand ; have en are wees gegroet (maar avere ver- 
langen); ems en heras heer; Hadria en Adria eene stad in het gebied van Venetie. 

4. De i werd over het algemeen uitgesproken als bij ons. Somtijds wisselt i 
in de spelling met u (de oudere schrijfwijze) : zij geeft dan een klank weer, die 
tusschen (de Duitsche) u en i in lag (u) : clipeus en clupeus schild ; lubet en 
libet het lust, behaagt; nionumentum en monimentum gedenkteeken ; optimus 
en optumus de beste (vgl. onder 10). 

In woorden als Aiax, Galus, Pompeius, Trola, maior, eius, peior, waar de i 
tusschen twee klinkers staat, wordt zij uitgesproken als ij, dat is als eene i die 
overgaat in eene j (vgl. ons koeieri). 

Men schnjve: conicio, deicio, inicio, proicio, reicio, traicio, eicio, met eene 
enkele i, die men echter met eene zwakke j ervoor moet uitspreken. 

5. De m klonk zwak aan het einde van een woord, zeer zwak wanneer 
het volgende woord met een klinker begon (vgl. § 19, A. 3 c). 

6. De n werd uitgesproken als bij ons, ook voor een keelklank: ancora 
(ayy.vQa) anker, longas lang. 

7. De o werd over *t algemeen uitgesproken als bij ons. Voor 1 -+- conso- 
nant (niet in de verbinding -oil-) ging 6 in de uitspraak over in u ; na v bleef 
men echter nog tot aan den keizertijd o schrijven : vandaar volgus en valgus 
het gemeen, volt en vult hij wil, enz. 

Aanm. 1. In de klankverbinding vo- ging 6 in den loop der 2de eeuw 
v. Chr. in e over voor r, s en t: oud-Lat. vorsas naar, -waarts, wordt 
versus, vortere keeren vertere, vortex draaikolk vertex, voster uw vester, * voto 
ik verbied veto. 

S. De s werd uitgesproken ongeveer als bij ons; ook tusschen klinkers was 
zij stemloos; men schreef en sprak nog ten tijde van Cicero: caussa(= causa), 
cassus (= casus) enz. (vgl. § 24, 5°, b). Aan het einde van een woord werd zij 
zwak uitgesproken, zeer zwak na een korten klinker, wanneer het volgende 
woord met eene consonant begon. 

°. De t werd uitgesproken evenals in onze taal. De uitspraak van 
ti als tsi dagteekent eerst uit het laatst van den keizertijd ; 'de Romeinen in den 
tijd van Cicero en Augustus spraken ti in Tatius, iustitia enz., evenzoo uit 
als in tiara tulband. 



l) Hier en elders zijn de meeste gebruikelijke vortnen het eerst geplaatst. 



KLANKLEER. 



10. 






Daar onze handschriften echter uit de middeleeuwen stammen, toen ti als tsi 
werd uitgesproken, is van eenige woorden de spelling onzeker geworden of bedorven. 

Men schrijve: nuntius bericht (niet nuncius), nuntiare berichten (niet 
nunciare), contio vergadering (niet concio); maar: condicio voorwaarde 
(niet conditio), convicium scheldwoord (niet convitium), solacium troost 
(niet solatium), subditicius ondergeschoven (niet subdititius), enz.. 

10. a) De u werd, wanneer zij klinker was, in den regel uitge- 
sproken als onze oe; de korte u had eenen klank, wat meer overhellende 
naar de o, als in het Duitsche Butter, Luft; in den ouden tijd vindt men ook 
'ioudex voor iudex, "abdoucit voor abducit, *Loucana voor Lucana. 

Buitendien kent het Latijn ook den klank u, uitgesproken als onze u in. 
ureti; in de oudere periode werd hij door u, in de latere door i (y) voorge- 
steld (vgl. onder 4). 

Wanneer s, g, q voorafgaan en een klinker in dezelfde lettergreep volgt, 
dient de u om een doffen w-klank voor te stellen : unguentum zalf, reliquus overig. 

b) De v klonk zachter dan bij ons, bijna als de Engelsche w: vims wijk, 
dorp; vinum wijn. 

Tweeklanken. 

11. De tweeklank ai was in den klassieken tijd reeds in ae overgegaan, 
ofschoon hij bij dichters, die van ouderwetsche vormen houden, in grafschriften, 
op munten enz. ook dan nog voorkomt ; zoo staat Romae te Rome, voor 'Romai, 
aedilis een overheidspersoon (bouwheer), voor *aidilis, enz. ; ook ae werd echter 
eerst nog als tweeklank uitgesproken (a + e, ongeveer gelijk in het Duitsch ai). 
Eerst in den keizertijd werd de uitspraak van ae als monophthong, die ook 
wij nog volgen (als open e, in onderscheiding van oorspronkelijk e, dat ge- 
sloten was), algemeen. 

12. Evenzoo is de tweeklank oi in oe overgegaan (uitgesproken als onze 
eu (zie § 9, 5°)) ; oe ontwikkelde zich meestal verder tot u : "oinos, *oenus, 
firms; het blijft echter bijv. in foedus verbond. 

Dikwijls worden in de spelling onzer handschriften ae, oe en e venvisseld. 
Men schrijve: 



oboedire gehoorzamen (meiobedire); 
obscenus gemeen (oudere vorrn ob- 

scaenus) ; 
proelium gevecht (niet praelium); 
scaena tooneel (niet scena). 



caelebs ongehuwd (niet coelebs); 
caelum hemel (niet coelum); 
cena maaltijd (niet caena of coena); 
ceteri de overigen (niet caeteri); 
fetus vrucht (niet foetus) ; 
maestus treurig (niet moestus); 

13. De tweeklank ei had in den klassieken tijd niet meer de uitspraak 
van onze ei (behalve in hei ach !), maar was langzamerhand (over gesloten e) 
in I overgegaan : died ik zeg, uit *deico (vgl. Gr. Seixwfii). In het schrift hield 
ei zich echter nog geruimen tijd staande, en werd nu zelfs ook voor oorspr. T 
geschreven. Vandaar ook later nog vormen als "omneis voor oninis {prunes) alle, 
*heic voor hie hier, enz.. 

14. De tweeklank au werd uitgesproken als bij ons. In de volkstaal 
ging hij vroeg in 6 over. 

Aanm. 2. Ou komt in klassiek Latijn niet voor: daarvoor staat u (zie onder 10). 

15. De tweeklank eu komt slechts in enkele woorden voor, als: heu, eheu 
ach !, neu = neve en opdat niet, sen = sive of indien, ceu gelijk, neuter 
geen van beide, neutiquam geenszins. 



§ 11. 



KLINKERS. 



16. De klankverbinding ui is door de Romeinen nooit algemeen als 
tweeklank erkend; zij komt slechts voor in huic en cui. 

Aanm. 3. Uit het bovenstaande blijkt, dat men eigeulijk niet kan spreken 
van de uitspraak van het Latijn : het werd (afgezien van plaatselijke ver- 
schillen) in de verschillende perioden evenmin gelijk uitgesproken als het 
Nederlandsch. Eene wetenschappelijke uitspraak van het Latijn zou derhalve 
meebrengen, dat men Cicero op eene andere wijze uitspreekt dan eenen 
schrijver van de 5de eeuw n. Chr., en bij den eersten jus-ti-ti-a zegt, bij den 
laatsten jus-ti-tsi-a. 

Aangezien dit natuurlijk niet gaat, moet men met het oog op de praktijk 
eene keuze doen. 

Thans willen niet weinigen weer tot de Ciceroniaansche uitspraak terug- 
keeren, en dus c steeds als k, u als oe, ti altijd als ti spreken. Ofschoon 
dit op zich zelf gerechtvaardigd is en met het oog op de klankleer veel 
voor heeft, is het, strikt genomen, niet veel minder willekeurig, dan dat 
men de Humanistische uitspraak tot maatstaf neemt; bovendien is het voor 
ons toch niet meer mogelijk, geheel zoo te spreken, als de oude Romeinen 
in den bloeitijd. 



HOOFDSTUK II. 

DE KLINKERS EN HUNNE VERAN DERIN G EN. 
A. A'ERDEELING DER VOCALEN. 

§ 11. A. Wat den duur (quantiteit) betreft, zijn de Latijnsche 
klinkers (lltterae vocdles) van nature lang (longae) of kort (breves). 
In het schrift werd het onderscheid tusschen deze beide door de Romei- 
nen gewoonlijk niet uitgedrukt, zoodat a zoowel a, als aa weergaf. 

Thans pleegt men in linguistische werken de lange klinkers aan te 
duiden, door het teeken — erboven te plaatsen, de korte door y : 
a, e, I, 6, u; a, e, i, 6, u. 

In dit boek zal in den regel alleen het eerste, zoo noodig, geschieden; 
in twijfelachtige gevallen heeft men dus de klinkers zonder teeken voor 
kort te houden. 

Lang uitspreken heet producere, kort uitspreken compere. 

Aanm. 1. a) Somtijds wordt door de dichters een klinker nu eens 
lang, dan weer kort gebruikt; men noemt zulk een klinker dan veelal 
anceps dubbel, twijfelachtig, onbepaald. Ook in dit geval heeft men 
echter met werkelijke korte en lange klinkers te doen: eene „onbe- 
paalde" quantiteit bestaat niet; en ook kent het Latijn geen „tusschen- 
quantiteit". Het begrip anceps hoort thuis in de metriek: wanneer dichters 
eenzelfden klinker nu eens lang, dan weer kort meten, maken zij gebruik 
van de omstandigheid, dat sommige klinkers in verschillende perioden van 
de taal eene verschillende quantiteit hadden (zoo ambo en ambo, ook mihl 
en mihi), of ook twee van huis uit verschillende vormen naast elkaar be- 
stonden (zoo pro- (uit pro(d)-) en pro-) ; in patris naast patris e. d. eindelijk 
is niet de quantiteit van den klinker, maar van de lettergreep anceps: 



10 



KLANKLEER. 



§§ 12-13. 



de klinker is en blijft kort, maar de korte lettergreep (pa-tris) kan door 
„positie" lang worden (pat-ris): vgl. § 32. 

b) Volgens de theorie der oude grammatici en metrici is, althans in de 
poezie, de verhouding van een langen tot een korten klinker als die van 
een halve noot tot een kwartnoot in de muziek, dus als van 2:1. Aan deze 
theorie houdt men gewoonlijk nog vast. Inderdaad geven echter de termen 
lang en kort geene bepaalde tijdsverhouding aan, en zijn niet alle lange 
klinkers even lang, alle korte even kort. 

Aanm. 2. De Romeinen lieten het verschil in lengte (niet te verwarren 
met den klemtoon: § 43) duidelijk hooren, maar in onze uitspraak wordt 
het dikwijls verwaarloosd, zoodat men leest: non est enim ullo modo 
dubium quin, qui bonos consules habent, melius agant, terwijl het moest 
zijn : non est enim ullo modo dubium quin, qui bonds consules habent, 
melius agant, bijna juist het omgekeerde dus. 

Aanm. 3. Gelijk uit inscripties blijkt, werd ook door de oude Romeinen 
de lengte van eene vocaal een enkel maal in het schrift weergegeven: zoo 
vindt men schrijfwijzen als paastores, ivvs, en dgl.. 

§ 12. B. Naar den stand der tong bij het spreken kunnen de vocalen 
op tweeerlei wijze verdeeld worden: 

1" in voorklinkers en achterklinkers, naargelang de tong bij het vormen 
ervan naar voren geschoven of teruggetrokken wordt; men gaat bij deze 
indeeling uit van de a, die met slap op den bodem der mondholte lig- 
gende tong gesproken wordt; 

20 in open en gesloten klinkers, naarmate de afstand tusschen tong en 
gehemelte bij het vormen ervan grooter of kleiner is. Open en gesloten 
zijn geen absolute begrippen : tusschen beide zijn tal van overgangen 
mogelijk; het meest open is de a, waarbij de lucht zonder eenige belem- 
mering uit kan stroomen, het meest gesloten \ en u, waarbij de luchtstroom 
tusschen tong en gehemelte slechts een nauwen doorgang heeft. 

We verkrijgen dus het volgende schema: 

Tong 

naar voren geschoven teruggetrokken 

I u 

1 u 

e 6 

e 6 



B. VERANDERINGEN DER VOCALEN. 

§ 13. In den loop van de geschiedenis der Latijnsche taal hebben 
zoowel de klinkers als de medeklinkers velerlei veranderingen ondergaan. 

Om deze veranderingen te begrijpen, moet men zich zooveel mogelijk los- 
maken van het schriftbeeld, en uitgaan van de gesproken taal: ze zijn niet 
opzettelijk geschied, maar onbewust en mechanisch, meestal onder den 
invloed van andere naburige klanken, van het accent, enz.. 

In verband hiermede zijn ze niet nu eens ingetreden, dan weer achterwege 





a 






tu 


OJ 






g 






kleinst — 


'3 


o 


CD 




\-+ 








d 




<u 




<U 


£ 


s 




,£3 


<u 




CJ 


,jh 






t/> 


CJ 






Cfi 


Cfi 








t/5 


be 


grootst — 



§ 13. 



KLINKERS. 



11 






gebleven, maar hebben zich in eene zelfde periode van de taal onder dezelfde 
voorwaarden steeds op gelijke wijze herhaald (klankwetten). 

Schijnbare afwijkingen van dezen regel zijn voor het grootste deel te danken 
aan de werking der analogie, d. i. de neiging, om woordvormen die in functie 
of beteekenis verwant zijn, ook uiterlijk op elkaar te doen gelijken. De analogie 
speelt vooral op het gebied der verbuiging en vervoeging eene belangrijke rol. 
Vgl. de voorbeelden in § 15, A. 4 en § 27, A. 2. 

Het is niet mogelijk, hier al deze veranderingen te bespreken; slechts de 
belangrijkste zullen we opnoemen, en wel in dit hoofdstuk die van de klinkers, 
in het volgende die van de medeklinkers. 

Aanm. De hier bedoelde veranderingen, die de klinkers in dezelfde 
woorden ondergaan hebben in den loop van de ontwikkeling der Latijnsche 
taal zelve, mogen niet worden verward met de door het Duitsche woord 
„AbIaut" (apophonie) aangeduide klankwisselingen, of beter: klank- 
verschillen, in verschillende woorden, die, evenals in andere Indo-Ger- 
maansche talen, ook in het Latijn aangetroffen worden. 

Men verstaat hieronder de zich tusschen woorden of woordvormen 
die van denzelfden wortel afgeleid zijn of tot hetzelfde para- 
digma behooren, vertoonende verschillen in klinkers (of twee- 
klanken), welke niet eerst in het Latijn zijn ontstaan, maar, blijkens het 
bestaan van gelijke verhoudingen in verwante talen, reeds in de Indo- 
Germaansche moedertaal aanwezig zijn geweest en daaruit 
door het Latijn meegebracht zijn. 

In het Latijn zijn van deze klankwisseling nog slechts geringe sporen 
over; in het Nederlandsch vindt men haar met name in de vervoeging der 
sterke werkwoorden : nemen, nam, namen, genomen; zingen, zong, ge- 
zongen, (zang). 

De klinkers kunnen verschillen in duur (bijv. e — e) of in hoedanig- 
heid (e — 6) of in beide (e — o); ook kan de klinker geheel ontbreken. 

Voorbeelden: 
e — 6 : tego ik bedek — toga; fern ik draag — /ore toeval ; 

e — niets : gen-ui perf. van gi-gn-b ik breng voort (gi-gn-o dus 

niet met syncope uit *gi-gen-o, dat in het Latijn 
nooit bestaan heeft 1); sedeo ik zit — sldo (uit 
*si-sd-o) ik ga zitten; decet het past — disco 
(uit *di-dc-sco) ik leer ; es-t hij is — s-unt zij zijn ; 
T (uit ei) — oe (uit oi) : ft do ik vertrouw — foedus verbond ; 
T (uit ei) — "J ; ffdo — fides trouw ; 

u(uiteu) — u : duco ik leid — dux, duels aanvoerder; 

e — e : sedeo ik zit — perf. sedt, sedes zetel; ped-is gen. 

van pes (uit *ped-s) voet ; etno ik koop — perf. 
emi; lego ik lees — perf. legi, lex, legis wet; 
o — 6 : vdeo ik roep — vox, vocis stem ; fodio ik graaf — 

perf. fodi; 
a — a : paciscor ik ga eene overeenkomst aan — pax, 

pads vrede; 
a — e : facio ik maak — perf. feci, enz.. 

Terwijl dus bijv. confectus uit een ouderen Latijnschen vorm *confactus 
ontstaan is (§ 15), zijn klankverschillen als die tusschen facio en feci, pes 
en pedis, gigno en genui, van meet af aan in het Latijn voorhanden geweest 



12 



KLANKLEER. 



§§ 14-15. 



De veranderingen, die de klinkers in de geschiedenis der Latijn- 
sche taal ondergaan hebben, betreffen deels hunne quantiteit, deels 
hunne hoedanigheid. 

De voornaamste ervan zijn de volgende: 

§ 14. l) Verlenging door „schadeloosstelling" (vocaalrekking). 

Dikwijls ging het verdwijnen van eene consonant voor eene andere (§ 23 vlgg.) 
gepaard met verlenging van den voorafgaanden klinker. Men spreekt dan 
van schadeloosstelling of vergoeding in quantiteit, ook van vocaal- 
rekking, omdat de stembandtrillingen van de verdwenen consonant (die, indien 
ze niet stemhebbend (§ 20) was, dit, voor ze uitviel, steeds eerst geworden is 
(§ 24, A. 2)) dan bij de voorafgaande vocaal getrokken worden. Vgl. § 33. 

Voorbeelden: 

a) idem dezelfde (uit *isdem), nidus nest (uit *ni-sd-os, eig. „neder(«/-)- 
zetling (sd- bij wortel sed- zitten : § 13 Aanm.)), egenus behoeftig (uit *egesnos : 
vgl. egestds), pbno ik plaats (uit *pos(ijno), sedecim 16 (uit *sexdecem), 
pone achter (uit *pds(t)-ne), examen zwerm (uit*exag-s-men), amitto ikverlies 
(uit *aps-mitto), sumo ik neem (uit *sups(e)mo); ala vleugel (uit "dcsla, 
eig. draaipunt : vgl. het deminutivum axilla oksel [uit *acslola\), velum 
zeildoek (uit "vecslom : vgl. vexillum vlag) ; 

b) pedes (ace. plur.) voeten (voor *pedens), lupos [ace. plur.] wolven 
(voor *lupons) ; 

c) quirii ieder vijf (uit *quincnoi), coniveo ik sluit de oogen (uit *con- 
cniveo), tradiico ik voer over (uit trans-diico), enz.. 

2) Verkorting voor eene andere vocaal. 

Omgekeerd wordt eene lange vocaal, waaraan geen vocaal voorafging, 
verkort, wanneer zij voor eene andere vocaal komt te staan en niet met 
deze samentrekt. Zie §§ 34 en 35. 

§ 15. 3) Verzwakking en uitstooting van korte vocalen onder 
invloed van het prae-historische intensiteitsaccent. 

Oorspronkelijk moet het Latijn een intensiteitsaccent gehad hebben, dat 
steeds op de eerste lettergreep der woorden stond (§43). Bij het begin der 
liieratuur is dit accent verdwenen, maar zijne werkingen kunnen we nog bespeuren 
in het Latijnsche klanksysteem : doordat nl. de eerste lettergreep sterker uitgespro- 
•ken werd, maakte men onwillekeurig de tweede zwakker; en ten gevolge hiervan 
ondergingen korte klinkers in zulke middenlettergrepen (die dus 
oorspronkelijk zonder accent waren) ingrijpende veranderingen, die voor de 
Latijnsche taal kenmerkendzijn. Deze veranderingen zijn van tweeer lei aard: 

A) wijziging van de hoedanigheid (den klank), waardoor de meer open 
klinker in een minder open klinker overgaat („Umlaut"); 

B) uitstooting van klinkers tusschen twee medeklinkers (syncope). 

A) Umlaut. 

Dikwijls volgden op de verzwakking der klinkers onder invloed van het 
accent, later nog andere, hiervan onafhankelijke veranderingen; zoo werd 
ten gevolge van het accent a voor twee consonanten tot e, maar onaf- 
hankelijk van het accent e voor ng tot T, dus "confrango eerst *confrengo, 
later confringo; we kunnen deze veranderingen hier niet afzonderlijk be- 
spreken, maar geven alleen het eindresultaat van alle tezamen: 



§ 15. 



KLINKERS. 



13 



1. a wordt T voor eene consonant (behalve r) en voor ng, e 
voor r en voor twee consonanten, u voor 1 + consonant: 

ago ik voer — exigo ik voer uit; facio ik doe — perficio ik 

volbreng, beneficus weldadig; amicus vriend — inimicus vijand; 

cado ikval — pert, cecidi; facilis gemakkelijk— - difficilis moeilijk; 

tango ik raak aan — attingo ik raak aan ; 

pario ik breng voort — pert, peperi, reperio ik vind ; /actus 

gedaan — perfectus voltooid; parco ik spaar — pert, peperci; 

scando ik stijg — conscendo ik bestijg; annus jaar — biennium 

twee jaar; 

salto ik dans — insulto ik beleedig; 

2. e, waaraan geen i voorafgaat, wordt T voor eene conso- 
nant (behalVe r): 

lego ik verzamel, lees — colligo ik verzamel; teneo ik houd — 
contineo ik houd bijeen; miles soldaat — gen. mllitis; 

3. ae wordt T, au wordt u: 

caedo ik vel — pert, cecidi, concido ik houw neer; quaero ik zoek — 
inquiro ik onderzoek; claudo ik sluit — includo ik sluit in; 

4. av en ov worden u: 

lavo ik wasch — eluo ik wasch uit; novus nieuw — denuo opnieuw; 

5. o wordt i (of e, wanneer reeds eene i voorafgaat: § 17) voor 
eene consonant (behalve 1), u voor twee consonanten, en 
voor 1 (mits geen andere klinker voorafgaat): 

ilico (voor *ln (st)locd) terstond ; bonitds goedheid (voor *bono-tds). 

Aanm. 1. Wanneer de klinker van de middenlettergreep, 'tzij a, e of o, 
gevolgd wordt door een labiaal (p, b, f of m : § 21), verandert hij soms 
in u (niet in i): capio ik neem — occupo ik bezet, maar anticipo ik neem 
vooruit; auceps vogelaar — gen. aucupis, maar princeps eerste — prin- 
cipis, enz.. 

Aanm. 2. Op lange klinkers heeft het intensiteitsaccent over het algemeen 
geen invloed gehad: labor ik glijd — delabor ik glijd af (*deldbor); 
cedo ik ga — concedo ik wijk; adactus part. perf. van ad/go (voor *adago) 
(naast affedus van officio (voor *affacio)), enz.. 

Aanm. 3. Gelijk men ziet, komt de hier bedoelde verzwakking vooral 
voor in de wortelsyllabe van het grondwoord in composita (samenstel- 
lingen), bijv.: facio — conficio; dit ligt ook in den aard der zaak, omdat bij 
samenstelling de wortellettergreep dikwijls ophield, de eerste te zijn, en 
daardoor het accent (dat steeds op de fegwzsyllabe stond) moest verliezen: 
scdndo, maar *conscando. Het spreekt echter evenzeer vanzelf, dat de ver- 
zwakking zich niet tot deze gevallen beperkt. 

Aanm. 4. Dikwijls is de verzwakking achterwege gebleven (of de 
onverzwakte klinker hersteld): 

1°. onder invloed van de gelijke vocaal der beginlettergreep (eene soort 
assimilatie: § 17): al&cer vlug (in plaats van *alicer), gen. alacris (in pi. 
v. *alecris), calamitas onheil (in pi. v. *calimitas), seges zaadveld, gen. 
segetis (in pi. v. "segitis), intellego ik begrijp (tegenover colligo); 

2°. vooral door analogie (§ 13): composita richten zich dikwijls 
naar het simplex: circumago, comparo, adlego, appeto, circumsedeo, ad- 
haereo, exaudio, enz.; zoo bijna altijd, wanneer de stamvocaal 6 is: steeds 



14 



KLANKLEER. 



§ 16. 



invoco, adrogo, colloco, perfodio, enz. ; in de verbuiging richten zich 
de andere naamvallen dikwijls naar den nominat. : zoo tempus tijd (ouder 
*tempos), gen. tempdris (rnaar e in het adv. temperi ter rechter tijd), 
Caesar, gen. Caesaris, enz. ; 
3°. in composita die eerst later zijn ontstaan. 

B) Syncope. 

In andere gevallen werd eene korte vocaal in eene middenletter- 
greep geheel uitgestooten : 

dexter rechtsch (uit *dex(i)teros), surgd ik sta op (uit *surr(e)gb\ 

pergd ik ga voort (uit "per-r(e)go), sumo ik neem (uit *sups(e)md: 

§ 14), quindecim 15 (uit *quinqu(e)decem), tegmen bedekking (naast 

tegimen), iiinior jonger (uit *iuv(e)nior), pdno ik plaats (uit *po-s(i)no), 

de perfecta reccidi, repperi, reppuli, rettuli (voor *rec(e)cidi enz. : 

§ 235, A. 4), supra boven (maar superus), prlnceps de eerste (uit 

*prim(o)caps), enz.. 

Aanm. 5. Dikwijls bestaan de gesyncopeerde en de ongesyncopeerde 

vormen naast elkander : zoo bij Plautus meer purigare reinigen, dan pur- 

gdre, meer valide zeer (eig. krachtig), dan valde; zoo sinistera linker- (vr.) 

en sinistra, enz.; veelal zijn dan de gesyncopeerde vormen de vlugger 

gesprokene, meer vulgaire; de niet-gesyncopeerde meer de deftige, lang- 

zamer gesprokene. 

Aanm. 6. Gewoonlijk wordt door syncope het woord eene lettergreep 
korter, bijv. aetds leeftijd, uit *aevitds; wanneer echter aan de verdwenen 
vocaal een op eene consonant volgende r (ook een 1) voorafgaat, kan deze 
de plaats van de vocaal innemen : men schrijft dan -er- : zoo wordt uit 
*sdcr(o)ddts eerst *sdcrdbs, dan sacerdos priester (eig. offergever), uit 
*agr(o)s eerst *agr(s), dan ager akker ; vgl. ook imberrtgmbiu, uit *imbr(i)s, 
deer scherp uit *dcr(i)s, enz.. 

Aanm. 7. Niet altijd is de syncope een gevolg van het prae-historische 
accent: zoo is in disciplina onderricht, leer (voor " ' discipulind) het uit- 
vallen van de u daaraan toe te schrijven, dat zij onder het historische 
accent (§ 44), onmiddellijk voor de lettergreep stond, die het accent had. 

§ 16. 4) Veranderingen der klinkers in eindlettergrepen. 

Ten deele] onafhankelijk van het intensiteitsaccent der eerste syllabe hebben- 
de klinkers in eindlettergrepen soortgelijke veranderingen ondergaan, die 
vooral met het oog op de verbuiging en vervoeging van belang zijn. 
a. Veranderingderhoedanigheid van korte klinkers en tweeklanken* 

Eene l aan het einde van een woord ging veelal over in e: 

mare zee (voor *mari), forte neutr. van fortis sterk. 

Eene e voor eene s of t als eindconsonanten ging veelal over 

in i: consults gen. sing. v. consul (voor "consules: § 59, A. 1), senbis gij 

schrijft (voor "scribes: § 186). 

Eene 6 voor eene eindconsonant werd veelal u: servus slaaf 

(uit * servos), bellum oorlog (uit *bellom). 

De tweeklanken ai, oi en ei gingen over in T: mensis aan de 

tafels (uit *mensais), servi slaven (uit "servo/), servls aan de slaven (uit *servois). 
Aanm. 1. Mensae (gen. en dat. sing., nom. plur.) is niet uit "mensai,. 
maar uit een oorspr. "mensai ontstaan: vgl. § 91 a. 



§§ 17-18. 



KLINKERS. 



15 



b. Verkorting van lange klinkers. 

Eene lange vocaal voor eene eindconsonant (behalve s) in meer- 
lettergrepige (soms ook in eenlettergrepige) woorden werd verkort: animal 
levend wezen, dier, gen. animalis, pictor schilder, gen. pictoris, rem ace. 
van res zaak; lauddbat hij prees (vgl. lauddbatur), enz.. Zie verder § 41. 

c. Verdwijning van korte klinkers: 

1° voor eene eindconsonant: T valt dikwijls uit in den nom. sing, van 
i-stammen op -s: pars deel (uit * partis), mens geest (uit * mentis), enz.; 
zoo ook de 6 in *agros e. d. : vgl. § 15, A. 6; 

20 aan het einde van een woord (apocope) : die zeg (voor *dlce), due voer 
(voor *duce), animal dier (voor *animdli), neu en opdat niet (naast neve), enz... 
Aanm. 2. Over apocope voor een beginklinker van een volgend 
woord (elisio) vgl. § 19, 2. 

Aanm. 3. Ut opdat, is niet door apocope uit uti ontstaan, maar is 
een zelfstandige vorm naast uti. 

5) Anaptyxis (ontplooiing). 

Tusschen eene muta en eene liquida of nasalis (hoofdzakelijk eene 1) heeft 
zich dikwijls eene u of i ontwikkeld, zoo met name in de suffixen -clum en -blum: 
pdculum drinkbeker (oudere vorm pdclum), saeculum geslacht, eeuw (oudere 
vorm saeclum), nebula nevel (uit *nebla), stabulum stal (uit *stablom); voorts 
facilis gemakkelijk (uit *fac-lis), stabilis vast (uit *stablis), postulo ik eisch 
(uit *postld). 

Aanm. 1. In vele gevallen is moeilijk uit te maken, of de langere vormen 
uit de korte zijn ontstaan door anaptyxis, of de kortere uit de langere 
door syncope, het tegendeel der anaptyxis. 

Aanm. 2. -Een soort anaptyxis heeft men ook in ager akker (uit 
*agr) e. d.; zie § 15, A. 6. 

§ 17. 6) Assimilatio (gelijkmaking). 

Twee verschillende klinkers, die naast elkander of althans in twee 
op elkander volgende lettergrepen voorkomen, worden in de uitspraak 
dikwijls aan elkander gelijk gemaakt: 
nihil niets (voor *ne-hilum [van de oude ontkenning ne (= nori) en hllum 
draad, vezeltje, dus: geen vezeltje, niet het geringste], *ne-hil); nisi indien niet, 
(voor *ne-si); consilium raad (voor "consulium: vgl. consul, consulo); familia 
personeel, gezin (voor "famelia, collectivum van famulus slaaf [uit *famolos}) ; 
socors dom, stomp (voor *se-cors : vgl. §30; se- bij vorm van se); tugurium hut 
(voor 'tegurium, van tego ik bedek); homo mensch (oud-Lat. *hemo); voorts in 
momordi, poposci e. d. (vgl. § 234), ook in ii (voor *ei), perf. van eo ik ga, enz.. 
7) Dissimilatio (ongelijkmaking). 

Dat. omgekeerd twee op elkander volgende gelijke klinkers ongelij k(soortig) 
gemaakt worden, komt zelden voor; men vindt het wellicht in alienus vreemd 
(voor *ali-inus, van alius ander), waarin -i-e- voor -/-/- (vgl. masculinus e. d.), 
en in pietds vroomheid (voor *pi-itas), societas bondgenootschap (voor *soci-itas) 
e. d., waarin -i-e- voor -/-/- staat (vgl. novitds nieuwheid e. d.). 

§ 18. 8) Verwijdering van hiatus. 

Hiatus (eig. gaping), d. i. het op elkander stooten van twee tot 
verschillende lettergrepen behoorende klinkers, kon in het Latijn vooral 



16 



KLANKLEER. 



§ 19- 



i 



§ 19- 



KLINKERS. 



17 



■door twee oorzaken ontstaan: 1°. door latere samenkoppeling van oor- 
spronkelijk zelfstandige elementen (bijv. neuter uit tie en uter); 2°. voornamelijk 
door het uitvallen van eene h of v (ook wel eene j) tusschen twee vocalen. 

Evenals andere talen zocht het Latijn den hiatus zooveel mogelijk 
te verwijderen. Het deed dit : 

A) meestal door contracts"*} (sam en trekking) van de twee klinkers; 

B) soms ook door elisio (uitstooting) van een van beide. 

§ 19. A) Contractio (samentrekking van twee klinkers). 

Wanneer in een woord twee klinkers naast elkander'komen, worden zij dik- 
•wijls samengetrokken tot een langen klinker of tweeklank. 

Uit twee gelijke klinkers ontstaat de overeenkomstige lange; de samen- 
trekking van twee ongelijke klinkers laat zich niet in een algemeenen regel 
samenvatten : 

a) gelijke vocalen: latfina waschruimte (uit *ldvdtrina), nemo niemand (uit 
*ne-hemo: vgl. § 17); nil niets (naast nihil: § 17); blmus tweejarig (uit 
*bi-himos, bij hiems, dus eig. van twee winters), tibicen fluitspeler (uit *tibiicen), 
copia voorraad, vermogen (uit *co-opia), proles kroost (uit *pro-oles); ook 
praetor praetor (uit *prai-itor, eig. voorganger, aanvoerder), praebed ik ver- 
schaf (uit *prai-hibeo) ; 

b) ongelijke vocalen: cogo ik breng samen (uit *co-ago), comb ik orden 
(uit 'co-emo), dego ik breng door (uit *de-agb), coetus samenkomst (uit 
"c6-itus), neuter gem van beide (uit *ne-uter), maloW wil liever (uit *mavolb). 

Aanm. 1. Niet zelden blijft samentrekking a chterwege: zoo steeds 
in de klankverbindingen / + i, I, 6 of u, en it + a, e, / of 6 (omdat hier 
in de uitspraak de hiatus verdween door het ontstaan van een overgangs- 
klank: plus vroom : spr. uit pi-j-us, pluit het regent: spr. uit plu-v-it); in 
e + a en e+ 5; voorts in co-egi (perf. bij cogo), coalesco ik groei samen, 
deesse ontbreken, en dgl. (door analogie). 

Aanm. 2. In gevallen als. neuter, nemo, enz., waarin de samengetrokken 
klinkers tot twee afzonderlijkewoorden behoorden, spreekt men ook 
van crasis (vermenging). 

Aanm. 3. d) Niet te verwarren met de contractio is de synizesis 
(samensmelting), d. i. de bij dichters voorkomende vrijheid, waardoor 
twee in hetzelfde woord op elkander volgende klinkers voor het metrum 
(de versmaat) als een enkele lettergreep worden geteld (en uitge- 
sproken), zoodat het woord een lettergreep korter wordt. Daarbij doen 
zich twee gevallen voor: ^ ^ 

10. door de synizese ontstaat een echte tweeklank; bijv. deinde, dehinc 
daarna, rel van de zaak; er is dan geen wezenlijk onderscheid tusschen 
synizesis en contractio (crasis); 

20. de beide klinkers smelten niet samen in de uitspraak, maar de eerste 
wordt min of meer als consonant uitgesproken *) : zoo alveo (alveo)door 
de bedding, aureS (aurea) gouden (abl. sing, fem.), abiete (abjete) door 
dennenhout, genua (genva) knieen, tenula (tenvia) tengere, enz. Men spreekt 
in dit geval ook van synaeresis of samenvatting. 






1) In taalkundige werken duidt men dit aan, door 
<bijv. / = j). 



onder een klinker te plaatsen 



De dichters vonden voor deze vrijheid steun in de levende taal, waarin 
de klankverbindingen -lu- en -ru-, wanneer zij het accent niet hadden, 
tot -lu- en -ru- werden: vgl. milvus (ouder niiluus) wouw, larva 
(ouder larua) spook, solvo (uit *se-luo) ik maak los, volvb (uit *veluo: 
vgl. Gr. (f)slvco) ik wentel, enz.. 

b) Het tegengestelde van de synaeresis is de diaeresis of distractio 
(ook divisio), de splitsing van eene lettergreep in twee door voca- 
liseering van v en i (= j), en ook door oplossing van den diphthong eu 
in Grieksche woorden, die de dichters zich soms veroorloven : bijv. silua 
(voor silva), i-am (voor iam), Orpheiis (voor Orpheus), siiadeo (voor suadeo), 
siietus (voor suetus). 

Ook tot deze vrijheid schijnt de gesproken taal ten deele aanleiding te 
hebben gegeven. 

c) -Eene soort synizesis van twee lettergrepen die tot verschillende woorden 
behooren, is de zoogen. synaloephe, eene zoodanige vereeniging 
van den slotklinker van het eene en den beginklinker van het 
andere woord, dat zij voor het metrum eene lettergreep vormen. 
De synaloephe, die in de poezie eene belangrijke rol speelt, vindt niet 
alleen plaats, wanneer het eerste woord op eenen klinker eindigt en 
het tweede met een klinker begint, maar ook, wanneer het eerste woord 
eindigt op eene m, voorafgegaan door een klinker, of het tweede woord 
begint met eene h (vgl. § 10, 5 en 3). 

De synaloephe wordt ook wel elisio (zie onder 2) genoemd; deze term 
is echter minder nauwkeurig, daar de eerste klinker althans in den 
goeden tijd nooit geheel uitgestooten wordt, maar steeds nog min 
of meer hoorbaar moet zijn gebleven, wijl anders met name bij eenletter- 
grepige woorden de zin voor den hoorder dikwijls onduidelijk zou zijn 
geweest: veeleer werd de slotklinker zeervluchtig gesproken en als „halfvocaal" 
door „synizese" met den volgenden klinker vereenigd, bijv.: 

monstrum horrendum, informe, ingens (j i i i_) 

een verschrikkelijk, leelijk, ontzettend monster; spreek uit: monstrum 
orrendum inform? ingens. 

2) Elisio (uitstooting van een klinker voor (of na) een anderen). 
Somtijds wordt de hiaat verwijderd, doordat van twee op elkander stoo- 
t-ende klinkers in twee tot eene nauwere eenheid verbonden woorden de 
eene geheel uitgestooten wordt. 

a) Bijna altijd verdwijnt de eerste klinker; men spreekt daarom ook wel 
(echter minder juist) van apocope. Op de quantiteit van den overblijvenden 
klinker heeft de uitstooting natuurlijk geen invloed: 

anted tevoren (uit *ante-ea (abl. sing.)), nullus geen (uit *ne-ullus), nunquam 
nooit (uit *ne-unquam), necoplnans niets vermoedend (uit *neque-opinans), 
animadverto ik bemerk (uit *animum adverto). 

b) Elisio van een, beginklinker na een slotklinker (of klinker + -m, ook 

+ -s),_de zoogen. aphaeresis, komt in het Latijn eigenlijk alleen voor bij de copula 

est hij, zij, het is: patefactast (= patefacta est) zij is geopend (Lucr. I, 10), 

fatendu{m)st men moet bekennen (Lucr. I, 205). Blijkbaar is hier de enclisis 

(§ 47) van de copula de laatste oorzaak voor den ondergang van de toon- 
looze vocaal. 

WOLTJER, Lat. Gramm. 6e druk. . 2 



18 



KLANKLEER. 



§ 20. 



Aanm. 4. Verdwijnt een klinker aan het einde van een woord onder 
invloed van een medeklinker, waarraede het volgende woord begint, dan 
heeft men te doen met syncope (§ 15): zoo in ac (uit atque), nee (uit 
neque), em neem (uit erne), vormen, die van huis uit alleen voor con- 
sonanten op hunne plaats zijn. 



HOOFDSTUK III. 

DE MEDEKLINKERS EN HUNNE VERAN D ERI N G EN. 

A. VERDEELING DER CONSONANTEN. 

§ 20. De Latijnsche medeklinkers {litterae consonantes) kunnen verdeeld 
worden : 
A. Naar de wijze, waarop zij g.evormd worden, in: 

I. Sonoorklanken of zuivere stemklanken, waarbij de luchtstroom on- 
belemmerd door het spreekkanaal gaan kan, zonder door wrijving ten 
gevolge van het vernauwen of afsluiten van de ruimte boven de stemspleet 
een hoorbaar geruisch te veroorzaken. 

Hiertoe behooren (afgezien van de eigenlijke vocalen): 
10 de „semivocales" (half klinkers) v en i (= j; zie § 9, 20); 
2° de liquidae (vloeiende) I en r, die in wezen weinig van de klinkers- 
verschillen; bij de 1 ontsnapt de luchtstroom aan beide zijden van de tong, 
terwijl de punt van de tong de mondruimte van voren afsluit; de r wordt 
meestal daardoor gevormd, dat de uitvloeiende lucht de punt van de tong 
in trillende beweging brengt; 
30 de nasales (neusklanken) m, n en ng (bijv. in zingen), waarbij de mond- 
holte door de lippen (m), de tanden (n), of den rug van de tong (ng) 
afgesloten is, maar de luchtstroom door den neus ontsnappen kan. 
Aanm. 1. Vroeger werden de m en de n tot de liquidae gerekend. 

II. Geruischklanken, waarbij door het afsluiten of vernauwen van het 
spreekkanaal de uitstroomende lucht een hoorbaar geruisch teweeg- 
brengt. Deze vallen uiteen in: 

10 explosivae (klappers of ploffers), door de Romeinsche grammatici: 
(§ 7, 30) mutae genoemd: p, t, c (k), q; b, d, g; bij deze wordt het spreek- 
kanaal eerst geheel afgesloten (occlusio), zoodat de luchtstroom tijdelijk met 
door kan gaan; houdt daarna de afsluiting op, dan veroorzaakt de uit- 
stroomende lucht een klappend of ploffend geruisch (explosio); van- 
daar hun naam; 
20 spirantes, soms 00k fricativae genoemd (wrijvers of glijders): s,f, (z); 
bij deze is de mondholte op de eene of andere plaats zoo sterk vernauwd, 
dat de luchtstroom bij het uitvloeien aan de randen van de engte een 
wrijvend of sissend geruisch teweegbrengt. 

AANM. 2. Dikwijls rekent men 00k de v en de j tot de spiranten,. 
waartoe ze in het Nederlandsch behooren. In het Latijn zijn deze klanken 
echter althans tot in de lste eeuw n. Chr. niet anders dan „semivocales\ 
d. i. de als consonanten fungeerende vocalen i en u (onze oe), zooals in, 
de Fransche vormen nous lions, tuons, Lotions (alle eenlettergrepig). 



! 









§§ 21-22. 



MEDEKLINKERS. 



19 



§ 21. B. Naar de plaats, waar zij gevormd (gearticuleerd) worden, in: 
1° iabiales of lip-medeklinkers : p, b; f, v; m; 

20 den tales „ tand-medeklinkers : t, d; s, (z); r; n; 

30 gutturales „ achtergehemelte-medeklinkers : c (k), q;g; ng (=n g ); (I); 
4° palatales „ voorgehemeUe- medeklinkers: i (= j) ; 1. 

Aanm. De term gutturales (d. i. „keelklanken") is eigenlijk niet juistr 
deze klanken worden niet met de keel, maar met het zachte of achter- 
gehemelte en de tong gevormd; zij heeten daarom 00k wel velares (van 
. velum, het zachte gehemelte; Duitsch: Gaumen„segel"). Worden de velaren 
met gelijktijdige ronding der lippen gesproken (g", qf, geschreven gu,. 
qu, maar als een consonant gesproken), dan noemt men ze labiovelares.. 

Ook de 1 is soms velaar: zoo voor o en u : vgl. volo (in velim [voor ij 
is zij echter palataal). 

§ 22. C. Naar den toestand van destembanden bij het spreken, in: 
10 stemhebbende: b, d, g; v, i (= j); (z); 1, r; m, n, ng; 
20 stemlooze : p, t, c (k), q ; f, s. 

Stemhebbend (Duitsch: stimmhaft, Engelsch : voiced) wordt een mede- 
klinker genoemd, wanneer bij het uitspreken ervan de uitstroomende lucht 
de zich in het sfrottenhoofd bevindende stembanden in trillende bewe- 
ging brengt, zoodat er „stem" ontstaat; 

stemloos (Duitsch: stimmlos, Engelsch: voiceless), wanneer de lucht door de 
openstaandestemspleetgaat, zonder destembanden in bewegingte brengen. 

Aanm. 1. Men kan zich op eenvoudige wijze ervan vergewissen, tot 
welke kategorie een klank behoort, door bij het uitspreken ervan de ooren 
dicht te houden; hoort men dan in het hoofd een zeker gebrom, dan is 
de klank stemhebbend, in het andere geval stemloos. 

Aanm. 2. In navolging der oude taalgeleerden noemt men de stem- 
looze explosivae of mutae (c(k),p,t) ook tenues, de stemhebbende 
(g, b, d) mediae. 

Als derde groep werden daarbij gerekend de (tenues) aspiratae, d. i. 
(stemlooze) explosivae met onmiddellijk volgenden h-klank of stemband- 
medeklinker: ch (= k + h), ph (= p + h), th (= t + h); deze komen echter 
in het Latijn slechts in vreemde, vooral Grieksche woorden, voor; dit laatste 
is ook het geval met den stemhebbenden dentalen spirant z (vgl. § 8, A. 2). 

We verkrijgen dus het volgende schema: 








GERUISCHKLANKEN. 


SONOORKLANKEN. 




mutae 


spirantes 


(semi- 
vocales) 


liquidae 


nasales 




a) steml. b) stemh. 


a) steml. b) stemh. 


stemh. 


stemh. 


stemh. 




{tenues) {mediae) 










labiates 


P b 


f 


V 




m 


dentales 


t d 


s (z) 




r 


n 


gutturales 


c (k), q g 






(1) 


ng 


palatales 






i (= J) 


I 





2* 



20 



KLANKLEER. 



B. VERANDERINGEN DER CONSONANTEN. 



§§ 23-24. 



u 



§ 24. 



MEDEKLINKERS. 



21 



§ 23. Ook de consonanten hebben in den loop van de geschie- 
denis der Latijnsche taal velerlei veranderingen ondergaan. 
De voornaamste daarvan zijn de volgende: 

l) Verdwijning van medeklinkers. 

Dikwijls zijn medeklinkers afgevallen of uitgestooten: 

A) aan 't begin van een woord: 

gn- wordt n-: natus zoon (uit *gndtos); nosco ik leer kennen — co-gnosco ik 
leer kennen ; nixus steunende (uit *gnixos, en dit uit *cnixos) ; 

tl- „ 1- : latus gedragen (uit *tlaios, vgl. Gr. trio's); 

dj- » j- : Iovis van Juppiter (voor *Djovis); 

dv- n b- : bellum oorlog (uit *dvellom, van duo twee : men vindt in het 
oude Latijn nog *duellum) ; 

stl- « 1- : locus plaats (uit *stlocos), lis twist (uit *stiis), enz.. 

B) aan het einde van een woord: 

a) -d verdwijnt na lange klinkers: sententia (abl. sing.) door de meening(uit 
*sententiad) ; esto (imperat. praes.) hij zij (uit "estod), me door mij (uit *med); 

b) een dubbele medeklinker (geminata) wordt vereenvoudigd: mel 
honig (voor *mell; gen. mellis), os been (voox *oss: gen. ossis), miles soldaat 
(voor *miless, uit *milet-s: §25,4), es gij zijt (voor *ess : vgl. Gr. Horn, eaal), 
ager akker (voor *agerr, uit *agers (§ 25, 8), *agr(o)s), hoc dit (voor *hocc, 
uit *hodc(e))\ 

c) -ct wordt -c, -rd -r (over -rr): lac melk (uit *(g)lact: gen. lactis; vgl. 
yala, ya.lo.xzos), cor hart (uit *cord, *corr\ gen. cordis). 

§ 24. C) vooral natuurlijk in het midden van een woord: 
10 .g u . (d. i. de gelabialiseerde (met ronding der lippen gesproken) g: § 21, 
Aanm.) tusschen klinkers wordt -v- (voor consonanten verliezen g v 
en q v omgekeerd het labiale element: vgl. 2», a en §25, 1 [coquo — coc-tus]): 
nivis van de sneeuw — ninguit het sneeuwt; 
2° eene gutturale muta wordt uitgestooten: 

a) tusschen 1 of r en eene volgende s, t, m of n : falsi, fultum, perf. 
en sup. van fulcio ik schraag; sarsi, sartum, perf. en sup. van sarcio 
ik lap; mersi, mersum, perf. en sup. van mergo ikdompelin; torsi, tortumi 
perf. en sup. van torqueo ik draai; tormentum windas, folterwerktuig 
(uit *torq"mentom, *torcmentom);fulmen bliksem (uit *fulgmen: vgl. fulgeo); 

b) tusschen n en eene dentalemuta: quindecimVo (uit* quinqufejdecem, 
"quincdecem), quintus de vijftiende (uit *quinq v tos, quinctus). 

Aanm. 1. In iunctum (sup. van iungo ik verbind) e. d. is de c bewaard 

onder invloed van het praesens. 

3° -s- (of een groep van consonanten, die op -s- eindigt) valt weg voor eene- 

stemhebbende consonant (met name voor d, 1, m en n), terwijl eene 

voorafgaande korte vocaal door „schadeloosstelling" verlengd wordt (§ 14, 1): 

a) primus de eerste (uit *pfismos: vgl. pris-cus oud); egenus behoeftig (uit 

*egesnos: vgl. eges-tas); pono ik plaats (uit *pos(i)no); idem dezelfde (uit 

isdem) ; index rechter (uit *iusdex [voor *iusdix, naar analogie van auspex 

e. a.: §61, A. 1]); tredecim 13 (uit * ires- decern); prelum pers (uit *preslom: 

vgl. pressi, perf. bij prenio ik druk) ; dlligo ik acht hoog (voor *dis-lego) ; 









b) liina maan (uit *louc-sna : vgl. luceo ik licht) ; seviri zesmannen (uit 
*sex-viri) ; exdmen onderzoek (uit *exagsmen) ; tela weefsel (uit *texla : 
vgl. texo ik weef) ; iumentum trekdier (uit *iouxmentom, dat nog in de 
oudste Latijnsche inscriptie voorkomt) ; amitto ik verlies (uit *apsmitto) ; 
sumo ik neem (uit "sups(e)mo) ; tradiico ik voer over (uit Hra(n)sduco). 

Aanm. 2. Eigenlijk wordt seerststemhebbend (r: §25, 2), en verstomt dan 
(zie §14,1); dus: "is-dem, *izdem, idem; vgl. ook cedo ik wijk (uit *cezdo: 
perf. ces-si). 

Aanm. 3. Eene s voor eene stemlooze consonant blijft; staat voor 
de s nog eene consonant, dan valt deze echter weg; dus: 
discedo ik ga weg (maar digero), distorqueo (maar diduco); doch: 
asporto ik breng weg (uit *apsporto) ; ostendo ik toon (uit *opstendo) ; 
sescenti 600 (uit *secscenti). 

Aanm. 4. In eiusdem, qaibusdam e. d. bleef s door analogie (eius, quibus). 

40 -r- verdwijnt voor -s + tenuis: 

tostus geroost (uit 'Hors(i)tos), part. perf. pass, van torreo (uit *torseo); 
pessumdo ik richt te gronde (uit "perssum [= *per-d-tum bij perdo] do). 

Aanm. 5. In versus (uit *verssus, voor "vert-tos: §25,9), part. perf. pass, 
van verto ik wend, bleef r onder invloed van het praesens ; zoo ook pror- 
sus (= *proversus) ; daarnaast echter prosa (oratio) (uit *provorsa) de slechte 
en rechte rede, de vrije, ongebonden stijl. 

5° dubbele medeklinkers worden onder bepaalde omstandigheden ver- 
eenvoudigd: 

a. alle dubbele medeklinkers, voor of na eene andere consonant: 

a) pergo ik ga voort (uit *perr(e)go : perf. perrexi; asplro ik blaas aan 
(uit: *asspiro, adspiro); disto ik sta uiteen (uit *dissto); daaren- 
tegen: dissimiiis ongelijk, enz.; 

b) arsi perf. van ardeo ik brand (uit *arssi, *ardsi); sensi perf. van 
sentio ik gevoel (uit *senssi, *sentsi); versus part. perf. pass, van 
verto ik wend (uit "verssus, *vert-tos : § 25, 9). 

Aanm. 6. Dikwijls is de geminata door analogie (met het oog op de 
doorzichtigheid van het woord) weer hersteld : zoo in accresco ik groei aan, 
attraho ik trek aan (vgl. accumulo, attenuo), exsolvo, exstruo, enz.. 

b. de dubbele mutae, -mm- en -ss-, na lange vocalen en na twee- 
klanken (-ss- echter eerst sedert het einde der eerste eeuw v. Chr.) : 

a) mutae: separo ik scheid (uit "sepparo, *sed-paro: vgl. § 30), praeco 
heraut (uit *praec-co, *praed(i)co) ; 

/?) -mm- : ramus tak (uit *rammas, *rdd-mos : vgl. radix) ; caementum 
gehouwen steen om te metselen (uit *caem-mentum, *caed-mentom: 
vgl. caedo ik houw); maar: summus hoogste enz.; 

y) -ss- : hausi, perf. van haurio (uit *hausio : § 27) ik schep (voor haus- 
si); casus val (voor cassus, uit *cad-tos: § 25, 9), divisio verdeeling 
(voor divissio, uit *divtd-tio: § 25, 9); maar: gessi, perf. vanguro (voor 
*geso) ik draag; missus, part. perf. pass, van mitto ik zend (voor 
*mit-tos:. § 25, 9), enz.. 

Nog Cicero sprak en schreef echter niet alleen, zooals ook de 
lateren, missus, doch ook: caussa, cassus, divissio, enz. (vgl. § 10, 8). 



22 



KLANKLEER. 



§ 25. 



Aanm. 7. In errdsse e. d. is -ss- gebleven onder invloed van erravisse 
e. d., waarin eene korte vocaal aan -ss- voorafging; in esse eten (en 
essem ik ate) onder invloed van het uiterlijk gelijke esse zijn (en essem 
ik ware). 

c. -1I-, na eene lange T, wanneer nog een i-klank volgde, en na 
tweeklanken: 

mllia, nom. en ace. plur. van niille 1000, vllicus meier, opzichter op 
eene villa landhoeve; 

caelum graveerstift (uit *caellum, *caed-lom, bij caedo) ; paulum weinig 
(uit paullum, *paucslom [zie onder 3°|, bij paucus (vgl. pauxillus)) ; 
maar: niillus geen, rriille, rallum ploegschaar (uit *rad-lom, bij racfo), enz.. 

Aanm. 8. Men vindt ook paullum. 

§ 25. 2) Assimilatio (vgl. § 17). 

Eene zeer belangrijke rol speelt in de geschiedenis der Latijnsche taal de 
assimilatio, het gelijk-maken van twee opeenvolgende consonanten, 
een verschijnsel, dat (evenals trouwens de dissimilatio) beheerscht wordt 
door de neiging, de uitspraak geraakkelijker te maken. 

De assimilatie heeft betrekking op den stemtoon (bijv. : actus uit "agios, 
part. perf. pass, van ago), op de wijze van articulatie (bijv. : somnus uit "sopnos, 
affero uit adfero), of op de plaats der articulatie (bijv. : eundem uit eumdem, 
aggero uit adgero, quicquam uit quidquam). Vooral de tweede soort korat 
in het Latijn zeer veelvuldig voor. 

Zij kan voorts eene geheele, of alleen eene gedeeltelijke zijn: in het laatste 
geval houdt de geassimileerde medeklinker nog eigenschappen over, die hem 
van de naburige consonant onderscheiden : zoo neemt in actus de g alleen de 
stemloosheid van de volgende t aan, maar blijft verder onveranderd. 

Eindelijk is de assimilatie in het Latijn meestal regressief (d. w. z. dat de 
geassimileerde consonant aan de assimileerende voorafgaat (bijv.: somnus slaap 
uit *sop-nos, summits hoogste uit *sup-mos: vgl. super), veel minder dikwijls 
progressief (d. w. z. dat de geassimileerde consonant op de assimileerende volgt 
(bijv. : pello ik stoot, uit *pel-no). De assimilatie van de plaats der articulatie is 
steeds regressief. 

In vele gevallen zijn de werkingen der assimilatie door latere veranderingen 
verduisterd. Zoo moet men bijv. voor het perf. clausi van claudo eigenlijk 
de volgende stadia aannemen : *claud-si, "claut-si (1°), claussi (4°), clausi 
(§ 24, 5°, b, y); vgl. ook pes voet (gen. pedis): "peds, 'pets, *pess, pes. 

Met het oog op de veelvuldigheid der assimilatie kunnen we hier slechts de 
meest karakteristieke gevallen geven. 

1° Eene media gaat voor eene tenuis of eene s over in de overeen- 
komstige tenuis, d. i. zij wordt stemloos onder invloed van de volgende 
stemlooze: scrip-si, scrlp-tus, perf. en part. perf. pass, van sotZm ik schrijf ■ 
neglexi (voor *neglec-si), neglectus, perf. en part. perf. pass, van neglego ik 
geef geen acht op; rex frees) koning (gen. regis); cette geeft hier (uit 
ce-d(a)te), plur. van cedo (§ 329). 

Zoo gaan ook qu-, gu- en h (als keelklank) voor s of t over in c: 
coxi (*cocsi), coctus, perf. en part. perf. pass, van coquo ik kook; unxi 
(*uncsi), unctus, perf. en part. perf. pass, van unguo ik zalf ; traxi ("trcicsi), 
trdctus, perf. en part. perf. pass, van traho ik trek. 



§ 25. 



MEDEKXINKERS. 



23 



Aanm. 1. Woorden als urbs stad, plebs volk, trabs balk, caelebs onge- 

huwd, en ob- en sub- in samenstellingen (voor eene stemlooze consonant, 

bijv. in obtineo) hebben in het schrift de media door analogie behouden; 

men sprak echter *urps enz.. 

2» Omgekeerd wordt eene stemlooze muta of spirant stemhebbend 

voor eene stemhebbende consonant: 

abduco ik voer weg, maar ap-erio ik open; segmentum afgesneden stuk (voor 
*secmentom), naast seco ik snijd; vgl. ook summus hoogste (uit *submos, 
en dit uit *supmos: vgl. superior). 

3° Eene labiale, dentale of gutturale muta is voor eene volgende f 
tot f geworden: 

-pf-: of ficina werkplaats (uit *op(i)ficina: vgl. opifex handwerker), offero 
ik bied aan (uit "op-fero); 

-df- (over -tf-): affero ik breng aan (uit adfero over *atfero); 
-cf-: effero ik draag uit (uit *ecfero). 

Aanm. 2. Men schreef ook obfero, adfero enz. (door analogie). 

4» Eene dentale muta ging voor eene volgende s over in s, ter- 
wijl de aldus ontstaande -ss- vereenvoudigd werd tot s na een 
langen klinker of een tweeklank (§ 24, 5, b), voor eene andere 
consonant (§ 24, 5, a), en aan het einde van een woord (§ 23, B): 

a) concussi, perf. bij concutio ik schud ; messui, perf. bij meto ik maai 
(uit *metsui); possum ik kan (uit * pot(e)sum) ; cessi, perf. bij cedo ik 
wijk; iussi, perf. bij iubeo ik beveel (de b is hier ontstaan uit dh), 
assequor ik bereik (uit adsequor, over "atsequor); 

b) clausi (ouder claussi), perf. bij claudo ik sluit (uit *claudsi, "clautsi); 
aspicio ik zie aan (adspicio); miles soldaat (uit "milets, *miless). 

50 Labiale en dentale mutae zijn voor een nasaal overgegaan in 
nasalen, terwijl mm- na een langen klinker of een tweeklank 
vereenvoudigd werd tot -m- (§ 24, 5, b): 

a) somnus slaap (uit *sopnos [over *sobnos] : vgl. sopor diepe slaap), 
annoto ik teeken aan (uit adnoto); 

summus hoogste (uit *supmos over *submos: vgl. onder 2»), ammoveo 
ik beweeg naar (uit admoveo); 

b) caementum (uit "caemmentum, * caedmentom : zie § 24, 5, b). 

6« Labiale en dentale mutae zijn voor een gutturaal in gutturale 
overgegaan, de dentale bovendien voor een labiaal in labiale: 
aggero ik voer aan (uit "adgero), accido (uit *adcado), occido (uit *obcado), 
siccus droog (uit *sit(i)cos: vgl. sitis dorst), quicquam iets, nom. en ace. sing. 
neutr. van quisquam (uit quidquam," quitquam), quippeimmers(uit*quidpe, 
"quitpe), enz. ; 

met vereenvoudiging van de geminata: praeco heraut (uit *praed(i)co, 
praetco, *praecco: § 24, 5, b), hoc nom. en ace. sing, neutr. van flic deze 
(uit *hod-ce, *hot-ce, "hocce, *hocc: § 23, B). 

70 Een nasaal voor eene niet op dezelfde plaats gearticuleerde 
(niet homorgane [vgl. § 21]) muta assimileert zich aan deze ten 
opzichte van de plaats der articulatie: zoo wordt m voor den- 
talen tot n, voor gutturalen tot gutturale n (ng); n voor labialen 
tot m: 



24 



KLANKLEER. 



§§ 25^26. 



a) eundem, ace. sing. masc. van Idem dezelfde (uit eumdem) , septen- 
decim 17 (uit septemdecim), anceps (spr. uit an<s)keps) tweehoofdig, dub- 
belzinnig (uit *amceps, bij am(h)- § 30), princeps (spr. uit prinf&keps) 
eerste (uit *prim(o)caps) ; 

b) itnpono ik leg op (uit inpono). 

Aanm. 3. Hier, gelijk elders, blijft uit etymologische overwegingen in 
het schrift de niet-homorgane nasaal dikwijls behouden: verutntamen, 
quamdiu, quicumque, enz. ; men sprak echter veruntamen, quandiu, enz.. 

Aanm. 4. Waar m voor t (door analogie) bleef, ontwikkelde zich tus- 
schen in en t als overgangsklank eene -p-: emptus (uit *emtus) enz.: vgl. § 28. 

80 -dl-, -Id-, -nl-, -In-, -rl- en -Is- worden tot -11-; -rs- tot -rr- (over 
-TZ-): 

a) sella zetel (uit *sed-la : vgl. sedeo ik zit), rallum ploegschaar (uit *radlom : 
vgl. rddo ik schaaf), alloquor ik spreek toe (uit adloquor) ; percello ik 
werp omver (uit *perceldo: vgl. eludes nederlaag); 

corolla kransje (uit *coron(o)la); tollo ik neem weg (uit *tol-no); 
agellus akkertje (uit *agerlos, *agr(o)los: § 15, A. 6); 
velle willen (uit *vel-se (vgl. esse), over *vel-ze). 

b) ferre dragen (uit *ferse, over *ferze), torreo ik rooster (uit *torseo). 

Aanm. 5. -In- in het historische Latijn is steeds later ontstaan : zoo 
ulna elleboog, arm, uit "olena. 

Aanm. 6. Arsi (perf. van drdeo ik brand) en dergelijke zijn slechts 
schijnbare uitzonderingen, daar -rs- hier op -rss- berust (§ 24, 5, a). 

90 Wanneer eene dentale muta voor eene t komt te staan, gaat -d- of 
-t- + t- door eene soort van tweezijdige assimilatie over in -ss-, 
dat na een langen klinker of een tweeklank vereen voudigd wordt 
tot -s-. Tusschen de beide dentalen had zich nl. reeds in de Indo- 
Germaansche moedertaal een s-klank ontwikkeld, die' in het Italisch de den- 
talen aan zich assimileerde : sessiiSj part. perf. pass, van sedeo ik zit (uit 
*sed-tos), fissus, part. perf. pass, van findo ik splijt (uit *fid-tos), messis 
oogst (uit *met-tis: vgl. meto); clausus (ouder claussus), part. perf. pass, 
van claudo ik shut (uit *claud-tos), divlsio (ouder divlssio) verdeeling (uit 
*divld-tio: vgl. divido ik verdeel). 

Aanm. 7. Attenuo (uit adtenuo), attuli (uit adtuli), cette (§ 25, 10) 
e. d. zijn eerst ontstaan, toen deze klankwet niet meer werkte. 

Aanm. 8. Voor -r- ontstaat niet -ss-, maar -st-: rastrum houweel (uit 
*rdd-trom [rddo ik schaaf] : vgl. ard-trum). 



§ 26. 3) Dissimilatio (vgl. § 17). 

Terwijl assimilatie meestal naast elkander staande consonanten raakt, 
betreft de dissimilatio consonanten in opeenvolgende, of althans niet ver 
van elkander verwijderde lettergrepen. 

1° Door dissimilatie gaat van twee gelijke consonanten de eene in 
eene gelijksoortige over. Dit geschiedt vooral bij I en r. 

Zoo wordt het suffix -alis (vgl. reg-dlis koninklijk, liber-dlis eeri vrij man 
passend, mur-alis muur-, enz.) vervangen door -aris, wanneer het stamwoord 



§§ 27-28. 



MEDEKLINKERS. 



25 



(§ 330) reeds eene 1 had : auxilidris hulp-, Solaris zon-, consuldris tot een 
consul behoorend, enz.. 

Om dezelfde reden komt in de plaats van -clum {-culum) soms -crum : 
vgl. lucrum winst, sepulcrum graf (naast periclum (periculum) gevaar, poclum 
(poculum) drinkbeker, enz.). 

Omgekeerd wordt 1 . . 1 tot r . . I in caeruleus blauw (uit *caeluleus (van 
caelum hemel)). 

Aanm. Op zich zelf staat merldies middag (uit *medi-dies). 

2° Een soortgelijk verschijnsel is het, wanneer de eene consonant geheel 
verdwijnt, bij v.: Ceredlis tot Ceres behoorend (bij Ceres, -eris), agrestis 
land- (uit *agrestris: vgl. campestris). 

3° Eindelijk valt van twee lettergrepen die met dezelfde of gelijk- 
soortige consonanten beginnen, de eene somtijds geheel uit. 
Men noemt dit syllabische dissimilatie of haplologie (lett. : eenmaal 
spreken): vgl. nutrix voedster .(uit * niitritrix) ; zoo 00k accestis voor acces- 
sistis, dixti voor dixisti, enz.. 



§ 27. 4) Rhotacisme. 

In den loop der 4de eeuw v. Chr. is de s tusschen twee klinkers (over z) 
in r overgegaan (vgl. § 64, A. 3); men noemt dit verschijnsel rhotacisme 
(naar den naam van de r in het Grieksch). Zoo wordt: 

*arbosem: arborem; *melidsem: meliorem; *plusimus: plurimus; *a"isemo: 
dlrimo. 

Vgl. verder : 

nefds onrecht — nefdrius goddeloos; foedus verbond — gen. foederis ; 

ustum — tiro ik brand ; gestum — gero ik draag ; 

questus — queror ik klaag; est hij is — erit hij zal zijn. 

Aanm. 1. Schijnbare uitzonderingen laten zich op verschillende wijze 
verklaren : 

a) in causa, casus en dergelijke is -s- ontstaan uit -ss-, dat nog in 
Cicero's tijd in deze woorden werd gesproken en geschreven (vgl. 
§ 10, 8; § 24, 50, b, 7); 

b) in composita als desiiper, nisi en dergelijke is -s- behouden of her- 
steld onder invloed van de simplicia super, si enz. ; 

c) in basis voetstuk, pausa pauze en dergelijke hebben we te doen met 
later binnengedrongen leenwoorden van Griekschen oorsprong. 

Aanm. 2. Wanneer aan het einde van een woord r staat, waar men 
s zou verwachten, heeft men niet te doen met een phonetischen overgang 
van s in r (die alleen tusschen twee klinkers plaats vindt), maar is r onder 
den invloed van andere vormen of woorden in de plaats van s gekomen: 
zoo ontstond bij den gen. labdris een nom. labor (voor *labds), naar ana- 
logie van orator, oratdris (waarin r tot den stam. hoorde), bij meliorem 
een nom. melior, enz.. 

§ 28. 5) Epenthesis (inlassching). 

Tusschen de beide bestanddeelen der consonantverbindingen -ms- en -mt- 
heeft zich- een overgangsklank p ontwikkeld (vgl. bijv. het Fr. nombre 
uit *niim(e)rum, Nederl. vaandrig voor *vaanrig, Duitsch Fdhnrich) : 



26 



KLANKLEER. 



§§ 29-30. 



§ 30. 



MEDEKLINKERS. 



27 



a) compsi, dempsi, prompsi, sumpsi, perfecta van como, demo, promo, sumo 
(vgl. § 267, A. 1); 

b) cdmptum, demptum, prdmptum, sumptum, supina van deze werkwoorden. 

6) Geminatio (verdubbeling). 

Dikwijls is eene tenuis na eene beginlettergreep, wanneer zij staat tusschen 
twee vocalen, waarvan de eerste lang is, althans voor het gehoor ver- 
dubbeld en daarom dubbel geschreven. De voorafgaande lange klinker 
wordt gewoonlijk verkort: 

vgl. littera letter (beter dan Mem); luppiter (beter dan lupiter); littus 
strand (beter dan lltus). 

§ 29. 7) Metathesis (klankomzetting). 

Metathesis van consonanten heeft in 't Latijn zelden plaats: men vindt 
haar in vespa wesp (uit *vepsd), ascia bijl (voor *acsia : Gr. a^hrj) ; misschien 
ook in arcesso ik ontbied naast accerso. 

C. SAMENSTELLING VAN VOORZETSELS MET ANDERE WOORDEN. 

§ 30. In de samenstelling van voorzetsels met andere woorden 
worden de medeklinkers dikwijls behandeld op eene wijze, die niet altijd over- 
eenstemt met de behandeling dier zelfde medeklinkers in niet samengestelde of 
niet als samenstelling gevoelde woorden. Zoo wordt bijv. *dis-ruo dJruo, terwijl 
anders -sr- in het midden van een woord -br- wordt (funebris uit *funes-ris: 
vgl. fun.es- tus), en zou abstuli eig. astuli moeten zijn. 

Met het oog daarop eischen de veranderingen der medeklinkers in de 
samenstelling van voorzetsels met andere woorden eene afzonderlijke 
bespreking. 

Ab (uit *ap(o): vgl. Gr. ano) heeft den vorm ap- bewaard in aperio ik open; 
de gewone vorm ab was oorspronkelijk, naar het schijnt, een bijvorm voor 
stemhebbende explosivae (§§ 20, 22): abduco uit *ap(o)douco (zoo ook 
sub voor sup (vjt.6) en ob voor op (kni)). 

Naast ab bestond een langere vorm abs (aps, d. i. ap + -s(e), Gr. aip), 
dien men ook nog vindt in absque (oorspr. = si sine, later praep. = sine); 
dit abs- staat in composita voor c en t: abscido ik houw af, abscondo ik 
berg weg, absterreo ik schrik af, abstineo ik houd af; abstuli perf. bij aufero 
(zie A. 1). 

abs- wordt as- voor p: asporto (uit *abs-porto) ik breng weg; a- (met 
verdwijning van bs en schadeloosstelling, zooals e- uit ex) voor v en m : 
dvello ik ruk af, dverto ik wend af, dvoco ik roep af, — weg, dmitto ik 
zend weg, verlies, dmoveo ik verwijder; en in "aspernor ik versmaad; van- 
hieruit schijnt a- ook in afui, afore (van absum ik ben afwezig) te zijn 
doorgedrongen. 

Overigens staat ab-: abduco ik voer af, aberro ik dwaal af, abiuro ik 
zweer af, abluo ik wasch af, abnuo ik wijs af, abripio ik ruk af, absolvo 
ik spreek vrij, 

Aanm. 1. In aufero ik draag weg, en aufugio ik ontvlucht, is au- niet 
uit abfsj- ontstaan, maar moet waarschijnlijk als een afzonderlijk woord 
beschouwd worden, dat weg- beteekent. 



Ad wordt a- in agndscor ik word naderhand geboren, en agnosco ik erken 
(vgl. § 23, A); verder voor -sp, -sc, -st: asplro (uit "asspiro) ik blaas aan, 
ascendo (uit *asscendo) ik bestijg, asto (uit *assto) ik sta bij ; 
de d wordt gewoonlijk geassimileerd voor c, f, g, 1, n, p, r, s, t, ofschoon 
dikwijls de assimilatie nagelaten wordt, vooral voor f, g, n, s: accldo ik 
snijd aan, accuso ik beschuldig, officio ik doe aan, aggredior ik val aan, 
allicio ik lok aan, annuo ik knik toe, appurto ik breng aan, arrldeo ik lach 
toe, assentior ik stem toe (maar adsum, adsunt), attraho ik trek aan; 
voor de q wordt ad- gewoonlijk ac-: acquiro ikverwerf; 
voor de m en de v wordt ad- niet veranderd : admlror ik bewonder, adverto 
ik wend heen, advoco ik roep tot mij. 

Amb- (uit ambi-: vgl. Gr. a/zq>l) wordt am- voor p.: amplector ikomvat, amplus 
ruim; an- voor c, q, f: anquiro ik zoek op, anfractus kromming, anceps 

(§25, 7); 

overigens blijft amb-; ambigo ik betwijfel, ambitus rondgang, kuiperij, am- 

bdro ik verbrand rondom, — half. 

Circum kan de m verliezen voor een klinker (§ 10, 5); circumeo en circueo ik 
ga rondom ; gewoonlijk : circuitus, circuitio omloop ; maar steeds circumago 
ik voer rond. 

Con- had oorspronkelijk den vorm com- (vgl. coni-es metgezel, stam com-i-t-'- 
eig. medeganger: § 61, A. 1, en de zelfstandige praepos. cum = met), die 
blijft voor b, p, m : combibo ik drink op, compono ik stel samen, commiito 
ik verander; 

daarnaast vindt men een vorm co- voor klinkers en voor h : coeo ik ga 
samen ; behalve in comedo ik eet op, comes metgezel ; 
kennen, cogndtus bloedverwant (vgl. § 23, A) ; 

voor gn staat eveneens co- (hier echter uit con- ontstaan) : cogndsco ik leer 
co- heeft men in : conecto ik knoop samen, cdnlveo ik sluit de oogen, 
cdnltor ik steun met alle kracht, cbnubium huwelijk; 

con- wordt geassimileerd voor r en I, ofschoon ook conl- gevonden wordt: 
corrigo ik maak recht, colligo ik verzamel ; 
overigens staat con- : concurro ik loop samen, coniungo ik voeg samen. 

AANM. 2. Over comburo vgl. § 280, A. 28. 

Dis- blijft voor c, p, t, q, s (mits niet gevolgd door een consonant) en voor i 
consonans, behalve in disertus (uit *dissertus) welbespraakt en dliudico 
ik beoordeel ; dus : discors tweedrachtig, dispdno ik plaats uiteen, disiungo 
ik scheid; 

het wordt dif- voor eene f: differo ik verschil; 
dir- voor eene vocaal (§ 27): dirimo ik scheid, diribeo ik verdeel; 
overigens dl- (§ 14): dlmitto (uit *dis-mitto) ik zend weg; of dT- (§24, 5, a): 
discrlbo (uit *dis-scfibo) ik verdeel, distinguo (uit *dis-stinguo) ik onderscheid, 
disto (uit *dis-sto) ik sta uiteen, ben verwijderd. 

Ex (d. i. een praep. *ek + de part. -s(e) : vgl. Gr. sx, Jf) wordt geschreven 
voor een klinker, eene h, c, p, t, q, s, behalve in epdto (naar analogie van 
ebibo) ik drink uit; dus: exigo ik drijf uit, exseco ik snijd uit, exsecror ik 
vervloek, exstinguo (liever dan extinguo) ik blusch uit, extraho ik trek uit, 
exsequor ik jaag na, voer uit; 



28 



KLANKLEER. 



§ 30. 



ef- voor eene f : effero (uit "ecfero) ik draag uit; 

overigens e- (uit ex- met schadeloosstelling : de drie vormen e- ec-, ex-, 
evenals a-, ab-, abs-), (behalve in -exlex aan geene wet gebonden), dus : eicio 
ik werp uit, eligo ik kies uit. 

In (Gr. iv) wordt im- voor m, b, p : immuto ik verander, imbuo ik drenk, 
implbro ik roep aan, impero ik gebied, imperium, imperdtor;-- 
ir- voor r, il- voor 1 : irrepo ik kruip in, illudo ik bespot ; dikwijls echter 
vindt men de n niet geassimileerd ; 
voor het overige blijft in-: indlco ik zeg aan. 

Aanm. 3. Niet te verwarren met deze praepositie in is de onscheidbare 
partikel in- (ons on.-, Duitsch un-, Grieksch a- (privatlvum; ook av-)) = 
Ned. on-, in incertus onzeker, infectus ongedaan (van in- to. f actus, maar 
infectus geverfd, van inficio), inimwas vijandig, illlterdtus onwetenschap- 
peiijk; immorlalis onsterfelijk, improbo ik keur af; irritus ongeldig; ignoro 
ik weet niet, ignavus slap, laf, waarsch. ook in ignosco ik vergeef, enz.. 
Dit in-, dat overigens blijkens de voorbeelden dezelfde veranderingen 
ondergaat als het eerste in (im-, ir-, il-), hangt samen met de oude ont- 
kenning "ne (in nescio, enz. ; § 17). 

Inter wordt alleen geassimileerd in intellego ik begrijp, en zijne afleidingen. 

Ob (uit *op(i)\ vgl. het verwante ini, en voorts ab uit *ap(o)) heeft den vorm 
op- bewaard in op-erio ik bedek, en voor p: oppono ik stel tegen (vgl. ook 
oudere spellingen als optineo ik verkrijg) ; 

het wordt geassimileerd voor c en f: occido ik dood, offero ik breng tegemoet; 
de p (b) is verdwenen in : omitto (uit 1 'opmitto l *obm,itto,*ommitto)W\z.z.ifi&g; 
een vorm obs- (ops-), gemaakt naar analogie van abs- (aps)- bij ab (ap), 
vindt men slechts in ostendo ik toon (voor *obstendo) en obscenus vuil, 
gemeen (van caenum slijk, vuil) ; 
overigens blijft ob-. 

Aanm. 4. Somtijds vindt men nog verbindingen als: omm- voor obm-, 
obp- voor opp-, e. d.. 

Per blijft onveranderd ; alleen voor de 1 kan de r zich assimileeren : perlego 
en pellego ik lees door, pellicio ik lok aan; wehicht naar analogie daarvan 
ook in peiero (peiiero: uit *per-jero) ik ben meineedig, en peiurus (peiiums) 
meineedig, naast periuro en periurus. 

Por- (verwant met per, pro, prae, en het Gr. naga) assimileert zich in : polli- 
ceor ik beloof (§ 303, 2), polluo ik bevlek (§ 271, 8), possideo (in afwijking 
van § 25, 8) ik bezit (§ 293, 2); overigens blijft het onveranderd: porrigo 
ik strek uit, portendo ik voorspel, porricio (een oude sacrale term : van por- 
en iacio) ik reik als offer toe, e. a.. 

Post, dat gewoonlijk onveranderd blijft, wordt po- in pbmeridianus (uit pos- 
meridianus, postmeridianus, vormen die ook voorkomen) namiddag-, pdme- 
rium (uit *pos(t)moerium : van post en *moerus = mums) banmijl, en de 
praepos. pone (uit *postne (-ne een suffix), "posne) achter. 

Ook bujten samenstelling vindt men den vorm pos (met verlies van -t) 
nog meer dan eens in de handschriften en inscripties, vooral voor t: pos 
tempus, pos tergum, enz. (vgl. nog posquam voor postquam). 



30. 



MEDEKLINKERS. 



29 



Pro (in samenst. pro- en pro-, als praep. steeds pro) had een bijvorm prod-, 
dien men vindt voor vocalen : prodeo ik kom te voorschijn, prodesse voor- 
deelig zijn (maar prosum), prodigium wonderteeken, prodigo ik verspil. 

Re- wordt voor vocalen red-, naar analogie van het tegengestelde prod- bij pro : 
redeo ik ga terug, ook redhibeo (vgl. § 10, 3; oud-Lat.) ik geef terug; maar 
recurro ik loop terug, reicio (§ 10, 4) ik werp terug. 

Aanm. 5. Reddo ik geef terug, is waarschijnlijk niet een oorspr. red- + do, 
maar door syncope ontstaan uit *re-dido (vgl. § 232, 5, Aanm.); zoo ook 
repperi enz. uit *re-peperi (§ 235, A. 4, § 15 B). 

Sed- (als adv. = weg, op zijde, als praep. = sine, dat van denzelfden stam 
komt [voor *se-ne]) is gebleven in sed-itio opstand (voor eene vocaal); 
overigens is het se- geworden: secedo ik scheid mij af, secliido ik sluit af, 
secretus afgezonderd, geheim, securus zonder zorg, veilig, sediilo (= se (sine) 
dolo) zonder erg, oprecht, ijverig (daarvan het adiect. sedulus), seorsum (uit 
*sevorsum) afgezonderd ; 

den vorm se- (geassimileerd tot so-: § 17) vindt men in socors dom, nalatig, 
solvo ik maak los. 

Sub (uit *sup(o): vgl. Gr. vx6; zie onder ab) heeft den vorm sup- voor p: 
suppono ik plaats onder iets; 

het assimileert zich voor c, f, g, somtijds ook voor m en r: succldo ik 
snijd van onderen af, succendo ik steek van onderen aan, succurro ik loop 
onder iets, sufficio ik voldoe, suggero ik breng onder aan; submitto en 
summitto ik laat neder, subrogo en surrogo ik stel een plaatsvervanger voor, 
surgo (uit *surrego (met syncope)), perf. surrexi, ik sta op. 

Naast sub- (sup-) bestond een vorm sups- (vgl. aps), die voor eene vol- 
gende tenuis sus- wordt: suscenseo (§ 296, A. 15; liever dan succenseo) ik 
ben toornig, sascipio (uit *sups-capio) ik neem op, suscito ik wek op, sus- 
pendo ik hang op, sustineo ik houd op, -uit, sustento ik steun, sustuli ik 
heb opgeheven; su- voor s (met verenkeling van -ss- dus [§ 24, 5, a]) in 
suspicio ik zie op, susplro ik zucht, ook in sumo (uit *sups-(e)mo (met syn- 
cope), *susmo) ik neem. 

Aanm. 6. Wanneer sub verzwakkende kracht heeft, blijft het liefst onver- 
anderd, bijv. : subgrandis tamelijk groot. 

Trans verliest zijne s gewoonlijk voor eene andere s (altijd voor -so.) : transilio 
ik spring over, transcribo ik schrijf over, transcendo ik stijg over; 
het wordt dikwijls tra- voor i conson., d, 1, m, n, soms ook voor v: 
traicio en transicio ik werp over, trado (zelden *trdnsdo) ik geef over, 
traduco en transdiico ik voer over, tralatus en translatus overgezet, tramitto 
en transmitto ik zend over, tranato en transnato ik zwem over; transversus 
en traversus dwars liggend. 



30 KLANKLEER. § 31. 



HOOFDSTUK IV. 

LETTERGREPEN, QUANTITEIT, ACCENT, LEESTEEKENS. 
A. LETTERGREPEN. 

§ 31. Ieder Latijnsch woord bevat evenveel lettergrepen (syttdbae) als het 
klinkers (of tweeklanken) heeft: fe-ro, me-us, pau-per. Eene Iettergreep kan op 
een klinker (of tweeklank) eindigen, of op een medeklinker; in het eerste 
geval heet zij open, in het tweede gesloten. Open is de eerste Iettergreep in 
me-us, ca-do, enz. ; gesloten in ar-bor, sic-cus, enz. ; in factum was zij volgens 
de theorie der grammatici (zie 2°) open (fa-ctum), in de werkelijke uitspraak 
(zie Aanm. 2) gesloten {fac-tum). 

Aanm. 1. In het Latijn kan ook eene Iettergreep met korten klinker, 
zooals bo-nus, open zijn; men wachte zich dus voor de uitspraak bon-nus. 

Voor het scheiden der lettergrepen in het Latijn werden door de latere 
Romeinsche grammatici de volgende regels opgesteld, die men ook thans nog 
veelal in acht neemt: 

a) in enkelvoudige of als enkelvoudig beschouwde woorden. 

1° Eene consonant tusschen twee vocalen (of diphthongen) behoort 

steeds bij de volgende Iettergreep: 

a-ni-mus ziel, ta-bu-la tafel; zoo ook e-tiam ook, quo-niam naardien, a-xls as, 

se-quor ik volg. 
2° Wanneer twee of meer consonanten samenkomen, behoort 

alleen eene liquida of nasaal (1, r, m [behalve voor n: zie onder 3°],-n), 

en de eerste van eene dubbele consonant, bij de voorgaande 

Iettergreep, de overige bij de volgende, dus: 

re-dor bestuurder, scri-psit hij heeft geschreven, fa-ctum daad, pd-scit hij 

eischt, sl-gnum teeken, ho-stis vijand, d-gmen troep, schare, frd-gmentum 

brok, ma-gnus groot, pote-stds macht; — do-ctrina leer, plau-strum wagen, 

no-stri onze, corru-ptrix bederfster ; 

maar: 

al-ter de ander, men-sis maand, ar-bor boom, ar-ma wapenen, Tn-fdns 

klein kind, ag-ger wal, mit-to ik zend, cras-sus dik, metal-lum metaal, an-nus 

jaar; — vin-ctus gebonden, demon-strdre betoogen, td/t-strix scheerster. 
3° De twee neusklanken m en n worden niet gescheiden, maar behoo- 

ren beide bij de volgende Iettergreep, dus: a-mnis stroom, o-mnes 

alle, conde-mno ik veroordeel, colu-mna zuil. 

Aanm. 2. Deze regels berusten op het beginsel, dat eene consonant 
alleen dan bij de voorgaande Iettergreep behoort, wanneer 
zij aan het begin der volgende (als zelfstandig woord beschouwd) 
onuitspreekbaar zijn zou, en dus van twee of meer consonanten zoovele 
bij de tweede Iettergreep moeten getrokken worden, als in het begin van 
een woord staan kunnen. 

Van deze onder Griekschen invloed staande theorie wijkt blijkens de 
inscripties en handschriften de werkelij kheid in zooverre af, dat in de 
gewone uitspraak bij twee consonanten de scheiding overal tus- 



§ 32. 



LETTERGREPEN. QUANTITEIT. 



31 



schen de twee consonanten viel (bij meer dan twee voor de laatste),. 
behalve bij muta cum liquida, die beide bij de volgende Iettergreep 
getrokken werden; dus: rec-tor, scrip-sit, fac-tum, hos-tis, pug-na, ag-men,. 
am-nis, om-nes; vinc-tus, ins-tar, temp-to; maar: pa-tris, ala-cris, tene-brae, 
doc-trina, plaus-trum, enz.. 

In eene vroegere periode van het Latijn (onder de prae-historische 
accentwet: § 43) moet ook bij muta cum liquida de grens der Ietter- 
greep tusschen de beide consonanten gelegen hebben , daar een korte- 
klinker in eene middenlettergreep (§ 15) voor muta cum liquida als een 
klinker in eene gesloten Iettergreep behandeld werd (m. a. w. dezelfde ver- 
anderingen heeft ondergaan als een klinker voor twee andere consonanten: 
v gl- § 15): zoo werd *in-pat-rd, im-pet-rd, evenals *cdnfac-tos, con-fec-tus 
(niet *im-pi-tro, zooals *con-fa-ci-d con-fi-ci-d werd); zoo ook: ge-net-rix, 
maar ge-ni-tor. In den historischen tijd scheidde men echter 
im-pe-tro , te-ne-brae (met korte paenultima; tegenover con-fec-tus); de 
dichters van den klassieken tijd trekken wel-is-waar dikwijls de muta bij, 
de eerste Iettergreep (pat-ris, teneb-rae), waardoor deze lang wordt (§ 32, 
A. 3), maar dit berust op navolging van de Grieksche praktijk. 

b) in samengestelde woorden. 

40 Wat de met voorvoegsels en voorzetsels samengestelde woorden 
betreft, verbinde men de slotconsonant van het voorvoegsel met het volgende 
woord, zoo dit begint met eene vocaal of eene liquida of nasaal (I, m, n, 
r): dus: 

re-deo ik keer terug, su-bito plotseling, o-bliviscor ik vergeet, pe-reo ik torn 
om, a-beo ik ga weg, o-beo ik ga onder; — maar: ob-tineo ik heb in bezit,, 
ab-sum ik ben afwezig, con-gredior ik kom samen. 

Aanm. 3. In de gewone uitspraak richtte men zich veelal naar de ety- 
mologie (gelijk trouwens ook de grammatici ten deele wilden): ab-eo, ad- 
est, enz.; zoo altijd bij muta cum liquida: ab-rumpo, ob-liviscor, enz.. 

5° Alle samengestelde woorden waarin het eerste deel der samenstelling ver- 
kort of de geheele samenstelling min of meer verduisterd is, beschouwe men 
als niet samengesteld; dus: ma-gna-nimus (vgl. echter Aanm. 2) groot- 
moedig, ani-mad-verto ik merk op, po-tes gij kunt, lon-gaevus hoogbejaard,. 
ve-neo ik word verkocht. 

B. QUANTITEIT. 



a) der lettergrepen. 

§ 32. De quantiteit der lettergrepen, d. i. de duur, dien men voor hare 
uitspraak rekent, moet men hoofdzakelijk kennen voor een juist begrip van de 
versmaat der dichters. Even als wij de tonen, door noten voorgesteld, in maten 
van een bepaalden duur groepeeren, groepeerden zij de lettergrepen. Daartoe 
moesten zij den duur van iedere Iettergreep kunnen bepalen. 

Als kort beschouwd werd eene Iettergreep, die op een korten klin- 
ker eindigde, als lang alle lettergrepen met een langen klinker of 
een tweeklank: 

kort: bo-nus, ca-do, co-quo; 
lang: ma-ter; dc-tus; au-dio. 



32 



KLANKLEER. 



§ 33. 



§§ 34-35. 



QUANTITEIT. 



33 



Bovendien gold echter als lang iedere lettergreep met een korten 
klinker, die op eerie consonant eindigde, d. w. z. waarin op den 
korten klinker twee (of meer) medeklinkers volgden, uitgezonderd 
muta cum liquid a: 

pdr-ta, mes-sis, fdc-tus, axis (*ak-sis), ook mdior, did, eias, enz., daar i tus- 
schen klinkers als jj werd uitgesproken (dus: mai-ior, enz.: §10,4); maar: 
pa-iris, tene-brae, enz.. 

Men noemt deze lengte iengte door positie (positione), in tegenstelling met de 
lengte van nature (naturd), wanneer eene lettergreep een langen klinker had. 

Het kan natuurlijk gebeuren, dat eene lettergreep tegelijk lang is van nature 
en door positie; zoo bijv. in lauddns prijzende: hier is de a van nature lang 
{volgens § 33, 1°); het woord wordt dus uitgesproken laudaans (met eene 
zwakke n); in den genetivus laaddn-tis is echter de tweede lettergreep alleen 
lang door positie; het woord wordt daarom uitgesproken: lauddntis. 

Men wachte zich dus, de lengte van de lettergreep te verwarren 
met de lengte van den klinker: lang door positie kan alleen eene letter- 
greep zijn, nooit haar klinker (vgl. §11, A. 1). 

Aanm. 1. Ofschoon de uitdrukking positione (of positu) — gelijk de 
meeste kunsttermen der Latijnsche grammatica eene letterlijke vertaling uit 
het Grieksch (fisosi) — , wanneer we haar opvatten als: door de plaatsing, 
inderdaad de werkelijkheid goed weergeeft, berust ze toch feitelijk op eene 
misvatting, en is slechts bij toeval juist: de Grieksche geleerden noemden 
nl. lettergrepen als de hier bedoelde deosi lang, wijl ze zich voorstelden, 
dat deze verlenging — in tegenstelling met de natuurlijke lengte van letter- 
grepen met een langen klinker — slechts op overeenkomst oi afspraakbemstte; 
doordat dit in Rome weldra niet meer begrepen werd, kon daar de uit- 
drukking positione den zin krijgen van : door de plaatsing, een zin die er 
oorspronkelijk in het geheel niet in lag. 

Aanm. 2. De verklaring van dit verschijnsel van verlenging der letter- 
grepen door positie ligt in de scheiding der lettergrepen bij het spreken 
{§ 31, Aanm. 2): door de verdeeling van de consonanten over twee letter- 
grepen werd.de eerste lettergreep lang, omdat eene geslotene letter- 
greep in het Latijn steeds lang was, wijl de tijd, noodig voor de 
uitspraak van de consonant, bij dien van de vocaal gevoegd werd; de 
quantiteit van den klinker ondergaat dus geen verandering (om verwar- 
ring te voorkomen, gebruikt men daarom bij de lettergrepen ook wel 
de termen zwaar en licht in plaats van lang en kort). 

Aanm. 3. In de dactyiische poezie van den klassieken tijd werd eene 
lettergreep met korten klinker, waarop muta cum liquida volgde, ook 
dikwijls lang genomen (vgl. § 31, Aanm.), dus; pdt-ris naast pd-lris, 
volac-ris naast volii-cri [Ovid. Metamm. XIII, 607] (positio debilis). 

b) der klinkers. 
1. Verlenging van korte klinkers. 

§ 33. In § 14, 1 bespraken we de verlenging van vocalen door het uitvallen 
van eene consonant. Ook afgezien hier van wordt somtijds een korte klinker 
verlengd door den invloed van volgende medeklinkers. 

Zoo vindt men een langen klinker: 






1" wanneer een klinker gevolgd wordt door -ns of -nf-, dus: consul (Grieksch 
y.&voovl), sapiens wijs (Gr. geschreven aantijvs), Tnsdnus waanzinnig, insula 
eiland (Fr. lie), mensis maand, census schatting, amans beminnende, mons 
berg, Atheniensis Athener, trans over; - conficio ik maak af, confluo ik 
vloei samen, FnfelJx ongelukkig, enz.; 

Aanm. 1. Feitelijk heeft men ook hier met de in § 14, 1 bedoelde 
„schadeloosstelling" te doen, daar de n voor s en f zeer zwak werd uitge- 
sproken (dus: consul, Jnfellx, enz.) en allengs vrijwel geheel verloren ging: 
vandaar op oude inscripties dikwijls "cdsol voor consul, enz. ; vgl. ook Mies 
(naast Miens), milies enz., en Fr. e'poase (= spdnsa). 

2° voor -nx en -net-, somtijds ook voor -ct-, -x, -gn-, en voor -r + conso- 
nant; dus: coniunx echtgenoote, iunx'i ik heb samengevoegd (maar iiingd), 
quinfejtus vijfde (naar analogie daarvan ook qutnque vijf), sanctus heilig, 
coniunctus samengevoegd, functus verricht hebbende, lector lezer, rector 
bestuurder, actus gedreven, rexit hij heeft bestuurd, texit hij heeft bedekt, 
maximus zeer groot (maar magnus), benlgnus welwillend, dignus waardig, 
Marcus, MS.rtio.lis, quSrtus de vierde, enz.. 

Aanm. 2. In de meeste gevallen echter bleef eene korte klinker 
ook voor twee of meer consonanten (d. i. in eene lange lettergreep: 
§ 32) kort, bijv.: cap turn, rap turn, con do, canto, venustus, modestus, 
Silvester, agrestis, domesticus, amdnt, movent, scribunt, bdeca, gdllus, 
difficilis, certus, versus, perdo, metres, semper, incendo, montem, corpus, 
ddrmio, lingua, unda, tiirba, riimpo, piscis, lectus (bed), columna, ndctem, 
miiltus, enz.. 

2. Verkorting van lange klinkers. 

§ 34. Omgekeerd lag in de Latijnsche taal het streven, om lange 
klinkers te verkorten, wanneer zij onmiddellijk door een anderen 
klinker gevolgd werd en en niet met dezen samentrokken. Men drukt dit 
uit door den regel : vocalis ante vocalem corripitur. Dus: doceo ik leer, 
maar docere; miniio ik verminder, maar minutus; prior de eerste, maar primus; 
rei van de zaak, maar res; griiis van den kraanvogel, maar grits. 

§ 35. Op den voorgaanden regel zijn uitgezonderd: 

1° de door een anderen klinker gevolgde klinker, waaraan nog een klinker 
voorafgaat: diet van of aan den dag, faciei van of aan het gelaat; 

2" de i in de genetivi op -ius: illlus, nullius, utrius enz.; bij dichters echter 
in den regel illlus enz.; 

3° de i in de vormen van fio ik word, behalve wanneer eene r op de tweede 
vocaal volgt : flam, fiunt, maar f teres ; 

4° de i in vormen als obtit (= obivit) hij is overleden, leniit (= lenlvit) hij 
heeft gelenigd, caput (= cupTvit) hij heeft begeerd, enz.. Bij dichters is 
de eerste i dan kort, maar in proza lang (naar analogie van de vor- 
men met v). — Zoo ook in sub dio (voor sub dlvo) onder den blooten 
hemel; dius (voor divus) goddelijk; ook Diana komt nog voor bij dichters; 

50 Grieksche woorden, die in 't Latijn overgenomen zijn, wanneer althans die 
woorden niet geheel het burgerrecht hebben verkregen, dus: Dareus of 
Darius, Alexandria, museum, aer lucht, enz., maar: plate" a straat (nlaxeZa) 
en balineum of balneum bad (fialavsTor). 
WOLTJER, Lat. Gramm. 6e druk. 3 



34 . 



KLANKLEER. 



§§ 36-37. 



3. ALgemeene regels voor de quantiteit. 



% 36. Daar de kennis van de quantiteit der klinkers van groot belang is 
voor eene juiste uitspraak (vgl. § 44), laten we hier gemakshalve eenige 
algemeene regels ter bepaling van de quantiteit der klinkers volgen,. 
die overigens slechts ten deele de werkelijke oorzaak van de quantiteit aangeven 
en dan ook alleen als hulpmiddel voor het geheugen bedoeld zijn. 
1° Alle tweeklanken zijn lang, en evenzeer alle klinkers die uit twee- 

klanken ontstaan zijn: daudo ik sluit, includo ; aequus vlak, inlquus- 

caedo ik vel, occido ik dood. 

Aanm. Prae- in samenstellingen waarvan het tweede deel met 
een klinker begint (praeacutus van voren gespitst, praeastus van voren 
gebrand), heeft de ae kort. 

2" Lang zijn verder alle klinkers die door de samentrekking van twee 

klinkers ontstaan zijn : tlbicen fluitspeler (uit "tlbllcen) ; nil niets (uit nihil) ; 

cogo ik breng bijeen (uit *co-ago); luntor jonger (uit *iuu(e)nior); nemo 

niemand (uit *ne-hemo), enz. : vgl. § 19. 

Op gelijksoortige wijze zijn ontstaan de lange klinkers in: prorsus 

rechtuit (*pro-vorsus) ; sursum naar boven (*sub-vorsum); contio vergadering 

(*coventto), enz.. 
3° De i is lang voor de v: divas goddelijk, audivi ik heb gehoord, vivas: 

levend ; behalve in nivis genet, van nix sneeuw, en ubivis overal, dat zelden 

eene lange i heeft. 

§ 37. 4° Ter bepaling van de quantiteit der klinkers in stamlettergrepen 
lette men op de volgende regels : 

I. Een langen klinker hebben alle eenlettergrepige substantiva en van 
de overige eenlettergrepige woorden die welke op eene vocaal uit- 
gaan (in de andere eenlettergrepige woorden is de klinker kort) : mos ge- 
woonte, ver lente, ius recht ; pro voor, per door, in in, e^ en. 
Uitgezonderd zijn: 

a) cor hart, vir man, fel gal, 6s (ossis) been, met honig; 

b) de niet zelfstandige aanhangsels : -que, -ve, -ce, -ne, -te, -pse, -pte (§ 47)' 
en de norn. plur. neutr. qua; 

c) en ziedaar, non niet, quin dat niet, eras morgen, cur waarom, sin maar 
indien, plus meer, par gelijk, en de woorden op -c: hie hier (maar: 
hie deze, heeft gewoonlijk T), sic zoo (maar: nee en niet); 

d) enkele eenlettergrepige substantiva die op twee consonanten eindigenr. 
ars kunst, pars deel, fax fakkel, nix sneeuw, nox nacht, enz.. 

II. Verba. 

10 De verba wier perf. op -ui eindigt, hebben eene korte stamvocaal: sono- 
— sonui ik klink, moneo — monui ik vermaan, salio — salui ik spring. 

Uitgezonderd: debeo ik moet ("dehabeo: §19), pono ikplaats fposino, 
*posno: § 14), floreo ik bloei en pareo ik gehoorzaam. 

20 Eveneens hebben de consonantstammen op -io en -ior eene korte stam- 
vocaal: parto ik breng voort, fugio ik vlucht, fodio ik graaf, patior ik 
duld, morior ik sterf. 
Vele van deze zijn reeds in den voorgaanden regel begrepen. 

30 De perfecta en supina van twee lettergrepen hebben de stamvocaal 






'/ 



§§ 38-40. 



QUANTITEIT. 



35 



lang, wanneer voor de i van het perf. slechts een medeklinker, en voor 
den uitgang -turn of -sum van het sup. geen medeklinker gevonden wordt: 
dus van video ik zie : vidi; fugio ik vlucht : fugi; cado ik val : casurus; 
ludo ik speel : lusi, lusum. 
Uitgezonderd zijn: 

a) de perfecta: bibl (van bibo ik drink), dedl (van do ik geef), fidl 
(van findo ik splijt), scidi (van scindo ik scheur), stetl (van sto ik sta), 
still (van sisto ik plaats), tull (bij fero ik draag); 

b) de supina: citam (van cleo ik beweeg), datum (van do ik geef), 
Hum (van eo ik ga), litum (van lino ik smeer), ratum (van reor 
ik meen), sat urn (van sero ik zaai), si turn (van sino ik sta toe), 
st&tum (van sto ik sta). 

Aanm. 1. Hierbij behooren ook de composita van ruo: dlrutum, erutum, 
obrutum enz., ofschoon rutum de u lang heeft. Vgl. § 271, A. 10. 

Aanm. 2. De woorden die in 't Latijn eene u hebben in de stamletter- 
greep en in 't Fransch de u hebben behouden, hebben eene lange u ; eene 
korte u in den stam is in 't Fransch in andere klinkers of in tweeklanken 
overgegaan; dus: muet: mutus, jurer: larare, dur: durus, mur: murus, 
mutation: mutatlo, brut: briitus, pur: piirus, enz., maar: gueule: 
gula, enz.. 

§ 38. 5 Voor afgeleide en samengestelde woorden geldt als regel, dat 
zij dezelfde quantiteit hebben als hun stamwoord of hunne samenstel- 
lende deelen: cado ik val — incldo; caedo ikvel — occido; ius recht — iustus 
rechtvaardig ; fas goddelijk recht — dies fastus gerechtsdag; rus land — rusticus 
landelijk; bs mond — ostium ingang; qutes rust — qulescere rusten; calere 
warm zijn — calescere warm worden ; dorrnlre slapen — obdormlscere inslapen. 

Aanm. Naast pro- vindt men in samenstellingen dikwijls pro- (vgl. 
§ 30; § 11, A. 1), b.v. : proavus overgrootvader, prof anus onheilig, profi- 
ciscor ik vertrek, proflteor ik beken , profugus voortvluchtig , profundus 
diep, prohlbeo ik belet, pronepbs achterkleinzoon , protervus onstuimig; 
maar: procedo ik ga voort, prbclivls hellend, promltto ik beloof, enz.. 

Over prae- vergelijk § 36, 1, Aanm.. 

§ 39. 60 Wat de quantiteit der klinkers in achtervoegsels betreft, 
merke men op : 
De i is lang in: 

io apricus zonnig, mendlcus doodarm, pudlcus eerbaar; antiquus oud, posticus 
achter- ; umbilicus navel ; formica mier, lectlca draagstoel, lorlca harnas ; 

2° oplmus vet, patrlmus, matrlmus wiens vader, wiens moeder nog leeft, 
quadrlmus vier jaar oud. 

§40. 70 De quantiteit der klinkers in de verbuigings- en vervoegings- 
uitgangen kan in het algemeen het gemakkelijkst uit de paradigmata worden 
opgemaakt. Daarom zal hier slechts over enkele punten gesproken worden. 

1) Van de op een klinker uitgaande eindlettergrepen hebben die op 
-a en -e den klinker kort, die op -i, -o, -u lang: mensa, bella, genera, fratre, 
scribe; maar: domlm, fratrJ, audi, domino, cornii. 

3* 



36 



KLANKLEER. 



§ 41. 



§ 42. 



ACCENT. 



37 



Uitzonderingen: 
-a is lang: 1° in den abl. sing, der a-stammen: mensa; 

2° in den imperativus praes. act. der a-stammen : ama, behalve in 

puta in de beteekenis bijvoorbeeld; 
30 in onverbuigbare woorden, bijv. : frustra te vergeefs, intered 
ondertusschen, ergo, jegens (als ablat.) enz. ; behalve in: ita 
zoo, quia omdat, eia kom aan ; 

-e is lang: 1° in den abl. sing, der e-stammen: die, facie, spe, en in fame 

door den honger; 

2° in den imperat. praes. act. der e-stammen: dele; dichters ge- 

bruiken deze e echter kort in tweelettergrepige imperativi, wan- 

neer de eerste lettergreep 00k kort is: habe, iube, mane, enz.; 

-o is kort: 1° in cedo geef hier, zeg eens, welaan, duo twee, ego ik, cito snel, 
illico terstond, modo slechts; 
2° somtijds, vooral bij latere dichters, als uitgang van den len 
pers. sing. ind. praes. act. der werkwoorden: bijv. amo, cedo. 

§ 41. 2) De eindlettergrepen die op eene consonant eindigen, 
behalve op c en s (x), hebben een korten klinker. , Vandaar dikwijls ver- 
korting van een klinker: amoris, maar amor; slmus, maar sim; sitis, maar sit; 
eramus, maar eram; moneamus, maar moneam; ameris, maar amer; audietis, 

maar audiet. 

Van de eindlettergrepen op een klinker + -s hebben -as, -es, -os een 
langen klinker, -is, -us een korten. 

Uitzonderingen: 
de e in -es is kort: 1° in den nom. en voc. sing, der meerlettergrepige im- 
parisyllaba i) van de consonantstammen wier genet, 
de voorlaatste lettergreep kort heeft: miles (mJlitis), 
.maar lang zijn: abies denneboom (abietis); aries 
ram (arietis); paries wand (parietis) en Ceres Ceres 
(Cereris) ; 
20 in es gij zijt (maar es gij eet); 

de o in -os is kort: in compos machtig; 

de i in -is is lang: 1° overal waar -is in 't meervoud voorkomt: omriis, 
servls, mensls, enz. ; 
2° in den 2den pers. sing, indie, praes. act. der i-stammen: 

audls; 
30 in sis, vis, /Is, veils, malls, noils, en de subst. Quins 
een Quiriet en Samnis een Samniet; 

de u in -us is lang: in den genet, sing, en in den nom., ace. en voc. plur. 
der u-stammen : fructus, en in den nomin. sing, van 
de consonantstammen die in den genet, de voor- 
laatste lettergreep lang hebben: palus moeras (gen. 
paludis), virtus manlijkheid, deugd (gen. virtutis). 



l) Vgl. aatrt. 1 bij § 73. 



C. ACCENT. 

§ 42. Syllaben-, woord- en zinaccent. 

Wij spreken in zinnen. Gewoonlijk bestaat een zin uit een aantal woorden, 
een woord uit een aantal lettergrepen, eene lettergreep uit een aantal 
klanken. Maar eene rij klanken vormt op zich zelf nog geene lettergreep, eene 
rij lettergrepen nog geen woord, eene rij woorden nog geen zin : zij kan dit eerst 
worden door het accent. Het accent is dus datgene, wat bij net uitspreken 
der afzonderlijke klanken komt, om ze met elkander te verbinden tot 
lettergrepen, woorden en zinnen. Daaruit volgt, dat men een syllaben- 
accent, een woordaccent en een zinaccent kan onderscheiden. 

a) Wat het eerste betreft, zij alleen opgemerkt, dat feitelijk iedere letter- 
greep [00k die welke niet het woordaccent hebben, m. a. w. „zwaktonig" zijn 
(zie b)] haar eigen accent heeft, ten opzichte van het accent op bepaalde wijze 
gekarakteriseerd is. Zoo heeft de eerste lettergreep van loopen in de gewone 
Nederlandsche uitspraak (loopen) een ander accent dan in een zangerig dialect 
als het Geldersch-Overijselsch (loopen, d. i. loopen); vgl. 00k bijv. ons ja beves- 
tigend, ja twijfelend (ja, wanneer dat zoo is), ja? vragend, ja kort afgebroken 
(ja, dat weet ik niet). 

De beteekenis van het syllabenaccent blijkt duidelijk in de verschillende accen- 
tueering (met acutus en met circumflexus) van lange lettergrepen in het Grieksch : 

'd'sd en $sag. 

b) Wij hebben hier hoofdzakelijk te maken met het woordaccent, dat de 
lettergrepen van een woord voor het gehoor tot een geheel (eene phonetische 
eenheid) maakt, door eene ervan te kenmerken boven de andere: vergelijk bijv. 
dag, meisjel met ddgmeisje; loop, jdngen! met lodpjongen. De lettergreep, die 
aldus boven de andere onderscheiden wordt, heeft het hoofdaccent, den hoofd- 
toon, of, zooals men kortweg, hoewel minder juist, zegt, het accent, den toon 
(is „geaccentueerd", „behoofdtoond" of „betoond"), de andere hebben een zwak 
accent (zijn „zwaktonig", of, minder goed uitgedrukt, „zonder accent", „ongeac- 
centueerd", „toonloos"). Het graadverschil tusschen lettergrepen met hoofdtoon 
en met zwakken toon is niet constant: dikwijls kan men nog een bijtoon waar- 
nemen : zoo draagt in het woord vaderland, evenals in vader, de eerste letter- 
greep het hoofdaccent; de volgende zijn „zwaktonig", maar de laatste minder 
dan de voorlaatste : men accentueert dus : vaderland (va- met hoofdtoon, -der- met 
zwakken toon, -land met bijtoon); evenzoo : nobrdenwind (noor- met bijtoon, 
-den- met zwakken toon, -wind met hoofdtoon). 

c) Eindelijk kan, zooals bekend is, in het verband van een zin eenzelfde 
woord weder een verschillend accent hebben, naar het gewicht dat er in den 
zin aan toegekend wordt. Zoo heeft in een zin als: ik heb hem getrdffen, -trof- 
den hoofdtoon, heb een sterkeren bijtoon dan ik, hem en ge-. 

Soorten van woordaccent. 

Behalve door de lengte of duur (quantiteit) van de uitspraak, waarover 
reeds gehandeld werd (quantiteits- of tijdsaccent), kan in een woord eene 
lettergreep boven de andere gekenmerkt worden : 

1° door haar sterker uit te spreken, door de kracht van de uitspraak dus 
(exspiratorisch [00k wel dynamisch] of intensiteits-accent) ; 

20 door haar hooger uit te spreken, door de hoogte van den toon dus (muzi- 
kaal accent). 



38 



KLANKLEER. 



§§ 43-44. 



Intensiteits- en muzikaal accent gaan gewoonlijk gepaard; naar gelang echter 
bij het spreken in eene taal de verschillen in toonsterkte of die in toonhoogte 
tusschen de afzonderlijke lettergrepen grooter zijn en meer op den voorgrond 
treden, spreekt men van talen met (overwegend) exspiratorisch en zulke 
met (overwegend) muzikaal accent. Tot de eerste behoort bijv. het Neder- 
landsch : onderscheid in de muzikale hoogte der verschillende lettergrepen is 
ook in onze taal zeer wel voorhanden (met name in de dialecten), maar als 
geaccentueerd geldt voor ons gevoel toch niet de hooger, maar de met meer 
energie dan de andere uitgesproken lettergreep, terwijl de lengte of duur geheel 
op den achtergrond treedt : een, e'en, bode, schitterend, bouwland, landbouw, 
huisvader, vaderhuis, wetenschappelijk, azuurblauw. 

Eene taal kan in den loop der tijden de qualiteit van haar accent veranderen : 
zoo had het oud-Grieksch een overwegend muzikaal accent, terwijl het nieuw- 
Grieksch exspiratorisch accentueert. 

Aanm. Het latijnsche woord accentus (van accino, eene letterlijke ver- 
taling dus van nQoacpdia) duidt eigenlijk de toonhoogte aan, ons woord 
accent de toonsterkte (klemtoon) ; meestal wordt accent echter zoowel voor 
klemtoon, als voor toon gebezigd. 



1. HET LATIJNSCHE WOORDACCENT. 

§ 43. Bij het Latijnsche woordaccent heeft men twee perioden te onder- 
scheiden: de prae-historische (prae-literaire) en de historische periode. 

1. Het prae-historische intensiteitsaccent. 

In de oudste periode der Latijnsche taal moet het accent exspira- 
torisch (dynamisch) van karakter geweest zijn en steeds op de eerste 
lettergreep van het woord gestaan hebben; deze werd met bijzonderen 
nadruk (slerkte) uitgesproken, de andere zonder nadruk, onverschillig, of ze 
hooger of lager van toon waren. Men accentueerde dus niet slechts *e'xago 
(e'xigb), *cecanai (cecini), maar ook "'contango (in het historische Latijn contingb), 
*e'xaistumo (existimo), "fefellai (fefelll), enz.. Over de hierdoor ontstane veran- 
deringen in het Latijnsche klankstelsel is in § 15 gehandeld. 

In de historische periode is dit accent op de beginlettergreep 
verdwenen, en heeft voor een geheel ander systeem van accentueering plaats 
gemaakt. 

2. Het historische accent. 



§ 44, a) Karakter. Terwijl het prae-historische accent algemeen als inten- 
siteitsaccent erkend wordt, bestaat over het wezen van het historische 
accent in het Latijn groot verschil van gevoelen: moet men afgaan op het 
getuigenis der Romeinsche taalgeleerden , dan is het tot op het einde der 
4de eeuw n. Chr. muzikaal geweest, en zoo oordeelen ook thans nog vele 
geleerden ; volgens anderen is echter het Latijnsche accent ook na de verandering 
van plaats die het heeft ondergaan, overwegend exspiratorisch gebleven, 
en hebben de Romeinsche grammatici Grieksche theorieen over het accent 
gedachteloos overgenomen. 

Misschien is de oplossing van dit vraagstuk deze, dat het muzikale accent 
overheerschend werd in de taal der hoogere standen, terwijl het volk meer 



§ 45. 



ACCENT. 



39 



vasthield aan het oude intensiteitsaccent; ook in de hoogere taal heeft het 
exspiratorische element echter nooit geheel ontbroken. 

In elk geval rnogen wij het onderscheid tusschen eene lettergreep met het 
accent en eene lettergreep zonder accent, wat de kracht of den nadruk der 
uitspraak betreft, in het Latijn niet zoo groot maken als in onze taal : de letter- 
grepen met den klemtoon moeten minder krachtig, de lettergrepen zonder den 
klemtoon wat sterker uitgesproken worden, dan wij in onze taal gewoon zijn 
te doen; daarentegen hebben wij meer dan in onze taal met het verschil in 
toonhoogte te rekenen; met name echter moet de duur der vocalen in 
de uitspraak veel duidelijker uitgedrukt worden. Natuurlijk komt het 
onderscheid vooral uit in den versbouw der beide talen. 

Het Latijn heeft volgens de Romeinsche grammatici, die in hunne beschou- 
wingen de Grieken volgden, twee accenten: den acutus of den scherpen 
{stijgenden, hoogen) toon (teeken '), en den circumflexus of den omge- 
bogen toon, een lang aangehouden toon, die eerst stijgt, naar het einde toe 
lager wordt (daalt: teeken *); een circumflexus heeft bijv. de a van ja en de 
■oo van zoo in den volgenden zin : Ja, als het zoo is, dan is het goed (Jdd, zoo). 

De acutus valt op korte en lange lettergrepen, de circumflexus alleen 
op lange. 

Alle klinkers die geen accent hebben, heeten zwaartonig, graves (teeken '). 

De teekens worden in het Latijn gewoonlijk niet geschreven. 

Aanm. De door de Romeinsche grammatici voor het gebruik van acutus 
en circumflexus gestelde regels behoeven hier niet weergegeven te worden: 
ze komen overeen met de Grieksche, behalve dat volgens hen alle een- 
lettergrepige woorden met lange vocaal een circumflexus hebben. 

§45. b) Plaats. Het historische Latijnsche accent treedt 
in een woord nooit verder terug dan de derde syllabe 
van achteren {antepaenultima) en regelt zich voorts naar de 
quantiteit der voorlaatste lettergreep (paenultima): is deze 
(natura of positione (§ 32)) lang,. dan heeft zij het accent; is 
.zij kort, dan valt het op de antepaenultima (paenultima-wet). 
Derhalve hebben: 

10 eenlettergrepige woorden het accent op deze eene lettergreep; 

20 tweelettergrepige woorden het accent op de eerste lettergreep; 

30 drie- en meerlettergrepige woorden het accent op de derde 
lettergreep van achteren, wanneer de voorlaatste kort is; op de 
voorlaatste, wanneer deze een langen klinker heeft, of op den 
korten klinker twee of meer medeklinkers volgen (mits niet muta 
cum liquida: § 32): legere lezen, lenio ik lenig, tenebrae duisternis, volu- 
cris (vr.) vliegend, quddruplus viervoudig; maar: docere onderwijzen, 
amicus vriend, lapillus steentje; oppugno ik bestorm, rotundas rond, 
eondemno ik veroordeel, convictus overtuigd. 

Aanm. Woorden van vier of meer lettergrepen hebben behalve het 
hoofdaccent, dikwijls nog een bij toon, evenals in onze taal: Imperterritus 
dnverschrokken , cbndiscipulus medeleerling, sbcietdtem bondgenootschap. 
Vgl, § 42, b. 



40 



KLANKLEER. 



§§ 46-48. 



§ 46. Op de laatste lettergreep staat het accent in meerlettergrepige woorden, 
wanneer zij eerst later eindlettergreep is geworden (door verminking of verkor- 
ting van den uitgang) en vroeger naar de paenaltima-wet het accent had : zoo 
in : illic, Hide, Mine, iliac (voor Mice enz.) ; educ trek uit, produc breng voor 
den dag (voor educe, produce), en in eenige andere : ). 

II. HET LATIJNSCHE ZINACCENT. 

Procliticae en encliticae. 

§ 47. Gelijk reeds opgemerkt werd, hebben de afzonderlijke woorden in den 

zin een verschillend accent. Vele woorden bezitten in de uitspraak zoo weinig 

zelfstandigheid, dat zij altijd of in bepaalde gevallen hun eigen accent in den 

zin opgeven en zich aansluiten bij een ander woord. Sluiten zij zich aan bij 

het woord dat volgt, dan noemt men ze procliticae, sluiten zij zich aan 

bij het voorgaande woord, dan heeten ze encliticae. Zoo is te bijv. 

proclitisch in tehuis; ze enclitisch in : grijp ze (uitgesproken als grijpze). 

1° Procliticae zijn o. a.: de praeposities in de volgende samenstellingen: 

abhinc van hier, dehinc daarna, adhiic tot nu toe, antehdc voor dezen, 

posthdc na dezen; voorts het eerste deel in de oneigenlijke com- 

posita van facio: arefdcio ik droog (arefdeis), calefdcio ik warm (calefdcit), 

liquefdcio ik smelt (liquefis) enz. (§ 268, A. 3). 

2° Encliticae zijn o. a.: -que, -ve, -ce, -ne, -pte, -pse, -met; wanneer deze 

lettergrepen achter een woord komen, maken zij, dat zijn accent verschuift 

en het een acutus krijgt op de laatste syllabe, ook wanneer deze kort is 

(in afwijking dus van de paenuUima-wet) : multdque, hominesque, plerdque, 

egomet, hicine, huiusce, videsne, duabus tribusve, tiitemet, redpse, limindque. 

Uitgezonderd zijn voor het accent: denique, lindique, utique, itaque; hier 

heeft -que zijne beteekenis verloren, en zijn zelfstandige nieuwe woorden 

ontstaan. 

Aanm. De Romeinsche taalleeraars maakten onderscheid in het accent 
tusschen itaque en aldus, en zoo, bijv.: Te cum cenavisses rediturum 
dixeras itaque fecisti (Cic. pr. Deiot. § 19), en itaque derhalve, daarom 
(zie § 641); zoo ook tusschen utique (= et uti) en utique in alle 
gevallen, volstrekt. 

D. LEESTEEKENS. 



§ 48. De oude Romeinen gebruikten geene leesteekens zooals wij. 
Dikwijls scheidden zij de woorden door een punt, zonder echter meer 
tusschenruimte tusschen twee woorden te laten dan tusschen twee 
lettergrepen. 

In onze uitgaven der klassieken is de interpunctie der moderne talen 
overgenomen, doch niet consequent en vast. 



!) Het teeken ~ duidt aan, dat de klinker lang is en het accent heeft. 



TWEEDE DEEL. 



BUIGINGSLEER. 



§ 49. De rededeelen (partes orationis) worden onderscheiden 
in drie soorten: nomina of naamwoorden, verbum of werk- 
woord, en particulae (eigenlijk: deeltjes) of kleinere rededeelen: 





' substantivum, 


zelfstandig naamwoord 


nomina 


adiectlvum, 
| numerate, 


bijvoegelijk naamwoord 
telwoord 




[pronomen, 


voornaamwoord 


verbum 


verbum, 


werkwoord 




( adverb ium, 


bij woord 


particulae 


1 praepositlo, 
| coniunciio, 


voorzetsel 
voegwoord 




\interiectio, 


tusschenwerpsel. 



Van deze negen rededeelen worden de eerste vijf verbogen, terwijl 
de laatste vier onverbuigbaar zijn. De buiging der nomina heet 
declindtio, verbuiging, die van het werkwoord coniugdtio , 
vervoeging. 



Het lidwoord (articulas) ontbreekt in het Latijn. Arbor kan dus 
beteekenen : boom, de boom, of een boom ; arbores : boomen of de boomen. 

Aanm. De interiectio behoort eigenlijk niet tot de rededeelen: vgl. 
§ 54, A. 1. 



42 BUIGINGSLEER." §§ 50-52. 

HOOFDSTUK I. 

HET SUBSTANTIVUM. 

1) Verdeeling. 

§ 50. Men verdeelt de substantiva in: 
concrete (eigenlijk: samengegroeide, harde, stevige): namen van 

werkelijk bestaande voorwerpen, en 
abstracta (afgetrokkene, begripsnamen) : namen van eigenschappen, 
handelingen, toestanden, als voorwerpen gedacht. 

Bij de eerste onderscheidt men verder: 
■appellativa gemeenzelfstandige naamwoorden of soortnamen, 
propria eigennamen, 
collective. verzamelnamen, 
mdterialia stofnamen. 

2) Geslacht. 

§ 51. Aan sommige substantiva kent men een geslacht (genus) toe, 
aan andere niet. 

De substantiva die een geslacht hebben, zijn masculina (m.), 
manlijk(e), of feminina (f.), vrouwelijk(e); die geen geslacht 
hebben, heeten neutra (n.), d. i. (die) geen van beide (geslachten 
hebben), onzijdig(e). 

§ 52. Algemeene, d. i. van den uitgang der woorden on- 

■afhankelijke, regels voor het geslacht zijn de volgende: 

1° manlijk zijn alle namen van manlijke wezens, van volken, 

rivieren, winden en maanden (eigenlijk adiectiva bij de 

manlijke woorden: homo mensch of homines menschen, fluvius rivier, 

ventus wind, mensis maand): pastor herder, Rpmani Romeinen, 

Rhenus de Rijn, Sequana de Seine, aquilo noordenwind, Ap fills April; 

20 vrouwelijk zijn alle namen van vrouwelijke wezens, van 

boomen, steden, landen en eilanden (als adiectiva bij : arbor 

boom, urbs stad, terra of regio land, insula eiland, die vrouwelijk 

zijn): regina koningin, pirns pereboom, populus populier, Corinthus 

Corinthe, Karthago Karthago, Aegyptus Egypte, Cyprus Cyprus; 

30 onzijdig zijn alle niet verbuigbare of slechts in een vorm 

(nom. en ace. sing.) gebruikte woorden (vgl. §§ 138 en 133). 

Aanm. 1. Deze regels gelden ook, wanneer het woord naar 
den uitgang een ander geslacht moest hebben: Venus Venus, is 
vrouwelijk, ofschoon de woorden op -us, -eris onzijdig zijn ; praedo roover, 
is manlijk, hoewel de woorden op -do gewoonlijk vrouwelijk zijn; Persa een 
Pers, is manlijk, niettegenstaande het naar den uitgang vrouwelijk moest wezen. 

AANM. 2. Bij sommige woorden echter, die, om hunne beteekenis, hun 
geslacht naar de bovenstaande regels zouden moeten richten, wordt het 
geslacht bepaald door den uitgang. 



§§ 53 - 54. 



SUBSTANTIVA. 



43 






Zoo zijn manlijk de namen der steden op -i, -orum: Delphi, genet. 
Delphorum ; 

vrouwelijk: a) Allia, een bijriviertje van den Tiber, en Lethe gen. 
Lcthes ^ (§ 146), Styx gen. Stygis (§ 142), rivieren in de onderwereld; 
b) copiae troepen, excubiae wacht, operae werklieden, vigiliae wachtpost; 

onzijdig: a) de namen der steden op -um: Tarentum Tarente; 
b) mancipium slaaf, auxilia hulptroepen. 

Aanm. 3. a) Eenige substantiva zijn communis generis, dat wil 
zeggen: dezelfde vorm wordt voor een manlijken persoon manlijk, 
voor eene vrouwelijke persoon vrouwelijk genomen. Men noemt ze 
communia: sacerdos m. : priester, f . : priesteres; dux m. : leidsman, f . : 
leidsvrouw; clvism.: burger, f. : burgeres; hires m.: erfgenaam, f.: erfgename. 

b) Andere substantiva duiden door verschillende uitgangen achter 
denzelfden stam de geslachten aan; zij heeten daarom mobilia: servus 
slaaf — serva slavin ; victor overwinnaar — victrlx overwinnares ; rex 
koning — regina koningin ; magister meester — magistra meesteres. 

c) Weer andere zijn epicoena (kmlxoiva) of promiscua, d. i. zij 
duiden het manlijke en het vrouwelijke wezen met denzelfden vorm 
en hetzelfde grammatische geslacht aan: zie A. 4. 

Aanm. 4. Diernamen. a) Onder de diernamen zijn sommige 
communia: canis m,: hond — f . : teef (vooral ook jachthond); bos m.: 
rund, os — f. ; koe, (meestal m.). 

b) Andere zijn mobilia: equus paard — equa merrie; gallus haan — 
gallina hen; leo leeuw — leaena leeuwin. 

c) De meeste diernamen zijn epicoena; zoo zijn altijd manlijk: 
passer musch, piscis visch, vermis worm, enz.; altijd vrouwelijk: aquila 
arend, vulpe.s vos, avis vogel, enz.. 

d) Eindelijk worden ook voor de twee geslachten geheel verschil- 
lende namen gebruikt : hircusbok — capragat; taurusstier — vaccakot. 

§ 53. 3) Getal. 

Het getal (numerus) is tweeerlei: 

(numerus) singularis enkelvoud, en (numerus) pluralis 

meervoud; dit laatste onderscheidt zich door bijzondere uitgangen 
van het enkelvoud. 

Aanm. Sporen van eenen numerus dualis vindt men in het Latijn 
slechts bij de telwoorden duo twee (3vo) en umbo beide (a/iyco): zie § 152. 

§ 54. 4) Naamvallen. 

Naamvallen (casus) heeft het Latijn zes: 

1) den nominativus, overeenkomende met onzen eersten naamval; 

2) den genetlvus, den twee den naamval; 

3) den datlvus, dien wij den derden naamval noemen; 

4) den accusativus, die bij ons de vierde naamval heet; 

5) den vocativus, die aanduidt, wien of wat men aanroept ol aanspreekt; 

6) den ablativus, die - veelal verbonden met een voorzetsel - in 
de eerste plaats aanduidt waaruit iets is of ontstaat, of waarvan iets 
verwijderd wordt; dan echter ook 20 waar iets is; en 3» waardoor of 
waarmede iets geschiedt. Hij wordt in onze taal omschreven door 
voorzetsels als: uit, van; op, in; door, met. 






44 



BUIGINGSLEER. 



§§ 55-56. 



De nominativus en de vocativus worden casus recti (recht- 
streeksche of) onafhankelijke naamvallen, genoemd, de overige 
naamvallen: casus obliqui, (schuine of) afhankelijke naamvallen. 

Aanm. 1. De vocativus kan, streng genomen, niet onder de naam- 
vallen gerekend worden, evenmin als de interiectio onder de rededeelen, 
daar beide eigenlijk buiten het zinsverband staan. 

Aanm. 2. Gelijk uit het bovenstaande blijkt, zijn in den Latijnschen abla- 
tivus eigenlijk drie verschillende naamvallen samengesmolten : deeigenlijke 
ablativus(l°), de locativus(20) endeinstrumentalis(3°). Alleen de loca- 
tivus heeft in enkele gevallen nog een afzonderlijken vorm. Vgl. verder § 419. 

Aanm. 3. De Latijnsche namen dezer naamvallen zijn, behalve dien 
van den ablativus (vgl. auferre wegnemen, verwijderen), door de gram- 
matici gevormde vertalingen van de Grieksche namen: dvo/iaouxri > 
ysvmri, doztxrj, alxiaxix-q, xlrjnxi] nz&aig. Van deze vertalingen is accasativus 
onjuist voor causativus (ahiaxov „het veroorzaakte" = object), genetivus 
waarschijnlijk voor generdlis. 

De namen loccltivus en instrumentalis zijn uit den nieuweren tijd afkom- 
stig. Beter dan locativus is het ook gebruikte localis, daar locare gewoonlijk 
„verhuren" beteekent. 

§ 55. 5) Uitgangen. 

De verbuiging geschiedt door middel van uitgangen. Niet alle 
naamvallen hebben echter nog een verschillenden uitgang: 
1° De vocativus is gelijk aan den nominativus, behalve in den 

singularis van de woorden op -us, stam op -o-. 
20 Bij de neutra is altijd, in den singularis zoowel als in den 
pluralis, de accusativus gelijk aan den nominativus; in den 
pluralis eindigen beide altijd op -a. 
3° De ablativus pluralis is altijd gelijk aan den dativus pluralis. 

§ 56. 6) Stam. 

De grondvorm van een woord, dien men verkrijgt door de wisse- 
lende buigingsuitgangen weg te laten, heet stam. De stammen heeten 
vocaalstammen, wanneer de laatste letter, de kenletter, een klinker, 
consonantstammen, wanneer zij een medeklinker is. Deze bena- 
mingen worden ook voor de woorden zelf gebruikt. 

Naar de soort der stammen. heeft men verschillende declinaties: 

A. De declinatie der consonantstammen. 

B. De declinatie der vocaalstammen. 

Aanm. 1. Den stam van een substantivum vindt men over het algemeen 
het gemakkelijkst en het zuiverst, door van den genet, plur. den uitgang 
-um of -rum weg te laten: principum der vorsten, stam printip-; latronum 
der roovers, stam latrdn- ; navium der schepen, stam nclvi- ; fructuum der 
vruchten, stam fructu- ; dierum der dagen, stam die- ; mcnsdrum der tafels, 
stam mensd-; van servorum der slaven, is de stam echter servo- (met 6). 

De woordenboeken geven gewoonlijk den nom. en den gen. sing, op, 
waaruit men den stam kan opmaken. 



§§ 57-58. 



SUBSTANTIVA. CONSONANTSTAMMEN. 



45 



Aanm. 2. Gewoonlijk neemt men vijf declinaties aan, en wel zoo, dat 
de a-stammen de eerste, 
de o-stammen de tweede, 

de consonant-stammen en de i-stammen de derde, 
de twee- of meerlettergrepige u-stammen de vierde en 
de e-stammen de vijfde declinatie vormen. 

A. DE DECLINATIE DER CONSONANTSTAMMEN. 

§ 57. De declinatie der consonantstammen vervalt in vier 
groepen (vgl. § 20), die onderling alleen in de vorming van den 
nominativus verschillen, maar overigens gelijk verbogen worden : 

10. die der mutastammen, d. z. woorden wier stam uitgaat op c, g; 

p, b; t, d; 
20. die der liquidastammen, d. z. woorden wier stam uitgaat op 1 of r; 
30. die der nasaalstammen, d. z. woorden wier stam uitgaat op mofn; 
40. die der spirantstammen, d. z. woorden wier stam uitgaat op s. 

Aanm. Afzonderlijk staan: 1°. bos, bovis (meestal m.) rund (zie § 128); 
20. twee stammen op u : grus, gruis (f.) kraanvogel, en sus, suis (m. en f.) 
zwijn, die geheel als consonantstammen verbogen worden, behalve dat de 
dat. en abl. plur. van sus zoowel suibus als subus is (vgl. § 59, A. 2, onder 3). 

§ 58. Als algemeen voorbeeld van verbuiging ga vooraf 
de verbuiging van: 

1° consul een consul, stam consul-, voor de mascullna en feminTna; 
2° cadaver lijk, kreng, stam cadaver-, voor de neutra: 



Sing 


jlaris' 




Pluralis 


Nom. consul 


de (of: een) consul 


Nom 


consul-es [de] consuls 


Gen. consul-is 


des consuls ; van 


Gen. 


consul-urn der consuls; van 




den (of : eenen) c. 




[de] c. 


Dat. consul-I 


den (eenen) consul; 


Dat. 


consul-ibus den consuls; aan 




aan (voor) den 




(voor) [de] c. 




(of : eenen) c. 






Ace. consul-em 


den (eenen) consul 


Ace. 


consul-es [de] consuls 


Voc. consul 


[0] consul! 


Voc. 


consul-es [0] consuls! 


Abl. consul-e door [§426] (met enz) 


Abl. 


consul-ibus door [§426] (met 




den (of: eenen) c. 




enz.) [de] consuls 


Nom. cadaver 


het (of: een) lijk 


Nom 


cadaver-a [de] lijken 


Gen. cadaver-is 


van het (een) lijk 


Gen. 


cadaver-um der lijken; van 
[de] lijken 


Dat. cadaver-I 


aan (voor) het (of: 


Dat. 


cadaver-ibus den lijken; aan 




een) lijk 




(voor) [de] 1. 


Ace. cadaver 


het (een) lijk 


Ace. 


cadaver-a [de] lijken 


Voc. cadaver 


[0] lijk! 


Voc. 


cadaver-a [0] lijken! 


Abl. cadaver-e 


door (met enz.) het 


Abl. 


cadaver-ibus door (met enz.) 




(of: een) lijk 




[de] lijken. 



46 BUIGINGSLEER. § 59. 

§ 59. Overzicht der buigingsuitgangen. 

a) S i n g u 1 a r i s. 

De genetivus voegt achter den stam -is: consul-is, cadaver-is; 
de dativus -T: consul-i, cadaver-l; 

de accusativus der masculina en feminina -em: con- 
sul-em; die der neulra is gelijk aan den nominativus (zie 
§ 55, 20) : cadaver; 

de vocativus is gelijk aan den nominativus: consul, cadaver; 
de ablativus voegt achter den stam -e: consul-e, cadaver-e. 

Aanm. 1. 1) Genetivus. De uitgang -is is ontstaan uit -es (§16 a), 
dat in oude opschriften nog gevonden wordt : *saliites, * Veneres. Naast -es 
moet een oude uitgang -6s (met „Ablaut": § 13, Aanm.; vgl. Gr. -og, in 
srofi-oV), jonger -us, bestaan hebben, waarvan eveneens op inscripties nog 
sporen over zijn : *Diovos (= Iovis), "nominas (= nominis). 

2) Dativus. De uitgang -T is ontstaan uit -ei, dat op inscripties en 
bij Plautus nog voorkomt: *volaptatei (= voluptati). Een tusschenvorm 
tusschen het oorspr. -ei en het klassieke -I was -e (bijv. *salute = salatl: 
vgl. § 10, 13), dat in sommige staande uitdrukkingen ook later nog bewaard 
bleef, bijv. lure dicundo, enz., 

3) Accusativus masc. en fern., -em is de na consonanten optre- 
dende vorm van het oorspr. -m, dat aan vocaalstammen gehecht werd. 

4) Ablativus. De ablativus op -e is, naar het schijnt, een oorspr. 
locativus der consonantstammen, die als ablativus gebruikt werd (de uit- 
gang was dan eigenlijk -if, dat overeenkomstig § 16 a -e werd). Wanneer 
daarnaast, in oude oorkonden, ook van consonantstammen enkele ablativi 
op -Id voorkomen (bijv. * ' conventioriid [= contione], *airid [= aere]), of,, 
met apocope van -d (§ 23 B, a) op -T (bijv. *sanctiotii, "corpon; zoo ook 
bij Plautus *uxori), dan zijn deze ontstaan onder den invloed der i-stammen, 
waarbij -T(d) de eigenlijke uitgang was (§ 74, Aanm.); -ed, dat in oude 
inscripties een paar maal gevonden wordt (*dictatored), berust waarschijnlijk 
op vermenging van -Id en -e. 

b) P I u r a 1 i s. 

De nominativus en vocativus der masculina en 
feminina voegen achter den stam -es: consul-es; die van de 
neutra -a (zie § 55, 20): cadaver-a; 
de genetivus -urn: consul-urn, cadaver-um; 
de dativus en de ablativus -ibus (zie §55,3°): consul-ibus r 
cadaver-ibus ; 

de accusativus der masculina en feminina -es: consul- 
es; die der neutra -a, evenals de nominativus: cadaver-a. 

Aanm. 2. 1) Nom. en voc. masc. en fern.. Den uitgang -es (over 
-fees uit ej-es ontstaan : vgl. Gr. zt6Xeis uit Ji61e(j)eg) hebben de consonant- 
stammen van de i-stammen overgenomen; daardoor vallen nom. en ace. 
althans uiterlijk samen. Oorspronkelijk moet de uitgang van den nom. en 
voc, plur. der consonantstammen -es zijn geweest (vgl. Gr. aoS-sg), dat 



§§ 60-61. 



SUBSTANTIVA. MUTASTAMMEN. 



47" 



in het klassieke Latijn -is zou zijn geworden (§ 16 a); in het Latijn is. 
daarvan echter geen spoor meer over. 

2) Genet.. De uitgang -um is ontstaan uit -om (§ 16a), dat uit -*6m 
verkort is: vgl. Gr. xod-mv. 

3) Dat. en^Abl.. Den uitgang -i-bus — in plaats van het oorspronkelijke 
-bus (uit *-bos) [hog over in bobus of bubus (van bos: § 57, Aanm.) en 
sabus (van sus-. § 57, Aanm.)], dat bij consonantstammen allerlei veran- 
deringen in den stam zou hebben veroorzaakt (door assimilatie) — • hebben 
de consonantstammen aan de i-stammen ontleend : milit-i-bus (in plaats van 
*milit-bas) naar analogie van navi-bus. 

4) Ace. masc. en fem.. De uitgang -es is ontstaan uit -ens, den na 
consonanten gebruikten vorm van het oorspr. -ns, dat aan vocaal- 
stammen gehecht werd: consules uit 'consulens (§ 14 6; vgl. § 33, A. 1). 

1°. DE MUTASTAMMEN. 



§ 60. Tot de mutastammen behooren de woorden wier stam 
uitgaat op c, g; p, b; t, d. 

De nomin. sing, wordt gevormd door eene s achter den 
stam te voegen, behalve bij de neutra, waarvan er slechts drie 
zijn: caput hoofd, stam cap it-; cor hart, stam cord-; lac melk stam 
lact- (vgl § 23, B, c). 

Vodr deze s gaat eene g door assimilatie in c over: *-gs, *-cs, -x: 
bijv.: stam reg-: nominativus *regs, *recs, rex koning (vgl. § 25,' ]0)-_ 
eene t of d in s, waarbij echter -ss vereenvoudigd wordt tot -s (vgl! 
§ 25, 40) : bijv. stam aeiat-, nominativus ""aetats, *aetdss, aetds leeftijd. 

Pes, pedis voet, aries, arietis (storm)ram, abies, abietis denneboom 
en paries, parietis wand, hebben den stamklinker in den nom. (voc.) 
lang, in de andere naamvallen kort (vgl. § 13, Aanm.). 



-es gen 
-es „ 
-ex n 
-ex ,i 
-eps „ 



§ 61. De woorden op: 

-itis: miles, militis soldaat, stam mllit-; 
-idis: praeses, praesidis beschermer, stam praesid- ; 
-ids: artifex, artificis kunstenaar, stam artiflc- ; 
-igis: alleen remex, remigis roeier, stam remig- ; 
-ipis: forceps, forcipis tang, stam forcip., 

hebben in den nomin. e als stamklinker, in de andere 
naamvallen T (auceps, aucupis vogelaar u). 

Aanm. 1. De verhouding van nom. en stam is inderdaad niet zoo een- 
voudig, als ze hier (opzettelijk) voorgesteld wordt : om het onderscheid in 
khnker te verklaren, moet men verschillende gevallen onderscheiden 

a) In praeses (uit *praeseds: vgl. sedeo ik zit), auspex (uit *avi-specs 
vgl. *specio ik zie) e. d. werd eene oorspronkelijke e, die in den nom. 
behouden bleef, onder invloed van het accent in de andere naamvallen 
(waarin zij voor slechts eenen medeklinker stond) verzwakt tot t (§ 15 A). 



48 



BUIGINGSLEER. 



§ 62. 



b) In artifex (facio), princeps (capio), remex (ago), e. d. is eene oorspr. 
a in den nom. (voor twee medeklinkers) verzwakt tot e, in de andere 
naamvallen (voor een medeklinker) verdertot l, of (ina««5,ws)ooktotu(§15A). 

c) Alleen in comes, comitis metgezel (voor "comits: vgl. ire gaan), 
index, indicis aanwijzer, index, iudicis rechter, en wellicht ook in vindex, 
vindicis handhaver (voor *indix, *iudix, *vindix: vgl. dicere zeggen) behoort 
de T in den stam; de e van den nom. is hier echter niet ontstaan uiti, 
maar heeft de i verdrongen onder invloed van de woorden op -fex,ficis e. d.. 

De overige h ebb en denzelfden klinker in den nom. als 
in de andere naamvallen. Het zijn de woorden op: 

pax vrede, pads; maar fax fakkel, facis; 

rex koning, regis; lex wet, legls; maar grex kudde, 

gregis; 

radix wortel, radicis; vietrix overwinnares, victricis; 

calix kelk, calicis; 

vox stem, vocls ; 

dux aanvoerder, duels; maar lux licht, lucls; 

aetds leeftijd, aetdtls; aestas zomer, aestdtis; 

interpres tolk, interpretls; maar arles (storm)ram, arletls; 

ables denneboom, abletis; paries wand, parietls; 
Idls: lapis steen, lapidls; 
otis: sacerdos pri ester, sacerdotis; 
utis: salus heil, salutis; 

verder: coniunx (minder goed coniux), conlugls echtgenoote; nex, necls 
moord; vas, vadis borg; laus, laudis lot; pes, pedis voet; quies, quietts 
rust; heres, heredls erfgenaam; custos, custodis bewaker; palils, paludls 
moeras, poel; (ops), opls hulp (§ 73, 5°). 

Aanm. 2. Coniunx wordt bij dichters ook voor echtgenoot (m.) ge- 
bruikt. 

De vorm coniunx voor den nom., naast het oorspr. coniux, is opgekomen 
onder invloed van het verbum coniungo. 

§ 62. Voorbeelden van verbuiging: 



-ax 


gen. 


-acis : 


-ex 


)i 


-egis: 


-IX 


n 


-icls : 


-IX 


ii 


-wis: 


-ox 


ii 


-ocis : 


-ux 


it 


-ucis: 


-as 


n 


-at is : 


-es 


it 


-etls: 


-is 


u 


-idls: 


-OS 


il 


-otis: 


-us 


ll 


-litis: 



10 


rex koning, stam rig-. 








Singularis 




Pluralis 


N. 


rex 


N. 


reg-es 


G. 


reg-is 


G. 


reg-um 


D. 


reg-T 


D. 


reg-ibus 


Ace. 


reg-em 


Ace. 


reg-es 


V. 


rex 


V. 


r e g- es 


Abl. 


reg-e 


Abl. 


reg-ibus 



63. 



SUBSTANTIVA. MUTASTAMMEN. 



49 



2° princeps eerste, vorst, stam prlnclp- 




Singularis 




Pluralis 


N. prlncep-s 


N. 


prlncip-es 


G. prlncip-is 


G. 


princip-um 


D. prlncip-I 


D. 


prlncip-ibus 


Ace. prlncip-em 


Ace. 


prlncip-es 


V. prlncep-s 


V. 


prlncip-es 


Abl. princip-e 


Abl. 


prlncip-ibus 


3° virtus manlijkheid, deugc 


, stam virtut-. 


Singularis 




Pluralis 


N. virtus 


N. 


virtu t-es 


G. virtut-is 


G. 


virtut-um 


D. virtut-I 


D. 


virtut-ibus 


Ace. virtu t-eit« 


Ace. 


virtut-es 


V. virtus 


V. 


virtu t-es 


Abl. virtu t-e 


Abl. 


virtut-ibus 


4° caput hoofd, stam capit-. 






Singularis 




Pluralis 


N. caput 


N. 


capita 


G. capit-is 


G. 


capit-urii 


D. capit-T 


D. 


capit-ibus 


Ace. caput 


Ace. 


capit-a 


V. caput 


V. 


capit-a 


Abl. cap i t-e 


Abl. 


capit-ibus 



§ 63. Geslachtsregels. 

De mutastammen zijn vrouwelijk, wanneer de stamklinker in den 
nominativus en in de andere naamvallen dezelfde is, bij v. virtus, 
vtrtutts; met uitzondering van: 



calix, calicis kelk 
fornix, fornicis gewelf 
grex, gregis kudde 



lapis, lapidls steen 
paries, parietls wand 
pes, pedis voet, 

die manlijk zijn. 

Voorts zijn manlijk de mutastammen wier stamklinker in den nom. 
en in de andere naamvallen verschilt, bij v. stipes, stipltis paal, culex, 
culicis mug. 

Onzijdig zijn slechts de in § 60 genoemde: caput, cor en lac. 

Wat dux, duels en dergelijke aangaat, zie § 52. 

WOLTJER, Lat. Qratnm. 6e druk. 4 



50 



BUIGINGSLEER. 



§§ 64-65. 



§§ 66-67. 



SUBSTANTIVA. NASAALSTAMMEN. 



51 



2°. DE LIQUIDASTAMMEN. 

§ 64. Tot de liquidastammen behooren de woorden wier statu 
uitgaat op 1 of r. 

Zij voegen in den nom. sing, geen s achter den stam. 

10 L-stammen zijn de woorden op -ul, -ulis: consul, consults ;■ 
benevens sol, soils zon, sal, sails zout, en de neutra fel, 
fellls gal, en mel, mellls honing, die eene dubbele 1 in den stam 
hebben (§ 23, B, b; vgl. § 37, I, a). 

2° R-stammen zijn dewoordenop: 

-ar, -arts, voor zoover ze geen neutra zijn (zie §73,30): Caesar •, 

Caesaris; lar (vgl. § 37, I), larls huisgod; benevens 

lobar, Maris (licht)glans, en far, farris spelt, dat eene 

dubbele r in den stam heeft (§ 23, B, b); 
-er, -eris: agger, aggerls aarden wal; mulier, mullerls vrouw ; 

cadaver, cadaverls lijk, kreng; benevens ver, verls lente, 

dat eene lange e heeft; 
-ter, -iris: deze hebben in den nom. een volleren vorm van den 

stam, met eene e tusschen de twee slotconsonanten : 

pater, patris vader, stam pair-; frater, fratrls broeder, 

stam fratr-; 
-or, -oris en -tor, -torts (vgl. § 16, b): amor, amorls liefde, uxor, 

uxoris echtgenoote; doctor, doctorls leeraar; benevens 

arbor, arborls boom, dat eene korte o heeft; 
-or, -oris: ador, adoris (ook adoris) spelt; aequor, aeq uo ris vlakte;. 

marnior, marmorls marmer; 
-ur, -oris: robur, roboris hard hout (bijz. eikenhout), stevigheid, 

kracht ; 
-ur, -Ms: augur, auguris vogelwichelaar ; fulgur, fulgurls weerlicht, 

flikkering; turtur, turturis tortelduif; benevens fur, furls 

dief, dat eene lange u heeft. 
Aanm. 1. Later, lateris tichelsteen, heeft de e in alle naamvallen. 

Aanm. 2. Venter, ventris buik, linter, lintris boot en uter, utris lederen 
zak, behooren tot de i-stammen (vgl. § 73, 2°). 

Aanm. 3. De woorden op -or, -oris (meest abstracta) waren oorspron- 
kelp bijna alle s-stammen; de s ging in den genet, tusschen twee klinkers 
in r over en uit de casus obliqui drong de r dan ook door in den nomm, 
Bij oude schrijvers vindt men nog den nomin. op -6s : *colos en color 
kleur, Habos en labor arbeid, *odos en odor reuk, *arbos en arbor boom 
(vgl- '§§ 27 en 41). Honos, honoris eer, was ook in den klassieken tijd meer 
gebruikelijk dan honor. 

Ook robur is eigenlijk een s-stam (vgl. robus-tus, eiken, sterk); evenzoo lar. 

§ 65. Voorbeeld van verbuiging (zie ook § 58): 




i 






frater 


broeder, stam fratr-. 








Singularis 




Pluralis 


N. 


frater 


N. 


f ratr-es 


■ G. 


f ratr-is 


G. 


f ratr-um 


D. 


f r a t r-T 


D. 


fratr-ibus 


Ace. 


f ratr-em 


Ace. 


f ratr-es 


V. 


frater 


V. 


f ratr-es 


Abl. 


f ratr-e 


Abl. 


fratr-ibus 



§ 66. Geslachtsregels. 

a) De stammen op 1 zijn manlijk, behalve fel en mel, die onzij- 
dig zijn. 

b) De stammen op r zijn manlijk, uitgezonde'rd arbor, arborls, dat 
vrouwelijk is, en de volgende, die onzijdig zijn: 

1° ador, aequor en marmor; 

20 eenige op -er, waarvan de belangrijkste zijn: 

cadaver, cadaverls lijk, kreng tuber, tuberis bult, buil 
iter (§ 128), Itlneris weg uber, uberis uier 



verber, verberls slag (§ 130); 



papaver, papaveris maankop 
piper, plperis peper 

30 ver, verls lente; 

40 fulgur, fulgurls weerlicht, flikkering; murmur, murmurls gemom- 

pel; sulpur (sulphur), sulpuris zwavel; 
50 alle op -ur, -oris: bijv. robur, roboris; 
6° lubar, lubarls en far, farris. 

Wat uxor en dergelijke aangaat, zie § 52. 

3°. DE NASAALSTAMMEN. 

§ 67. Tot de nasaalstammen behooren de woorden wier stam 
uitgaat op m of n. 

10 Er is slechts een stam op m. Deze vormt den nominativus, door 
eene s achter den stam te voegen: hlems, hlemls winter, stam hlem-. 
20 N-stammen zijn: 

a) sanguis (uit *sangu£n-s(§ 14, 1); men vindt ook sanguis), sanguinis 
bloed, de eenige n-stam die in den nomin. eene s achter den 
stam gevoegd heeft; 

b) de woorden op: 

-eh, -inls: pecten, pectin Is kam; 

-men, -minis: nomen, nominis naam; semen, seminls zazA; fldmen, 
flamlnis priester; 

4* 



52 



BUIGINGSLEER. 



§§ 67a -68. 



§§ 69 -69a. 



SUBSTANTIVA. SPIRANTSTAMMEN. 



53 



-0, -onis: deze en de volgende hebben een nominativus sing. 

zonder n: praecd, praecdnis heraut; sermd, sermonis 

gesprek, spraak; actio, actidnis handeling; 
-d -inis: homo, hominis mensch; turbo, turbinis wervelwind, 

drijftol ; 
-do -dinis en -go, -ginis: hirundo, hirundinis zwaluw; grandd, 

grandinis hagel; virgo, virginis maagd; imago, 

imdginis beeld; 
-do, -ddnis en -go, -gonis: alleen praedo, praeddnis roover, har- 

pagd, harpagonis harpoen, en ligo, ligonis houweel. 

§ 67a. Voorbeelden van verbuiging: 



10 


virgo maagd, stam virgin-. 








Singularis 




Pluralis 


N. 


virgo 


N. 


virgin-es 


G. 


virgin-is 


G. 


• virgin-um 


D. 


v i r g i n-T 


D. 


virgin-ibus 


Ace. 


virgin-em 


Ace. 


virgin-es 


V. 


virgo 


V. 


virgin-es 


Abl. 


virgin-e 


Abl. 


virgin-ibus 


20 


carmen gezang, lied, stam 


zarmin-. 






Singularis 




Pluralis 


N. 


carmen 


N. 


carmin-a 


G. 


carmin-is 


G. 


carmin-um 


D. 


carmin-i 


D. 


carmin-ibus* 


Ace. 


carmen 


Ace. 


carmin-a 


V. 


carmen 


V. 


carmin-a 


Abl 


carmin-e 


Abl. 


carmin-ibus 



§ 68. Geslachtsregels. 

a) De eenige stam op m: hiems, hiemis, is vrouwelijk. 

b) Van de stammen op n zijn: 

10 die op -en, -inis en -men, -minis onzijdig, uitgezonderd 
alleen het manlijke pecten, pectinis kam; 

20 die op -6, -onis en -6, -inis manlijk; doch die op -do, -go en-io 
vrouwelijk, met uitzondering van de volgende, die manlijk zijn: 
cardd, cardinis (deur)^pil pugio, pugionis dolk 

ligo, ligonis houweel sapio, scipionis stok, staf 

margo, marginis rand septentridnes, septentridnum 

ordo, ordinis rang [noorden; 

3° sanguis manlijk. 
. Wat tiblcen fiuitspeler, praedo roover, histrio tooneelspeler en dergelijke aati- 
gaat, zie § 52. 






- 



4°. DE SPIRANTSTAMMEN. 

§ 69. Tot de spirantstammen behooren de woorden wier stam 
uitgaat op s. 

Zij nemen het nominatief-teeken s niet aan, daar medeklinkers aan 
het einde van een woord niet verdubbeld worden (§ 23, B, b). 

De s van den stam is, waar zij tusschen twee klinkers 

stond, in r overgegaan (§ 27 en § 64, A. 3; vgl. in het Nederl. 

verkozen en verkoreri). Uitgezonderd is alleen vas, vdsis vaas, kan (vgl. § 128). 

Aanm. 1. De s van den stam is gebleven in sommige afleidingen, waar 

zij niet tusschen twee klinkers stond, bijv. : funes-tus, adj. bi] funus begrafenis; 

tempes-tas onweer, storm, bij tempus tijd; ook angus-tus eng, vergeleken 

met angor, -oris angst (vgl. § 64, A. 3). • 

In vasis is de s gebleven, omdat zij hier ontstaan is uit -ss- (§24,5,6): 
stam *vass-. 

De stamklinker is in den nominativus dikwijls anders dan in de 
casus obliqui. 

Aanm. 2. De klankwisseling in genus (uit *genos: § 1 6a) - generis 
(*genes-es) komt overeen met die in het Gr. ysvog ~ ysvovg (*ysve[o]-os) en 
in servus - voc. serve [§ 100]: er staat dus een stamvorm genos naast 
genes-. Vgl. § 13, Aanm.. Corpus, corporis e. d. hebben ook in den genet. 
6 naar analogie van den nom. (§ 15, A. 4). In cineris (stam cinis-) e. d. 
is j voor r overgegaan in e. 

S-stammen zijn de woorden op: 

-is, -eris: pulvis, pulveris stof; cinis, cineris asch; 

-os, -oris: fids, floris bloem; honos, honoris eer (vgl. § 64, A. 3); 

lepos, leporis geestigheid; 
-us, -eris: vulnus, vulneris wond; genus, generis geslacht; Venus, Veneris, 

eene godin; 
-us, -oris: corpus, corporis lichaam; lepus, leporis haas; 
-us, -uris: ius, iuris recht; tellus, telluris aarde; uitgezonderd mils, 

muris muis (zie § 73, 6°). 
Verder: aes, aeris metaal; 6s, oris mond; Ceres, Cereris, eene godin. 






§ 69a. 


Voorbeelden van verbui 


ging: 


10 fids bloem, 


stam fids- ; 


20 


genus geslacht, stam genes-. 




Singu 


laris 




Pluralis 


N. 


flos 


genus 


N. 


flor-es gener-a 


G. 


flor-is 


gener-is 


G. 


fl5r-um gener-um 


D. 


fl6r-I 


g e n e r-T 


D. 


flor-ibus gener-ibus 


Ace. 


f lor-em 


genus 


Ace. 


flor-es gener-a 


V. 


flos 


genus 


V. 


flor-es gener-a 


Abl. 


f lor-e 


gener-e 


Abl. 


flor-ibus gener-ibus 



54 



BUIGINGSLEER. 



§§ 70-73. 



§ 74. 



SUBSTANTIVA. I-STAMMEN. 



55 



§ 70. Geslachtsregels. 

Manlijk zijn de woorden op -is, -en's en -6s, -oris, benevens lepus, 
leporis haas. 

Vrouwelijk is telliis, telluris aarde. 
Onzijdig zijn alle andere, ook os, oris mond. 
Wat Venus en dergelijke aangaat, zie § 52. 



B. DE DECLINATIE DER VOCAALSTAMMEN. 

§ 71. De declinatie der vocaalstammen vervalt in vijf groepen: 

1° die der i-stammen 

2 n die der u-stammen 

3° die der e-stammen 

4° die der a-starnmen 

5° die der o-stammen 

De verbuiging der i-stammen verschilt het minst van die der conso- 
nantstammen, die der a- en o-stammen het meest. 

Aanm. Bij de vocaalstammen zijn ten gevolge van samentrekkitig en 
andere phonetische veranderingen stam en uitgang in de verschillende casus 
zoo ineengegroeid, dat ze zich dikwijls niet meer laten scheiden; daarom 
is hier in de voorbeelden van verbuiging niet de geheele stam, maar 
alleen het gedeelte ervan dat onveranderd blijft, gewoon gedrukt, derest 
van den vorm vet. Deze rest is dus het veranderlijke stuk van den 
vorm, en kan daarom ook uitgang genoemd worden, ofschoon zij bij de 
vocaalstammen, behalve den eigenlijken uitgang, ook nog de 
stamvocaal omvat. Een scheidingsteeken (-) is alleen geplaatst, wanneer 
men stam en uitgang nog zuiver kan splitsen. 

1°. DE i-STAMMEN. 

§ 72. Tot de i-stammen behooren de woorden wier stam uit- 
gaat op T. 

Ze zijn alle kenbaar aan den genet, plur., die voor den uitgang 
-um de stamkenletter i vertoont, dus schijnbaar eindigt op -ium 
(eigenlijk op -i-ura). 

Aanm. Vgl. echter § 79 Aanm.. : 

§ 73. I-stammen zijn de volgende substantiva: 
1° de parisyllaba 1 ) op -is en -es: amnis, genet, amnis stroom ; finis, 



1) Parisyllaba (enkelv. par isy 11 a bum) zijn woorden die in den genetivus 
evenveel lettergrepen hebben als in den nominativus. (Het woord, half Latijn, half 
Grieksch, komt zelfs bij de grammatici niet voor; Priscianus zegt (7, 16, 77): quae 
pares habent syllabas, tarn in genetivo quam in nominativo.) Tegenover de parisyl- 
laba staan de imparisyllaba. 



genet, finis einde; sitis, genet, sitis dorst; tussis, genet, tussis hoest; 
nubes, genet, nub is wolk; clades, genet, cladis nederlaag. 

Uitgezonderd zijn: cants, genet, canis hond en vates, genet, vatis 
zanger: genet, plur.: canum, vatum; 

20 imber, genet, imbris regenvlaag, regenbui; linter, genet, lintris boot; 
uter, genet, utris lederen zak; venter, genet, ventris buik: stam imbri-, 
lintri-, enz.; 

30 de neutra op -e, -al, -ar (verkort uit -ali en -dri: zie § 16): mare, 
genet, maris zee; animal, genet, animalis levend wezen, dier; calcar, 
genet, calcaris spoor, prikkel. 

Uitgezonderd zijn iubar en far: zie § 64; 

40 alle woorden, die in den nom. op -s of -x uitgaan met voorafgaande 
1, n of r: puis, genet, pultis brij, pap; cohors, genet, cohortis bende; 
fons, genet, fontis bron; gens, genet, gentis geslacht, volkstam; 
ars, genet, artis kunst; arx, genet, arcis burg; lanx, genet, lands 
schotel ; frons, genet, frondis loof; 

50 de eenlettergrepige woorden op -bs en -ps: trabs, genet, trab 'is 
balk; urbs, genet, urbis stad; stirps, genet, stirpis stam. 

Uitgezonderd is (ops), genet, opis hulp: genet, plur. opum (zie § 131); 

6° as, assis een Rom. geldstuk mus, muris muis 

card, carnis vleesch • nix, nivis sneeuw (§ 128) 

fauces (plur.), faucium keel, bergpas nox, noctis nacht 
lis, litis twistzaak, proces os, ossis been(mv.: beenderen) 

mas, maris mannetje vis, plur. vires, vlrium kracht, ge- 

[weld (§ 128). 

§ 74. Buigingsuitgangen. 

a) Volledig en onverzwakt bestaat de declinatie der i-stammen 
alleen van masculina en feminina; een onverzwakt neutrum is 
er niet, daar in den nom. (ace. en voc) sing, de i in e overgegaan 
<§ 16, a), of afgevallen is (§ 16, c20): *mari, mare; *animali, "animate, 
* animal, animal (§ 16, b). 

Deze oriverzwakte declinatie luidt aldus: 





1 


turris 


toren, stam turri-. 










Singular is 




Pluralis 






N. 


-i-s turri-s 


N. 


-e(j)-es, -es turres 






G. 


-is turris 


G. 


-i-um turri-um 




D. 


-T turri 


D. 


-i-bus turri-bus 






Ace. 


-i-m . turri-m 


Ace. 


-i-ns, -Is turris 






V. 


■i-s turri-s 


V. 


-e(j)-es, -es turres 






Abl. 


-T-d, -T turri 


Abl. 


-i-bus turri-bus 



56 BUIGINGSLEER. § 74. 

die der alleen in den nom. {ace. en voc.) sing, verzwakte neutra aldus: 



§§ 75-76. 



SUBSTANTIVA. 1-STAMMEN. 



57 



animal levend 


wezen, dier, stam animali 




Singu 


laris 




Pluralis 


N. (-i) 


animal 


N. 


-i-a animali-a 


G. -is 


animalis 


G. 


-i-um animali-um 


D. -T 


animali 


D. 


-i-bus animali-bus 


Ace. (4) 


animal 


Ace. 


-i-a animali-a 


v. (-i) 


animal 


V. 


-i-a animali-a 


Abl. -I-d, 


-I animal! 


Abl. 


-i-bus animali-bus 



b) Gelijk men ziet, komt de verbuiging van i-stammen als turns in 
verschillende punten met die der consonantstammen overeen: de gen. 
en dat. sing., en de nom. en dat.-abl. plur. zijn bij beide gelijk, 
en zij verschillen nog slechts : 

1° in den nom., ace. en abl. sing.; 
2° in den gen. en ace. plur.. 

In den gen. plur.-heeft dit onderscheid zich betrekkelijk goed ge- 
handhaafd; in den ace. en abl. sing, echter, en later ook in den 
ace. plur. (m. enf.), is het in den regel verdwenen, zoodat i-stammen 
als gens en urbs, die in den nom. sing, de i hebben uitgestooten, op 
den gen. plur. na, geheel als cons.-stammen verbogen worden. De 
bijzonderheden van dezen overgang van i-stammen tot cons.-stammen 
vindt men in de volgende §§. 

Aanm. 1. Oorspronkelijk moet het verschil tusschen beide declinaties 
veel grooter geweest zijn: den uitgang -is in den gen. sing, hebben de 
i-stammen van de cons.-stammen overgenomen (van den eigenl. uitgang 
der i-stammen : -ei-s, -T-s [zie A. 3], is in het Latijn geen spoor meer over) ; 
omgekeerd ontleenden de cons.-stammen hun nom. en dat.-abl. plur. 
aan de i-stammen (vgl. § 59, A. 2); de uitgang -T van den dat. sing, 
kan aan beide behooren. 

Aanm. 2. Evenals de andere vocaalstammen hadden de i-stammen in 
den abl. sing, oorspronkelijk den uitgang -d na den langen stamklinker; 
deze uitgang is afkomstig van de o-stammen - de eenige declinatie, die 
reeds in de Indo-Germaansche moedertaal een afzonderlijken vorm voor 
den (eigenlijken) abl. had -, en van de o-stammen op de andere vocaal- 
stammen overgegaan. Daar d aan het eind van een woord na eene iange 
vocaal omstreeks het begin der 2de eeuw v. Chr. afviel (§ 23 B, a), is d e 
ablativus der i-stammen, evenals die der andere vocaalstammen, 
gelijk aan den stam met langen stamklinker: Hurrld, turn; *ani- 
mdlld, animali (evenzoo : frtictu, die, mensa, servo). 

Aanm. 3. De nom. plur. tunes berust op een volleren vorm van den 
stam, op -ei- (tegenover -T- in de andere casus): vgl. over deze klankwisse- 
ling ei — T § 13, Aanm.. 



I 

J 



§ 75. Alleen de parisyllaba op -is hebben den zuiveren nominativus, den 
stam -f- -s, zoo ook vis, dat eigenlijk een I-stam is (§ 128); andere i-stammen 
hebben -es in plaats van -is, of laten -i in -e overgaan ; de overige hebben 
de i van den stam (door syncope of apocope [§ 16]) verloren en zijn daar- 
door op consonantstammen gaart gelijken, bijv. *frondis, *fronds, *fronss, frons ; 
*calcari, *calcdr(e), calcar. 

Ook zijn eigenlijke consonantstammen gedeeltelijk overgegaan in de verbui- 
ging der i-stammen. Zie § 79, Aanm.. 

Men verlieze hierbij echter niet uit het oog, dat in het Latijn consonant- en 
i-stammen zoo op elkander hebben ingewerkt, dat zich dikwijls niet meer laat 
vaststellen, tot welke klasse een substantivum van huis uit behoort, wanneer 
althans de afleiding niet vast staat. Zoo kan frons op zich zelf zoowel een 
stam frond- als frondi- hebben. Ook de vorm van den gen. plur. geeft niet 
altijd een zeker kenmerk, daar eenerzijds -ium door analogie ook op oorspr. 
cons.-stammen is overgegaan (murium, nivium, enz. ; zie ook § 79, Aanm.), 
terwijl omgekeerd oorspr. i-stammen soms -um hebben (yatum, sedum); soms 
kan eenzelfde woord van oudsher twee stammen naast elkaar gehad hebben 
(zoo wellicht nox: noct- en nocti- [gen. plur.]: dus nom. *noct(i)s, *nocss, 
*nocs, nox). As (uit *ass: § 23 B), os en mils zijn oorspr. s-stammen, dens 
(vgl. Sdovv-ss, § 256) een t-stam, card een n-stam, enz.. 

Aanm. Als oude nominativi worden nog uitdrukkelijk door de gramma- 
tici vermeld: "assis, *frondis, *lintris, * mentis, "sortis, *trabis enz., waaruit 
as, frons, linter, mens, sors, trabs ontstaan zijn (zoo ook lis uit * (st)lit(i)s) 
(vgl- §§ 16, 23, 25). *Animdle, *exempldre worden nog bij oude dichters 
gevonden. Bij andere woorden ziet men den i-stam nog in afleidingen. 

§ 76. In den ace. en abl. sing, hebben de meeste i-stam- 
men de uitgangen van de consonantstammen overgeno- 
men, zoodat de ace. sing, meestal -em heeft in plaats van -i-m, de 
ablat. sing, meestal -e in plaats van -T. 

Hierbij gelden de volgende regels: 

A. Ace. sing.: 

a) uitsluitend -i-m hebben: 

1) vis geweld, sitisdorst, tussishoest, dus: vim (§ 128), 
sitim, tussim; 

de parisyllaba onder de geographische 
nam en op -is, bijv.: Neapolis: Neapolim; Syrtis: 
Syrtim; Tiberis: Tiberim ; 

ti of -em hebben: 



2) 



b) -i 



febris koorts 
navis schip 



febrim l ) en febrem 



navem 



en navim 



l) De eerste vormen zijn hier en in 't vervolg die, welke op grond van de overie- 
vering als de bii de beste schrijvers gebruikelijke zijn te beschouwen. Men mag echter 
niet uit het oog verliezen, dat dit dikwijls onzeker is; blijkbaar was de taal zelve op 
dit punt niet vast. 



58 





BUIGINGSLEER. 






3§ 77-7 


puppis 


achtersteven 




puppim 


en 


pappem 


restis 


touw 




restim 


en 


restem 


secuns 


bijl 




securim 


en 


securem 


turris 


toren 




turrim 


en 


turrem ; 


em he 


d b e n de andere : amnem, flnem, 


enz. 





79. 



c) 

§ 77. B. Abl. sing.: 

a) uitsluitend -T hebben: 

1) de woorden, die in den ace. uitsluitend -i-m hebben: 
vi, sill, tussl, Neapoli; 

2) de neutra op -e, -al, -ar: marl, animall, calcari; 

b) -I of -e hebben die, welke in den accus. -i-m of -em 
hebben : febrl en febre, navi en nave, puppi en puppe, 
turn en turn. Doch restis heeft alleen reste en seciiris 
alleen securl; 

c) -e hebben de andere : fine, ventre, urbe, osse, enz.. 

Aanm. 1. Over rete net, zie § 128. Ook de plaatsnamen op -e hebben 
veelal -e: Praeneste, abl. Praeneste. 

Aanm. 2. Ook onder de woorden, die in den accus. alleen op -em uit- 
gaan, vindt men er, die in den abl. beide uitgangen hebben: 

amnis stroom : atnne en amrii 

avis vogel : avi en ave 

civ is burger : cm en cive 

classis vloot : cldsse en class! 

Ignis vuur : JgnJ en Tgne 

imber regenbui : imbri en imbre. 
Ignl wordt altijd gebruikt in de uitdrukking : aqua et igni interdicere het 
gebruik van water en vuur ontzeggen, d. i. verbannen. 

Pluralis. 

§ 78. De nom. en voc. plar. der masculina en feminina gaan 
nit op -es: naves; die van de neutra op -e, -al, -ar gaan uit op 
-i-a: maria, calcaria, animalia, terwijl os been, ossa heeft. 

Aanm. Over den oorsprong van -es vgl. § 59, A. 2; soms vindt men 
ook -is, den uitgang van den ace. (§ 80). 

§ 79. De genet, plur. heeft -urn, met den stamklinker dus: -i-um: 
navi-um, nubi-um, imbri-um, animali-um, urbi-um, nocti-um. 

Aanm. Ook in dezen naamval heeft somtijds vermenging van consonant- 
en i-stammen plaats gevonden : vgl. § 75. Zoo heeft mensis maand, in den 
genet, plur. meermalen mensum, sedes zetel, sedum. Daarentegen hebben 
de vrouwelijke mutastammen op -tas, -tatis zeer dikwijls in den genet, 
plur. -ium, bijv. : civildtium, calamitatium , cupiditdtium; de gewone 
vorm is echter die op -um. 

De dat. en ablat. plar. gaan uit op -bus: navi-bus, ossi-bus. 









§§ 3° - 82- 



substantiva. I-stammen. 



59 



§ 80. De ace. plur. der masculina en feminina heeft tot uit- 
gang -Ts( dat, toen ei en T in de uitspraak samenvielen, ook -eis 
geschreven werd [§ 10, 4 en 13]). Tegen het einde der Republiek 
kwam naast -Is ook -es (de uitgang van den nominativus) in ge- 
bruik en verkreeg weldra de overhand: amnes en amnis, cives en civis, 
fines en finis, naves en navis, nodes en noctis, gentes en gentis, 
cohortes en cohortis. 

Aanm. De uitgang -is is ontstaan uit -l-ns (vgl. § 59, A. 2, 4). Het 
gebruik van -es in den ace. vindt zijn oorsprong in de omstandigheid, 
dat in het Latijn ook bij de consonantstammen nom. en ace. plur. 
gelijk waren geworden en beide -es hadden (vgl, § 59, A. 2). 

§ 81. Voorbeelden van verbuiging: 



10 


navis schip, stam navi-; mare zee 


, stam mari-. 




Singularis 




Pluralis 


N. 


navi-s mare 


N. 


naves mar i-a 


G. 


navis maris 


G. 


navi-um mari-um 


D. 


navi marl 


D. 


navi-bus mari-bus 


Ace. 


navem(-i-m) mar e 


Ace. 


naves (-Is) mar i-a 


V. 


navi-s mare 


V. 


naves mar i-a 


Abl. 
20 


navi(-e) marl 


Abl. 


navi-bus mari-bus 


imber regenbui, stam imbri 


; urbs stad, stam urbl-. 




Singularis 




Pluralis 


N. 


imber urbs 


N. 


imbres urbes 


G. 


imbris urbis 


G. 


imbri-um urbi-um 


D. 


imbri urbl 


D. 


imbri-bus urbi-bus 


Ace. 


imbrem urbem 


Ace. 


imbres (-Is) urbes (-Is) 


V. 


imber urbs 


V. 


imbres urbes 


Abl. 


imbri (-e) urbe 


Abl. 


imbri-bus urbi-bus 


3° 


lis twistzaak, proces, stam liti-; os been, stam oss(i)-. 




Singularis 




Pluralis 


N. 


Us OS 


N. 


lltes oss-a 


G. 


litis ossis 


G. 


llti-um ossi-um 


D. 


lit! ossT 


D. 


llti-bus ossi-bus 


Ace. 


litem os 


Ace. 


lltes (-Is) oss-a 


V. 


lis OS 


V. 


lltes oss-a 


Abl. 


lite osse 


Abl. 


llti-bus ossi-bus 



§ 82. Geslachtsregels. 

1° De parisyllaba op -is en -es zijn vrouwelijk, met uitzondering van 
de volgende, die manlijk zijn: 

a) die op -nis, als: amnis, finis; 



60 



*) 





BUIGINGSLEER. 




axis 


as orbis 


kring 


collis 


heuvel piscis 


visch 


fascis 


bundel (§ 130) postis 


deurpost 


fastis 


knuppel unguis 


nagel 


tnensis 


maand vermis 


worm; 



§§ 83-84. 



Aanm. Zoo ook ensis zwaard, vectis hefboom, en eenige andere minder 
gebruikelijke. — Finis komt somtijds vrouwelijk voor (Fr. la fin). 

20 imber, uter, venter zijn manlijk, linter meestal vrouwelijk; 

3f> de schijnbare consonantstammen (in § 73 onder 4 en 5 genoemd) 
zijn vrouwelijk, met uitzondering van: fins bron, fontis; mons 
berg, montis; pons brug, pontis; en dens tand, dentis, die man- 
lijk zijn; 

4° van de in § 73 onder 6 genoemde zijn as en mils (en natuurlijk 
ook mas) manlijk, os onzijdig, de overige vrouwelijk. 

Wat avis en dergelijke betreft, vgl. § 52. 

2° D E U-S TAMMEN. 

§ 83. Tot de u-stammen behooren de twee- of m eerie tter- 
grepige woorden wier stam uitgaat op u (vgl. § 57 Aanm.). 

De nomin. sing, der manlijke en vrouwelijke woorden wordt 
gevormd, door -s achter den stam te voegen : stam fructu-, nom. 
fructus vrucht. 

De neutra hebben den nom. gelijk aan den stam (echter met Ian gen 
klinker); het zijn slechts de volgende drie: cornu hoorn, genii knie, 
vera braadspit. 

§ 84. Buigingsuitgangen. 
a) Singularis. 

De genet, eindigt op -us: fructus, cornus; 

de dativus der masculina en feminina voegt -T achter den stam : 

fructui; bij de neutra ontbreekt de -I, zoodat daar de dat. gelijk 

is aan den abl. : cornu; 

de accus. der masculina en feminina heeft: stam -\- -m: fractum; 

de ablat. is gelijk aan den stam met Ian gen stamklinker (§ 74, 

A. 2): fructu, cornu. 

Aanm. 1. 1) Genet.. In het oudere Latijn vindt men in plaats van het 
oorspr. -us in den genet, ook -iS-is, dat aan de consonantstammen ont- 
leend is, bij v. *fructuis [in opschriften ook: -uos, bij v. *senatuos {= senates)}. 

Niet zelden neemt voorts, vooral bij oudere schrijvers, met name van u- 
stammen op -tus de genet, sing, den vorm der o-stammen aan, bij v. : 
senati (voor senates), tumulti (voor tumultus), enz.. 

2) Dat.. Ook bij de masculina en feminina vindt men in den dat. sing. 
niet zelden -u (in plaats van -ui) : curru, manu~ senate, sumptu enz. ; 
dit -u kan een oude locativus zijn; het komt ook voor in het tweede 
supinum (§ 199, 1). 



§§ 85—86. 



SUBSTANT1VA. U-STAMMEN. 



61 



b) Pluralis. 

De nom. en voc. der masculina en feminina hebben -us: fructus; 

die der neutra -u — \- -a: cornua; 

de genet, heeft -u — |- -urn : fructuum, cornuum; 

de dat. en abl. hadden oorspronkelijk -u- -4- -bus, dat echter 

gewoonlijk -ibus werd (vgl. exsul - exsilium): fructibus, cor- 

nibus; slechts in enkele woorden bleef de oude schrijfwijze be- 

houden (zie § 85); 

de ace. der masculina en feminina heeft -us (uit -u-ns: vgl. 

§ 59, A. 2, 4), die der neutra -u-a: fructiis, cornua. 

Aanm. 2. 1) Nom. masc. en fem.. Op zich zelf kan -us op -u-es 
berusten; meer waarschijnlijk is echter, dat de nom. den uitgang van den 
ace. heeft overgenomen. 

2) Gen.. Naast -ii-uin (quder -u-6m) vindt men eenige vormen op -urn 
(niet een uit -u-um samengetrokken -urn), dat wellicht de oude uitgang 
der o-stammen is (§ 101, A. 4): zoo (reeds bij Plautus) passum, currum 
(bij Verg.), enz.. 

3) Dat. en Abl.. De -u- (d. i. een korte oe-klank) ging in de uitspraak 
over in een ii-klank, die eerst door u, later door i voorgesteld werd (vgl. 
§ 10, 4 en 10, in verband met § 15 A). 

§ 85. In den dat. en abl. plur. hebben altijd of gewoonlijk -u-bus: 

acus naald: acubus partus geboorte: partubus 

areas boog: arcubus quercus eik: quercubus 

artus (pi.: § 130) gewrichten: artubus specus hoi: specubus 

lacus meer : lacubus tribus stam : tribubus. 

Aanm. 1. Partes haven en verii braadspit, hebben beide vormen, of- 
schoon die op -ibus te verkiezen zijn. 

Aanm. 2. Dikwijls is het vasthouden aan de oude schrijfwijze daaruit te 
verklaren, dat men gelijk luidende vormen van verschillende woorden wilde 
onderscheiden : vgl. arcubus met arcibus (van arx burcht), artubus met 
artibus (van ars kunst), partubus met partibus (van pars deel). 



§ 86. Voorbeelden van verbuiging: 



10 fructus vrucht, stam fructu-; 2° cornu hoorn, stam cornu-. 

Pluralis 



Singularis 

N. fructu-s cornu 

G. fructus cornus 

D. fructu-I cornu 

Ace. fructu-m cornu 

V. fructu-s cornu 

Abl. fructu cornu 



N. fructus cornu-a 
G. fructuum cornu-um 
D. fructibus cornibus 
Ace. fructus cornu-a 
V. fructus cornu-a 
Abl. fructibus cornibus 



62 



BUIGINGSLEER. 



5§ 87 -88a. 



§ 87. Geslachtsregels. 

De u-stammen op -us zijn manlijk; maar vrouwelijk zijn: manus 
hand, porticus zuilengang, tribus stam, Idas (plur.; de l is lang) de 13de 
(in Maart, Mei, Juli en October de 15de) dag van de maand, acus naald 
(somtijds manlijk), en domus huis, dat onregelmatig is (zie § 128). 

Onzijdig zijn de in § 83 genoemde: coma, genu en vera. 

Wat quercus en andere namen van boomen betreft, vgl. § 52. 

3°. D E e-S T A M M E N. 

§ 88. Tot de e-s tarn men behooren de woorden wier stam uitgaat 
op e. Het zijn er slechts weinige, meerendeels stammen op -ie-. 

De nom. sing, voegt -s achter den stam, bijv.: stam die-, nom. dies dag. 

§ 88a. Buigingsuitgangen. 

a) Sihgularis. 

De genet, wordt niet meer gevormd door den uitgang -is, maar 
alleen door -I: diet (in -e-T de e en de T afzonderlijk uit te 
spreken). — Wanneer voor de stamklinker e eene consonant 
staat, wordt de e verkort: fides trouw : fidet, res zaak : rei ; 
de dat. is gelijk aan den genet. : diet, fidei, ret; 
de ace. heeft: stam. (met verkorten klinker) -4- -m: diem, rem; 
de abl. is gelijk aan den stam (met Ian gen stamklinker dus; 
§ 74, A. 2) : die, re, fide. . 

Aanm. 1. De verbuiging der e-stammen volgt grootendeels die der a- 
stammen : vgl. diet, diei, diem, die met *mensai, *mensai, mensdm, metisa 
(§ 91 a). 

1) Gen.. Van ie-stammen vindt men nog eeh ouderen genet, op -s 
(naar analogie van het oude -as der a-stammen), bijv. * rabies van rabies 
razernij, en *dies van dies dag. 

Het gewone -e-T is gevormd naar -a-T van de a-stammen. Naast -e-T en 
-e-T komt bij dichters somtijds eenlettergrepig -ei voor (samengetrokken 
uit -e-T of -e-T, evenals -ai (-ae) bij de a-stammen uit -a-T): diei, rei. Ook 
wordt alleen -e geschreven : acie (voor acieT), fide (voor fidet). 

Daar ei in de uitspraak in T overging (§ 10, 13), vindt men eindelijk 
ook enkel -T: zoo met name voor plebei (van plebes volk) dikwijls plebl: 
tribunus plebl volkstribuun, plebTsdtum volksbesluit. 

2) Dat.. In tegenstelling met den gen. is -ei in den dat. in de oudere 
poezie nooit tweelettergrepig (evenmin als -ai in den dat. der a-stam- 
men); misschien is -ei de oorspr. vorm (vgl. mensai); ook werd dikwijls 
-e geschreven; later gold de gewone vorm van den gen. ook voor den dat.. 
als de normale. 

Evenwel verkeerden reeds de Romeinen zelf omtrent den juisten vorm 
van gen. en dat. in het onzekere. 






§§ 89-90. 
b) Pluralis. 



SUBSTANTIVA. E-STAMMEN. 



63 



De nom. en voc. hebben -es: dies, res; 

de gen. voegt niet meer -um, maar -rum achter den stam: 

dierum, remm; 

de dat. en abl. hebben: stam -\- -bus: diebus, rebus; 

de ace. heeft -es (uit -e-ns: vgl. § 14, 1, § 33 en § 59, A. 2): 

dies, res. 

De volledige pluralis is echter alleen in gebruik van de woorden 
dies en res (de nom. en ace. plur. ook van enkele andere, als 
spes hoop). 

Aanm. 2. 1) Nom.. -es berust op samentrekking van den stamklinker 
-e- met den uitgang -es (§ 59, A. 2). 

2) Gen.. De gen. op -erum ontstond naar analogie der a-stammen, 
wier genet, plur. -arum had (§ 91 a). 

§ 89. Voorbeelden van verbuiging: 



10 


dies dag, 


stam die-; .2° res zaak, 


stam re-. 






Sing 


ularis 




Plura 


is 


N. 


die-s 


res 


N. 


dies 


res 


G. 


diei 


rei 


G. 


die- rum 


re-rum 


D. 


die-T 


reT 


D. 


die bus 


re-bus 


Ace 


diem 


rem 


Ace. 


dies 


res 


V. 


die-s 


re-s 


V. 


dies 


res 


Abl. 


die 


re 


Abl. 


die bus 


re-bus 



Aanm. Van a-stammen op -ia vindt men somtijds in den nom. en 
ace. sing, ook vormen als van e-stammen: aniicitia en amlcities vriend- 
schap ; avaritia en avarities hebzucht ; materia en materies _ stof enz.„ 
Omgekeerd : planities vlakte: somtijds gen. planitiae, ace. planitiam. 

Plebes, gen. plebel, heeft een jongeren vorm plebs, gen. plebis naast zich. 
Omgekeerd is de abl. sing, van den i-stam fames, gen. famis honger, 
fame (ook een gen. famJ komt voor). 

§ 90. Geslachtsregel. 

De e-stammen zijn vrouwelijk, uitgezonderd dies, dat in 't enkel- 
voud dikwijls, in 't meervoud en in 't compositum meridies middag, 
altijd manlijk is. 

Aanm. De sing, dies is vooral dan vrouwelijk: 

1° wanneer hij een vastgestelden dag of termijn beteekent, zooals: dies 
dicta, edicta, indicia, constituta enz. ; 



64 



BUIGINGSLEER. 



§§ 91 -91a. 



2° wanneer hij een onbepaald tijdsverloop te kennen geeft, bijv. : diem 
perexiguam postuldvi ik heb (slechts) een zeer korten tijd geeischt; 

3° wanneer hij slaat op den datum van een brief, bijv. : in altera epistula 
dies erat adscripta Nondrum Aprilium de tweede brief was gedateerd van 
den 5den April. 

4°. D E a-STAMMEN. 

§ 91. Tot de a-stammen behooren de woorden wier stam uitgaat 
op a. 

In den nom. en voc. sing, (evenals in den ace. sing) is de a v e r k o r t. 

De nom. sing, heeft geen -s: mensa tafel, stam mensa-. 

§ 91a. Buigingsuitgangen. 

a) Singularis. 

De gen. voegde oorspr. eene -T bij den stam; -a-i echter ging 

over in den tweeklank -ai, klassiek -ae (§ 10, 11): *mensa-l, 

*mensai, mensae; 

de dat. eindigt eveneens op -ae (ouder -ai), dat echter niet op 

een tweelettergr. -a-!, maar op -ai (den langen tweeklank) berust: 

*mensai, *mensai, mensae; 

de ace. heeft: stam (met verkorten klinker) -f- -m: mensam; 

de abl. is gelijk aan den stam (met langen stamklinker dus; 

§ 74, A. 2): mensa. 

Aanm. 1. 1) Gen. De oudere uitgang van den gen. sing, was ook in 
het Latijn -as (vgl. Gr. %a>eas) : *vias, *terrds, *fortunds (over familids 
vgl. § 93, 1) ; -s werd verdrongen door -I onder invloed van den gen. der 
o-stammen (§ 98). 

Genetivi op -ai (tweelettergr.) vindt men (als archai'smen) nog bij dichters 
tot op den tijd van Cicero, bijv.: *silvdi (voor silvae), *terrdi (voor terrae). 
Wanneer in den dat. nog -ai staat, is dit echter, naar het schijnt, slechts 
eenlettergrepig. 

2) Dat.. Vgl. Gr. imqa. 

Op dezelfde wijze als de dat. is de locativus gevormd, die als zelf- 
standige casus nog inzonderheid bij namen van steden. op -a in gebruik 
bleef (vgl. § 98, A. 2): *Romdi (de lange tweeklank), *Romai, Romae. 
Gewoonlijk noemt men dezen vorm een genetivus. Vgl. § 437. 

b) Pluralis. 

De nom. en voc. eindigen op -ae (ouder -ai), dat uit -ai ont- 

staan is: "mensai, "mensai, mensae; 

de gen. voegt -rum achter de lange stam ken letter: mensarum; 

de dat. en ablat. eindigen op -is (ouder -eis), dat uit -ais (een- 

Iettergr., verkort uit -ais) ontstaan is (§ lb a): *mensais, *men- 

seis, mensls ; 

de ace. heeft -as (uit -a-ns, -a-ns: vgl. § 14, 1, § 33 en § 59, 

A. 2): mensas. 



§§ 92—93. 



SUBSTANTIVA. A-STAMMEN. 



65 






Aanm. 2. 1) Nom. De oorspr. uitgang was -as (uit -a- + -es); -ae 
(-ai) is gevormd naar analogie van -oi der o-stammen (§ 101). 

2) Gen. Den uitgang van den gen. plur. -arum, ontstaan uit -asom, 
-asom (§ 27: vgl. Gr. [Horn.] -d-sdeav uit *#edacov), hebben de Italische 
talen overgenomen van de pronomina demonstrativa (vgl. rdwv , 
Lat. is-ta-rum). 

De gen. plur. op -um, zonder stamklinker, dien men bij dichters soms 
vindt in de manlijke woorden die samengesteld zijn uit een substantivum 
en -cola (vgl. colo ik bewoon) of -gena (vgl. gigno ik breng voort), bijv. : 
caelicola hemelbewoner, gen. plur. caelicolum, terrigena een uit de aarde 
geborene, gen. plur. terrigenum; in sommige vreemde volksnamen, als: 
Pisidum voor Pisiddrum, Lapitham voor Lapithdrum enz. ; en in enkele 
andere woorden, berust op navolging der o-stammen (waar -um oorspron- 
kelijk was: § 101, A. 4) of op invloed van het Grieksch (vgl. ook § 146). 

§92. Voorbeeld van verbuiging: 



mensa tafel, stam mensa-. 






Singularis 




Pluralis 


N. mensa 


N. 


mensae 


G. mensae 


G. 


mensa-rum 


D. mensae 


D. 


m e n s Ts 


Ace. mensam 


Ace. 


mensas 


V. mensa 


V. 


mensae 


Abl. mensa 


Abl. 


mensls 



§ 93. 1. Een overblijfsel van den ouden genetivus sing, op -as in het 
klassieke Latijn is de gen. familids, van familia huisgezin, in de verbin- 
dingen pater familids huisvader, mater familids huismoeder, filius 
familids zoon des huizes, fllia familids dochter des huizes (vooral in 
wetten e. d.). Doch niet minder gebruikelijk is in deze verbindingen de gen. 
familiae. In het meervoud heeft men: patres familidrum, familids, familiae; 
matres familidrum, familids, familiae, enz.. 

2. Daar de dat. en abl. plur. zoowel van films zoon, als van fllia dochter, 
fllils was, van deus god en van dea godin, dls (dels; § 128), van libertus 
en van liberta vrijgelatene, libertls enz., kon er bij het gebruik dezer vor- 
men onzekerheid ontstaan omtrent het geslacht, wat vooral bij wettelijke en 
testamentaire bepalingen vermeden moest worden. Vandaar dat men, wanneer 
de duidelijkheid het eischte, aan de vrouwelijke woorden den uitgang der 
i-, u- en e-stammen -bus gaf: dedbus, filidbus, libertdbus. Dus zeide 
men: a dis dedbusque immortdlibus ; filidbus tantum, non etiamfillis; libertls 
libertdbusque. 

Wanneer geen verkeerde opvatting te vreezen is, kan men de gewone decli- 
natie volgen. Buitendien kan men zeggen : dls feminis, filils maribus, libertls 
htrlusque sexiis enz.. 

woltjer, Lat. Oramm. 6e druk. 5 



66 



BUIGINGSLEER. 



§§ 94-97. 



§§ 98 - 100. 



SUBSTANTIVA. O-STAMMEN. 



67 



§ 94. Geslachtsre.gel. 

De a-stammen zijn vrouwelijk. 

Wat nauta schipper, Numida een Numidier en dergelijke betreft, vgl. § 52. 
Aanm. Hadria de Adriatische zee (6 'ASgtag), is manlijk; gewoonlijk 
gebruikt men mare superum of mare Hadriaticum. 

5°. D E O-S T A M M E N. 

§ 95. Tot de o-stammen behooren de woorden wier stam uitgaat 
op 6. 

1) De nom. sing, der masculina en feminina wordt gevormd 
door eene s achter den stam te voegen, die der neutra neemt eene m 
aan; de kenletter o is echter overgegaan in u (§16, 4a): *servos, 
serviis slaaf (stam servo-), *bellom, bellum oorlog (stam bello-). 

Aanm. Op oude inscripties vindt men -os en ora nog dikwijls : 
*praifectos, *filios, *donom (vgl. Gr. Xoyog, dwqov); zoo ook in den ace.: 
*virom, *Luciom. Bij de stammen op -vo-, -quo- en -uo- hielden -os en 
-om zich in het schrift nog tot het einde der Republiek staande, ofschoon 
men reeds lang -us en -um sprak: servos, equos, biduom; zoo ook bij de 
adiectiva: mortuos, suos, enz.. 

§ 96. 2) O-stammen op -er (met syncope: §15, A. 6). a) Wan- 
neer voor den uitgang -os in den nom. sing, eene r stond, voorafgegaan 
door eene andere consonant of eene e, is de uitgang -os verdwenen. 
Zoo ontstonden bijv. de nominativi socer schoonvader (voor *soceros, 
stam socero-), puer knaap (voor *pueros, stam puero-), liber boek (voor 
*libros, stam libra-), ager akker (voor *agros, stam agro-). 

Aanm. Vgl. Gr. aygog; *agros werd eerst *agrs, *agers, dan *agerr 
(§ 25, 8"), ager (§ 23). De uitgang -us bleef slechts: in Humerus getal,, 
umerus {humerus) schouder, ems (hems) heer, die oorspr. op -sos eindigden 
(§ 27); in uterus buik (ouder uterum); en in ianiperus jeneverstruik. 

Omgekeerd ontbreekt -us bij de Spaansche volksnamen Iber en Celtiber, 
die eene lange e hebben (Iberi, Celtiberl). 

§ 97. b) De e van de aldus verkorte woorden op -er behoorl 
meestal niet tot den stam en ontbreekt dus in de verbuiging, bijv.: liber, 
libri, libro, libmm, plur. libri enz. (zie het voorbeeld in § 103). 

c) De volgende woorden echter hebben e in den stam en behouden 
haar dus in alle naamvallen (zie het voorbeeld in § 103): 
adulter echtbreker vesper avond 

gener schoonzoon armiger wapendrager 

liberl kinderen signifer vaandeldrager, en de andere 

puer knaap woorden op -fer en -ger, die afgeleid zijn 

socer schoonvader van few ik draag, breng en gero ik draag. 

Aanm. 1. Ook Liber, naam van een god (Bacchus), behoudtdee: Libert. 



K 



3) Op soortgelijke wijze als deze woorden op -er ontstond vir man, 
genet, virl enz.. 

Aanm. 2. Naar vir richt zich levir zwager (voor *lever: vgl. Gr. Safe 
uit *daifrie), ofschoon het er niet mede verwant is. 

Buigingsuitgangen. 

a) Singularis. 

§ 98. De gen. eindigt op eene enkele -T: servi, belli. 

Aanm. 1. Deze gen. is nog niet afdoende verklaard; in elk geval is -T 
hier oorspronkelijk, niet uit een tweeklank (-ei, -oi) ontstaan, 
zooals in den nom. (m. en f.) en dat.-abl. plur.; afgezien van den nom. 
plur. neutr. is de gen. de eenige naamval, waarin van den be- 
ginne af elk spoor van de stamvocaal ontbreekt. 

Aanm. 2. O-stammen op -ius en -ium (stam -io-) vereenigen in den 
gen. -ii tot -I: films zoon, gen. flli, imperium heerschappij, gen. imperi; 
het accent valt altijd op de voorlaatste, dus niet alleen negoti, maar ook imperi. 

In den nomin. plur. echter (waarin -ii uit -iei ontstaan is: § 101) 
blijft -ii: filii, socii (behalve bij de o-stammen op -aius en -eius, bijv. 
Grai [= Qraeci] Grieken, Pompel). 

Ongeveer van den tijd van keizer Tiberius af schreef men -ii ook in den 
gen., welke schrijfwijze in de meeste handschriften is doorgedrongen ; van- 
daar gewoonlijk ook in den gen. : filii, imperil. 

Aanm. 3. Denzelfden vorm als de gen. heeft in het klass. Latijn de 
locativus (§ 54, A. 2), die als zelfstandige casus nog in zonderheid bij 
namen van steden op -us in gebruik bleef (§ 436) : Corinthi te Korinthe. 
Hier berust -T echter op een oorspr. -ei (d. i. de stam in den vorm op 
-e [§ 100, A. 1] + het suffix -T [§ 59, A. 1, 4]). Vandaar dat bij de -io- 
stammen de locativus (in tegenstelling met den gen.) -ii althans in 
den klassieken tijd niet samentrekt: Brundisil. 

§ 99. De dat. voegde eene -i achter den verlengden stamklinker, 

zoodat de uitgang oorspr. -6i was (de lange tweeklank); de i viei echter 

reeds spoedig af en de verlengde o bleef: * servo i, servo; *belloi, bello. 

Aanm. Vgl. de Gr. i subscriptum in overeenkomstige vormen : avtiQwnm. 

De ace. heeft -m tot uitgang: *servo-m, servum. 

§ 100. De voc. eindigt bij de masculina en feminina die -us 
hebben in den nominativus, op -e, bij alle andere is hij gelijk 
aan den nom.: serve; puer; bellum. 

Aanm. 1. Serve is de enkele stam, zonder casusteeken; -e is hier 
echter niet uit -o ontstaan, maar in den vocativus had de stam van 
oudsher een vorm op -e tegenover den vorm op -6 in de andere casus 
(vgl. Gr. avd-smns) ■ de o-stammen zijn dus eigenlijk o/e-stammen. Eene 
zelfde oorspronkelijke klankwisseling o/e vindt men in genus (uit 
*genos) - generis: vgl. § 69, A. 2. 

Aanm. 2. Substantiva op -ius hebben in den vocat. -T in plaats van 
-ie, bijv.: filias zoon, voc. fill; Vergilius, voc. Vergili; Pompeius, Pompri; 

5* 



68 



BUIGINGSLEER. 



§ 101. 



§§ 102-104. 



SUBSTANTIVA. O-STAMMEN. 



69 



Ovidius, Ovidl. Het accent wordt ook hier gewoonlijk steeds op de voor- 
laatste gelegd, dus niet alleen: Antoni, maar ook: VergtlT. 

Aanm. 3. Van deus god, waarvan de verbuiging in § 128 besproken 
wordt, komt in den klassieken tijd de voc. sing, niet voor, wel vindt men 
hem bij de Christelijke schrijvers, waar hij Deus is, dus gelijk aan den 
nomin.; in het klass. Latijn is de voc. van deus: dive. 

Ook andere woorden op -us worden in den voc. somtijds gelijk aan den 

nom. genomen, wanneer men plechtig of met nadruk spreekt of wanneer 

men uitroept, niet aanspreekt, bijv. : almae filius Maiae; audi tu, populus 

Albanus enz.. Vgl. § 373, Aanm.. 

De abl. is gelijk aan den stam met Ian gen stamklinker: servo, bello. 

Aanm. 4. De abl. ging oudtijds uit op -od : *servod, *bellod (§ 74, A. 2). 

b) Plaralis. 
§ 101. De nom. en voc. der'masc. en fern. (§ 104) eindigen op -i 
(ouder -ei), dat uit oi ontstaan is (§ 16, a): *servoi, *servei, servl; 
die der neutra hebben eene enkele -a: bella. 

Aanm. 1. Vgl. Gr. SvS^maoi; -oi is eigenl. de uitgang der prono- 
mina, die zoowel in het Grieksch als in het Latijn den Indo-Germaan- 
sch en 'uitgang der substantiva (-6s, uit -o-es) verdrongen heeft. 

Aanm. 2. Geschreven vindt men -ei als uitgang nog bij Plautus en 
in oude opschriften tot in den klassieken tijd. Vgl. § 10, 13. 

Aanm. 3. Bella is niet uit *bello-a ontstaan: deze nom., ace, voc. plur. 
neutr. op -a (verkort uit -a, dat wellicht nog over is in telwoorden als 
tri-gint-a, eig. 3 tientallen) is van huis uit geen eigenlijk meervoud, 
maar eeu zelfstandig femininum singulare met collectieve betee- 
kenis, gevormd met den uitgang -a der a-stammen: vgl. bijv. bij ons 
het geboomte als meervoud van de boom ; reeds in de Indo-Germaansche 
moedertaal echter werd dit collectivum als nom., ace. en voc. plur. neutr. 
in de verbuiging der o-stammen opgenomen. Eene herinnering aan den 
ouden toestand bewaart in het Latijn nog een meervoud als loca (§128), 
dat oorspr. in beteekenis tot het eveneens bestaande loci stond, als bij ons 
het geboomte tot de boomen. 
De gen. voegt -rum achter de lange stamkenletter: servorum; bellorum. 
Aanm. 4. De oorspronkelijke uitgang van den gen. was -um (uit -6m, 
6m [§ 16]: vgl. Gr. av&eamcuv). In het oudere Latijn (Plautus, Terentius, 
oude inscrlpties enz.) wordt dit -om of -um nog veelvuldig gebruikt. In 
klassiek proza is het echter verdrongen door het jongere -orum, dat 
naar analogie van den uitgang -arum der a-stammen werd gevormd. 

Gehandhaafd heeft -um zich vooral: 
1« in versteende uitdrukkingen van de kanselarij-, militaire, kultus- en han- 
delstaal: decemvimm der tienmannen, socium (bijv. praefedus socium), 
fabrum (praefedus fabrum, oorspr. de aanvoerder van het geniekorps, 
later adjudant van den opperbevelhebber), dikwijls deum (bijv. pater deum 
hominumque, pro deum /idem), vooral in namen van munten, maten en 
gewichten, als sestertium (gen. plur. van sestertius, een munt van 2 1 / 2 as, 
ongeveer een dubbeltje), modium (gen. plur. van modius schepel, een 
maat van 9 L.), talentum (gen. plur. van talentum, een Grieksch gewicht 






1 



van ruim 26 KG., en eene Grieksche geldswaarde van ± f 2700.—), 

nummum (gen. plur. van nummus geldstuk, sestertius), e. a. ; 
2° in sommige woorden met r in den stam, wellicht omdat men opeen- 

hooping van r's wilde voorkomen : liberum der kinderen ; 
3° bij dichters, die in het algemeen -um veel meer gebruiken dan het proza, 

met name in lange woorden : consanguineum der bloedverwanten ; zoo 

ook bij adiectiva: magnanimum. 

Daarnaast zegt men natuurlijk: decern virorum (echter liever decemvimm 
wanneer het college bedoeld wordt), sociorum, deorum, enz ; ook libe- 
rorum is niet minder gebruikelijk dan liberum. 

§ 102. De dat. en abl. eindigen op -Is (ouder -eis), dat uit -ois 
ontstaan is (§ 16, a): *servois, "serveis, servls; *bellois, *belleis, bellis. 

Aanm. In het schrift heeft -eis zich nog tot in den klassieken tijd 
gehandhaafd. 

De ace. der masc. en fern, heeft -6s (uit -6-ns: "servo-ns: vgl. § 14, 1, 
§ 33 en § 59, A. 2): servos. 

§ 103. Voorbeelden van verbuiging: 



10 


servus, stam 


servo-; bellum, 


stam 


bello-. 






Singui 


aris 




Plural 


is 


N. 


servus 


bellum 


N. 


servl 


bella 


G. 


servl 


belli 


G. 


servorum 


bellorum 


D. 


servo 


bello 


D. 


s e r v Is 


bellis 


Ace. 


servum 


bellum 


Ace 


servos 


bella 


V. 


serve 


bellum 


V. 


servl 


bella 


Abl. 


servo 


bello 


Abl. 


servls 


bellis 


20 


gener, stam 


genero-; ager akker, 


stam agro-. 






Singui 


aris 




Plural 


is 


N. 


gener 


ager 


N. 


generl 


agrl 


G. 


generl 


agrl 


G. 


generorum 


agrorum 


D. 


genero 


agro 


D. 


generis 


agrls 


Ace. 


generum 


agrum 


Ace. 


generos 


agros 


V. 


gener 


ager 


V. 


generl 


agrl 


Abl. 


genero 


agro 


Abl. 


generis 


agrls 



§ 104. Geslachtsregels. 

De o-stammen op -us en -er zijn manlijk, uitgezonderd alvus buik, 
humus grond, vannus wan, en het onregelmatige colus spinrokken (zie 
§ 128), die vrouwelijk, benevens virus slijm, gift, en valgus het gemeen 
(beide zonder pluralis), die onzijdig zijn. 

De o-stammen op -um zijn onzijdig. 

Wat pirns pereboom en dergelijke betreft, vgl. § 52. 









OVERZICHT DER VERBUIGING. 








NAAMVAL 


UITGANG 


CONSON.STAM 


i-STAM 




u-STAM 


e-STAM 


a-STAM 


o-STAM 


Singularis 


M. en F. 


N. 






■ 










NOMIN. 


-s of 
niets 


niets 
of -m 


*reg-s, rex, consul 
genus 


turri-s 
*animali, animal 


fructu-s, cornu 


dies 


*mensa, mensa 


*servo-s, servus 
*bello-m, bellum 


GENET. 


-is (uit-es), 
-s of -1 


-is (uit-es), 
-s of -1 


consul- is, gener-is 


turris, animalis 




fructus, cornus 


die-i 


(*mensas en) *mensa-I, 
mensai, mensae 


servl, belli 


DATIV. 


-i(uit-ei) 
of -i 


-I (uit-ei) 
of -i 


consul-l, gener-l 


turri, animall 




fructu l, cornu 


die-i 


mensa-i, *mensai, 
mensae 


*servo i, servo, 
bello 


ACCUS. 


-m (em) 


niets 
of -m 


consul-em, genus 


turri-m, animal 




fructu-m, cornu 


*die-m, diem 


*mensa-m, mensam 


*servo-m, servum 
bellum 


VOCAT. 


= nomin, 
of = stam 


= nomin. 


rex, consul, genus 


turri-s, animal 


% 


fructu-s, cornii 


dies 


*mensa, mensa 


serve, bellum 


ABLAT. 


-e of -d 


-e of -d 


consul- e, gener-e 


*turrl-d, turri 
*animalT-d, animall 




*fructu-d, fructu 
*cornu-d, cornu 


*die-d, die 


*mensa-d, mensa 


"servo- d, servo 
bello 


Pluralis 




















NOM. EN VOC. 


-es (-es) 
of -T 


-a 


consul- es, gener-a 


*turre(i)-es, tunes 
animali-a 




fructus, cornu-a 


dies 


*mensai, mensae 


*servoi, *servei, 
servl, bella 


GENET. 


■urn, -m 


of -rum 


consul- um 
gener- um 


turri- um 
animali-um 




fructu-um, cornu-um 


die- rum 


mensa-rum 


(*deom, deum en) 
servorum, bellorum 


DAT. EN ABL. 


-bus ( 

of 


-ibus) 

-IS 


consul- ibus 
gener-ibus 


turri-bus 
animali-bus 




arcu-bus, fructibus, 
corn ibus 


die- bus 


*mensais, *menseis, 
mensis 


*servois, *serveis, 
servis, bellis 


ACCUS. 


-ns(-ens) 


-a 


*consul-ens, con- 
sumes, gener-a 


*turri-ns, turris 
animali-a 




*fructu-ns, fructus 
cornua 


*die-ns, dies 


*mensa-ns, mensas 


*servo-ns, servos 
bella 



72 



BUIGINGSLEER. 



§§ 105-107. 



HOOFDSTUK II. 



HET ADIECTIVUM. 



§ 105. De adiectiva worden verbogen als de substantiva, 
slechts weinige als consonant-, verreweg het grootste deel als vocaal- 
s tarn men (op -o, -a, -i). 

Aanm. Geheel als consonantstammen verbogen worden de comparativi 
op -ior (neutr. -ius), benevens enkele adiectiva van een uitgang, als vetus 
oud, pauper onbemiddeld, arm, (senex oud, bejaard, § 113 Aanm.)-. zie 
§ 126 en § 116. 



§ 106. Om het geslacht aan te duiden der substantiva 
waarbij zij geplaatst worden, hebben de raeeste adiectiva 
veranderlijke uitgangen, sommige drie (een voor het manl., een 
voor het vrouw. en een voor het onz.), andere twee (een voor het manl. 
en vrouw. en een voor het onz.), terwijl de overige voor alle geslachten 
slechts een en uitgang hebben (met uitzondering natuurlijk van de 
bekende afwijking van het neutrum in den ace. sing, en in de noni., 
ace. en voc. plur.: zie § 55); bijv. : 

bonus consul een goed consul fortis miles een dapper soldaat 
bona dea de goede godin fortis legio een dapper legioen 

bonum consilium goede raad forte oppidum eene sterke stad 

audax clvis een vermetel burger 
audax mulier eene vermetele vrouw 
audax factum eene vermetele daad. 



A. ADIECTIVA VAN DRIE UITGANGEN. 



§ 107. 1) Drie uitgangen hebben de adiectiva die in 
den manlijken vorm op -us (uit -os: § 95) uitgaan (behalve 
vetus oud: zie § 105 Aanm.); zij veranderen voor het vrou- 
welijk -us in -a, voor het onz ij dig in -um: 

bonus homo bona mulier bonum vinutn. 

2) Adiectiva op -er, -a, -um. a) Tot de adiectiva van drie uit- 
gangen die in het vrouwelijk op -a en in het onzijdig op -um 
eindigen, behooren ook eenige, die in het manlijk geslacht uitgaan 
op -er. Wanneer namelijk voor den uitgang -os van den nom. sing, 
masculini generis eene r stond, voorafgegaan door eene andere conso- 
nant of eene e, is in dezen vorm de uitgang -os verdwenen: 
liber vrij, niger zwart, aeger ziek (vgl. § 96). 

b) De e van deze aldus verkorte adiectiva op -er behoort meestal 
niet tot den stam en ontbreekt dus in de overige vormen: niger, nigra, 
nigrum (vgl. § 97). 



108. 



ADIECTIVA VAN DRIE UITGANGEN. 



73 



c) De e blijft slechts in: 

alter, altera, alterum de ander(e) 

(§ no) 
asper, aspera, asperum ruw 
liber, libera, liberum vrij 
miser, misera, miserum ellendig 
tener, tenera, tenerum teeder 



corniger, -gera, -gerum hoorn- 
dragend 

letlfer, -fera, -ferum doodaanbren- 
gend, en de overige adiectiva 
op -fer en -ger (van few ik 
draag, breng en gero ik draag). 



d) Dexter rechtsch, rechter-, heeft dextra, dextrum en dextera, dexterum. 
3) Eene gelijke verkorting als de adiectiva op -er onderging satur, 
satura, saturum verzadigd. 

Aanm. 1. Den uitgang -us hebben behouden : (extents) uitwendig (§ 128, 2°), 
ferus woest (efferus wild), inferus beneden-, properus snel, haastig, prosperus 
voorspoedig, pmeposterus averechtsch (posterns ontbreekt in den nom. sing, 
masc. gen.), supenis boven-. 

Aanm. 2. Ook bleef -us, wanneer voor de -r- eene lange e stond : 
severus, severa, severum streng. 

Verbuiging. 

§ 108. De adiectiva van drie uitgangen zijn voor 't manlijk en 
't onzijdig o-s tarn men, voor 't vrouwelijk a-stammen: 







Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Sing 


N. 


bonus 


bona 


bon um 




G. 


boni 


bonae 


boni 




D. 


bono 


bonae 


bono 




Ace. 


bonum 


bonam 


bon um 




V. 


bone 


bona 


bonum 




Abl. 


bono 


bona 


bono 


Plur. 


N. 


boni 


bonae 


bona 




G. 


bonorum 


bon arum 


bonorum 




D. 


bonis 


bonis 


bonis 




Ace. 


bonds 


bon as 


bona 




V. 


boni 


bonae 


bona 




Abl. 


bonis 


bonis 


bonis 


Sing 


N. 


miser 


misera 


miserum 




G. 


miser! 


m i s e r ae 


miser! 




D. 


misero 


m i s e r ae 


misero 




Ace. 


miserum 


miser am 


miserum 




V. 


miser 


misera 


miserum 




Abl. 


misero 


misera 


misero 


Plur. 


N. 


m i s e r I 


m i s e r ae 


misera 




G. 


miser drum 


miserarum 


miserorum 




D. 


miseris 


miseris 


miser!s 




Ace. 


miser 6s 


miseras 


misera 




V. 


miser! 


miserae 


misera 




Abl. 


miseris 


miseris 


m i s e r Is 



74 



BUIGINGSLEER. 



§§ 109-110. 



§ HI. 



ADIECTIVA VAN TWEE UITGANGEN. 



75 







Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Sing. 


N. 


niger 


nigra 


nigrum 




G. 


nigri 


n i g r ae 


nigri 




D. 


nigro 


nigrae 


nigro 




Ace. 


nigrum 


nigram 


nigrum 




V. 


niger 


nigra 


nigrum 




.Abl. 


nigro 


nigra 


nigro 


Plur. 


N. 


nigri 


nigrae 


nigra 




G. 


nigrorum 


nigrarum 


nigrorum 




D. 


nigris 


nigris 


nigris 




Ace. 


nigros 


nigras 


nigra 




V. 


nigri 


nigrae 


nigra 




Abl. 


nigris 


nigris 


nigris 



Afwijkingen. 

§ 109. a) De adiectiva op -ius behouden, anders dan de substantiva (vgl. 
§ 98, A. 1 en § 100, A. 1), in den gen. alle -il en in den voc. -i-e, bijv. : 
egregius uitgelezen, voortreffelijk: gen. egregil, voc. egregie; plus vroom : pil,pie. — 
Van alius een ander, dat in den gen. alius heeft (§ 110), komt geen vocat. voor. 

§ 110. b) De volgende woorden, die overigens naar den regel 
gaan, hebben in den gen. sing, -Ius, in den dat. sing. -T voor 
alle geslachten: 

alias, alia, aliud een ander(e) solas, sola, solum alleen 
alter, altera, alterum de ander(e) tolas, tota, totum geheel 

(van twee) alias, alia, allam eenig 
neuter, neutra, neatrum geen van anus, una, unum een 

beide(n) liter, utra, utrum wie van beide(n) 
niillus, nulla, nullum geen, niemand uterque, utraque (§ 47, 2), utrum- 

(§ 178) que beide(n): 

gen.: (alius), alterius, neutrlus, nuttius, solius, totius, iilllus, unius, 

utrius, utriusque; 
dat.: alii, alterl, neutr i, nulll, soli, toll, ulll, unl, utrl, utrlque. 







Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Sing. 


N. 


solus 


sola 


solum 




G. 


solius 


solius 


solius 




D. 


soli 


soli 


soli 




Ace. 


solum 


s o 1 am 


solum 




V. 


sole 


sola 


solum 




Abl. 


solo 


sola 


solo 


Plur. 


N. 


soli 


s o 1 ae 


sola 




G. 


sol drum 


solarum 


solorum 




D. 


S 1 IS 


solis 


soils 




Ace. 


solos 


solas 


sola 




V. 


soli 


solae 


sola 




Abl. 


soils 


soils 


soils 






Aanm. 1. Bij alius gebruikt men als genetivus gewoonlijk alterius, 
of neemt in plaats van een gen. het adiect. alienus: de genet, alius komt 
zelden voor. 

Alter heeft bij dichters in den gen. sing, dikwijls eene korte i: alterius. 
Ook van andere dezer woorden vindt men bij dichters de i in den genet, 
somtijds kort. Vgl. § 35, 2. 

Aanm. 2. Deze gen. op -Ius en dat. op -I hooren eigenlijk thuis bij de 
pronomina (zie § 170 enz.). Dat de in de § genoemde adiectiva deze 
pronominale vormen hebben overgenomen, vindt hierin zijn oorsprong, 
dat ze in hun beteekenis zeer dicht bij de pronomina staan (adiectiva 
pronominalia). Zoo is ook de vorm aliud te verklaren (vgl. istud, Mud: 
§ 170). 

Aanm. 3. De Latijnsche grammatici (§ 7, 3°) gebruikten als gen. sing, 
van neuter altijd neutrl in de uitdrukking neutfi generis. Ook van 
andere woorden vindt men (met name bij dichters) somtijds een gen. sing, 
masc. op -I: bijv. utu Catull. 17, 17. 

B. ADIECTIVA VAN TWEE UITGANGEN. 

§ 111. 1) Twee uitgangen hebben de adiectiva die in 
den nom. sing, van 't manlijk geslacht uitgaan op -is, bijv. 
fortls sterk, dapper, moedig: zij hebben denzelfden uitgang 
voor 't vrouwelijk, maar voor 't onzijdig -e (uit-i: § 16a), bijv.: 

fortls vir fortis oratio forte consilium. 

2) Adiectiva op -er, -is, -e. Eenige adiectiva hebben den 
uitgang -is in den nom. sing. masc. gen. verloren, maar dien 
behouden voor 't vrouwelijk, zoodat ze in den nom. sing, nu drie 
uitgangen hebben: -er, -is, -e. 

De e in -er behoort niet tot den stam en ontbreekt dus in de overige 
vormen, behalve bij celer snel, dat haar overal behoudt (ceteris, celeritnz.). 

Deze adiectiva zijn: 
deer acris acre scherp 

alacer alacris alacre vlug, levendig 

campester campestris campestre tot de vlakte behoorend, vlak 
celeber Celebris celebre druk bezocht, talrijk 

celer ceteris celere snel 

equester equestris equestre ruiter-, ridder- 

paluster palustrls palustre moerassig, van het moeras 

pedester pedestris pedestre te voet 

(saluber) salubris salubre heilzaam 

(silvester) silveslris silvestre woud- 

(terrester) terrestris terrestre land-, aardsch 

voliicer volucris volucre vliegend, gevleugeld. 

Aanm. 1. Van de tusschen haakjes geplaatste woorden gebruike men ook 
voor 't mascul. liever den vorm op -is, dien de beste schrijvers hebben. 



76 



BUIGINGSLEER. 



§§ 112-113. 



Aanm. 2. Tot deze groep behooren eigenlijk ook de volgende namen 
van maanden (vgl. § 52, 1<>) : September, October, November, December (van 
septem, octo, enz. (§ 150), dus letterlijk: de zevende, achtste enz., omdat het 
Romeinsche jaar oorspronkelijk met Maart begon), die echter alleen in 't 
mascul. en femin. (Septembris enz.) voorkomen, bijv. : 

mensis September de maand September, abl. mense Septembri 
Kalendae Octbbres de eerste (dag van) October 
Nonas Novembres den vijfden November 
Idibus Decembribus op den dertienden December. 

Verbuiging. 

§ 112. De adiectiva op -is zijn i-stammen en worden als zoodanig 
verbogen [vgl. §§ 74 (turrls) en 81 {mare)]; de accus. sing. m. en f. 
heeft echter altijd -em : 





M. en F. N. 




M. en F. 


N. 


Sing. N. 


fortis forte 


Plur. N. 


fortes 


fortia 


G. 


fortis fortis 


G. 


fortium 


fortium 


D. 


forti forti 


D. 


fortibus 


fortibus 


Ace. 


fortem forte 


Ace. 


fortTs(-es' 


fortia 


V. 


fortis forte 


V. 


fortes 


fortia 


Abl. 


forti forti 


Abl. 


fortibus 


fortibus 




M. F. N. 




M. en F. 


N. 


Sing. N. 


acer acris acre 


Plur. N. 


acres 


acria 


G. 


acris acris acris 


G. 


acrium 


acrium 


D. 


acrl acrl acrT 


D. 


acribus 


acribus 


Ace. 


acrem acrem acre 


Ace. 


acris (-es) 


acria 


V. 


acer acris acre 


V. 


acres 


acria 


Abl. 


acrT acrl acrT 


Abl. 


acribus 


acribus 



Aanm. Celer als substantivum (= Rom. ruiters onder de koningen) 
heeft in den genet, plur. celerum; als gen. plur. van het adiectivum 
gebruike men liever velocium. 

I uvea is jong, dat gewoonlijk substantivum (= jongeling) is, heeft in 
den ablat. sing, iuvene, in den gen. plur. iuvenum. 

Zoo heeft ook volucris f. vogel in den abl. sing, voiacre; in den 
genet, plur. echter zoowel volucrium, als volucrum. 



C. ADIECTIVA VAN EEN UITGANG. 

§ 113. Een uitgang hebben alle overige adiectiv; 
Het zijn de volgende: 






5§ 113-114. 


ADIECTIVA VAN EEN UITGANG. 7 


1) 


die 


op: 








ans 


genet. 


■antis 


bijv.: elegans, 


elegantls 


keurig, fijn 


ar 




-arts 


par, 


parts 


gelijk 


as 




■at is 


nostras, 


nos trails 


uit ons land 


ax 




-acts 


audax, 


auddcls 


vermetel 


ceps 




■clpis 


particeps, 


partlcipls 


deelachtig 


ceps 




■cipitis 


praeceps, 


praeclpltls 


hals over hoofd, steil 


ens 




-entis 


prudens, 


prudentls 


vooruitziend, verstandi 


er 




-eris 


pauper, 


pauperis 


onbemiddeld, arm 


es 




-etis 


hebes, 


hebetls 


stomp 


es 




-id is 


deses, 


desldls 


traag, werkeloos 


es 




-it is 


dives, 


dlvltls 


rijk 


ex 




-icis 


simplex, 


slmpllcls 


enkelvoudig 


IX 




-icis 


Mix, 


fellcls 


gelukkig 


or 




■oris 


memor, 


memorts 


gedachtig 


OS 




-otis 


compos, 


compotls 


meester van 


ox 




-dels 


atrox, 


atrocls 


vreeselijk, woest; 



2) verder die met substantiva zijn samengesteld, als: 
concors, concordls eendrachtig 



dlscors, dlscordls 

exlex, exlegis 

expers, expertts 

locuples, locupletls 

pernox, pernoctis 

quadrupes, quadrupedls viervoetig 

versicolor, versicolorls bont; 



tweedrachtig 

aan geene wet gebonden 

geen deel hebbend, ontberend 

gegoed, rijk 

den geheelen nacht door 



3) eenige andere: 

caelebs, caellbls ongehuwd 
clcur, clcurls tarn 
pubes, pUberls manbaar, volwassen 
Impubes, Impuberls en Impubls niet 

manbaar, niet volwassen 



(senex, sents oud, bejaard) 

trux, tracts wild, ruw 

vetus, veterls oud 

(vigil, vlgills waakzaam). 



Aanm. Senex is in proza gewoonlijk subst. (= grijsaard). Voor de 
verbuiging zie § 128. 

Hetzelfde geldt van vigil (=wachter: abl. sing, vtglle, gen. plur. vlgllum). 
Als adiect. gebruikt men in den regel vtglldns. 

Verbuiging. 

§ 114. Ook deze adiectiva worden voor het grootste 
deel als i-stammen verbogen; z% hebben een nomin. sing, z on- 
der i en in den ace. sing. masc. en fern, altijd -em, maar de abl. 
sing, gaat meestal uit op -T, de gen. plur. op -i-um, de nom. en 
ace. plur. neutr. op -i-a. 



78 



BUIGINGSLEER. 



§§ 115-116. 







M. en F. 


N. 




M. en F. 


N. 


Sing 


N. 


audax 


audax 


Plur. N. 


audaces 


audacia 




G. 


audacis 


audacis 


G. 


audacium 


audacium 




D. 


audaci" 


audaci 


D. 


audacibus 


audacibus 




Ace. 


audacem 


audax 


Ace 


audaces(-Ts] 


audacia 




V. 


audax 


audax 


V. 


audaces 


audacia 




Abl. 


audaci 


audaci 


Abl 


audacibus 


audacibus 



Van huis uit zijn deze adiectiva meerendeels consonantstamraen. In 
hunne verbuiging richten zij zich echter bijna alle geheel of gedeeltelijk naar de 
i-stammen, onverschillig of zij oorspr. consonant- of i-stammen zijn. 

Afwijkingen. 

§ 115. Den overgang van i-stammen tot consonantstam- 
men toonen vele dezer adiectiva ook nog in andere naamvallen 
dan in den nom. en ace. sing., namelijk: 

a) in den abl. sing., waar sommige -e hebben (in plaats van -I) ; 

b) in den nom. en ace. plur. neutr., waar een adiect. -a heeft 
(niet -i-a); 

c) in den gen. plur., die somtijds op -um eindigt (niet op -i-um). 



§116. a) In den abl. sing, hebben -e de volgende adiectiva: 

compos meester van: abl. sing, compote 

dives rijk: „ „ divite 

pauper onhemiddeld, arm: „ „ paupere 

vetus oud: „ „ vetere (vgl. § 105, Aanm.). 

Aanm. 1. Vele adiectiva gaan over in substantiva en nemen dan -e in 
den abl. sing.: ales vogel, alite; vigil wachter, vigile (vgl. § 113, Aanm.), 
par makker, echtgenoot, pare; Clemens, Clemente; Felix, Felice. 

Aanm. 2. Andere nemen, wanneer ze bij zaaknamen staan, -I, bij 
persoonsnamen -e aan, zoo vooral de adiectiva op -ns, en -x: in do/no 
locupleti, homine locuplete, eleganti sermone, ab homine eloquente, potent! 
manu, cum rege potente, in furace servo, ab hoc trace tribu.no plebis. 

Aanm. 3. Om dezelfde reden nemen de volgende adiectiva in den regel 
alleen -e aan, daar zij uit hunnen aard all een bij persoonsnamen 
voorkomen: caelebs ongehuwd, deses traag, particeps deelachtig, princeps 
eerste, piibes manbaar, redux teruggekeerd , sospes behouden, superstes 
overlevend. 

Aanm. 4. Participia op -ns nemen -e, wanneer zij als substantiva 
voorkomen, of meer de kracht der verba hebben (zooals in den ablat. abs. 
(§ 602 vlgg.)) : a sapiente, a sollicito amante, nullo rogante, excellente turn 
Crasso, in via ferente ad castra, maar: ardenti studio, excellent! ingenio, 
in re praesentt, fulgent! auro. 



§§ 117-119. 



ADIECTIVA. COMPARATIO. 



79 






§ 117. b) In den nomin., ace. en voc. plur. neutr. heeft -a: 
vetus oud: Vetera. 
Van een groot aantal adiectiva komen deze naamvallen niet voor. 

§ 118. c) In den gen. plur. gaan uit op -um de adiectiva 
van een uitgang die in den genet, sing, de voorlaatste 
lettergreep kort hebben (zie § 32), bijv. : 

meester van, gen. sing. : compdtis, gen. plur. : compotum; 



compos 

particeps deelachtig, „ „ : participis, 

memor gedachtig, » ,, : memoris, 

pauper onbemiddeld,arm, » » : pauperis, 

vetus oud, „ „ : veteris, 

sospes behouden, „ ,, : sospitis, 

dives rijk, ,, » : divitis, 



: participum ; 
: memorum ; 
: pauperism ; 
: veterum; 
: sospitutn; 
: divitum; enz.. 



Uitgezonderd zijn: 

par gelijk, opgewassen gen. sing. : parts, 

tegen, 
impdr ongelijk, niet op- „ 

gewassen tegen, 
dispdr ongelijk, verschil- ,, 

lend, 
simplex enkelvoudig, ,, 

duplex (triplex, enz.: zie „ 

§ 163a) tweevoudig, 
multiplex veelvoudig, » 



: imparts, 

: disparts, 

: simplicis, 
: duplicis, 



gen. plur.: pariutn ; 

„ „ : imparium ; 

i, ,, : disparium; 

» : simplicium ; 

,, : duplicium ; 



multiplicis, 



: multiplicium. 



Aanm. 1. Van supplex smeekend, komt de gen. plur. alleen voor als 
subst. (smeekeling) ; hij is dan supplicant. 

Ook het substantivum gewordene parentes ouders, heeft gewoonlijk 
-um: parentum. 

Aanm. 2. Dives, gen. divitis, heeft dus abl. divite, gen. plur. divitum; 
doch naast deze vormen bestaan de gecontraheerde (§ 19, A, a): gen. ditis, 
dat. diti, ace. ditem, abl. ditt (niet dlte), neutr. pi. ditia (niet divitia), gen. 
ditiutn, enz. (naar analogie daarvan ook een nom. sing, dis), die echter in 
proza liever niet gebruikt werden. Voor ditia neme men locupletia. 

D. COMPARATIO. 

§ 119. De trappen van vergelijking (gradus compardtionis) 

heeten in het Latijn: 

[gradus) compardtlvus (vergelijkende trap) en 
(gradus) superlatlvus (overtreffende trap); 

. het adiectivum zonder vergelijking staat in den (gradus) posifivus 

(stellende trap). 



80 



BUIGINGSLEER. 



§§ 120-122. 



Ter versterking van den superlativus kunnen longe verreweg, en quam 
zoo . . . mogelijk, gebruikt worden, bijv. : longe sapientissimus verreweg 
de wijste; quam maximus zoo groot mogelijk. Vgl. § 472. 

§ 120. Den comparativus en den superlativus vormt men 
van den positivus zoo, dat men in plaats van den uitgang van 
den genet, sing. masc. -T of -is, de volgende uitgangen neemt: 

voor den comparativus: -ior (m. en /.), -ius (n.); 

voor den superlativus: -issimus (m.), -a (/.), -um («.): 

posit. gen. sing. m. compar. superl. 

longus lang longi longior langer longissimus langst of 

[zeer lang (§ 472) 

fortis fortis fortior fortissimus 

audax audacis audacior auddcissimus 

lociiples locupletis locupletior locupletissimus 

sapiens sapientis sapientior sapientissimus. 

Aanm. I. De oudere vorm voor den uitgang van den comparativus 
was -ios, gen. -iosis (vgl. § 126, A. 2). 

De superlativus had oorspronkelijk tot uitgang -mus (bijv. summits 
voor *sup-mos), waarvoor nog andere suffixen konden komen: -i-mus 
(uit -o-mos, bijv. min-imus); -sT-mus (uit -so-mos, bijv. maximus [uit 
"mag-simos], facillimus); -tu-mus of -ti-mus (uit -to-mos, bijv. optunius 
[oudere vorm van optimus], intimus, uliinius enz.) ; eindelijk de gewone 
uitgang -is-si-mus, waarvan de oorsprong overigens onzeker is. 

Aanm. 2. Dives heeft naast dlvitior, dlvitissimus, de gecontraheerde 
(§ 19, A, a) vormen ditior en ditissimus; men gebruike liever de eerste. 

Afwijkingen. 

§ 121. a) De adiectiva op -er vormen den superlativus, door 
-rimus achter den nominativus sing. masc. te voegen: 
posit. com p. superl. 

pulcher pulchrior pulcherrimus 

miser miserior miserrimus 

deer acrior acerrimus. 

Zoo gaat ook vetus (veter-is) oud, dat in den regel zijn comparat. 
ontleent aan vetustus (vetustior): velerrimus. 

Aanm. 1. Veierior en ook vetustissimus zijn minder gebruikelijk. 

Aanm. 2. De uitgang -errimus is ontstaan uit -er-simos, gelijk -i III- 
mus (§ 122) uit -il-simos (§ 25, 8). 

Maturus rijp, heeft zoowel mdturrimus, als maturissimus. 

§ 122. b) De volgende zes adiectiva op -ilis vormen den super- 
lativus, door -ilis in -illimus te veranderen: 



123-125. 


ADIECTIVA. 


COMPARATIO. 




posit. 




compar. 


superl. 


facilis 


gemakkelijk 


facilior 


facillimus 


difficilis 


moeilijk 


difficilior 


difficillimus 


similis 


gelijk 


similior 


simillimus 


dissimilis 


ongelijk 


dissimilior 


dissimillimus 


gracilis 


slank 


gracilior 


gracillimus 


humilis 


laag 


humilior 


humillimus. 



81 



superl. 
ma ledl cent issimus 
beneficentissimus 
malevolent issimus. 



§ 123. c) De samengestelde adiectiva op -dicus, -ficus, -volus 

(vgl. dico ik zeg, facio ik doe, volo ik wil) vormen den compara- 
tivus en den superlativus niet van deze positivi, maar als van 
positivi op -dicens, -ficens, -volens: 

posit. compar. 

maledicus kwaadsprekend maledlcentior 

beneficus weldadig beneficentior 

malevolus kwaadwillig malevolentior 

De vormen op -volentior en -dicentior behooren bij oudere, later in onbruik 
geraakte positivi op -volens en -dicens. Naar analogie daarvan kregen ook de 
adiectiva op -ficus, die in het oudere Latijn regelmatig -ficior hebben, in den 
klass. tijd een comparativus op -ficentior (met dissimilatie uit *-ficientior). 

§ 124. d) Dikwijls worden de comparativus en superlativus 
omschreven, de eerste door magis meer, de tweede door mdxime 
't me est; zoo moeten ze gevormd worden, wanneer de gewone vormen 
ontbreken (zie § 136), of ook wanneer op meer of meest de nadruk valt. 

§ 125 [126]. e) Van verschillende of gewijzigde stammen 
worden de volgende comparativi en superlativi gevormd (vgl. in 
het Nederl. : goed, beter, best) : 
posit. compar. superl. 

melior optimus 

frugdlior frugdlissimus 

maior (uit *mag-ior) maximus 
peior pessimus 

(plus, pluris) plurimus (§27) 



nequissimus 

minimus 

ontbreekt. 



bonus goed 

frugi (§ 138, 2) degelijk 

mag- nus groot 

ma lus slecht 

multus veel 

nequam (§ 138, 2) nietswaardig nequior 

parvus klein minor 

(senex (§ 128, 1) oud) senior 

Aanm. 1. Voor zoover het hier verschillende stammen betreft, is de 
oorzaak van dit verschijnsel daarin gelegen, dat sommige wortels door 
hunne beteekenis ongeschikt waren, om alle vormen te leveren. Zoo had 
bijv. de wortel mei-, mi- verminderen, op zich zelf reeds de beteekenis 
van een comparativus, en kon daardoor van dezen wortel wel een super- 
lativus, maar geen positivus gevormd worden. 

Aanm. 2. Plus is in den sing, een onzijdig subst. (plus argentl 
meer zilver; vgl. § 408), dat alleen in nora, gen. (§416) en ace. voorkomt. 
WOLTJER, Lat. Qramm. 6e druk. 6 



82 



BUIGINGSLEER. 



§§ 126—127. 



§ 128. 



ANOMALA. 



83 



Aanm. 3. Voor den compar. van iuvenis jong, gebruikt men minor 
natu, minor annls jonger, voor den superl. minimus natu (zoo ook bij 
senex: mdximus natu). IUnior (§ 36) is gewoonlijk subst. in het meerv. : 
iuniores (van senatoren en soldaten) de jongeren, jongere manschappen 
(van 17 tot 45 jaar). 

§ 126 [125]. Verbuiging. 

1°. De comparativi vvorden verbogen als r-stammen en hebben 
dus in den ablat. sing, -e, in den nom. plur. neutr. -a, in den gen. 
plur. -um. 



Aanm. 1. Piures meer, en complures verscheidene, hebben in den nom. 
neutr. plura en complura, maar in den gen. plurium en complurium. 

Aanm. 2. Gelijk uit § 120, A. 1 blijkt, zijn de comparativi oorspron- 
kelijk s-stammen: vandaar het neutr. longius (uit "iongios: § 16 a), en door de 
grammatici vermelde oude vormen als meliosem (vgl. Gr. fjdim uit *rjdio[o]a); 
tusschen twee Winkers - ging s echter over in r (§ 27); van de andere 
casus uit is r dan in den uitgang van den nom. doorgedrongen (§27, A. 2). 

20. De superlativi worden verbogen als adiectiva van drie 
uitgangen op -us, -a, -um (§ 108). 



AANHANGSEL I: SUBST ANTIVA EN ADIECTIVA ANOMALA. 

§ 127. Onder de substantiva en adiectiva zijn er, die ten opzichte van 
hunne verbuiging in meerdere of mindere mate van den gewonen regel afwij- 
ken en daarom „onregelmatige" (anomala [Gr. avwpaXos oneffenj) heeten. 

De „onregelmatigheden" hebben hunnen oorsprong te danken aan verschil- 
lende omstandigheden : de werking der analogie, -het samenvallen van bepaalde 
buigingsvormen, dat de vermenging van verschillende declinaties ten gevolge 
had, het verloren gaan van vormen doordien ze in onbruik geraakten en door 










Masc. en fem. 












Sing. 


N. 
G. 


1 o n gj o r 
longioris 


Plur. 


N. 
G. 


longiores 

longiorum 










D. 


longiorl 




D. 


longioribus 








Ace. 


longiorem 




Ace. 


longiores 








V. 


longior 




V. 


longiores 




>-i. 




Abl. 


longiore 




Abl. 


longioribus 










Neutrum 








Sing. 


N. 


longius 


Plur. 


N. 


longiora 








G. 


longioris 




G. 


longiorum 








D. 


longiorl 




D. 


longioribus 








Ace. 


longius 




Ace. 


longiora 










V. 


longius 




V. 


longiora 










Abl. 


longiore 




Abl. 


longioribus 














, 1 r, ««„ , 


, 


r-1 rwi a l-i qKKqii i -n r\ an n 







1 



andere werden verdrongen, het streven naar duidelijkheid en welluidendheid in 
de taal, de beteekenis der woorden enz.. 

De anomala kunnen tot verschillende groepen worden gebracht: 

A. In de eerste plaats de abundantia, woorden die op verschil- 
lende wijze verbogen vormen hebben met eene beteekenis. Zij ver- 
vallen weder in : 

1° abundantia in engeren zin, d. z. woorden, die reeds in den nomin. 

verschillende vormen hebben, bijv. : vesper en vespera avond ; 
2.0 heteroclita, d. z. woorden, die eenen nomin. hebben, maar op meer dan 

eene wijze verbogen worden, bijv.: pecus vee, genet, pecudis en pecoris; 
3° metaplasta (vervormde woorden), d. z. woorden, die van een zekeren vorm 

andere ongelijksoortige vormen afleiden, bijv.: rete net: van den genet, retis 

heeft zich een accus. retem naast rete gevormd. 

B. In de tweede plaats de defectiva, d. z. woorden die som- 
mige vormen missen. 

C. In de derde plaats de indeclinabilia (onverbuigbare woorden), 
d. z. woorden die voor alle naamvallen een vorm hebben. 

A. Abundantia. 

§ 128. l) Substantiva: 

Ant'6 de Anio (een zijstroom van den Tiber) : gen. gew. Anienis enz., van 
een verouderden nominativus *Anien, die ook bij latere schrijvers voorkomt ; 
minder goed Anionis enz. ; 

balineum (in den keizertijd meer balneum: § 15 B) bad, badhuis: plur. 
balneae, balineae, beter dan balnea ; 

[bos rund (vgl. § 57, A.), stam bov~ : genet, bovis enz ; plur. boves, 
bourn (bovum)i), bub us (bobus);] 

carbasus f. fijn linnen : plur. carbasa, carbasorum; 

cingulum gordel : cingulus aardgordel ; 

clipeus schild, rondas, plur. clipei: daarnaast een nom. clipeum, plur. clipea; 

co/us f. spinrokken : genet, colas, abl. cola, nom. plur. colus ; de overige 
naamvallen naar de o-stammen; eene soortgelijke vermenging van een o- en 
een u-stam vertoont de verbuiging van domus (zie biz. 84). 

deils god, gen. del, dat. deo, enz.: voc. dive (§ 100, A. 3); plur. 
nom.-voc. di (later ook del), gen. deum (§ 101, A. 4) en deorum, 
dat.-abl. dis (later ook dels), ace. deos. 

Aanm. 1. In onze handschriften vindt men voor di en dis zeer dikwijls 
de door de oude grammatici voorgeschreven spellingen dil en difs, 
die echter eenlettergrepig (als di en dis) moeten worden uitgesproken. 

De grondvorm van deus is *deivos (divas). Daar -v- voor 6 en tusschen 
gelijke vocalen oorspr. uitviel (vgl. § 18), moest de verbuiging eigenlijk zijn: 
deus (uit*dei(v)os, *deos: §34), divi (uit* deivi), divb, deum (uit *dei(v)om), 
dive, divo; plur. di (ouder del, samengetr. uit "dei(v)ei), deum, dis (ouder 
dels, samengetr. uit *dei(v)eis), divos. Doordat echter eenerzijds bij den 
nom. deus zich een genet, del, dat. deo enz. ontwikkelde, aan den anderen 



] ) Een tusschen haakjes geplaatste vorm is minder in gebruik of komt bij minder 
goede en latere schrijvers voor. 

6* 



' 



84 



BUIGINGSLEER. 



128. 



§ 128. 



ANOMALA. 



85 



kant bij den genet, dlvl opnieuw een nom. sing, dlvus (plur. dlvl enz.) 
opkwam, werden langzamerhand deus en dlvus als twee afzonderlijke 
woorden beschouwd en verbogen; de vocat. is echter alleen dive (eerst 
in den Christ, tijd Deus en een enkele maal Dee; vgl. § 100, A. 3); ook 
de bij den nom. deus behoorende tweelettergr. nom. plur. del en dat. 
plur. dels komen eerst in den tijd van Augustus in gebruik. 

Opgemerkt zij nog, dat deus en dlvus tot aan de Christelijke schrijvers 
beide alleen als substantivum gebruikt worden (dlvus is dan het meer 
plechtige woord): het adiectivum bij beide is dJvJnus. 

domus f. huis: 



Sing. N. domus 




Plur 


N. domus 


G. domus 






G. domorum (domuum) 


D. domul 






D. do mi bus 


Ace. domum 






Ace. d o m 6 s 


V. domus 






V. domus 


Abl. domo (domT 


te huis) 




Abl. domibus 



Aanm. 2. In het oudere Latijn vindt men nog een gen. sing, do ml, een 
dat. sing, domo; ook een abl. sing, domu en een ace. plur. domus komen voor. 

DomT te huis, is een oorspronkelijke locativus (§ 98, A. 3) ; ook domul 
staat in dezen zin in onze handschriften ; men gebruike echter alleen dornl; 

femur n. dij : genet, oorspr. feminis, later ook femoris enz.; 
fretium teugel (zelden in 't enkelv.): plur. frenl (bij dichtersook dikwijls/ra>za); 
iecur (in den keizertijd ook iocur) n. lever, genet, iecoris enz. : behalve deze 
regelmatige vormen vindt men nog den genet, iecinoris (iocineris, iocinoris) enz.; 
focus scherts : plur. ioca (doch ook, hoewel minder goed, iocl enz.) ; 

iter n. reis, weg: genet, itineris enz., van een stam itiner-; 

iugerum een morgen (juk) land (i/ 4 H.A.), iugerl, iugero enz.: in 
den plur. altijd iugera, iugerum, iugeribus; 

luppiter (beter dan Iupiter: § 28), oorspronkelijk een vocat., samen- 
gesteld uit den stam Iov- [ouder Diov-: § 23, vgl. dies dag], waarbij 
eerst later een nomin. '"lovis gevormd werd, en *-piter (uit pater), dus: 
(o) hemel-vader: in de andere vormen ontbreekt de toevoeging pater, 
dus: gen. Iovis, dat Iovi, ace. Iovem, abl. love; 

locus plaats: plur. gewoonlijk loca (vooral collectief: streken; loci 
daarentegen van afzonderlijke plaatsen in bpeken, punten van onderzoek 
[loci communes gemeenplaatsen] en gew. ook van ambten); 

mendutn gebrek, tout : ook, doch minder goed, menda f., mendae, enz. ; 
munus n. ambt, ambtsplicht, genet, muneris enz. : plur. miinera, doch ook 
dikwijls mania (ouder: moenia [§ 10, 12]); 

[nix f. sneeuw: gen. nivis enz., abl. nive, plur. nives, nivium enz. 
(de stam is nigv(i)-: vgl. §§ 25, 1 en 24, 1);] 

pecus: f. genet, pecudis enz. een afzonderlijk stuk vee; dier, in 't 
bijz. schaap; maar pecus, n., gen. pecoris het vee als soort, de kudde 
van kleinvee, in 't bijzonder schapen en geiten; 

requies f. rust: gen. requietis enz., doch dikwijls accus. requiem, abl. requie. 












rete n. net: bij den gen. retis heeft zich een ace. retem (f.) naast 
rete gevormd; bij retem hoort de abl., die rete is; plur. regelm.: retia; 

senex grijsaard (§ 113), nom. en voc. (vgl. senec-tus): de andere 
naamvallen komen van eenen stam sen- (vgl. sen-ior: § 125): gen. senis, 
dat. sent, ace. senem, abl. sene, plur. senes, senum, senibus; 

supellex f. huisraad : gen. supellectilis (ook een nom. supellectilis komt voor, 
doch niet in klassiek Latijn); de ablat. is supellectile en supellectill ; 

vas n. vaas, kan : gen. vdsis, abl. vase, plur. vasa, vasbrum vazen, vaatwerk, 
bagage, van een ouden nom. *vasum ; 

vesper m. avond, gen. vesperi: van eenen nomin. *vespera vindt men naast 
den ace. vesperum eenen ace. vesperam (dus : ad, ante, in, sub vesperum, doch 
ook: ad, ante, in, sub vesperam), bij Livius en lateren ook een abl. vesperd ; 

verder bestaat nog een locat. vesperi (met een adiectivum verbonden vespere : 
prlmd vespere) ; 

vis f. geweld, kracht, eig. een oude T-stam: de gen. en dat. worden 
vermeden; ace. vim (uit *vtm: vgl. rem uit *re-m), abl. vi; de plur. 
vires, virium, viribus krachten, komt van een stam visfij-; vgl. § 27. 

2) Adiectiva. 

a) Eenige adiectiva hebben verschillende uitgangen (de meest gebruikelijke 
vormen staan het eerst) : 



dla.ri.us, -a, -um 
auxiliaris, -e 

biiugus, -a, -um 
exanimus, -a, -um 

hilaris, -e 



en dldris, -e 

en auxilidrius, - 

en biiugis, -e 

en exanimis, -e 



vleugel- 
hulp- 

tweespannig 
ademloos, 

zielloos 
vroolijk 
zwak [leelijk 
onbetamelijk, 
ongewapend 



en hilarus, -a, -um (abl. gew. hilard) 

imbecillus, -a, -um en (imbecillis, -r) 

indecbrus, -a, -um en (indecoris, -e bij dichters) 

inermis, -e en inermus, -a, -um 

prosperus, -a, -um en (prosper,) prosperrimus, adv. prosperrime voorspoedig 

quddriiugus, -a, -um en quddriiugis, -e vierspannig 

en semianimus, -a, -um halfdood 

en semisomnis, -e half in slaap 

en (subllmus, -a, -um) verheven 

en (unanimis, -e) [maar altijd : eensgezind 

inanimus en magnanimus] 
en violens (bij dichters) gewelddadig. 

Aanm. 3. Sommige dezer woorden worden even goed in den eenen als 
in den anderen vorm gebruikt, als: exanimus en exanimis (dit laatste ook 
overdr. : buiten zich zelf) ; in het klass. Latijn zegt men echter: exanimatus; 
ook andere komen in 't geheel niet bij Cicero of Caesar voor, als sublimis. 

b) Abundantia gradibus: 



semiammis, -e 
semisomnus, -a, -um 
sublimis, -e 
unanimus, -a, -um 

violent us, -a, -um 



(exter(us)) 

(Tnferus) 

(posterns) 



exterior 
Inferior 
posterior 



(superus) superior 



extremus (en ouderwetsch extimus) de uiterste, laatste 
infimus en Tmus de onderste 

postremus de laatste, en postumus de laatste (zoon, 
na des vaders testament of dood geboren) 
(supremus) de uiterste, en summus de hoogste. 



86 



BUIGINGSLEER. 



§§ 129 — 130. 



Aanm. 4. De positivus exter (zelden extents) komt in den nom. sing. masc. 
in goed Latijn niet voor, wel in den plur. : exterae nationes, exterae civitates. 
Ook inferus wordt in den nom. sing, zelden gevonden: mare Jnferum; 
zeer dikwijls echter infer! als substant. : de dooden, de onderwereld (§ 130). 
't Zelfde geldt van den nom. sing, posterus, die in 't masc. in 't geheel 
niet voorkomt, en van superus (alleen in mare superum; § 94, Aanm.). 

De superl. supremus komt in klassiek proza bijna niet voor, behalve 
in supremus dies laatste dag, sterfdag. 

B. Defectiva. 

§ 129. i) Substantiva. 

a) Defectiva numero. 

10. Sommige woorden komen uit den aard hunner beteekenis of tengevolge 
van het spraakgebruik, alleen in 't enkelvoud voor; zij heeten daarom 
singuldria tantum. 

De eerste soort (die, welke tengevolge hunner beteekenis geen meervoud toe- 
laten) is dezelfde als in onze taal: eigennamen, abstracta, collectiva, stofnamen. 
Wanneer ze in 't meervoud voorkomen, is het met eene wijziging in de betee- 
kenis, gelijksoortig met die in 't Hollandsch. 

Tot de tweede behooren o. a. : ius iurandum, gen. iuris iurandi eed, 
supellex huisraad, enz.. 

Aanm. 1. Zoo wordt ook scientia kennis, wetenschap (van een 
bepaald persoon : wat iemand weet, zijne kundigheden) niet in den pluralis 
gebruikt. Voor eene bepaalde wetenschap gebruikt men: doctrina (bijv. 
doctrina iuris rechtswetenschap), disciplina, ars, die ook een pluralis 
hebben: doctrinae, discipllnae, optimae artes de wetenschappen (daar- 
voor in zeer algemeenen zin ook litter ae (zie § 131)). 

Aanm. 2. Eigennamen komen in 't meervoud voor, vooral geslachts- en 
familienamen, bijv.: Cn. et P. Cornelil Scipidnes, Tiberius et Gaius 
Gracchi (zie § 367), Cicerdnes, Caesares. Zoo ook: Lycurgi, Soldnes 
mannen als Lycurgus en Solon, wetgevers; Hyperidae et Lysiae redenaars 
als Hyperides en Lysias. 

Aanm. 3. Sommige woorden, die bij ons een meervoud hebben, hebben 
het in 't Latijn zelden of nooit ; zoo is het meervoud van cicer grauwe erwt, 
ongebruikelijk ; ook van faba boon, werd het enkelvoud gebruikt voor ons: 
boonen, bijv. : fabae modii MI vier maten boonen ; faba vesci zich met 
boonen voeden. Vgl. § 463. 

§ 130. 2f. Andere woorden komen slechts in 't meervoud voor; zij heeten 
daarom pluralia tantum. De voornaamste zijn: 



acta, -drum n. handelingen 
adversaria, -drum n. aanteekenboek 
altaria, -ium n. altaar 
ambages, -um f. omhaal 
angustiae f. (berg)engte 
argutiae f. spitsvondigheid 
arma, -drum n. wapenen 
artus m. ledematen 
bigae f. tweespan 



Calendae (ook K.al.) f. eerste dag der 

tnaand 
cervices, -um f. nekspieren, nek 
cibdria, -drum n. levensmiddelen 
claustra, -orum n. sluiting, grendel 
codicilli m. schrijfboek 
deliciae f. genot, lust 
divitiae f. rijkdom 
epu/ae f. maaltijd 



; 



131. 



anomala. 



87 









exsequiae f. lijkstaatsie 
exta, -orum n. ingewanden 
exuviae f. het afgestroopte, buit 
facetiae f. geestigheid, kwinkslagen 
fasces, -ium m. roedenbundel 
fasti m. kalender 

fauces, -ium f. keel, bergpas, afgrond 
feriae f. rustdagen, vacantie 
fides, -ium f. Her, snareninstrument 
grates f. dank (aan de goden) [maand 
Idus, -uum f. 13de of 15de dag der 
incunabula, -orum n. windsels, wieg 
indutiae f. wapenstilstand 
ineptiae f. dwaasheden, lafheden 
inferl m. de onderwereld 
inferiae f. doodenoffer 
inimicitiae f. vijandschap 
insidiae f. hinderlaag, lagen 
lapicidlnae f. steengroeven 
liber! m.,kinderen 
maiores, -um m. voorvaderen [venen 
manes, -ium m. geesten der afgestor- 



minae f. dreiging 
moenia, -ium n. muur 
nonae f. de 9de dag voor de Idus 
nugae f. beuzelingen 
nuptiae f. bruiloft 
penates, -ium m. penaten 
praecordia, -drum n. middelrif 
primitiae f. eerstelingen (v. d. oogst) 
quadrigae, -arum f. vierspan 
reliquiae f. overschot 
renes, -ium (ook -um) m. nieren 
sccilae f. ladder, trap 
septentriones, -um m. noorden 
super! m. hemelgoden 
tenebrae f. duisternis 
thermae f. warme baden- 
atensilia, -ium n. huisraad, levensmid- 
delen 
valvae f. deurvleugels, dubbele deur 
verbera, -um n. slagen 
vigiliae f. nachtwacht 
viscera, -um n. ingewanden. 



Aanm. 1. Van sommige dezer woorden komt het enkelvoud wel voor, 
maar of zeldzaam (actum, ambdge (abl.), angustia, cervix, fauce (abl.) enz.), 
of alleen bij niet-klassieke schrijvers (bijv.: altare [ook altar en altarium], 
argutia, ren, scala enz.), of in eene andere beteekenis (bijv. fides gen. fidis 
snaar, ook de lier als sterrebeeld), of bij dichters. 

Aanm. 2. Sommige namen van steden zijn pluralia tantum, meestal 
omdat deze steden uit verschillende deelen zijn samengegroeid, somtijds 
ook om andere redenen : Athenae Athene, Cannae, Mycenae, Plataeae, 
Syracusae, Thebae, Delphi, Gades Cadix, Abdera, Ecbatana, Hierosolyma 
Jeruzalem, Siisa. 

Zoo ook de meeste namen van feesten: Saturnalia, -ium (ook -idrum). 



§ 131. 3°. De volgende woorden 
't meervoud verschillende betee 

Sing. 
aedes, aedis f. tempel 
aqua f. water 
auxilium n. hulp 
career m. kerker 
castrum n. (beter: castellum) kasteel 
comitium n. plaats van bijeenkomst der 
copia f. voorraad, menigte 
facultds f. het vermogen om iets te doen 
finis m. einde, grens, doeleinde 
fortuna lot, geluk of ongeluk 
gratia f. gunst, dank (grdtiam referre) 
hortus m. tuin 



hebben voor 't enkelvoud en voor 
kenis: 

Plur. 
aedes, -ium woonhuis 
aquae gezondheidsbron, -bad 
auxilia hulptroepen, -middelen 
carceres slagboom van de renbaan 
castra legerplaats 
comitia volksvergadering 
copiae f. troepen 
facultdtes vermogen, geld 
fines gebied [mogen 

fortunae klass. gew. bezittingen, ver- 
gratiae dankzegging (grdtias agere) 
horti park 






BUIGINGSLEER. 



§§ 132—133. 



impedlmentum n. hindernis 

littera f. letter 

(ops), gen. opis f. macht, hulp 

opera f. moeite 

pars f. deel 

rostrum n. snavel, sneb 

tempus n. tijd 



impedimenta bagage 

litterae brief, litteratuur, wetenschappen 

opes vermogen, rijkdom, invloed 

operae f. werklieden 

partes rol, partij 

rastoz het redenaarsgestoelte op het Forum 

tempora tijdsomstandigheden. 



Aanm. 1. Natuurlijk kan men van aedes tempel, finis grens, hortus 
tuin, littera letter, pars deel enz. het meervoud ook in dezelfde betee- 
kenis gebruiken : aedes lempels, fines grenzen, hortl tuinen, litterae letters, 
partes deelen. Vgl. echter § 160. 

Aanm. 2. Stofnamen krijgen in 't meervoud soms eene gewijzigde 
beteekenis (vgl. § 463), bijv. : 

aes metaal aera stukken erts, metalen tafelen, beelden 

cera was cerae stukken was. 

§ 132. b) Defectiva casibus, woorden waarvan een of meer naam- 
vallen ontbreken; dikwijls komen zij slechts in bepaalde uitdrukkingen voor; 
het kan echter ook zuiver toeval zijn, dat een naamval ontbreekt. 

i°. Een casus hebben : 

dicis (gen.): dicis causa voor den vorm, in schijn; 
infitids : Infitids ire loochenen (bij Cic. en Caes. daarvoor infitiari) ; 
pessum: bijv. pessum ire te gronde gaan, pessum dare te gronde richten 
(niet na te volgen); 
pondo (abl.) met een gewicht van : auri qulnque pondo. 

Zoo komen ook vele van verba afgeleide u-stammen (nomina actionis: §341) 
slechts in den abl. voor, als: natu door geboorte (maior natu = ouder); 
rogatu bijv. rogdtii med op mijn verzoek; iussii bijv. iussu consults op bevel 
van den consul. 

§ 133. 2°. Twee casus hebben bijv.: 

fas n. goddelijk recht, nefas n. onrecht: slechts nom. en ace. sing.; 

instar n. evenbeeld, gestalte (eig. een versteende infin. instare = het in- (even- 
wicht-) staan van de weegschaal) : met gen. = zoo goed, zoo veel als, evenzoo 
slechts nom. en ace. sing., bijv. : immortalitdtis instar zoo goed als de onster- 
felijkheid, urbis instar habere; 

secus n. geslacht, kunne, evenzoo (gew. ace.) : bijv. virile secus (Cic. heeft 
daarvoor sexus, -lis m.); 

sponte f. door de aandrift, den wil: gewoonlijk slechts in dezen abl., klass. 
altijd met een pron. poss., bijv.: tua sponte naar uw eigen wil, vrijwillig- 
(een gen. spontis is hoogst zeldzaam). 

3°. Bij sommige woorden ontbreekt de nomin.; zoo bij: dicidnis (gen.) 
enz. f. heerschappij, macht, bijv. : dicidnis alicuius facere, in dicione habere,. 
enz.; - opis (gen.) enz. f. hulp: §131 (ook de dat. ontbreekt); - vicis (gen.),. 
vicem, vice, vices, vicibus f. beurt, afwisseling : de gen. plur. ontbreekt even als. 
de nom. sing.; - sordis (gen.) enz. zelden; gew. plur. sordes, sordium f 
sordibus f. vuil, morsigheid. 



§§ 134—137. 



ANOMALA. 



89 



2) Adiectiva. 

§ 134. a) Defectiva casibus zijn o. a.: 

made, oorspronkelijk een vocativus van een oud-Lat. adiect. mactus gevierdi- 
verheerlijkt ; het heeft echter de beteekenis van een vocativus afgelegd en is 
geworden = geluk met, wees geprezen om (c. abl.), bijv. : made virtute, milites 
Rpmdnl, este; 

necesse (ne en cedo) onvermrjdelijk, noodig; het komt voor in uitdrukkingen 
als : quod (fieri) necesse est of habeo wat noodig is, wat ik voor noodig houd ; 
Aanm. 1. Ouder is necessum est en necessus est. 

plerfque de meeste(n) : het heeft plerisque, plerosque, maar geen gen., 
in wiens plaats men den gen. van het gewoonlijk zeer velen beteekenende 
plurimi: plurimorum gebruikt. 

Aanm. 2. Bij Livius en latere schrijvers beteekent plerique ook zeer 
vele(n). Het enkelvoud (bijv. pleraque [§ 47, 2«] iuventus bij Sallust.) is 
zeer zeldzaam. 

§ 135. b) Defectiva gradibus. 

i°. Sommige adiectiva laten wegens hunne beteekenis geene compa- 
ratio toe, in 't Latijn dus evenmin als in andere talen, bijv.: ligneus houten, 
maternus van moederszijde, hodiernus hedendaagsch, terrestris aardsch, enz.. 

20. Eenen positivus missen de volgende: 
citerior meer aan deze zijde (citimus), vergelijk citrd 

deter/or minder (eig.: verder naar deterrimus minst, „ de 

[beneden) 

intimus, „ intra 

ocissimus snelst, dat op zich zelf staat 
[in het Latijn (vgl. Gr. dae&s) 
primus, vergelijk prae, pro 

proximus, „ prope 

ultimas, „ ultra. 



interior 
ocior 

prior 

propior 

ulterior 



meer naar binnen 
sneller 



eerder, eerst (van twee) 

nader 

meer aan gene zijde 



§ 136. 30. De adiectiva op -eus, -ius, -uus vormen in 
den regel den compar. en den super 1. door omschrij ving 
met ntagis en maxime, om een wanklank te vermijden; alleen 
bij die op -quus, waarbij de eerste u als w wordt uitge- 
sproken (§ 9, 3), vervalt deze grond en worden daarom de 
gradus regelmatig gevormd; dus: 

pins zijn plicht betrachtend, vroom magis plus maxime plus 

perpetuus voortdurend magis perpetuus maxime perpetuus- 

idoneus geschikt magis idoneus maxime idoneus; 

maar: 

antlquus voormalig, oud antlquior antiquissimus 

inlquus ongelijk, onbillijk inlquior iniquissimus. 

§ 137. 40. Sommige adiectiva hebben geenen comparat., wel eenen 
superl., bijv. : falsus valsch, bedriegelijk : falsissimus ; meritus verdien- 
stelijk: meritissimus ; novus nieuw: novissimus de nieuwste of laatste (als com- 
parativus kan men gebruiken recentior (van recens)); sacer heilig: sacerrimus;. 



90 



BUIGINGSLEER. 



§§ 138-139. 



andere hebben wel eenen corap., geenen superl., als: iuvenis jong: 
iunior; senex oud: senior; docllis leerzaam : docilior; dexter rechter: dexterior; 
sinister linker : sinisterior, enz.. 

C. Indeclinabilia. 

§ 138. ll Substantiva: 

a) de namen der letters en ieder woord dat slechts om zijn vorm, niet 
om zijne beteekenis genoemd wordt: 

e plenissimum, hoc a, huius a, of liever : a littera, a litterae enz. (dan echter 
vrouwelijk: c littera, quae enz.); 

dixit pro hae cervices cervix hij zeide in plaats van cervices cervix ; 

b) het adverbium mane (missch. eig. een locativus) morgen, in den morgen, 
's morgens, als subst. neutr. gebruikt: a mane ad vesperum, multb mane vroeg 
in den morgen, ad ipsum mane tot in den morgen, clarum mane de heldere morgen. 

2) Adiectiva: 

frugi braaf, degelijk, ingetogen, eigenlijk de dativus van het subst. frux, 
friigis vrucht, nut, dus : tot vrucht, tot nut : homo frugi, hominis frugi, homi- 
nes frugi, sum bonus et frugi; 

nequam (van ne [ne], de oude ontkenning (§ 17), en quam, dus: niet hoe 
dan ook) nietswaardig, slecht: hominis nequam (zie § 126); 

potis (ook pote, dat oorspronkelijk misschien als neutrum werd gevoeld, 
maar ook een door zwakkere uitspraak ontstane bijvorm kan zijn van potis 
(eig. een versteend subst. = heer, vgl. Gr. xoais, fem. noma [Horn.]), en in 
ieder geval zonder onderscheid met dit laatste gebruikt werd) machtig, bekwaam 
tot: potis sum = possum, potis sumus = possumus (voor *pot(e)sumus); qui 
[§ 309] potis (pote) est? hoe is het mogelijk? - Compar. potior verkieslijker, 
beter (neutr. potius als adv.: liever), superl. potissimus de voortreffelijkste, beste 
(potissimum het liefst). 



AANHANGSEL II: GRIEKSCHE WOORDEN IN T LATIJN. 

§ 139. Men vindt in 't Latijn drie soorten van vreemde, meestal aan 't 
Grieksch ontleende, woorden: 

1) zulke, die geheel in 't Latijn zijn overgegaan en zich dan ook als Latijnsche 
woorden gewijzigd hebben (door Umlaut, syncope, enz.: vgl. §§ 13 vlgg., §35,5), 
genaturaliseerde vreemdelingen als 'tware, bijv. : taientum een talent (zdXavzov), 
mdchina een werktuig (Dor. (i&xava), bal(i)neum badhuis (paXavsTov), platea 
straat (alatsta), cupressus een cypres (xrmaQweas), purpura purper (irogcpvga) ■ 

2) zulke, die wel in 't Latijn zijn overgegaan, maar meer door de beschaaf- 
den en geleerden, dan door 't volk gebruikt werden, zoodat er Latijnsche 
woorden van gelijke beteekenis naast bestaan, bijv.: philosophia philosophic = 
sapientia wijsbegeerte ; 

3) zulke, die nog geheel vreemdelingen gebleven zijn en alleen maar met 
latijnsche letter geschreven worden of hoogstens geringe wijzigingen in den 
uitgang hebben ondergaan, bijv.: ode gezang, q3<5j?; crambe kool, xgdfiPv- 
Deze laatste behouden dikwijls hunne niet-Latijnsche verbuiging. 

Daar met de zaak dikwijls de naam overgenomen wordt, is het niet te ver- 
wonderen, dat bijna alle vreemde woorden substantiva zijn. 



§§ 140—142. GRIEKSCHE WOORDEN IN HET LATIJN. 



91 



Transscriptie. 

§ 140. Wanneer men Grieksche woorden met Latijnsche letters schrijft, ge- 
bruikt men voor : 

«' ae alyoxiotog steenbok : aegoceros; 

ei e voor vocalen meestal, anders T (vgl. § 35, 5): AagsTog Dareus of 

Darius, Avyeiag Augias, NeTXos Nilus ; 
V e s(prj/.ie()is dagboek: ephemeris, tqi^qi]s een driedekker: trieris; 

oi oe <1>olvIxss: Phoenlces ; 

v y, maar voor sv eu : zvoavvos : tyrannus, svayyiXiov : euangelium; 

ov u Oldamvs: Oedipus; 2ampovg (genet.): Sapohus ; 

a> o ptcovoe kegel : conus ; Sancpcb : Sappho ; 

co oe xcojxcgbia blijspel: comoedia, doch ook o, bijv.: (pdsiov concert- 

zaal, -gebouw: odeum; 
yy, yy., y% ng, nc, nch : siaQaaayyrjg perzische mijl : parasanga, ayxvoa anker: ancora, 

'Ay/Jatje : Anchises; 
( z 'QecpvQos westenwind : zephyrus; 

•& th ftsQfiai warme baden : thermae; 

x c xojirixrjs komeet, staartster: cometes; 

<P ph cp6.lo.yk~ slagorde : phalanx, cpftloig tering : phthisis (dus niet f, 

die een anderen klank voorstelt, gelijk aan den onzen); 
X ch xaQaxxijQ stempel, karakter: character; 

%]> ps xvxXwip rondoog, cycloop : Cyclops. 

Verbuiging der consonant- en i-stammen. 

§ 141. Grieksche substantiva op -£>v, -mvrog hebben altijd -on, -otitis: 
Eevocptov Xenophon, Xenophontis; die op -mv, -covog en -ovog dikwijls -6, 
-orris en -finis: II X at cov Plato, Platonis; Ztjvwv Zeno, Zenonis; 'Ayafisfivcov 
Agamemno, Agamemnonis, doch ook -on : Deucalion, Arion, Phaedon. 

Aanm. Sommige eigennamen hebben den uitgang veranderd, bijv.: 
Achilles gen. Achillis voor 'Ax<-X(X)svg, -Icog (echter gen. Achillel Hor. 
carm; 1, 15, 34 van een nomin. Achilleus: vgl. § 147, 3); Aiax, Aiacis 

VOOr Al'ag , Al'avrog. 

Andere hebben een geheel anderen vorm, bijv. I Ulixes (niet Ulysses), 
gen. Ulixis enz., voc. Ulixes en Ullxe (zie § 144) - Grieksch 'OSvaaevg; 
Oraecia, gen. Graeciae — Gr. : 'EXXdg; Graecus:"EXXrjv. 

§ 142. 1) Singularis. a) De gen. sing, heeft in den regel den latijn- 
schen uitgang -is: Styx, Stygis; phalanx, phalangis; adamas, adamantis 
staal, diamant : magnes, magnetis magneet ; aegis, aegidis schild van Juppiter 
en Minerva ; rhinoceros, rhinocerotis neushoorn ; Oedipus, Oedipodis (ace. echter 
gew. Oedipum, naar de o-st.); Hector, Hectoris; paean, paednis een hymne 
ter eere van Apollo (ook Apollo zelf); poema, poematis gedicht. 

Aanm. 1. De eigennamen op -es hebben in den genet, zoowel -is als 
-T (bij Cicero), om het even of ze in 't Grieksch consonantstammen of wel 
vocaalstammen zijn: Aristoteles : gen. Aristotelis en Aristoteli; Aristldes: 
gen. Aristidis en Aristidi; Demosthenes : gen. Demosthenis en DemosthenJ; 
Isocrates : gen. Isocratis en Isocratl; Miltiades : gen. Miltiadis en Miltiadi. 

Aanm. 2. Den griekschen gen. op -bs vindt men zelden, en alleen bij 
dichters, bijv. : lampas, lampados fakkel. 



92 



BUIGINGSLEER. 



5§ 143-146. 



Aanm. 3. De vrouwenhamen op -6 (-co) hebben -us (-oik): Dido, Didus; 
Sappho, Sapphus: Calypso, Calypsus; wanneer van deze woorden andere 
naamvallen voorkomen, zijn ze gelijk aan den nomin. (bijv. : accus. en voc. 
Dido; ace. en ablat. Calypso), of worden van een anderen stam gevormd, 
bijv. : Diddnem, Didone; Calypsdnem. 

§ 143. b) De dat. sing, van grieksche woorden heeft bij dichters dikwijls 
-¥, niet het latijnsche -I. 

c) De accus. sing, van vele woorden, vooral eigennamen, is bij dichters 
somtijds op grieksche wijze verbogen met den uitgang -a; in proza vindt men 
dezen uitgang minder: Minos: Minda; Briseis: Briseida; Marathon: Mara- 
thdna; der, deris de benedenlucht, heeft, ook in proza, in den regel, dera; 
— aether, aetheris de bovenlucht, altijd a ether a. 

De grieksche woorden op -es, genet, -is fas, -ovs) krijgen in den ace. sing, 
somtijds -en far) in de plaats van -em, naar den gr. ace. der a-stammen, 
bijv.: Sbcraten, Themistoclen, gewoonlijk echter -em: Aristotelem, Demosthenem. 

De grieksche woorden op -is, ace. -iv nemen bij dichters dikwijls -in in de 
plaats van -im,zelden in proza: Amphipolis : Amphipolin ; Charybdis: Charybdin; 
zoo ook Efinys: Efinyn; Halys: Halyn. 

§ 144. d) De vocat. der woorden op -as, genet, -antis; -es, genet, -is, 
en -is, genet, -is, werpt de s van den nomin. af : Calchds: o Calchd; Pericles: 
o Pericle; Iris: o Iri; zoo ook: Cotys: o Coty. De overige hebben den voc. 
gelijk aan den now.., bijv.: Pallas: o Pallas; Xenophon: o Xenophon. 

e) De ablat. wordt naar de Latijnsche declinatie gevormd: Plato: Platone; 
Aristophanes : Aristophane; Thales: Thalete; Themistocles: Themistocle; Xeno- 
phon: Xenophonte; de vrouwelijke woorden op -6 behouden -6, dus ablat. Ind f 
Calypso (zie § 142, A. 3). 

§ 145. 2) Pluralis. a) Wat den nomin. pluralis betreft, is op te 
merken, dat de neutra die in 't Grieksch -j? hebben, in 't Latijn -e aannemen, 
bijv.: melos lied: mele (ftilrj); cetos zeemonster: cete (xr/zr/). 

Aanm. 1. In den nom. plur. der masc. m fern, wordt de uitgang -es 
door dichters, wanneer de maat het vereischt, kort genomen, in navolging 
van het Grieksche -es. 

b) Den uitgang -on (-<»») in den genet, plur. vindt men zelden, bijv.: 
Ovidi Metamorphoseon libri XV. 

Aanm. 2. De woorden op -ma, -matis hebben in den genet, plur. en 
ook in den dat. en abl. plur. liever de verbuiging der o-stammen:. 
dus van poema gedicht gen. plur. liever poematdrum dan poemdtum; 
abl plur. liever poematis dan poematibus. 

c) De ace. plur. heeft dikwijls den gr. buigingsuitgang -as, bijv.: Pleiades: 
Pleiadas; Macedones: Macedonas. 

Verbuiging der a-, o- en eu-stammen. 

§ 146. 1) De grieksche a-stammen (nom. -a, -r\, -as, -y\s) worden, 
wanneer zij in 't Latijn zijn overgenomen, gewoonlijk als de latijnsche 



§§ 147-148. GRIEKSCHE WOORDEN IN HET LATIJN. 



93 



a-stammen verbogen; 't zijn ook bij deze woorden vooral de latere dich- 
ters, die Grieksche vormen gebruiken. Den Griekschen genet, vindt men zelden 
en alleen bij de nominativi op -e, den dat. bijna nooit. 

De pluralis wordt altijd met de latijnsche uitgangen verbogen. 



Lat. 


Gr. 


Lat. Gr. 


N. Antigona 


Antigone 


(Aenea) Aeneas 


G. Antigonae 


Antigones 


Aeneae 


D. Antigonae 


(Antigone) 


• Aeneae 


Ace. Antigonam 


Antigonen 


Aeneam Aenean 


V. Antigona 


Antigone 


Aenea Aenea 


Abl. Antigona 


Antigone 


Aenea 


N. Anchlsa 


AnchTses 


Aeneades een nakomeling van 


G. AnchTsae 




Aeneas : 


D. AnchTsae 


(AnchTse) 


Pl.N. enV. Aeneadae 


Ace. AnchTsam 


AnchTsen 


G. Aeneadarum, Aeneadum 


V. AnchTsa 


AnchTse 


D.enAbl.AeneadTs [(§91,' A. 2) 


Abl. AnchTsa 




Ace. Aeneadas 



§ 147. 2) De grieksche o-stammen (nom. -o;, -or) hebben in den regel 
den nominativus in 't Latijn op -us, -um (zelden op -os en -on); die op 
-Qoq hebben -er: 'Alt^avhqos Alexander, e^&iiexqos hexameter (maar 
Codrus, Cyprus, Hebrus, Phaedrus). 

Zij worden als de latijnsche o-stammen verbogen. 

Aanm. 1. De nom. plur. heeft somtijds -oe, bijv.: canephoroe korf- 
draagsters. 

De genet, plur. heeft' zelden den uitgang -on, bijv.: Vergitt Georgicon 
libri IV. 

De accus. plur. der masc. en fern, heeft een enkele maal -us (= -ovs). 

Aanm. 2. Woorden op -us (-os) die in 't Gr. vrouwelijk zijn, behouden 
ook in 't Latijn dit geslacht, bijv.: methodus wijze, methode, periodus 
periode enz.. 

Aanm. 3. Van Androgeos ('AvSgoyems) vindt men een gen. Androged 
(echter ook Androgei), van Ceds een ace. Ceo. Panthus (Tlav&oos) heeft 
een voc. Panthii. 

3) De grieksche namen op -evs, Lat. eiis, worden verbogen als o-stam- 
men, maar de^ voc. gaat uit op -eu (vgl. § 144), dus: Atreus, Atrei, Atred, 
Atreum, Atreu, Atred. Bij dichters vindt men ook den griekschen gen. op 
-eos (Jonisch) en ace. op -ea: Orpheus: gen. Orpheos, ace. Orphea. 

§ 148. Niet-grieksche vreemde namen worden gewoonlijk niet verbogen 
(bijv.-. Iacob: gen. lacdb ; Adam: gen. Adam); zij kunnen echter ook een latijn- 
schen uitgang aannemen en worden dan natuurlijk verbogen : Iacdbus, Addmus, 
Iosephus. 

lesus heeft in den accusat. Iesum, in alle andere naamvallen Iesii ('Ir/oovs, 
'I-rj oov, 3 Irj oovv). 



94 



BUIGINGSLEER. 



HOOFDSTUK III. 



NUMERALIA. 



§§ 149—150. 



§ 149. De telwoorden ({nomina) numeralia) zijn: 

1) cardinalia hoofdtelwoorden, antwoordende op de vraag: hoeveel? 

2) ordinalia rangschikkende telwoorden, antwoordende op de vraag: 
de hoeveelste? 

3) distributlva verdeelingsgetallen, antwoordende op de vraag: hoeveel 
een ieder, hoeveel telkens? 

4) adverbidlia bijwoordelijke telwoorden, antwoordende op de vraag: 
hoeveelmaal? 

5) multlplicatlva vermenigvuldigingsgetallen, antwoordende op de vraag : 
welk veelvoud? 

6) proportionate verhoudingsgetallen, antwoordende op de vraag: 
hoeveelmaal zoo groot? 



§150. 1) en 2). Cardinalia en ordinalia zijn: 







Cardinalia 


Ordinalia 


1 


I 


Onus, -a, -um 


primus, -a, -um, (prior) 
[de eerste 


2 


II 


duo, -ae, -o 


secundus, -a, -um, (alter) 
[de tweede 


3 


III 


tres, tria 


tertius, -a, -um de derde, 


4 


iv of mi 


quattuor 


quartus [enz. 


5 


V 


qulnque 


qulntus 


6 


VI 


sex 


sextus 


7 


VII 


septem 


septimus 


8 


VIII 


octo 


octavus 


9 


IX of Villi 


novem 


nonus 


10 


X 


decern 


decimus 


11 


XI 


undecim 


undecimus 


12 


XII 


duodecim 


duodecimus 


13 


XIII 


tredecim 


tertius decimus 


14 


XIV 


quattuordecim 


quartus decimus 


15 


XV qufndecim 


qulntus decimus 


16 


XVI sedecim 


sextus decimus 


17 


XVII septendecim 


septimus decimus 


18 


XVIII 


duodevTgintT 


duodevTcesimus 


19 


XIX 


undevTgint! 


undevicesimus 


20 


XX 


vlginti 


vTcesimus 



§ 151. 



NUMERALIA. 



95 



21 


XXI 


unus et vlginti 


Onus et vlcesimus 


22 


XXII 


duo et vlginti 


alter et vlcesimus 


23 


XXIII 


tres et vlginti 


tertius et vlcesimus 


24 


XXIV 


quattuor et vlginti 


quartus et vlcesimus 


28 


XXVIII 


duodetrlginta 


duodetrlcesimus 


29 


XXIX 


undetrlginta 


OndetrTcesimus 


30 


XXX 


triginta 


tricesimus 


40 


XL of XXXX 


quadraginta 


quadragesimus 


50 


L 


quTnquaginta 


qulnquagesimus 


60 


LX 


sexaginta 


sexagesimus 


. 70 


LXX 


septuaginta 


septuagesimus 


80 


LXXX 


octogima 


octogesimus 


90 


XC 


nonaginta 


nonagesimus 


99 


XCIX of IC 


Ondecentutn 


Ondecentesimus 


100 


C 


centum 


centesimus 


101 


CI 


centum et unus 


centesimus et primus ' 


1.02 


CII 


centum et duo 


centesimus et alter 


200 


CC 


ducentT, -ae, -a 


ducentesimus 


300 


ccc 


trecenti, -ae, -a 


trecentesimus 


400 


cccc 


quadringentl, -ae, -a 


quadringentesimus 


500 


D of D 


quingentl, -ae, -a 


quingentesimus 


600 


DC 


sescenti, -ae, -a 


sescentesimus 


700 


DCC 


septingenli, -ae, -a 


septingentesimus 


800 


DCCC 


octingenti, -ae, -a 


octingentesimus 


900 


DCCCC 


nongentT, -ae, -a 


nongentesimus 


1000 


CD of M 


mille 


mTllesimus 


2000 


CI3CI3 of MM 


duo mYlia 


bis mlllesimus 


5000 


133 


qulnque mllia 


qulnquies mTllesimus 


10000 


CCI33 


decern mllia 


decies mTllesimus 


100000 


CCCI333 


centum mllia 


centies millesimus 


500000 


13333 


qulngenta mllia 


quTngenties mTllesimus 


1000000 


CCCCI3333 


decies centena mllia 


mTlies mTllesimus o/de- 
cies centies mTllesimus. 



§151. 3) en 4). Distributlva en adverb talta zijn: 





Distributlva 


Adverb ialla 


1 


singulT, -ae, -a ieder een 


semel eenmaal 


2 


bTnT, -ae, -a ieder twee 


bis tweemaal 


3 


term ieder drie 


ter drlemaal 


4 


quaterni ieder vier enz. 


quater vlermaal enz. 


5 


quim 


quinquies 


6 


seni 


sexies 


7 


septeni 


septies 



96 



BUIGINGSLEER. 



§ 151. 



§§ 152-154. 



NUMERALIA. 



97 



8 


octonT 


9 


noveni 


10 


deni 


11 


undeni 


12 


duodeni 


13 


term den! 


14 


quaterni deni 


15 


quTni deni 


16 


sen! deni 


17 


septeni deni 


18 


duodevTceni 


19 


undevicem 


20 


vlceni 


21 


sin gull et viceni 


22 


bin! et vlceni 


23 


term et vlceni 


24 


quaterni et vlceni 


28 


duodetriceni 


29 


undetricen! 


30 


triceni 


40 


quadragen! 


50 


quTnquagenT 


60 


sexagem 


70 


septuagem 


80 


octogeni 


90 


nonageni 


99 


undecenteni 


100 


centeni 


101 


centeni singuli 


200 


duceni 


300 


treceni 


400 


quadringem 


500 


quTngeni 


600 


sesceni 


700 


septingeni 


800 


octingem 


900 


nongeni 


1000 


singula mllia 


2000 


blna mllia 


5000 


quTna milia 


10000 


dena mllia 


100000 


centena mTlia 


500000 


qulngena mllia 


1000000 


decies centena mllia 



octies 

novies 

decies 

undecies 
duodecies 
ter decies 
quater decies 
qulnquies decies 
sexies decies 
septies decies 
octies decies 
novies decies 
vlcies 

semel et vTcies 
bis et vTcies 
ter et vTcies 
quater et vlcies 
duodetrlcies 
undetrlcies 
tncies 

quadragies 

qulnquagies 

sexagies 

septuagies 

octogies 

nonagies 

undecenties 

centies 

centies semel 

ducenties 

trecenties 

quadringenties 

quingenties 

sescenties 

septingenties 

octingenties 

nongenties 

mllies 
bis mllies 
qulnquies mllies 
decies mTlies • 
centies mTlies 
quTngenties mTlies 
decies centies mTlies. 



Verbuiging en verdere bijzonderheden. 

1) Cardinalia. 

§ 152. Verbogen worden alleen units, duo, tres, de honderd- 
tallen van ducentl en de duizendtallen van duo mllia af. 

d) Voor de verbuiging van unus vgl. § 110. 

b) Duo wordt aldus verbogen: 





Masc. Femin. Neutr. 


N. 


duo duae duo 


G. 


duo rum (duum) duarum (duum) duorum (duum) 


D. 


duo bus duabus duobus 


Ace. 


duos (duo) duas duo 


Abl. 


duobus duabus duobus 



Aanm. 1. Over den ouderen gen. op -um vgl. § 101, A. 4; men vindt 
hem o. a. in duumviri (deze nominativus geabstraheerd uit den gen. duum- 
virum; daarnaast duovirl) een uit twee mannen bestaand college. 

De ace. duos is ontstaan naar analogie van den ace. plur. der nomina: 
de oorspr. vorm was duo, daar in den dualis (vgl. A. 2) nom. en ace. 
gelijk waren (vgl. Grieksch avtiQwnw). 

Evenals duo wordt verbogen ambo, ambae, ambo beide, dat in 
den ace. masc. ook de beide vormen ambo en ambos heeft, maar niet 
den korteren genet.. 

Aanm. 2. Duo (uit duo) en ambo zijn eigenlijk vormen van een dualis 
(§ 53, Aanm.) ; vgl. Gr. Horn, dim en Gr. afirpw. 

§ 153. c) Tres (stam tri-) heeft de volgende verbuiging: 



Masc. en Fern. 


Neutr. 


N. tres 


tria 


G. trium 


trium 


D. tribus 


tribus 


Ace. tres (trTs) 


tria 


Abl. tribus 


tribus 






§ 154. d) De honderdtallen worden verbogen als adiectiva 
van drie uitgangen: ducentl, ducentorum, ducentls, ducentos enz.. 

e) MTlIe is in 't enkelvoud onverbuigbaar; gewoonlijk is het een 
telwoord, bijv.: mllle passuum spalium een afstand van 1000 passen, 
mllle navibus (door) duizend schepen; - in den nom. en ace. wordt 
het echter ook wel als substantivum met den genet, gebruikt: 

woltjer, Lat. Gramm. 6e druk. 7 



98 



BUIGINGSLEER. 



§§ 155-157. 



§§ 158-160. 



NUMERALIA. 



99 



hominum mllle, eqaitam mllle duizend menschen, duizend ruiters (eigenl.: 
een duizendtal (van) menschen, ruiters). 

In 't meervoud heeft hel mllia, milium, milibus, milia, mllibus; 

het is dan altijd substantivum (= duizendtal) en heeft daarom 
steeds den genet, na zich: duo mllia mllitum twee duizend soldaten 
(eigenl: twee duizendtallen (van) soldaten), duobus mllibus mllitum 
aan 2000 soldaten. 

Aanm. Volgen op de duizendtallen nog kleinere getallen, dan plaatst 
men het substantivum of achteraan in denzelfden naamval als het geheele 
getal, of onmiddellijk bij mllia in den genet., bijv. : misit quinque milia 
quadringentos quinquaginta milites, of misit militum quinque milia qua- 
dringentos quinquaginta, of misit quinque milia militum quadringentos 
quinquaginta hij zond 5450 soldaten. 

§ 155. 1. Verbinding van eenheden en tientallen (van 20 
af). In plaats van unus et vlgintl, duo et vlgintl zegt men ook, 
zonder et: vlgintl unus, vlgintl duo enz.; unus, duo en tres 
worden in deze getallen verbogen: trium et trlginta, vlgintl duobus; 
unus et vlgintl homines of homines vlgintl unus 21 menschen; unlus et 
vlgintl litterarum van (de) 21 letters; annbs unumet vlgintl 2\ jaren (ace). 

2. Wat de verbinding van honderdtallen en. kleinere ge- 
tallen aangaat, lette men op de volgende voorbeelden: centum et 
quattuor of centum, quattuor; ducentl et quinquaginta homines of ducentl 
quinquaginta homines, maar bij meer dan twee getallen a 1 1 ij d : ducentl 
quinquaginta quinque homines (zonder et). 

3. De millioenen worden aangeduid door het aantal malen dat zij 
honderdduizend bevatten: 10,000,000 = 100 X 100.000 = centies 
centena mllia of centies centum mllia. 

Aanm. Centena mllia wordt dikwijls weggelaten in sommen van 1 mil- 
lioen sestertien en daarboven; de gen. plur. sestertium (= sestertiorum : 
§ 101, A. 4) wordt dan als een nieuw subst. (neutr. sing.) behan- 
deld, bijv. : in de plaats van decies centenls mllibus sestertium emere domum 
voor een millioen sestertien een huis koopen, zegt men: decies sestertils 
emere domum. 

§ 156. De met 8 en 9 samengestelde getallen worden 
in den regel uitgedrukt door af trekking van het volgende tientah 
38 duodequadraginta, 49 undequlnquaginta ; zelden door odd en 
novem bij de tientallen te voegen. 

§ 157. Wat de getalmerken betreft, merke men op dat D (D) == 
500 met 10 vermenigvuldigd wordt, wanneer er aan de rechterhand 
eene D wordt bijgevoegd, dus TO> = 5000; voegt men er nog eene O 
bij, dan is het getal weer met 10 vermenigvuldigd, dus TOD = 50,000. 
Verder wordt CO (of M, ook ~ of oo-) = 1000 met 10 vermenigvul- 
digd, zoo dikwijls er C aan de linker- en D aan de rechterhand worden 
bijgevoegd, dus: CCCIDDD CCCTOD CCCTOD = 300,000. 






Aanm. Gemakkelijker kan men de duizendtallen aangeven door eene 
streep erboven te plaatsen : XXXVI = XXXVI mllia, XXlTl = XXIII 
mllia. Op eene soortgelijke manier worden de honderdduizendtallen aan- 
geduid, bijv.: |XXVlf = 2,600,000; |XXXXVIII] LXXV = 4,875,000. 



2) Ordinalia. 

§ 158. De ordinalia worden alle verbogen als adiectiva van 
drie uitgangen; in tertius decimus enz. worden beide vormen verbo- 
gen: tertio decimb aan den 13den, centesimum et primum den lOlsten. 

Aanm. De uitgang -esimus luidde oorspr. -ensimus (§ 33), dat men nog 
dikwijls vindt. 

§ 159. 1. In het verbinden der eenheden met de tiental- 
len kan men verschillende wijzen volgen: men zegt namelijk: unus et 
vlcesimus, alter et trlcesimus enz. of vlcesimus unus, trlcesimus alter of 
ook unus vlcesimus, alter trlcesimus enz.; deze laatste wijze is echter 
minder gebruikelijk. 

2. Bij de honderdtallen worden de kleinere getallen gewoonlijk 
achteraan gevoegd: centesimus vlcesimus tertius. 

3. Bij de tientallen en honderdtallen plus 1 en 2 (dus 21, 22, 
31, 32 enz.) gebruikt men gewoonlijk unus en alter in plaats van 
primus en secundus: una et vlcesima pagina, de 21ste bladzijde; altero 
et septudgesimb ; trecentesima altera. 

Aanm. 1. De Romeinen gebruikten dikwijls ordinalia, waar wij car- 
dinalia hebben, bijv.: in 't jaar 188Q: anno mlllesimo octingentesimo 
undenonagesimo ; twaalf dagen na den strijd: duodecimo die post pugnam; 
onze koning regeert reeds 33 jaar: rex noster annum iam tricesimum quar- 
tum regnat; om 4 uur: hora quarta; alle 4 jaar: quinto quoque anno; 
om de 8 (eigenlijk 7) dagen : octavo quoque die. 

Aanm. 2. Prior en alter worden gebruikt, wanneer er slechts van twee 
sprake is. 

3) D i s t r i b u t i v a. 

§ 160. De distributlva worden eveneens verbogen als adiec- 
tiva van drie uitgangen (vgl. echter A. 1). 

Zij komen in goed proza evenwel alleen in den plural is voor, 
daar zij alleen met woorden in den pluralis verbonden worden: servos 
habent qulnbs denos zij hebben i e d e r 15 slaven ; bis blna tweemaal twee ; 
quater centena sunt quadringenta viermaal honderd is vierhonderd. 

Bij de pluralia tantum (zie § 130) gebruikt men ze in plaats 
van de cardinalia (niet distributief, maar collectief dus): qulnae 
litterae vijf brieven. In dit geval zegt men unl in plaats van singuli, 
trlnl in plaats van ternl: unae litterae een brief, trlnae litterae drie 
brieven, trlna castra drie legerplaatsen. 

7* 



11 



100 



BUIGINGSLEER. 



§§ 161-162. 



Natuurlijk is daarnaast het distributieve gebruik mogelijk: blna castra 
ieder twee legerplaatsen, terna castra ieder drie legerplaatsen, enz.. 
We hebben dus te onderscheiden : 
una littera een letter; 
unae litterae een brief; 
_ singulae litterae telkens (ieder) een brief, of telkens (ieder) een letter; 
daae litterae twee letters; 

blnae litterae twee brieven, telkens (ieder) twee brieven, telkens twee 
tres litterae drie letters; [letters; 

trinae litterae drie brieven; 

ternae litterae telkens drie brieven, telkens drie letters; 
quattuor litterae vier letters; 

quaternae litterae vier brieven, telkens vier brieven, telkens vier 

[letters; enz.. 

Aanm. 1. De eigenlijke uitgang der distributiva is -ni: octo-ni; -en! in 
sept-enl, vic-eni, enz. ontstond onder invloed van sent (uit *sexnoi: §24,3). 

De verbuiging geschiedt regelmatig; maar de gen. plur. heeft ge- 
woonlijk het oudere -um (vgl. § 101, A. 4) : annorum senum septenumque 
denum, behalve bij singuli: singulorum. 

Aanm. 2. *MlUenI, -ae, -a was in het klassieke Latijn niet in gebruik; 
daarvoor singula milia, ook wel alleen nulla, wanneer door de toevoeging 
in singulos, door de verbinding met een ander distributivum of op andere 
wijze, de bedoeling duidelijk is uitgedrukt. 

Aanm. 3. De honderdtallen gaan altijd voor de tientallen en de eenheden. 

4) Adverbialia. 

§ 161. De adverbialia zijn bijwoorden (adverbia numeralia), 
en worden dus natuurlijk niet verbogen. 

De uitgang -ies luidde oorspronkelijk -iens (§ 33), dat nog dikwijls 
voorkomt; zoo ook quoties en quotiens hoeveel maal (vandaar: het 
quotient), toties en toliens zooveel maal. 

Aanm. 1. Sent-el komt van een stam sent- een, dien men ook in sin- 
guli, sim-plex, sim-plus en in het Gr. bis (uit *<rs/t-g) aantreft. — Bis is 
ontstaan uit *dvis (§ 23 A) : vgl. Gr. dig uit *Sfig. — Ter staat voor *terr, 
ouder Hers (§§ 25, 8 en 23 B, b), dat op een grondvorm *tr(i)s berust 
(vgl. § 15, A. 6): vgl. Gr. tgk. 

Aanm. 2. De vormen duodevicies en undevicies komen niet voor, wel 
octies decies en no vies decies. 

§ 162. Men kan zeggen: ter et vicies of views ter enz., maar niet 
ter vicies, dat driemaal 20maal = 60maal zou zijn. 
De honderdtallen gaan voorop. 

Aanm. 1. Tot de adverbialia kan men ook rekenen eetlige van 
ordinalia gevormde bijwoorden, die in deze en de twee volgende 
aanmerkingen verm eld zijn. 






§§ 163- 163a. 



NUMERALIA. 



101 



a) Voor de eerste maal, voor de tweede maal, enz. is: pnmuni, iteruni, 
tertium, quartum, enz.: sextum consul voor de zesde maal consul. 

Aanm. 2. b) In de eerste plaats, in de tweede plaats enz. is: primo 
(vgl. § 466), secundo, tertio, quarto enz.. 

Aanm. 3. c) Pfimum ten eerste (vgl. § 466), deinde (niet secundum) 
ten tweede, turn [tertium) vervolgens, ten derde, enz.; postremo of denique 
ten laatste. 

Aanm. 4. Alterum tantum (subst.) tweemaal zooveel, altero tanto maior 
nog eens zoo groot ; septies tantum zevenmaal zooveel ; ter tanto peior 
driemaal slechter ; quinquies tanto amplius vijfmaal grooter of meer. 

5) en 6) Multiplicati va en proportionalia. 

§ 163. 1. De multiplicdtiva, die het aantal gelijksoortige be- 
standdeelen van een geheel aangeven, gaan uit op -plex, gen. -plicis. 
De volgende komen voor: 

simplex slechts uit een bestanddeel bestaande, enkelvoudig, duplex 
tweevoudig (eig. dubbel gevouwen), triplex drievoudig, quadruplex, 
quincuplex, septemplex, decemplex, centuplex, multiplex. Vgl. § 118. 

2. De proportionalia, die aangeven, hoeveelmaal meer eene zaak 
moet worden genomen dan eene andere (als eenheid gedachte), gaan 
uit op -plus, -pla, -plum. Slechts weinige komen voor, in hoofdzaak : 

simplus, -a, -um enkelvoudig, duplus tweevoudig, tweemaal zooveel 
of zoo groot, triplus, quadruplus, octuplus. 

Ze worden meestal als substantiva gebruikt in 't neutrum sing.: 
duplum het dubbele. 

7) Van of met telwoorden gevormde adiectiva 
en substantiva. 

§ 163a. Verder heeft men nog adiectiva en substantiva, die 
van telwoorden afgeleid zijn (A) of daarmede samenge- 
steld (B): 

A. 10. Prlm-dnus, secund-dnus, terti-dnus, quart-anus enz. geven te 
kennen, tot welke afdeeling, legioen, klasse enz. iemand 
behoort. Ook zegt men: febris tertidna de anderdaagsche, febris 
quartdna de derdendaagsche koorts. 

20. Prim-drius, secund-drius enz. geven eenen rang te kennen: 
femina primaria eene vrouw van den eersten stand, locus primdrius 
de eerste plaats; ook: miliarium (marmor) of mllidrius (lapis) mijlpaal 
(om de 1000 schreden). 

Van distributiva afgeleid zijn: centenarius van honderd pond; 
denarius een munt van 10 as, senarius een vers van 6 voeten, sexdge- 
ndrius, een zestiger, man van zestig jaar, centenarius een honderdjarige. 



102 



BUIGINGSLEER. 



§§ 164-165. 



§§ 166-167. 



PRONOMINA. 



103 



B. Sam ens telling en van een telwoord en een substantivum zijn 
o. m. de volgende adiectiva en substantia, die eene bepaalde tijd- 
r u i m t e uitdrukken : 

1°. het getal der jaren geven aan: 

blmus (uit *bi-himos (§ 19), van hiems: eig. van twee winters) 
tweejarig, trimus driejarig, quadrimus vierjarig; bijv. filia trima 
een dochtertje van drie jaar; 

daarnaast (van annus): biennis tweejarig, triennis driejarig, enz.; 
en de substantiva biennium, genet, ,-ii, n., een tijdperk van twee 
jaar, triennium, enz.; 

20. het getal der m a a n d e n geven aan : 

bimestris (van mensis) van twee maanden, trimestris van drie 
maanden, semestris halfjarig, enz.; 

3°. het getal der da gen geven aan: 

blduum fvan dies), genet. -I, n., een tijd van twee dagen, 
triduum, quadriduum; enz.. 

8) Breuken. 

§ 164. De breuken werden over het algemeen uitgedrukt op 
dezelfde wijze als bij ons : 3 / 5 tres quintae (namelijk partes) ; 5 /s qulnque 
octdvae enz.. 

In het volgende wijkt het Latijn echter af: 

1°. is de teller 1, dan wordt hij niet uitgedrukt: l/ s tertia pars, 
i/ 7 septima pars, i/ s dlmidia pars; 

20. is de teller een minder dan de noemer, dan wordt deze laatste 
niet uitgedrukt, bijv.: 2 /g duae partes, 4 /g qaattaor partes ; septem. 
partes beteekent dus 7 / 8 . 



Aanm. Somtijds vindt men nog andere vormen, als : tertia septima = 
VsX^^Vai P ars dlmidia et sexta = i/ 2 + 1 j 6 = 4 /6 = 2 kl tertia et 
7 +3 __ 10 
21 — 21' 



septima 



Vr 






HOOFDSTUK IV. 

HET PRONOMEN. 

§ 165. 1. De voornaamwoorden (pronomina) zijn: 
1) pronomina personalia persoonlijke voornaamwoorden 



2) pronomen reflexivum wederkeerig 

3) pronomina possessiva bezittelijke 

4) „ demonstrativa aanwijzende 



voornaamwoord 
voornaamwoorden 



- 



5) pronomina determindtlva bepal(ing-aankondig)ende voornw. 

6) „ relativa betrekkelijke voornaamwoorden 

7) „ interrogdtlva vragende » 

8) „ indefinita onbepaalde „ 

2. De pronomina personalia (en het pronomen reflexivum) zijn ge- 
slachtloos in het Latijn, de overige hebben voor verschillende geslachten 
verschillende vormen. 

Vooral de verbuiging der eerste wijkt van die der nomina in meer 
dan een opzicht af. 

Aanm. De pronomina determinativa worden 00k wel onder de demon- 
strativa gerekend. Ze zijn er in geen geval scherp van onderscheiden. 

1) Pronomina personalia. 

§ 166. Ego ik, tu gij (jij), nos wij, vos gij(lieden). 

1. Deze vormen gelden voor alle geslachten. 

2. Een afzonderlijk pronomen voor den der den persoon bestaat uv 
het Latijn alleen als reflexivum (§ 168). Voor de casus obliqui 
(§ 54, einde) van het niet-reflexieve pronomen van den derden persoon 
gebruikt men, wanneer het noodig is, het pronomen determina- 
ti vum: zie § 171. 

3. De pronomina personalia worden in den nomin. alleen dan 
gebruikt, wanneer zij den nadruk hebben, vooral bij tegenstellingen, 
dus: scribo ik schrijf; maar: ego scribo, tu legis ik schrijf, gij leest. 
Voor het pron. van den derden persoon bezigt men in dit geval, al 
naar het verband, den nomin. van het determinativum of van de 
demonstrativa (§ 170). 

§ 167. Verbuiging: 





Singularis 


N. 


ego ik 


tu gij (jij) 


G. 


mei mijner 


t u 1 uwer 


D. 


mi hi (aan, voor) mij 


tibl (aan, voor) u 


Ace. 


m e mij 


te u 


Abl. 


me (door: § 374) mij 


te (door) u 




Pluralis 


N. 


nos wij 


vos gij(lieden) 


G. 


nostrl onzer 


v e s t r 1 uwer 


D. 


nobis (aan, voor) ons 


vobls (aan, voor) u 


Ace. 


nos ons 


vos u 


Abl. 


nobis (door : § 374) ons 


vobls (door) u 



104 



BUIGINGSLEER. 



168. 



§§ 169-170. 



PRONOM1NA. 



105 



Aanm. 1. NostrJ en vestri zijn eigenlijk gen. sing, van de possessiva 
nosier en vester (§ 169): van het onze, van het uwe; zoo ook ma, tul, sui 
(§ 168) van meus, tuus, suits. 

Behalve nostfi en vestri hebben de pronomina personalia de genetivi 
nostrum en vestrum [eigenl. oudere gen. plur. (§ 101, A. 4) van noster en 
vester (§ 169, A. 4), dus eigenlijk: van de onzen, van de uwen], die men 
als deelings-genetivi gebruikt (vgl. § 406): van of onder ons, van of 
onder u : desiderium nostrl verlangen naar ons, maar : ab utroque nostrum 
door ieder van ons (beiden). Vgl. § 473. 

Aanm. 2. Voor mini gebruiken dichters ook den samengetrokken vorrn 
mi (vgl. § 19). 

Aanm. 3. De pronomina personalia kunnen versterkt worden: a. door 
verdubbeling: meme, iete (beide zelden), dikwijls sese (§ 168, A. 1); 
b. door toevoeging van de partikels -met en -te (§47): egomet ik zelf, 
meimet van mij zelf, mihimet, inemet, ndsmet, nobismet; tuimet, tibimet, 
temet, vosmet, vobismet; tute en internet. 

Aanm. 4. De oudste vormen van den ace. en abl. sing, zijn *med, *ted. 

Aanm. 5. Het verschil in stam tusschen eg-o en me-i enz. is hetzelfde 
als bij ons tusschen ik en mij-n-er enz. en in het Gr. tusschen iyw en f.iov enz.. 

Aanm. 6. Vos wordt alleen gebruikt, wanneer er werkelijk van meer 
dan een persoon sprake is: het beleefdheidsmeervoud van het Fransch 
(vous) kent het klassieke Latijn niet. Hetzelfde geldt van het possessivum 
vester. 

2) Pronomen reflexTvum. 

§ 168. Een afzonderlijken vorm voor het pronomen reflexi- 
vum heeft het Latijn, evenals onze taal, alleen in den derden persoon. 
Hij geldt in alle naamvallen zoowel voor het enkelv. als 
voor het meer v., en voor alle geslachten. 

Voor den eersten en tweeden persoon bezigt men de gewone vormen van 
het pron. personale: laudd me ik pnjs mij (zelf). 

Verbuiging: 





Sing, en Plur. 


G. 


sui van (tot) zich (zelf) 


D. 


sibT (aan, voor) zich (zelf) 


Ace. 


se zich (zelf) 


Abl. 


se (door) zjch (zelf) 



De nom. ontbreekt natuurlijk. - Het gebruik van den genet, blijkt uit 
de volgende voorbeelden: amor sui liefde tot (letter!. : van) zichzelven; 
similem sui zijns gelijken. Vgl. § 476. 

Aanm. 1, Een versterkte vorm is sese zich zelf (§ 167, A. 3). 
Aanm. 2. Een pronomen reciprocum (elkander) ontbreekt in het 
Latijn. Men kan het o. m. weergeven door inter nos, inter vos, inter se: 
amdmus inter nos wij beminnen elkander; inter se aspiciebant zij zagen 
el-kaar aan. Vgl. § 478, A. 2. 





3. De pronomina possessiva zijn : 
voor den 






Isten p ers> sing.: 
2 den „ sing. : 


meus (m.) m e a (f.) 
tuus tua 


meum (n 
tuum 




( sing. 
3 den „ I en 

{ plur. : 
l sten » plur.: 


suus sua 
noster nostra 


suum 
nostrum 




2 d ™ „ plur. : 


vester vestra 


vestrum 



3) Pronomina possessiva. 

§ 169. 1. De pronomina (eig.: adiectiva) possessiva zijn 
afgeleid van de personalia (en het reflexivum). 

2. Zij worden gewoonlijk alleen dan gebruikt, wanneer dit om de 
duidelijkheid of om den nadruk noodig is: amd patrem ik bemin 
mijnen vader. 



uw (van u), uwe 

( zijn, zijne, haar, 

! hare; hun, hunne, 

[ haar, hare (plur.) 

ons (van ons), onze 

uw (van u), uwe. 

4. Suus is uitsluitend reflexief (vgl. § 476). Heeft men het niet- 
wederkeerige zijn, haar, hun enz. weer te geven, dan moet men 
omschrijven door den genet, van het pron. determinativum (§ 171): 

eius van hem, van haar; eorum, earum van hen, van haar: 

pecunia sua agrum emit hij koopt met zijn (eigen) geld een akker; 
maar: pecunia eius agrum emit hij koopt met het geld van hem (d. i. 

[van een ander) een akker. 

5. Verbuiging: 

De pronomina possessiva worden verbogen als adiectiva van drie 
uitgangen (§ 108). 

Aanm. 1. De vocat. van meus is ml, bijv. : mi fill mijn zoon ! 

Aanm. 2. Sua wordt somtijds versterkt door -met: suamet; de abl. sing. 
meo, med, tud, tud, sud, sua door -pte: medpte, tudpte, suopte door rhijn 
eigen, door uw eigen enz., bijv.: suapte manu met eigen hand. 

Aanm. 3. Voor vester vindt men ook voster (§ 10, A. 1). 

Aanm. 4. De oude gen. plur. op -um {nostrum, vestrum: vgl. duum 
(§ 152), sestertium (§ 101, A. 4)) wordt in den klassieken tijd alleen als 
gen. van het pron. pers. gebruikt (§ 167, A. 1). Omgekeerd bezigt het 
klassieke Latijn nostrdrum en vestrdrum uitsluitend als possessiva. 

Aanm. 5. Over cuius, -a, -um, het possessivum bij quis?, en qui, 
vgl. § 175, A. 2. 

4) Pronomina demonstratTva. 

§ 170. a) Hie (m.) haec (f.) hoc (n.) deze, dit (hier bij mij) 
iste ista istud die, dat (daar bij u) 

ill e ilia illud die (gene), dat (bij hem). 



106 



BUIGINGSLEER. 



§ 170. 



Verbuiging: 

De genet, en dat. sing, dezer pronomina (evenals die van 
is (§ 171), idem, ipse (§ 172), qui' (§ 173) en quis (§ 175)) zijn 
voor de drie geslachten gelijk (vgl. § 110). 

file en iste worden gelijk verbogen. Afgezien van de vormen ilk (iste) en 
illud (istud) komt deze verbuiging geheel overeen met die van solus (§ 1 10)- 









S i n g u 1 a r i s 








Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Masc. 


Femin. 


Neutr. 


N. 


hie 


haec 


hoc 


i lie 


ilia 


illud 


G. 


h u i u s 


huius 


huius 


illius 


illius 


illius 


D. 


huic 


huic 


huic 


i 1 IT 


i 11 T 


i 1 IT 


Ace. 


hunc 


hanc 


hoc 


ilium 


illam 


illud 


Abl. 


hoc 


hac 


hoc 


i 11 o 


ilia 


ills 








Pluralis 


- 




N. 


hi 


hae 


haec 


ill! 


ilia e 


ilia 


G. 


horum 


harum 


horum 


i 1 1 o r u m 


illarum 


illorum 


D. 


his 


his 


his 


illls 


illls 


illls 


Ace. 


hos 


has 


haec 


i 1 1 Q s 


i 1 las 


ilia 


Abl. 


his 


his 


his 


illls 


illls 


illls 



Aanm. 1. Den stam dezer pronomina vindt men op de gewone wijze: 
ho-, isto-, illo- (zie § 56, A. 1). 

Bij hie is aan den stam het aanwijzende achtervoegsel -ce, afgekort -c, 
gehecht, op de manier als het Franschc -ci in ceci, celui-ci en de i demon- 
strativum in het Grieksch: *hi-ce, hae-ce, *ho-d-ce (met den pronominalen 
uitgang -d, die voor de c eerst geassimileerd werd en daarna verdween 
(§23, B): *hod-ce\, *hot-ce], hoee, hoe; voor vocalen bleef men hocc 
spreken; naar analogie daarvan ook hicc). In huius, Hi enz. is deze partikel 
afgevallen. 

Vollere vormen als hice, haece, enz. vindt men nog meer dan eens, maar 
somtijds in de minder goede spelling: hicce, haecce, enz.. Ook vormen als 
huiusce, hisce, hosce en een nom. plur. fern, haec komen voor. 

Aanm. 2. De stam van Me was oorspronkelijk olio-; vandaar nog in 
oude wetten en ook later bij enkele dichters, vormen als: olle, oltl, olios 
enz., en het adverb, olitn eens. 

Aanm. 3. In het oudere Latijn wordt het demonstratieve -ce of -c ook 
achter Me en iste gevoegd: *illie, *illaec, *illuc (ook *illoc) = Me, ilia, 
illud; - *istic, *istaec, *istuc (*istoc) — iste, ista, istud; - *illunc, *illanc 
= Mum, Mam; - *istunc, *istanc — islam, istam; - *illoe, *illac = 
illo, Ma; — *istoc, *ista,c = isto, ista, enz.. 

Achter deze vormen komt somtijds nog het vraagwoord -tie (§ 320)! 
*illancine? *istoscine? Zoo ook: *hicine? 

Aanm. 4. Ook met ecce zie, worden Me en iste in 't oudere Latijn tot 
een woord verbonden, ilk ook met en zie, bijv. : *eccillam, *eccistam; 
*ellum = en ilium. 



171-172. 



PRONOMINA. 



107 



b) Tot de pronomina demonstrativa kunnen ook gerekend 
worden de adiectiva: 

tantus, -a, -urn. zoo groot 
talis, -e zoodanig, zulk een 

tot zooveel 

totidem evenveel. 

De laatste twee worden niet verbogen : tot hominibus aan zoovele 
menschen (maar: zooveel troepen = tantae copiae, niet tot copiae); 
totidem annos vixerunt zij hebben evenveel jaren geleefd. 

Aanm. 5. Totus de zooveelste (wel te onderscheiden van lotus geheel), 
komt in klass. proza niet voor. 



5) Pronomina determinati va. 

a) § 171. Is (m.) ea (f.) id (n.). 

Is wordt voornamelijk gebruikt: 

1° als zuiver determinativum: hi/, zij, het; diegene, datgene, 

waarop dan een betrekkelijk voornaamw. volgt: hi], die: is, qui 

(vgl. 't Fransche celui, qui); 

2° als demonstrativum: deze, dit, wanneer men wijzen wil op 

iemand of iets, waarvan daar juist gesproken is; 
30 in de casus obliqui als pron. pers. van den 3d en persoon, 

dus: eius zijner (van hem), harer; el aan hem, aan haar; eum 

hem; earn haar enz.. Zie § 166. 

Verbuiging: 





Sin 


gularis 






Masc. 


Femin. 


Neutr. 


N. 


is 


ea 


id 


G. 


eius 


eius 


eius 


D. 


eT 


el 


el 


Ace. 


eum 


earn 


id 


Abl. 


eo 


ea 


eo 



Pluralis 

Masc. Femin. Neutr. 

el, ii (I) eae ea 

eorum earum edrum 

els, iis (is) els, iis (Is) els, ils (Is) 

eos eas ea 

els, iis (Is) els, iis (Is) els, iis (Is) 



Aanm. De dat. sing, wordt bij dichters dikwijls eenlettergrepig gemeten. 
De nom. plur. en de dat. en abl. plur. worden meestal ii en iis ge- 
schreven, maar eenlettergrepig uitgesproken. 

Een verouderde vorm voor den dat. en abl. plur. is *lbus. 

b) § 172. Samengesteld met is zijn de pronomina: • 

I-d e m (uit *is-dem ■ § 24, 3) (m.) ea-dera (f.) i d-e m (n.) dezelfde, het- 
ipse (uit *is-pse) (m.) ipsa (f.) ipsum(n.) zelf. [zelfde; 



108 
Verbuiging: 



BUIGINGSLEER.. 



§ 173. 







Singularis 






Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Masc. 


Femin. 


Neutr. 


N. Idem 


eadem 


Idem 


ipse 


ipsa 


ipsum 


G. eiusdem 


eiusdem 


eiusdem 


ipsius 


ipsius 


ipsTus 


D. eTdem 


eTdem 


eldem 


ipsi 


ipsi 


ipsT 


Ace. eundem 


eandem 


idem 


ipsum 


ipsam 


ipsum 


Abl. eodem 


eadem 


eodem 


ipso 


ipsa 


ipso 






Pluralis 






Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Masc. 


Femin. 


Neutr. 


N. idem 


eaedem 


eadem 


ipsi 


ipsae 


ipsa 


G. eorundem 


earundem 


eorun- 

[dem 


ipsorum 


ipsarum 


ipsorum 


D. Tsdem 


Tsdem 


Tsdem 


ipsis 


ipsis 


ipsis 


Ace. eosdem 


easdem 


eadem 


ipsos 


ipsas 


ipsa 


Abl. i'sdem 


Tsdem 


Tsdem 


ipsis 


ipsTs 


ipsTs 



In den nom. plur. en den dat. en abl. plur. vindt men ook de niet 
samengetrokken vormen eldem of ildem en elsdem of lisdem. De 
samengetrokkene zijn hier echter ook in het schrift de normale. 

Over eandem enz. vgl. § 25, 7. 



6) Pronomiha relativa. 



173. I. a) Qui (m.) quae (f.; 



Verbuiging: 



quod (n.) die (welke), dat (wat) 
[('t welk). 





Singularis 






Pluralis 






Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Masc. 


Femin. 


Neutr. 


N. 


qui 


quae 


quod 


qui 


quae 


quae 


G. 


cuius 


cuius 


cuius 


quorum 


quarum 


quorum 


D. 


cui 


cui 


cui 


quibus 


quibus 


quibus 


Ace. 


quern 


quam 


quod 


quos 


quas 


quae 


Abl. 


quo 


qua 


quo 


quibus 


quibus 


quibus 



Aanm. 1. In de verbuiging van qui en quis (§ 175) zijn een o-stam 
(quo-) en een i-stam (qui-: vgl. A. 2) dooreen gemengd. (Bij is (§ 171) 
komen alleen is en id van een i-stam.) 

Een oudere vorm van cuius is quoius, van cui quoi. 






§ 174. 



PRONOMINA. 



109 



Aanm. 2. Behalve quo en qua vindt men als abl. sing, voor alle 
geslachten dikwijls nog een vorm quT (van den stam qui-, dien men 
ook in quern (voor *quim\, in quibus, en in de nominativi van het interroga- 
tivum qui-s en qui-d (§175) heeft), welke ook als interrogativum (.§175) 
gebruikt wordt: zoo "vooral quicum met wie(n), bijv. : iussit bona proscribi 
eius, qulcum familiaritas fuerat hij beval, dat men de goederen verbeurd 
zou verklaren van hem, met wien hij vertrouwelijk had omgegaan ; quicum 
locutus est? met wien heeft hij gesproken? Weldra versteende dit qui tot 
een adverbium en werd toen ook als abl. plur. gebruikt: quicum = 
quibuscum, terwijl het ook = quo modo zijn kan. 

Ook vindt men nog een ouderen dat. en abl. plur. quis (uit "quois, 
van den stam quo-) voor het gewone quibus. 

b) Tot de pronomina relativa kunnen ook gerekend worden 
de adiectiva: 

quantus, -a, -urn hoe groot 

qualis, -e hoedanig 

quotas de hoeveelste 

quot (onverbuigbaar) hoeveel. 

Wij vertalen deze woorden gewoonlijk door als (vgl. § 179), bijv.: 

tantus . . . quantus zoo groot ... als 
tot . . . quot zooveel ... als. 

§ 174. II. a) Relativa indefinTta (algemeene of onbe- 
paalde relativa) zijn: 



1. quisquis (m.) 

2. qulcunque (m.) 



quisquis (f.) quidquid (n.) 

[wie (wat) ook maar, alwie (alwat); 

quaecunque (f.) quodcunque (n.) 
[welk(e) ook, wie (wat) ook, alwie (alwat). 

Aanm, 1. Quisquis is eene verdubbeling van het vragende quis (§ 175), 
die distributieve kracht heeft: wie en wie = ieder, die; vgl. het Duitsche 
zwei und zwei = bini. 

Quicunque is eigenlijk: wie (qui) en (-que) wanneer (cum), of wie (qui) 
wanneer ook (-cumque). 

Quisquis is (behalve in den abl. sing. masc. en neutr. quoquo) 
bijna altijd zelfstandig: inepte, quisquis Minervam docet: 't is onge- 
rijmd, wanneer iemand Minerva leeren wil (eigenlijk: alwie Minerva 
leert, (doet) ongerijmd). 

Quicunque wordt in de eerste plaats adiective gebruikt, maar 
komt toch ook dikwijls als substantief voor, met name in het neutr. 
quodcunque: quacumque in parte terrarum in welk deel der wereld ook; 
quicquid est quocumqae de genere wat het ook zij van welk soort ook ; 
quicunque est wie het ook zij; cuiuscunque est van wien het ook is- 
quodcumque decet wat ook betaamt. 



110 



BUIGINGSLEER. 



§ W5. 



Verbuiging: 

1. In quisquis moeten beide deelen verbogen worden als het vra- 
gende quis (zie de volgende §), doch van deze verbuiging komt in het 
klassieke Latijn de pluralis bijna in het geheel niet, de singularis hoofd- 
zakelijk slechts in den abl. quoquo (als adiect. : vooral quoquo modo) 
en den ace. neutr. quidquid voor. 

Voor quidquid wordt ook quicquid geschreven (§ 25, 6). 

Aanm. 2. Behalve de vormen quisquis, quidquid en quoquo vindt men 
nog een genet, sing, in de uitdrukking cuicuimodl van welken aard ook 
(bijv. Cic. Verr. V 107). Cuicui is hierin ontstaan uit cuiuscuius op dezelfde 
wijze als bijv. *istl in *istimodi, dat men nog bij Plautus vindt naast het 
gewone istiusmodi (met vluggere uitspraak en verdwijning van de s voor 
m (§ 24, 3) : *istl(u)smodi, *istlmodi). 

2. In qulcunque wordt qui- (naar § 173) verbogen, terwijl -cunque 
(voor -cumque (§ 25, 7), dat ook geschreven wordt) onveranderd blijft, 
dus: cuiuscunque enz.. 

b) Tot de pronomina relativa indefinita kunnen ook gere- 
kend worden de adiectiva: 

quotquot (onverbuigbaar) hoeveel ook 
quantuscunque hoe groot ook 

qudliscunque hoedanig ook 

quotcunque (onverbuigbaar) hoeveel ook. 

Aanm. 3. Quotuscunque de hoeveelste ook, is dichterlijk. 



7) Pronomina interrogativa. 



§ 175. a) 1. Quis (m,)? wie? quis (f.)? wie? quid (n.)? wat? 
2. qui (m.)? welk? quae (f.)? welke? quod (n.)? welk? 

Het eerste wordt in den regel zelfstandig gebruikt, bijv.: quis 
vetat? wie verbiedt het? - quid dlcis? wat zegt gij? 

Het tweede wordt in den regel bijvoegelijk gebruikt, bijv.: qui 
homo? welk mensch? — quae lex? welke wet? - quod bellum? welke 
oorlog? 

Aanm. 1. De interrogativa worden ook samengesteld met -nam en ec-: 
quisnam? quinam? quidnam? enz. wie dan toch? ecquis? ecqui? ecquid? 
enz. iemand soms, iets soms? Ook beide tegelijk: ecquisnam? 

Aanm. 2. Als betrekkelijk en vragend possessivum vindt men 
een adiectivum cuius? cuia? cuium? wien toebehoorende ? wiens?, 
bijv.': cuia res est? res cuia est? van wien is dat? 

Aanm. 3. Vraagt men naar een van twee, dan gebruikt men liter (% 110), 
zoowel zelfstandig als bijvoegelijk. 



176. 



PRONOMINA. 



Ill 



Verbuiging: 

1 . Quis wordt verbogen als het r e 1 a t i e v e qui, quae, quod (zie § 1 73), 
behalve dat de nom. sing. fem. eveneens quis is, en de nom. en 
ace. sing, neutr. quid. 



Sin 


gularis 






Pluralis 




Masc. 


Femin. 


Neutr. 


Masc. 


Femin. 


Neutr. 


N. quis? 


quis? 


quid? 


qui? 


quae? 


quae? 


G. cuius? 


cuius? 


cuius? 


quorum? 


quarum? 


quorum? 


D. cui? 


cui? 


cui? 


quibus? 


quibus? 


quibus? 


Ace. quem? 


quam? 


quid? 


quos? 


quas? 


quae? 


Abl. quo? 


qua? 


quo? 


quibus? 


quibus? 


quibus? 



2. Qui, quae, quod wordt geheel verbogen als het relatieve qui, 
quae, quod (zie § 173). 

b) Tot de pronomina interrogativa kunnen ook gerekend 
, worden de adiectiva: 

quantus, -a, -urn hoe groot? 

qudlis, -e hoedanig? 

quotus de hoeveelste? 

quot (onverbuigbaar) hoeveel? 



8) Pronomina indefinita. 

§ 176. 

a) 1. Quis(m.) qua (f.) quid (n.) iemand, iets 

2. qui (m.) qua (quae) (f.) quod (n.) een(ig), een(ig)e, een(ig). 

Het eerste wordt gewoonlijk zelfstandig gebruikt, bijv.: si quis 
dlcit indien iemand zegt; si qua volet regndre indfen eene (vrouw) zal 
willen heerschen ; si quid est indien er iets is. 

Het tweede staat meestal bijvoegelijk, bijv.: si qui rex est indien 
er een of ander koning is ; tie qua nota inurdtur dat er geen (letterl. : 
niet een(ig)) brandmerk op gedrukt worde; si quod vestigium vides 
indien gij eenig spoor ziet. 

Hierbij dient evenwel te worden opgemerkt, dat deze onderscheiding 
zich nog minder streng laat doorvoeren dan bij het interrogativum. 

Het enkele quis en qui wordt hoofdzakelijk gebezigd na partikels als 
si, nisi, ne, nam, quo (naarmate), cum, quando enz. Vgl. § 489. 

Verbuiging: 

1. Het onbepaalde quis wordt verbogen als het vragende quis, 
behalve dat de nom. sing. fem. qua is, terwijl ook in den nom. 
plur. neutr. qua meer gebruikt wordt dan quae. 



112 



BUIGINGSLEER. 



§ 177. 



§ 178. 



PRONOMINA. 



113 



2. Het onbepaalde qui wordt verbogen als het relatieve qui, 
quae, quod, behalve dat de nom. sing. fern, en plur. neutr. 
gewoonlijk qua hebben (ofschoon ook quae wel gebruikt wordt). 



§ 177. b) Met quis en qui sa 
nomina (vgl. §§ 488 vlgg.): 

Zelfstandig: 

3. ali quis (aliqua) aliquid 
[iemand, de een of ander 

5. quldam quaedam quid- 
[dam een zeker iemand 

7. quispiam quidpiam 
[iemand (om 't even wie, uit 
een groot getal) 

9. quisquam quidquam 

[iemand, wie ook 

11. quivls quaevis quidvis 
[ieder (wien gij maar wilt) 

13. qullibet quaelibet quid- 
[1 i b e t ieder (wie u maar lust) 

15. quisque quidque 

[ieder (van alien) 

17. unusquisque unum- 

[quidque iedereen 



mengesteld zijn de volgende pro- 

Bijvoegelijk: 

4. aliquT aliqua ali quod de 
[een of ander, eenig, een 

6. quldam quaedam quod- 
[dam een zekere 

8. quispiam quaepiam 
[q u o d p i a m een of andere 

10. ontbreekt (zie hieronder) 

12. quivls quaevTs quodvls 

14. quilibet quaelibet quod- 

[libet 

16. quisque quaeque quod- 

[que 

18. unusquisque unaquae- 
[que unumquodque elk 
afzonderlijk. 



Evenmin als van quis en qui laten zich bij deze woorden de zelf- 
standige en bijvoegelijke vormen streng uit elkander houden. Zoo wordt 
ali qui soms ook als subst., aliquis als adiect. gebezigd. 

Quisquam komt bijna altijd zelfstandig voor; als adiectivum 
gebruikt men ullus, ulla, ullum, eenig (§110), dat ook de ontbre- 
kende vormen van quisquam verschaft (zie hieronder, A. 3; vgl. ook 
§ 488). Beide woorden staan vooral in ontkennende zinnen. 

Quisque staat nooit vooraan in den zin: dan gebruikt men unusquisque 
(vgl. § 490). Voorbeelden van het gebruik van quisque: nobilissimus 
quisque juist de voornaamsten; decimus quisque iedere tiende, telkens 
de tiende; quinto quoque anno in elk vijfde jaar, d. i. om de vier jaar. 

Aanm. 1. Aliquis dient soms ook, om ons onbepaalde voornaamw. men 
weer te geven, waarvoor het Latijn geen afzonderlijk woord bezit: dicet 
aliquis men zal zeggen (bij tegenwerpingen). 

Over andere middelen om men te vertalen vgl. § 359. 



Verbuiging. 

De verbuiging dezer woorden heeft plaats naar quis en qui; de andere 
samenstellende deelen: ali-, -dam, -piam, -quam, -vis (§ 258), -libet 
(§ 244), -que, zijn onverbuigbaar; in unusquisque wordt iinus ook 
verbogen: gen. uniuscuiusque enz.. 

Bij quldam gaat voor de d een m in n over (§ 25, 7): quendam, 
quondam, quarundam. 

Naast quidquam vindt men veel de schrijfwijze quicquam (§ 25, 6); 
zoo ook naast quidpiam (quodpiam) qulppiam (quoppiam). 

Aanm. 2. Aliquis en allqui hebben voor het neutr. plur. alleen den 
vorm aliqua. 
Zeer zelden vindt men van allqui een nom. sing. fem. aliquae. 

Aanm. 3. Quisquam heeft geen meervoud; men gebruikt daarvoor 
het meervoud van ullus, dat ook in de casus obliqui van den sing., met 
name in den abl., quisquam dikwijls vervangt. 

c) Tot de pronomina indefinita kunnen ook gerekend worden 
de adiectiva: 

aliquantus van eenige grootte (of hoeveelheid) 

quantuslibet zoo groot als u lust 

quantusvis zoo groot als gij maar wilt 

qualislibet van iedere mogelijke hoedanigheid 

aliquot (onverbuigbaar) eenige, een zeker aantal. 

Aanm. 4. Het onbepaalde quot is niet in gebruik. 

§ 178. Eindelijk moet nog besproken worden de verbuiging van 
twee woorden die eigenlijk substantiva zijn, maar als pronomina 
indefinita gebruikt worden: nemo niemand, en nihil niets. 

Aanm. 1. Over de zoogen. adiectiva pronominalia alius enz. werd 
reeds gehandeld in § 110. 

a) Van nemo niemand (uit *ne-hemo: zie §§ 19 en 17), worden slechts 
drie vormen gebruikt: nemo, nemini, neminem; de ontbrekende naam- 
vallen ontleent men aan niillus geen (§ 110): 



N. 


nemo 




G. 


nullTus 




D. 


nemini 




Ace. 


neminem 




Abl. 


nullo 








Aanm. 2. Nemo kan ook bijvoegelijk gebruikt worden: nemo civis 
geen burger, homini nemini geenen mensch, servum neminem geenen slaaf. 
Met name komt het zoo voor bij als substantiva gebezigde adiectiva : 
nemo sapiens geen wijze (niet: nullus sapiens). 

Niemand van twee is neuter (§ 110). 
woltjer, Lat. Qramm., 6e druk. 8 



114 



BUIGINGSLEER. 



179. 



b) Nihil niets, n. 
vorm (nom. en ace.) 
aan nulla res: 



(uit *ne-hil(um): zie § 17) komt alleen in dezen 
voor; de ontbrekende naamvallen ontleent men 



N. nihil 

G. nullTus re! 

D. null! re! 

Ace. nihil 

Abl. nulla re 



Aanm. 3. Van het oude *nihllum, dat in den nomin. niet gebruikt wordt, 
komen in vaststaande uitdrukkingen de volgende naamvallen voor ; 

1) de genet, nihil! (zelden), bijv.: nihil! facere niets waard achten, niet 
tellen (vgl. § 416); 

2) de ace. nihilum, gewoonlijk na ad of in, bijv. : ad nihilum venire te 
niet gaan ; 

3) de abl. nihilo, met name bij comparatieven en dergelijke, bijv. : nihilo 
minus niettemin, evenwel, en verder in eenige uitdrukkingen, als: pro 
nihilo voor niets, als niets, bijv.: pro nihilo patare {habere, dacere) 
niets waard achten, gering schatten (§ 416). 

Aanm. 4. Dichters gebruiken ook de vormen nil en riilum (§ 19); dit 
laatste zelden. 

Correlativa. 

§ 179. In het bovenstaande zijn de verschillende pronomina en 
adiectiva die er toe kunnen gerekend worden, opgenoemd en besproken, 
verdeeld naar de verschillende soorten, die ook in het Nederlandsch 
worden gevonden. 

Er is echter nog eene andere verdeeling van vele pronomina 
mogelijk. Men zal nl. opgemerkt hebben, dat tusschen pronomina die 
tot verschillende soorten behooren, toch, wat beteekenis en vorm aangaat, 
eene nadere betrekking bestaat: zulke woorden bedoelen eenzelfden 
persoon of zaak, maar op verschillende wijzen, naarmate er naar ge- 
vraagd (interrogativa), erop heengewezen (demonstrate a (en deter- 
minativa)), erop teruggewezen (relativa en relativa indefinita), of 
wel onbepaald erop gedoeld wordt (indefinita). 

Omdat ze samen (con-) betrekking (relatio) hebben op eenzelfden 
persoon of zaak, noemt men ze correlatlva. 

Zoo zijn bijv. quantus (interrog.), tantus (demonstr.), quantus (relat.) r 
aliquanias (indefin.) en quantuscunque (quantuslibet, qaantusvis) (relat. 
indef.) correlativa, omdat ze alle betrekking hebben op de hoe- 
grootheid, waar quantus (interrog.) naar vraagt, tantus (demonstr.) 
op wi/st, enz.. 

Correlativa vormen dus te zamen als 1 ware een groep, en onder 
de in de voorafgaande paragrafen behandelde woorden laten zich ver- 



§ 180. 



VERBA. 



115 



schillende zulke groepen onderscheiden : een van woorden die betrekking 
hebben op den persoon zonder meer, een andere van woorden die 
betrekking hebben op de hoedanigheid, enz.. 

Tot juist begrip worden de correlativa onder de pronomina hier 
nog eens naast elkander geplaatst: 





Interrog. 


Demonstr. 

en 
determin. 


Relativa 


Indefinita 


Relat. indefinita 




o 
o 


quis? wie? 
ecquis? 
niimquis? 
q u i s n a m ? 


is degene 
hie 
ille 
iste 


qui die 


quis iemand 
aliquis 
quTdam 
quispiam 
q u i s q u a m 
quTvTs 
q u 1 1 i b e t 
q u i s q u e 


quisquis al wie 
quTcunque 


c 

a 

c 
o 
u 

a. 


MS 1 


quantus? 


tantus 


quantus 


aliquantus quantuscunque 

quantuslibet 

quantiisvTs 


> 

•3 

< 


o so 

^3_ 


qualis? 


talis 


qualis 


q u a 1 i s 1 i b e t 


qualiscunque 


l.-e I quot? 


tot 
totidem 


quot 


aliquot 


quotquot 
quotcunque 


0) OJ 

^ a 
a; aj 


quotus? 


(totus) 


quotus 




(quotuscunque) 



HOOFDSTUK V. 



HET VERBUM. 

a) Geslachten. 

§ 180. Het Latijn heeft evenals onze taal twee geslachten (genera) 
in de vervoeging (coniugatio) van het werkwoord: 

1. het activum (bedrijvende vorm); 2. het passlvum (lijdende 
vorm). 

Een verbum activum is trdnsitlvum, overgankelijk, of intransi- 
tlvum, onovergankelijk. 

Van verba intransltiva kan het passivum alleen onpersoonlijk gebruikt 
worden (in den 3 d ™ persoon singularis: § 394): pugnatur er wordt 
gevochten. 



116 



BUIGINGSLEER. 



J§ 181-183. 



§ 181. Dat een werkwoord passivum is, wordt in 't Latijn niet, 
als bij ons, door een hulpwerkwoord, maar door een vorm van het 
werkwoord zelf aangeduid, bijv. : amo ik bemin, amor ik word 
bemind. 

Van sommige werkwoorden, die geen actieven vorm bezitten, heeft 
de passieve vorm actieve beteekenis, bijv.: hortor ik vermaan. 
Men is gewoon ze (verba) deponentia (afleggende) te noemen, omdat 
men zich voorstelde, dat zij wel passiva geweest waren, maar hunne 
passieve beteekenis hadden afgelegd (of ook, dat zij wel actieve vormen 
gehad hadden, maar die hadden afgelegd). Zie § 226. 



b) T ij d e n. 

§ 182. De tijden (tempora) zijn: 

praesens tegenwoordige tijd, 

imperfectum onvoltooid verleden tijd, 

perfectum (voltooid tegenwoordige tijd), 

plusquamperfectum voltooid verleden tijd, 
futurum toekomende tijd, 

futiirum exactum voltooid toekomende tijd. 

Deze tijden worden gescheiden in twee groepen: 

1. tempora imperfecta, welke eene nog niet voltooide handeling te 
kennen geven: praesens, imperfectum, futurum; 

2. tempora perfecta, welke eene voltooide handeling te kennen geven: 
perfectum, plusquamperfectum, futurum exactum. 

Aanm. Men verdeelt de tijden ook wel in : 

a) hoofdtijden : praesens, perfectum absolutum of logicura (ook wel perf. 
praesens genoemd, zie §§ 503 en 504), futurum en fut. exactum; 

b) historische tijden: imperfectum, perf. historicum en plusquamperfectum. 

§ 183. 

c) W ij z e n. 

De wijzen (modi) zijn: 
indicdtlvus aantoonende wijs, 

coniunctlvus of subiunctlvus aanvoegende wijs, 
imperdtlvus gebiedende wijs. 

d) Getal. 

De numerl zijn: 
singuldris enkelvoud, plurdlis meervoud. 

e) Personen. 

De personen (personae) zijn: 
prima (eerste), secanda (tweede), tertia (derde). Vgl. § 166. 

/) Nominaalvormen. 



§ 184. 



VERBA. 



117 



Voorts heeft men de nomina verbal ia, d. w. z. die vormen 
van het werkwoord, die tevens nomina zijn: 

1°. substantiva verbalia: 
infinitivus onbepaalde wijs, 

gerundium de naamvallen van den infinitivus praesentis (activi) 
(vgl. § 605), 
sup in urn een substantiefvorm (vgl. § 616); 

2°. adiectiva verbalia: 
participium deelwoord, 

gerundivum een adjectiefvorm van het werkwoord (met pas- 
sieve beteekenis) (vgl. § 605). 

De vormen van het werkwoord die een bepaalden uitgang 
voor de personen hebben, noemt men verbam finitum; de 
overige vormen (nominaalvormen) vat men samen onder den 
naam van verbum Infinitum. 

Verb urn finitum dus: de vormen van den l en , 2 en , 3 en pers. 
enkelv. en meerv. van de verschillende tijden van den indie, den 
coniunct. en den imperal. 

Verbum infinitum: infinitivus, gerundium, supinum, participium, 
gerundivum. 

Het Latijn heeft slechts een hulpwerkwoord der vervoeging, nl. esse 
zijn (§ 208); vergelijk echter § 211 (einde). 



§ 184. Stammen. 

a) Evenals bij de nomina moet men in elken vorm van het verbum 
den blijvenden stam van de wisselende uitgangen onderscheiden. 

Een Latijnsch werkwoord heeft drie stammen (tempusstammen), 
waarvan alle vormen, zoowel van het verbum finitum, als van het 
verbum infinitum, gemaakt worden: 

A. den praesensstam; B. den perfectumstam ; C. den supinum- 
stam. 

A. Van den praesensstam worden gevormd : 

alle vormen van praesens, imperfectum en futurum, activi en passivi, 
benevens het gerundium en het gerundivum. 

B. Van den perfectumstam worden gevormd: 

alle vormen van perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum activi. 

C. Van den supinumstam worden gevormd: 

het supinum (en de daarmede samengestelde infinitivus futuri passivi), 
het participium futuri activi (en de daarmede samengestelde infinitivus 
futuri activi) en het participium perfecti passivi (en de daarmede samen- 
gestelde vormen : perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum passivi). 



118 



BUIGINGSLEEK. 



§ 184 



§§ 185-186. 



VERBA. CONSONANTSTAMMEN. 



119 



Men leidt deze stammen af: 

A. den praesensstam uit den P tm pers. sing, indicativi (soms 
den infinitivus: zie Aanm. 1) praesentis activi: scribo ik schrijf, 
praesensstam : scrib- ; 

B. den perfectumstam uit den l stm pers. sing, indicativi perfecti 
activi: scrips-i ik heb geschreven, perfectumstam: scrips-; 

C. den supinumstam uit het supinum: scrlpt-um om te schrijven, 
supinumstam : scfip-t-. 

Om derhalve een regelmatig werkwoord te kunnen 
vervoegen, moet men deze drie vormen kennen. Met het 
oog daarop worden ze (gewoonlijk met den in/in. praes) in de woorden- 
boeken, indien dit noodig is, opgegeven: 

scrlbo scrips! scriptum scrlbere schrijven, 

b) De stam die aan deze drie tempusstammen ten grondslag ligt, 
heet verbaalstam (werkwoordstam). 

"Bij sommige verba zijn verbaalstam en praesensstam gelijk, bij andere 
niet (zie Aanm. 2). Voorloopig handelen we alleen over de eerste. 

c) Naar de soort van de laatste letter (kenletter) van den praesens- 
stam (niet van den verbaalstam: zie A. 2 en § 232, 6, Aanm.) ver- 
deelt men de verba (evenals de substantiva) in consonant- en vocaal- 
stammen. 

Consonantstammen zijn verba wier praesensstam uitgaat op eene 
consonant; ertoe gerekend worden ook die werkwoorden, wier 
praesensstam uitgaat op eene -u-; die wier praesensstam eindigt op 
-qu- of -gu-, zijn werkelijke consonantstammen (§9,3; vgl. § 21, Aanm.). 

Vocaalstammen zijn verba wier praesensstam uitgaat op -I-, 
-e- of -a-. 

We hebben dus: 

A. De conjugatie der consonantstammen. 

B. De conjugatie der vocaalstammen. 

Aanm. 1. Bij de a-stammen is in den lsten pers. sing, indicat. praes. 
act. de uitgang -6 met de a van den stam samengetrokken, waardoor zij in 
dezen vorm het uiterlijk van consonantstammen hebben: amo ik bemin, 
uit *ama-b (eig. *ama-(j)o) ; somtijds ook van u-, I- of e-stammen (§ 306) : 
continuo ik zet voort, stam continua-, nuntio ik boodschap, stam nuntia-, 
creo ik breng voort, stam crea-. Hier leidt men den praesensstam het ge- 
makkelijkst af uit den infin. praes. act. : amare, continuare, nuntiare, creare. 

Voorts zijn er eenige verba op -io, die in den infin. praes. op -ere uit- 
gaan en ook andere van den praesensstam afgeleide vormen zonder i hebben 
(bijv. capio ik neem, infin. praes.: capere: § 233), zoodat men ze zoowel 
tot de consonant-, als tot de I-stammen zou kunnen rekenen. Ze moeten 
evenwel als consonantstammen beschouwd worden. 



| 



Aanm. 2. Verbaalstam en praesensstam zijn gelijk bij enkele con- 
sonantstammen en de meeste vocaalstammen : 

scrlbo ik schrijf, praesensst. en verbaalst. : scrlb- 

audio ik hoor, „ „ „ : audi- 

deleo ik verdelg, „ „ „ : dele- 

tribuo ik deel toe, » „ „ : tribu-. 

Bij de overige wijkt de praesensstam in meerdere of mindere mate van 
den verbaalstam af (vgl. § 232) : 



rumpo 


ik breek, 


praesensst. 


rump-, 


verbaalst. 


rup- 


vinco 


ik overwin, 


a 


vine-, 


„ 


vic- 


peto 


ik streef, 


„ 


pet-, 


„ 


petl- 


cresco 


ik groei, 


1! 


cresc-, 


1) 


cre- 


venio 


ik kom, 


„ 


vetn-, 


„ 


ven- 


video 


ik zie, 


„ 


vide-, 


n 


vid-. 



Is van deze afwijking het gevolg, dat een verbum op grond 
van zijn verbaalstam bij eene andere conjugatie zou moeten 
worden ingedeeld dan naar zijn praesensstam, dan rekent men 
alleen met den laatsten: video behoort tot de conjugatie der e-stam- 
men, ofschoon zijn verbaalstam op eene consonant eindigt (vid-) ; peto tot 
de consonantstammen, ofschoon de verbaalstam petl- is. 

Aanm. 3. Gewoonlijk neemt men vier conjugaties aan, en wel zoo, dat 
de a-stammen, inf. -are (bijv. laudare), de eerste, 
de e-stammen, inf. -ere (bijv. delere), de tweede, 

de consonant- en u-stammen, inf. -ere (bijv. scrlbere, tribuere), de derde, en 
de T-stammen, inf. -Ire (bijv. audlre), de vierde conjugatie vormen. 

A. VERVOEGING VAN EEN REGELMATIGEN CONSONANTSTAM. 



§ 185. 
Praesens scrlbo, 
praes.-stam scrib-, 



Scnbere schrijven. 
perfectum scrips!, 
perf.-stam scrips-, 



supinum scriptum 
supin.-stam script-. 



io. 



ENKELVOUDIGE TIJDEN. 

I. ACTIVUM. 
A. Praesensstam: scrib-. 

§ 186. Van den praesensstam worden gevormd: praesens, im- 
perfectum, futurum en gerundium. 



1) Indicativus a) praesentis: 

le pers. sing, scrlb-o ik schrijf 

2e „ „ scrlb-i-s gij (je) schrijft 
3e „ „ scrlb-i-t hij (zij, het) schrijft 

le „ plur. scrlb-i-mus wij schrijven 
2e ,, „ scrlb-i-tis gij schrijft 
3e ,, „ scrlb-u-nt zij schrijven 



(-o), -s, -t, -mus, -tis, -nt zijn de persoonsuitgangen. 



120 



BUIGINGSLEER. 



§ 187. 



De indicativus praesentis heeft geen terapus- of modus-suffix: de klin- 
ker die op den stam volgt, is de thematische vocaal. 

Oorspronkelijk was er ook in het Latijn (evenals in het Grieksch) tweeerlei 
vervoeging: eene athematische (zie hieronder), waarin de lste pers. sing, 
indie, praes. act. uitging op -m (uit *mi, vgl. Gr. -pi), en eene thematische, 
waarin die persoon uitging op -6 (vgl. Gr. -co). 

Van de eerste zijn echter slechts weinige sporen overgebleven, die bij die 
verba waar ze nog voorhanden zijn, zullen worden aangewezen : zie Aanm. 2 
en § 209; §§ 256, 258, 259; § 304, A. 1. 

Bijna alle Latijnsche werkwoorden behooren dus tot eene en dezelfde 
conjugate: die op -6. Het eigenaardige van deze vervoeging is, behalve 
den uitgang op -6, dat in het praesens en de daarvan afgeleide vormen de 
persoonsuitgangen niet onmiddellijk (gelijk bij de athematische vervoeging), 
maar door eenen klinker met den stam verbonden zijn; vgl. bijv. 
scrlb-i-t, scrlb-i-tis, tegenover es-t, es-tis. Dezen klinker noemde men vroeger 
verbindingsletter of bindvocaal, tegenwoordig gewoonlijk thematische 
vocaal, omdat hij eigenlijk als een deel van den stam (het thema) 
moet beschouwd worden. De them, vocaal was in den indie, praes. oorspr. 
o voor den lsten pers. sing, en plur. en den 3den pers. plur., overigens e 
(vgl. Gr. Xiy-o-psv, maar Uy-e-ze enz. ; over de klankwisseling o-e zie § 13, 
Aanm.); in het Latijn ging 6 over in u, die in den lsten pers. plur. verder 
verzwakt werd tot i (§ 15, 5), terwijl e in l veranderde (behalve voor r: 
§ 16 a en § 15, 2). 

De lste pers. sing, schijnt eigenlijk geen persoonsuitgang gehad te hebben, 
maar verlengde de them, vocaal. 

Aanm. 1. In den lsten pers. plur. vindt men de spelling u voor de 
them, vocaal nog in: sumus (wij zijn), possumus (wij kunnen), voluntas (wij 
willen), nolumus (wij willen niet), malumus (wij willen liever) en quaesumus 
(wij verzoeken). Vgl. § 10, 4. 

In den 3den pers. plur. heeft het oudste Latijn nog de oorspr. o, bijv.: 
*cosentiont (einde 3de eeuw v. Chr.) = consentiunt. (Een voorbeeld van 
een consonantstam uit den ouderen tijd komt toevallig niet voor.) Na 
-u- en -v- heeft o zich in het schrift nog tot het einde der Republiek 
gehandhaafd (vgl. § 95 Aanm.): ruont, vivont, enz.. 

Aanm. 2. Den persoonsuitgang -m (d. i. het athematische -mi) in den 
lsten pers. sing, indicat. praes. act. vindt men alleen nog in: sum ik ben. 



§ 187. 



b) imperfecti: 




scrlb-e-ba-m 


ik schreef 


scrib-e-ba-s 


gij (je) schreeft 


■ scrlb-e-ba-t 


hij schreef 


scrib-e-ba-mus 


wij schreven 


scrlb-e-ba-tis 


gij schreeft 


scrlb- e-ba-nt 


zij schreven 



Hier is de uitgang van den l sfen pers. sing, -m; 
persoonsuitgangen gelijk aan die in het praesens. 



; verder zijn de 



I 






§§ 188-15 



VERBA. CONSONANTSTAMMEN. 



121 



Voor de uitgangen -m, -t en -nt is een lange klinker 
hier en elders verkort; zoo ook voor -r en -ntur (-ntor) 

in het passivum (vgl. § 166). 

Dit imperf. is eigenlijk een samengestelde vorm, die uit drie deelen 
bestaat: 1° den praesensstam (scrlb-); 2° een element -e-, waarschijnlijk de (in 
dit geval lange) thematische vocaal; 3° de vormen -ba-m (uit -ba-m), -ba-s, 
-ba-t enz., welke eigenlijk een imperf. (aoristus) schijnen te zijn van een Indo- 
Germ. wortel bhu- zijn, en dus beteekenen : ik was, gij waart, enz.. Dus: 
scrlb-e-ba-m (aan 't) schrijven ik was, scrlb-e-ba-t (aan 't) schrijven hij was, 
scrlb-e-ba-mus (aan 't) schrijven wij waren enz.. 

Aanm. 1. Van denzelfden wortel bhu- komt fill, en 't Gr. k'-<pv-v, 
cpv-vai: Indo-Germ. bh (Gr. <p) werd in de Italische talen f, die in het 
Latijn tusschen klinkers in b overging. 

Aanm. 2. In de Indo-Germaansche moedertaal moet een ander imper- 
fectum bestaan hebben, gevormd door een augment, dat in het Grieksch 
bewaard is {e-cpsg-o-v); in de Italische talen ging dit imperf. verloren en 
werd door een nieuw imperf. (het bovenstaande) vervangen. Vgl. daarmede 
het ontstaan van de imperfecta: ik moest, ik wist enz. in onze taal. 

§ 1£ 



c) f atari: 




scrib-a-m 


ik zal schrijven 


scrlb-e-s 


gij (je) zult schrijven 


s c r i b-e-t 


hij zal schrijven 


scrTb-e-mus 


wij zullen schrijven 


scrlb-e-tis 


gij zult schrijven 


scrlb- e-nt 


zij zullen schrijven 



Dit futurum is eigenlijk de oude Indo-Germaansche coniunctivus (ik wil 
schrijven), die in het Latijn bij de a-stammen (§ 215) nog als zoodanig be- 
waard bleef, maar bij de consonantstam men als futurum gebruikt werd. Deze 
coniunctivus werd oorspr. gevormd door verlenging van de thematische 
vocaal (e tot e, 6 tot 6 : vgl. Gr. ay-s-zs - ay-rj-ze, ay-o-fisv - ay-m-fisv) ; 
in het Latijn is de e ook in den lsten en 3den pers. pers. plur. doorgedrongen. 
De eerste persoon sing, heeft in het Latijn den uitgang van den Latijnschen 
a-coniunctivus, -a-m, overgenomen. 

§ 189. 



2) Coniunctivus a) praesentis: 


scrTb-a-m 


(dat) ik schrijve 1 ) 


scrlb-a-s 


(dat) gij schrijvet 


scrlb-a-t 


(dat) hij schrijve 


scrTb-a-mus 


(dat) wij schrijven 


scrTb-a-tis 


(dat) gij schrijvet 


scrlb-a-nt 


(dat) zij schrijven 



i) De gew'one vertaling is hier gemakshalve behouden, ofschoon eigenlijk de ver- 
schillende beteekenissen van den Latijnschen coniunctivus zich niet in eene vertaling. 
laten samenvatten. Vgl. § 511 vlgg.. 



122 



BUIGINGSLEER. 



}§ 190-191' 



In deze vormen staat tusschen den stam en de persoonsuitgangen de klinker 
-a-. Deze a is een kenteeken van den coniunctivus, en dus een modus-suffix, 

De a-coniunctivus is eene nieuwe schepping der Italische talen (en van het 
Keltisch). 



§ 190. 



b) imperfecti : 




scrTb-e-re-m 


(dat) ik schreve (ik zou schrijven) 


scrlb-e-re-s 


(dat) gij schrevet 


scrib-e-re-t 


(dat) hij schreve 


scrib-e-re -mus 


(dat) wij schreven 


scrTb-e-re-tis 


(dat) gij schrevet 


scrlb-e-re-nt 


(dat) zij schreven 



De r in deze vormen, die eveneens eerst in de Italische talen zijn opgekomen, 
is uit s ontstaan (§ 27): vgl. es-sem, vellem (uit *vel-sem)\ deze s is waarsch. 
het teeken van den aoristas. Aan de s werd het suffix -e- gevoegd, de kenletter 
van den ouden coniunct. (§ 188). 

Deze coniunctivus had dus oorspr. met het imperfectum niets te doen : hij 
komt, wat de vorming betreft, overeen met den coniunctivus a or. I van het 
Grieksch. In het Latijn komt echter voor het suffix -se- nog de them, vocaal e 
(hier geen T geworden, daar eene r volgde: § 15, A. 2): dus bijv. 2de pers. 
plur. : * scrib-e-se-tis, Gr. *ygax-ai]-te. 

Het futurum heeft in het Latijn geen vorm voor den 
coniunctivus. Zoo noodig gebruikt men daarvoor den coniunctivus 
praesentis van esse zijn, met het partic. fut. (§ 199): scrlpturus sim: 
zie § 230. 



§ 191. 



3) Imperativus praesentis: 



(2 p. scrTb-e 
sing. < » » scrTb-i-to 
[3 p. scrlb-i-to 
(2 p. scrlb-i-te 



plur. 



v » » sen b-i-tote 
3 p. scrl b-u-nto 



schrijf 

gij (je) moet (zult) schrijven 

hij moet (zal) schrijven' 

schrijft 

gij moet (zult) schrijven 

zij moeten (zullen) schrijven 



-to, -to, -te, -tote, -nto zijn de persoonsuitgangen; de 2 e pers. sing, 
heeft er alleen een voor de vormen op -to en -tote. 

De eerste vorm (scribe) bestaat alleen uit den stam en de thematische vocaal 
(vgl. den voc. der o-st. : serve) ; de them, vocaal is in den 3den pers. plur. 6 
(klass. u: vgl. § 186), in alle andere vormen e (in eene opene middenletter- 
greep T geworden: § 15): vgl. Gr. y/xup-i-rw - ygacp-o-vrmv. 

De vormen op -to hadden oorspronkelijk tot uitgang -tod (eig. een ablat. 
sing. [vgl. § 23 B, § 74, A. 2] van den pronominalen stam to-: van daar af: 
dus: schrijf van dit oogenblik af). — 

De vormen scrlbito, scrlbito, scrlbitote en scribunto worden niet zelden als 






§§ 192-193. 



VERBA. CONSONANTSTAMMEN. 



123 



imperativus. futuri aangeduid (tegenover scribe en scrlbite als imperat. 
praes.). Zoo reeds door de oude Romeinsche taalgeleerden. Voor deze bena- 
ming geeft het gebraik in zooverre eenige aanleiding, als deze vormen in zon- 
derheid gebezigd worden bij bevelen van algemeenen aard, wetsbepalingen enz., 
waarvan de uitvoering niet als onmiddellijk geschiedend gedacht was. Wat den 
vorm aangaat, hebben deze imperativi echter met het futurum niets te maken, 
€n behooren ze bij het praesens. 



§ 192. 



4) Infinitivus praesentis: scrib-e-re schrijven 



De uitgang is -re (ontstaan uit -se, vgl. § 27 en § 15,2); -e- is de them, vocaal. 



5) Participium praesentis: 

scrTb-e-ns, genet, scrlbent-is schrijvend 



Het participium praesentis activi wordt verbogen als een adiecti- 
vum van een uitgang (§ 114), maar heeft in den regel in den 
abl. sing, -e (-1 echter, wanneer het adiectivum geworden is: excellent! 
ingenio van uitmuntenden aanleg). 

Het partic. bestaat uit den stam scrlb-, de thematische vocaal e, den uitgang 
-nt- en het teeken van den nominativus s, dus: *scrib-e-nt-s, scribens. Vgl. 
Gr. y^acp-o-vz, stam van ygdywv. De participia op -ns zijn dus eigenlijk 
consonantstammen (vgl. § 114). 



6) 


Gerundium : 








serf 


b-e-ndi 


van 


het 


schrijven 




serf 


b-e-ndo 


aan 


V 


a 




scrT 


b-e-ndum 


het 


schrijven 




scrl 


b-e-ndo 


in, 


met, 


door het 


schrijven 



Aanm. Het gerundium is eigenlijk het neutr. sing, van het gerundivum, 
dat onder 't passivum besproken wordt (vgl. § 206). 

B. Perfectumstam: scrips-. 

§ 193. Van den perfectumstam worden gevormd: perfectum, 
Uusquamperfectum en futurum exactum. 



1) Indicativus a) perfecti: 

scrTps-T ik heb geschreven 

scrTps-is-ti gij (je) hebt 

scrips-it hij heeft „ 

scrips-i-mus wij hebben „ 

scrips-is-tis gij hebt „ 

scrlps-erunt zij hebben „ 



De persoonsuitgangen zijn : -I, -(is-)ti, -it, (-i)-mus, -(is-)tis, -erunt. 



124 



BUIGINGSLEER. 



§§ 194-195. 



Deze vormen bestaan : 1° uit den perfectumstam scrips-, d. i. hier den 
zuiveren verbaalstam scrib- (wiens b voor de volgende s overging in p (vgl. 
§ 25, 1): *scrib-s-7, scrip-s-i) + s (het kenteeken van den s-aoristus [aor. I act.] 
in het Grieksch : Bsiga); 2° uit de persoonsuitgangen, die in den indica- 
tivus perfect! gedeeltelijk andere zijn dan bij den praesensstam, 
maar overigens zich nog niet alle met zekerheid laten verklaren. 

Aanm. 1. Zooals uit het bovenstaande blijkt, is het perf. op -si naar 
den vorm een s-aoristus. Het eigenlijke perfectum, dat door redupliceering 
van den verbaalstam gevormd werd (vgl. Gr. /j.i-fiov-a), ging in het Latijn 
uit op eene enkele -T: me-min-'i. Bovendien heeft het Latijn een geheel 
nieuw type geschapen : het perf. op -vl (-uT): vgl. § 234 -§ 237. Alle 
Latijnsche perfecta worden echter op dezelfde wijze vervoegd. 

Aanm. 2. Naast den gewonen uitgang van den 3den pers. plur. -erunt 
vindt men ook -ere (§ 241 b), bij dichters somtijds ook -erunt met eene 
korte e, bijv. : steterunt zij hebben gestaan. Dit laatste berust waarsch. op 
-is-ont (§ 194); de oorsprong van -ere ligt nog in het duister; -erunt is 
wellicht eene kruising van -erunt en -ere. 



§ 194. 



b) plusquamperfecti: 




scrlps-er-a-m 


ik had 


geschreven 


scrlps-er-a-s 


gij (je) hadt 


a 


scrips-er-a-t 


hij had 


n 


scrlps-er-a-mus 


wij had den 


a 


scrlps-er-a-tis 


gij hadt 


a 


scrlps-er-a-nt 


zij hadden 


a 



De persoonsuitgangen zijn dezelfde als in den indicat. imperf.: 
-m, -s, -t, -mus, -tis, -nt. 

Dit plusquamperfectum is, evenals het imperfectum, eene nieuwe vorming. 

Aan den perfectumstam is gevoegd een uitgang -eram, ontstaan uit "-is-dm, 
d. i. het suffix -is- (dat ook in scrips-is-tl wellicht nog over is) en een imper- 
fecturnuitgang -am, die nog over is in eram ik was (voor "es-am : zie § 209, 4), 
maar overigens door -bam vervangen werd. 

Het element -is- (voor een klinker -er-: vgl. § 69, A. 2), dat in het Indo- 
Germaansch een kenteeken van bepaalde s-aoristi schijnt te zijn geweest, keert 
in alle verdere vormen van het perfectum weer: scrips-er-d, scrips-er-im, 
scrip s-is-sem, scrips-is-se. 



§ 195. 



c) f atari exacti: 
scrips-er-6 
scrlps-er-I-s 
scrlps-eri-t 
scrTps-er-T-mus 
scrlps-er-T-tis 
scrlps-erint 



ik zal geschreven hebben 

gij (je) zult 

hij zal „ » 

wij zullen « » 

gij zult i, i, 

zij zullen „ „ 






j§ 196-198. 



§ 196. 



VERBA. CONSONANTSTAMMEN. 



125 



2) Coniunctivus 


a) perfecti: 


scrip s-er-i-m (dat) 


ik geschreven hebbe enz. 


sen ps-er-i-s 




senps-er-i-t 




scrlps-er T-mus 




scrips-er-T-tis 




scrTps-er-i-nt 





Gelijk men ziet, zijn met uitzondering van den lsten pers. sing., de vormen 
van den indicat. fut. exacti en den coniunct. perf. geheel gelijk. 
Scripsero (d. i. *scrips-is-b) is eigenlijk de oude coniunctivus van een 
athematischen s-aoristus, gevormd door middel van de thematische 
vocaal (§ 186), zooals ero bij den wortel es- (§ 209). Daarentegen wijst de 
vorm scripserim (d. i. * scrip s-is-lm) op een ouden athematischen opta- 
tivus van denzelfden s-aoristus, gevormd door middel van het suffix -I- 
(vgl. de coniunct. praes. sim, velim enz. : § 209, 3). 

Het fut. exact, zou dus overal i moeten hebben (-er-i-s [uit -is-e-s: § 186] 
enz.), en in den 3den pers. plur. -erunt (vgl. scrlb-u-nt), de coniunct. perf. 
overal i. Inderdaad vindt men in het oudere Latijn nog bijv. -eritis in het 
fut. exact., -eritis in den coni. perf.. 

Doordat echter, tengevolge van de verkorting van T in eindlettergrepen be- 
halve voor -s (§ 16 b), de 3de pers. sing, van den coni. -perf. gelijk werd aan 
dien van het fut. exact., zijn beide paradigmata, afgezien van den lsten 
pers. sing., in het klassieke Latijn geheel samengevallen, zoodat de 3de 
pers. plur. ook in het fut. exact, steeds -int heeft, en in -eris, -erimus en 
-eritis de -i- in coniunct. perf. en indicat. fut. exact, beide zoowel kort 
als lang wordt genomen. 



§ 197. 



b) plusquamperfecti : 
scrlps-is-se-m (dat) ik geschreven hadde (ik 
scrTps-is-se-s [zou geschreven hebben) enz. 
scrlps-is-se-t 
scrTps-is-se-mus 
scrTps-is-se-tis 
scrTps-is-se-nt 



Deze coniunctivus op -is-sem ontstond bij den indicativus op -er-am naar het 
voorbeeld eram (impf. van sum: § 208): essem. 

Het futaram exactum heeft geen vorm voor den coniunctivus. 
§ 198. Overigens bestaat van den perfectumstam alleen nog: 



3) Infinit. perfecti: scrips-is-se geschreven 

[te hebben 



Hier is weer het suffix -is- (§ 194) + de uitgang van den inf. -se (§ 192). 
Scripsisse staat tot scripsissem, als esse tot essem. 



126 



BUIQINGSLEER.. 



§§ 199-200.- 



Aanm. Het Latijn bezit dus geen partie. per/, act. (geschreven 
hebbende). Vgl § 594. 

C. Supinumstam: script-. 

§ 199. Van den supinumstam worden afgeleid: supinum en 
participiatn futuri. 

1) Het supinum heeft twee vormen, die eigenlijk accusativus en 
dativus (locativus : § 84, A. 1) schijnen te zijn van een verbaalsubstan- 
tivum op -tu-s (stam -tu-: vgl. § 341): 



1) Supinum: script-um tot het schrijven, om te schr. 
scrlpt-u voor het schrijven, te schr. 



De stemhebbende b van den verbaalstam is voor de stemlooze t in de 
stemlooze p overgegaan, overeenkomstig § 25, 1. 

Aanm. 1. In het oudere en in het latere Latijn vindt men nog vormen 
op -ul: memoratui, nuptiii, esul. 

De Rom. grammatici hidden het tweede supinum voor eenen ablativus. 

Aanm. 2. Met het supinum samengesteld is de infinitivus futuri passivi: 
zie § 211 b). 



2) Participium futuri: script-urus, -a, -urn, 

[zullende schrijven 



Met het participiatn fatari samengesteld is de infinitivus futuri 
activi. Zie § 211. 

II. PASS1VUM. 

A. Praesensstam : scrib-. 

Van den praesensstam worden gevormd: praesens, imp erf ec- 
tum, futaram en gerundlvum. 



200. 



1) Indicativus a) praesentis: 

scrlb-o-r ik word geschreven 

scrlb-e-ris (-re) gij (je) wordt geschreven 

scrib-i-tur hij wordt geschreven 

scrlb-i-mur wij worden geschreven 

scrlb-i-minT gij wordt geschreven 



scrib-u-ntur 



zij worden geschreven 



I 






1 



§§ 201-202. 



VERBA. CONSONANTSTAMMEN. 



127 



Afgezien van den 2den pers. plur. is de ken(merkende)letter voor het 
passivum de r; met de r zijn de persoonsuitgangen verbonden, 
Deze zijn: 

-r, -ris, -tur, -mur, -mini, -ntur. 

Het Latijnsche passivum, als zoodanig eene nieuwe vorming, is ten deele 
een medium, gelijk het dan ook in vele gevallen nog de beteekenis va"n een 
medium (reflexivum) heeft (zie § 494). 

Eerst werd bij de vormen van het medium, later ook bij die van het activum, 
eene r gevoegd, die de kenletter is van het Italische (en Keltische) passivum. 

Van het medium kbmen : 
3e pers. sing, scfibitur uit *scnb-i-to + r — *scribitor (vgl. e-yeay-s-to); 
3e „ plur. scribuntur uit "scrlb-o-nto + r = *scfibontor (vgl. s-yqay-o-vxo). 

Van het activum komen : 
le pers. sing, scribor = serib-o + r (de o oorspronkelijk lang); 
le „ plur. scribimur = *scnb-i-mu(s) -f- r. 

De 2e pers. sing, is in den ouderen vorm scnb-e-re (vgl. § 204); de uit- 
gang -re staat voor -se en dit voor den medialen uitgang -so (Grieksch -co); 

Vgl. *s-yQacp-s-ao (sygdqaov). 

De 2e pers. plur. heeft na de them, vocaal den uitgang -mini, die herin- 
nert aan den uitgang -ftsvsi van het Grieksche partie. : scfibimitil - ygaqso/isvoi 
(nl. sari), maar ook een (aanvankelijk als imperativus gebruikte) infinitivus 
zijn kan, die met den Gr. inf. op -psvtu te vergelijken is. — Men lette op de 
lange ! aan het einde. 



§ 201. 



b) imperfecti: 

scrib-e-ba-r 
scrlb-e-ba-ris (-re) 
scribe ba-tur 
scrTb-e ba-mur 
scrlb-e-ba mini 
scrib-e-ba-ntur 



ik werd geschreven 
enz. 



Deze vormen zijn na het besprokene in de vorige § doorzichtig genoeg. 



§ 202. 



c) futuri: 

scrlb-a-r ik zal geschreven worden 

scrlb-e-ris (-re) enz. 

scrlb-e-tur 

scrlb-e-mur 

scrlb-e-minl 

scrlb-e-ntur 



Vergelijking met het activum maakt deze vormen duidelijk. 



128 
§ 203. 



BUIGINGSLEER. 



§§ 203-204. 



2) Coniunctivus a) praesentis: 

scrlb-a-r (dat) ik worde geschreven 

scrlb-a-ris (-re) enz. 

scrlb-a-tur 

scrTb-a-mur 

scrib-a-minT 

scrlb-a-ntur 



b) 


imperfecti: 










scrl 


b-e-re-r 




(dat) 


ik werde 


geschreven (ik 


serf 


b-e-re-ris (- 


re) 


[zou 


geschreven worden) enz. 


scrl 


b-e-re-tur 










scrl 


b-e-re-mur 










scrl 


b-e-re-mini 










serf 


b-e-re-ntur 











De vormen van den coniunctivus in het passivum zijn, op dezelfde wijze als 
de in §§ 200—202 besprokene van den indicative, van het activum gevormd 
door toevoeging der uitgangen van het passivum. 

§ 204. 



3) Imperativus praesentis: 



(2 p. scrib-e-re 
sing.< ,, „ scrTb-i -tor 
1 3 p. scrlb-i-tbr 
J 2 p. scrib-i-mini 



plur. 



\ 3 p. sen b-u-ntor 



word geschreven 

gij moet geschreven worden 

hij (zij, het) moet geschr. worden 

wordt geschreven 

zij moeten geschreven worden 



Den 2den pers. sing, scrlbere (uit *scribese, ouder *scnb-e-so) vergelijke men 
met het Grieksche *yga(p-s-oo , ygdepov. — Dezen vorm op -re vindt men 
ook zeer dikwijls in den 2'den pers. sing. v. d. conjunct, (minder in den indie.) 
passivi, vooral in deponentia en bij oudere schrijvers. Vgl. § 200 en § 239. 

Aanm. 1. Over 't geheel komen deze vormen van den imperat. praes. 
pass, met werkelijk passieve beteekenis zelden voor (in de 2de personen 
in het geheel niet); daarenboven zijn zij onzeker op vele plaatsen. — Van 
verba deponentia worden ze echter, gelijk van zelf spreekt, veel gebruikt. 

AANM. 2. Van den imperativus praes. pass, vindt men bij deponentia 
in het oudere Latijn ook nog eenen vorm op -initio, die gebruikt wordt 
voor den 2den en 3den pers. sing., bijv. : fru-i-mino (van frui genieten) ; 
zoo ook van . vocaalstammen : antestamino (van antestan tot getuige nemen). 



I 



;§ 205-208. 



VERBA. ESSE. 



129 



205. 



4) Infinitivus praesentis: scrib-i geschreven 

[(te) worden 



De vorming van dezen infinitivus is nog niet voldoende verklaard. 

Tot in den klassieken tijd vindt men oude vormen op -ier, als; *figier voor 
flgi, * dicier voor did; zoo ook, van vocaalstammen, op -rier (vgl. §213, A. 3) : 
*mollrier voor mottri, *explerier voor expleft, *mutdrier voor mutarl. 

§ 206. 



5) Gerundivum: sen b-e-nd-us(, -a, -um) die (dat) geschre- 

[ven moet worden. 



Naast den uitgang -endus staat in het oude Latijn -undus (uit -ondos), 
dat ook later nog dikwijls gevonden wordt: faciundus, dicundus, gerandus, 
repetundus (pecuniae repetundae afpersingen) enz., met name in vormen die 
adiectiva geworden zijn: oriundus afkomstig (v. orior), secundus volgend (v. 
sequor). Vgl. over deze klankwisseling e/o § 13 Aanm.. 

B. Perfectumstam. 

Daar de tempora perfecta in het passivum door omschrijving 
gevormd worden (§ 211), heeft het passivum geen vormen die van 
den perfectumstam zijn afgeleid. 

Over het participium vgl. § 207. 

C. Supinumstam : script-. 

§ 207. Van den supinumstam wordt gewoonlijk het part. per/. pass. 
afgeleid, ofschoon het eigenlijk een anderen stam heeft (zie § 199, 1): 



Part, per/.: scnpt-us(, -a, -um) geschreven. 



De stam is senp-to-, gevormd als het eerste adiect. verbale in het Gr. ygaxro-g. 

20. SAMENGESTELDE TIJDEN. 

§ 208. De overige vormen van het passivum, evenals de infini- 
tivus futuri van het activum, worden gevormd door samenstel- 
ling met een hulpwerkwoord. 

Als hulpwerkwoord gebruikt men, op eene uitzondering na, het onre- 
gelmatige esse zijn, welks vervoeging we daarom laten voorafgaan. 

Vervoeging van esse. 

Esse zijn, heeft twee stammen: es- (met den zwakkeren vorm s-) 
en fu-: 

WOLTJER, Lat. Oramtn. 6e druk. g 



130 



BUIGINGSLEER. 



§ 208, 



!■ 



A. stam es- (s-) 



1) Indicativus 



2) Coniunctivus 



a) praesenlis 



sum 

es 

est 

sumus 

estis 

sunt 



ik ben 
gij zijt 
hij is 
wij zijn 
gij zijt 
zij zijn 



sim 

sis 

sit 

simus 

sit is 

sint 



(dat) ik zij 

g»j zijt . 
hij zij 
wij zijn 
gij zijt 
zij zijn 



b) imperfecti 



eram 

eras 

erat 

eramus 

eratis 

erant 



ik was 
enz. 



e s sem (dat) ik ware (ik zou 

esses enz. [zijn) 

esset 

essemus 

essetis 

essent 



§ 209. 



VERBA. ESSE. 



131 



c) futuri 



ero 

eris 

erit 

erimus 

e r itis 

erunt 



ik zal zijn 
enz. 



3) Imperativus praesentis 



(2 p. es wees 

Sing. < 2 p. esto gij moet zijn 

[3 p. esto hij moet zijn 

(2 p. este weest, zijt 

Plur. < 2 p. estate gij moet zijn 

I 3 p. sunto zij moeten zijn 

4) Infinitivus praesentis 
esse zijn 
Participium praesentis en gerundium ontbreken. 



B. stam fu- 



1) Indicativus 



2) Coniunctivus 



a) perfecti 



fui 
f uisti 
fuit 
fuimus 
f uistis 
fu erunt 



fueram ik 
fueras 
f u erat 
fu eramus 
fu eratis 
fu erant 



ik ben geweest 
enz. 



fuerim (dat) ik zij geweest 

fueris enz. 

f u erit 

fuerimus 

f ueritis 

fuerint 



b) plusquamperfecti 



was geweest enz. 



fuissem (dat) ik ware geweest 

fuisses [(ik zou geweest zijn) 

fuisset enz. 

fuissemus 

fuissetis 

f uissent 



c) futuri exacti 
ik zal geweest zijn 
enz. 



fuero 

fueris 
fuerit 
fuerimus 
f ueritis 
fuerint 

3) Infinitivus perfecti: fuisse geweest (te) zijn 

u futuri: futurus, -a, -um esse tezullenzijn 

4) Participium „ ; futurus, -a, -um zullende zijn 
Het supinum ontbreekt. 



§ 209. 1. Evenals dus de vormen van het werkwoord zijn: ik ben, gij. zijt, 
hij is, ik was enz. van verschillende stammen zijn afgeleid, zoo 00k die van 
het werkwoord sum: het heeft, gelijk reeds opgemerkt werd, twee stammen, 
te weten es- (met den zwakkeren vorm s-: § 13 Aanm.) en fu-. Van den eersten zijn 
gevormd alle vormen van het praesens, het imperfectum en het futurum (behalve 
het particip. futuri), dus de tempora imperfecta; van den stam fu- worden de 
overige vormen : de tempora perfecta en het partic. (en de inf.) futuri, gemaakt. 

2. Van den zwakkeren stamvorm s- komen in het praesens de vormen met 
themavocaal van den indicativus (sum, sumus, sunt) en de coniunctivus (sim 
enz.) (benevens het participium praesentis der composita (zie onder 5)) ; van den 
stamvorm es- de overige vormen van den indicat. praes., de imperativus (be- 
halve sunto) en inf. praes., de indie, imperf. en tut, de conjunct, imperf.. 

De 2de pers. sing, es is ontstaan uit *es-si (vgl. Gr. Horn, iaat), met apocope 
van de i en verenkeling van den dubbelen medeklinker (vgl. § 23, B, b). 
Plautus moet (blijkens het metrum) voor een klinker nog ess hebben gesproken, 
daar bij hem es altijd positione lang is (es: vgl.§ 32); de uitspraak es ont- 

9* 



132 



BUIGINGSLEER. 



§ 210. 



stond voor consonanten (vgl. § 24, 5 a), raaar kwam langzamerhand ook voor 
klinkers in gebruik. 

3. Ero (uit *es-o: § 27) is de oude coniunctivus praesentis (vgl. Gr. co 
uit i[a]-o>), die met de beteekenis van een futurum gebruikt werd ; als coniunc- 
tivus bezigde men in plaats daarvan de vormen s-i-m, s-I-s, s-i-t (ouder *s-ie-m, 
*s-ie-s, *s-ie-t, die, onder invloed van het meervoud, door sim, sis, sit ver- 
drongen zijn), s-I-mus, s-I-tis, s-i-nt, resten van een in het Latijn uitgestorven 
modus optativus (wenschende wijs, eig. : moge ik zijn): de verhouding van 
*s-ie-m (uit *s-ie-m) tot s-J-mus is dezelfde als die van si'ijv (uit *ea-i^-v) tot 
sl/isv (uit *sa-i-(isv): klankwisseling ie — I: vgl. § 13, Aanm.. 

Bij Plautus vindt men nog sit. 

4. In het imperfectum is de s van den stam tusschen twee vocalen over- 
gegaan in r, dus eram voor *es-dm (vgl. § 27 en § 194): eram is het eenige 
imperfectum, dat niet met -bam samengesteld is. 

Over den coniunct. imperf. vgl. § 190. 

5. Het participium praes. bestaat alleen nog in de samenstellingen absens 
afwezig, en praesens tegenwoordig, die op een vorm 'sens wijzen ; de oor- 
spronkelijke vorm moet echter *sons geweest zijn (vgl. Gr. &v, 6'vrog), wellicht 
nog over in het adiect. sons schuldig (eig. die het is). Caesar heeft een partici- 
pium *ens, gen. *entis, gevormd (naar analogie van potens), dat echter in de 
geschriften der Lat. schrijvers, die wij bezitten, niet gebruikt is. 

Aanm. 1. De vervoeging van sum toont ons een overblijfsel der ver- 
voeging op -m(i) in 't Latijn: vgl. § 186. In es, es-t, es-ti-s enz. ontbreekt 
de them, vocaal (zie onder 2). 

6. Het pert, is rechtstreeks gevormd van den stam fa- (§ 234; vgl. § 187, 
A. 1); zoo ook het plusquamperf. en de overige vormen die afgeleid worden 
van den perfectumstam. 

Aanm. 2. Van denzelfden stam fa- komen de vormen foretn (uit 
*fo-sem, ouder *fu-sem), fores, foret en forent (= essem, esses, esset 
en essent) en fore (= futurum esse). Voor te zullen zijn, verbonden 
met een participium, wordt gewoonlijk fore gebezigd, niet futurum esse-, 
mare refertum fore praedonum dat de zee vervuld zal zijn van zeeroovers ; 
me satis adeptam fore dat ik genoeg verkregen zal hebbeii. 

Aanm. 3. In het oude Latijn vindt men van dezen stam fa- nog een 
coniunct. praesentis: *fuam, "fuas, *fuat, *faant = sim, sis, sit, sint. 

§ 210. Gemakshalve noemen we hier tevens de samenstellingen 
{composite!) van sum, die in gebruik zijn: 



absum 


afu! (§30) 


abesse 


verwijderd, afwezig zijn 


adsum 


adful 


adesse 


tegenwoordig, aanwezig zijn 


desum 


defu! 


deesse 


ontbreken 


insum 




inesse 


(ergens) in zijn 


intersum 


interful 


interesse 


(ergens) tusschen of bij zijn 


obsum 


obf ul 


obesse 


tegen zijn, nadeelig zijn, schaden 


possum 


potuT 


posse 


kunnen (§ 256) 


praesum 


praeful 


praeesse 


aan 't hoofd staan 


prosum 


profui 


prodesse 


baten, voordeelig zijn 


subsum 




subesse 


onder (iets) zijn 


supersum 


superful- 


superesse 


oveng zijn. 






§ 211. 



VERBA. ESSE. 



133 



Aanm. Prosum is ontstaan uit *prod-sum ^pros-sum, pro-sum); voor 
de e keert de vorm prod- terug: prodest, proderam. Vgl. § 30. 

§ 211. a) Met het hulpww. sum zijn de volgende vormen 
van het werkwoord samengesteld: 

I) van het activum : 



de infinitivus faturi: senpturus (-a, -um) esse te zullen 

[schrijven 



Aanm. De coniugatio periphrastica behoort niet tot de gewone vormen 
van het werkwoord en wordt daarom later besproken (§ 230). 

II) van het passivum : 

het perfectum, het plusquamperf ectum en het futurum exactum : 



1) Indicativus 



2) Coniunctivus 



a) perfecti 



( sim 
s c r T p t u s, -a, -u m < s i s 
(sit 



[sum 
scriptus, -a, -um < es 

lest 

fsumus fsTmus 

script!, -a.e, -a < estis script!, -ae, -a < sTtis 

(.sunt (sint 

ik ben geschreven (dat) ik zij geschreven 

b) plusquamperfecti 



( eram 
scriptus, -a, -umieras 
(erat 



scripti, -ae 



[eramus 
, -a < erat is 
(erant 
ik was geschreven 



lessem 
scriptus, -a, -um esses 

( esset 

C essemus 
script!, -ae, -a < essetis 

(essent 
(dat) ik ware geschreven 



c) futuri exacti 

f ero 
scriptus, -a, -um< eris 

(erit 

f erimus 
script!, -ae, -a < eritis 

(.erunt 
ik zal geschreven zijn 

3) Infin. perf. : scriptus (-a, -um) esse geschreven (te) zijn. 



134 



BUIGINGSLEER. 



§ 212. 



b) Met Ire gaan, samengesteld is de infinitivus f atari passive: 
hij wordt gevormd, door het supinum op -um te verbinden met den 
infinitivus praesentis passivi van dit werkwoord (vgl. § 259): 



scrip turn in geschreven te zullen worden 



Om dezen vorm te verklaren, moet men uitgaan van het onpersoonlijke 
gebruik van het passivum : aan scriptum eo epistulam ik begeef mij om een 
brief te schrijven, ik ga een brief schrijven, beantwoordt in het passivum: 
scriptum itur epistulam (§ 259) men gaat een brief schrijven; en daarbij was 
de infinitivus : scriptum iri epistulam. Hoe het onpersoonlijke passivum in het 
persoonlijke over kon gaan, blijkt uit eene plaats bij den ouden Cato: 
contumelia, quae mihi factum itur. 



B. VERVOEGING DER REGELMATIGE VOCAALSTAMMEN. 

Praesensstam. 

§ 212. De vervoeging der regelmatige vocaalstammen op I, e 
en a komt over het algemeen met die der consonantstammen overeen. 

Het minst wijken de T-stammen van de consonantstammen af; meer 
verschil vertoonen de e- en a-stammen, die onderling weer dichter bij 
elkaar staan (zoo bijv. in de vorming van het futurum op -bo). 

In hoofdzaak laten de afwijkingen zich daaruit verklaren, dat bij de 
vocaalstammen de laatste letter (kenletter) van den praesensstam een 
kl inker is; de a- en e-stammen onderscheiden zich echter ook door 
eene andere vorming van het futurum, de a-stammen bovendien nog 
van den coniunctivus praesentis. 

De wijze waarop de verschillende van den praesensstam afgeleide 
vormen der verba vocalia waarschijnlijk zijn ontstaan, is te ingewikkeld, 
om haar hier in bijzonderheden uiteen te zetten. Men doet het eenvou- 
digst, zich voor te stellen, dat onder bepaalde omstandigheden 
de thematische vocaal (§ 186, kleine letter), die, naar de vervoe- 
ging van scrlbo gerekend, op den stamklinker zou moeten volgen, 
ontbreekt of met den stamklinker samengetrokken is. 

De stamklinker behoudt in dat geval zijne oorspronke- 
lijke lange quantiteit, behalve voor de uitgangen -m, -t, 
-nt, -nt- (-nto enz.), -nd- en -r, waarvoor hij verkort wordt (audls, 
maar audit; deles maar delet; laudas, maar lauddt; vgl. § 16 b). 

Aanm. In het oudere Latijn (Plautus e. a.) vindt men nog den langen 
klinker voor den uitgang -t: sell, videt, arat, enz.. 

Eveneens kort is de stamklinker in die vormen die geheel naar scrlbo 
gaan : audlunt, audiam, deleam (dus ook audio, deled). 



§§ 213-214. 



VERBA. VOCAALSTAMMEN. 



135 



1) I-stammen: 

§ 213. Audio ik hoor, praesens- (en verbaal-)stam : audi-. 

a) Volgt, naar de vervoeging van scrlbo gerekend, op de stamken- 
letter I een a, e, o of u, dan heeft geen verandering plaats, behalve 
dat de stamklinker verkort wordt (§ 34): audi-o, audi-am, audi-ebam, 
audi-es, audi-unt. 

Aanm. 1. Zoo ook audt-et, omdat de e oorspronkelijk lang was (vgl. 
audi-etur); audt-endus, omdat de e met u (o) wisselt (§ 206). 

Aanm. 2. Naast -iebam vindt men in de oudere poezie en ook bij 
latere dichters dikwijls -Ibam als uitgang van het imperf. : sclbam, letiibat, 
nutribat. Ofschoon Plautus -Ibam meer gebruikt dan -iebam, is het toch 
niet waarschijnlijk, dat men hier met oorspronkelijke vormen te doen heeft : 
veeleer schijnt -ibam ontstaan naar analogie van het imperfectum der e- 
en a-stammen (audlbam bij audlre, zooals lauddbam bij lauddre).] 

Bij het imperfectum op -Tbam ontstaat dan soms weer een futurum op 
-l bo (in plaats van -lam), dat echter veel minder voorkomt : sclbis (= scies), 
leriibunt. 

b) Zou, naar de vervoeging van scrlbo gerekend, op de stamken- 
letter I een andere i of korte e moeten volgen, dan ontbreekt deze, 
maar is de stamkenletter lang (behalve voor -t: zie § 212), dus: 

niet: *audi-is, maar: audl-s;, 



'"audi- itur, 
*audl-erem, 
*audi-e, 
*audi-ere, 
* audi- it, 



: audl-tur; 
: audi-rem; 
: audi; 
: audl-re; 
: audi-t; enz. 



c) De infin. praes. pass, eindigt op -ri : audiri. 

Aanm. 3. Deze vorm is evenmin nog voldoende verklaard als de inf. 
praes. pass, der consonantstammen. Daar -r- hier oorspronkelijk schijnt te 
zijn (niet, zooals in den inf. praes. act., uit s ontstaan), kunnen de inf. op 
-re en op -ri moeilijk samenhangen. Over vormen op -rier, vgl. § 205. 



2) E-stammen: 

§ 214. Deled ik verdelg, praesens- (en verbaal-)stam : dele-. 

a) Volgt, naar de vervoeging van scrlbo gerekend, op de stamken- 
letter e een a of o, dan heeft geen verandering plaats, behalve dat de 
stamklinker verkort wordt (§ 34): dele-o, dele-am. 

b) Zou, naar de vervoeging van scrlbo gerekend, op de stamken- 
letter e een andere e, een i of een u moeten volgen, dan ontbreekt 
deze, maar is de stamkenletter lang (behalve voor -t, -nt (-nt-) en -nd- : 
zie § 212), dus: 



136 



BUIGINGSLEER. 


niet: *dele-e, 


maar: dele; 


» : "dele-ere, 


» 


dele- re; 


„ : * dele-erem, 


a 


dele- rem; 


„ : * dele-is, 


a 


deles ; 


„ : *dele-imus, 


a 


dele-mus; 


„ : * dele- it, 


a 


dele-t; 


» : * dele-tint, 


a 


dele-nt; 


i, : *dele-undus, 


u 


dele-ndus; enz 



§ 215. 



c) De indicat. futuri gaat niet uit op -am, pass.: -ar, maar op -bo 
(-bis, -bit, enz., als scribo), pass.: -bor (-beds, -bitur, enz., als scrlbor); 
voor den uilgang -bo is de stamklinker altijd lang: delebo. 

Aanm. Deze nieuwe uitgang -bo is, op gelijke wijze als -bam in 't 
imperfectum, gevormd, 1 van den wortel bhu- (zie § 187, A. 1). Men be- 
denke, dat het gewone e-futurum gelijkluidend zou zijn geweest met den 
indicativus. 

d) De in/in. praes. pass, eindigt op -rl: delerl. 

3) A-stammen : 

§ 215. Laudd ik prijs, praesens- (en verbaal-)stam : laudd-. 
^ a) Zou, naar de vervoeging van scrlbo gerekend, op de stamkenletter 
a een e, een i of een u moeten volgen, dan ontbreekt deze, maar is 
de stamkenletter lang (behalve voor -t, -nt (-nt-) en -nd-: zie § 212); dus: 
niet: *lauda-e, maar: laudd; 

„ : *lauda-ere, „ : laudd-re; 

,i : "lauda-erem, „ : laudd-rem; 

„ : "lauda-is, „ : laudd- s; 

„ : *lauda-it, „ : lauda-t; 

„ : *lauda-unt, „ : laudd-nt; enz.. 

b) In den l sten pers. sing, indicat. praes. is de stamklinker met den 
uitgang samengetrokken : *laudd-o wordt laudd; zoo ook in het pas- 
sivum: laudd-or, laudor (uit "laudor, met verkorting van de 6 overeen- 
komstig § 16 6; vgl. § 41). 



c) De coniunctivus praesentis gaat uit op -em : 
laudel, enz.; pass.: lauder, lauderis, laudetur, enz.. 



laudem, laudes, 



Aanm. 1. Deze coniunctivus is een overblijfsel van den ouden coniunc- 
tivus op -e-, die in andere conjugates als futurum gebruikt werd (§ 188). 
De a-coniunctivus was voor de a-stammen onbruikbaar, daar hij met den 
indicativus zou zijn samengevallen. 

Aanm. 2. Doordat de klinker die op den stamklinker volgde, hier lang 
was, is niet deze, maar de eerste gebleven : *lauda-etis, laudetis (in laudem 
enz. later verkort). 



§§ 216-217. 



VERBA. VOCAALSTAMMEN. 



137 



d) De indicat. futuri gaat uit op -bo, pass.: -bor; voor den uit- 
gang -bo is de stamklinker altijd lang: laudd-bo. 

e) De in/in. praes. pass, eindigt op -rl: laudd-rl. 

B. Perfectum- en supinumstara. 

§ 216. Het perfectum der regelmatige vocaalstammen gaat uit op -vT: 
voor den uitgang -vl is de stamklinker lang: audl-vi, dele-vi, laudd-vT. 

Het supinum wordt evenzoo gevormd als bij scribo: audl-tum, dele- 
tutn, laudd-tum. 



PARADIGMATA. 

§ 217. Om een goed overzicht te geven, laten we nu de paradig- 
mata of voorbeelden volgen van de vervoeging der tot dusver 
besproken verba; daar scribo reeds in zijn geheel behandeld is, nemen 
we als consonants tarn nu carpb ik pluk: 

1°. consonantst. (3 de conjug.) : carpo ik pluk, praes.st. en verb.st. : carp-; 
2°. T-st. (4 de „ ) : audio ik hoor, ,, „ „ -.audi-; 

30. e-st. (2 de „ ) : deled ik verdelg, „ „ „ -.dele-; 

4°. a- st. (lste „ ) : i aa do ik prijs, „ „ „ -.laudd-. 



138 



BUIGINGSLEER. 



I. ACTIVUM 



§§ 218-221. 



A. Tempora imperfecta 





1) 


Indicativus 






a) 


praesentis 




§ 218. 


§ 219. 


§ 220. 


§ 221. 


carpo ik pluk 


audio ik hoor 


deleo ik verdelg 


laudo ik prijs 


carpis 


audls 


deles 


laudas 


carpit 


audit 


delet 


laudat 


carpimus 


audimus 


delemus 


laudamus 


carpitis 


audTtis 


deletis 


laudatis 


carpunt 


audiunt 


delent 


laudant 




b) 


imperf ecti 





carpebam ik plukte 

carpebas 

carpebat 

carpebamus 

carpebatis 

carpebant 



audiebam ik hoorde delebam ik verdelgde laudabam ik prees 

audiebas delebas laudabas 

audiebat delebat laudabat 

audiebamus delebamus laudabamus 

audiebatis delebatis laudabatis 

audiebant delebant laudabant 

c) f u t u r i 



carpam ikzalplukken audiam ikzalhooren 
carpes audies 

carpet audiet 

carpemus audiemus 

carpetis audietis 

carpent audient 



Azlcbbikzalverdelgenlattddbo ik zal prijzen 
delebis • laudabis 

delebit laudabit 

delebimus laudabimus 

delebitis laudabitis 

delebunt laudabunt 



2) Coniunctivus 

a) praesentis 

carpam {dat) ik plukke audiam (dat)ik hoore deleam (dat) ikver- 

delge 



carpas 

carpat 

carpamus 

carpatis 

carpant 



audias 

audiat 

audiamus 

audiatis 

audiant 



deleas 

deleat 

deleamus 

deleatis 

deleant 



laudem (dat) ikprijze 

laudes 

laudet 

laudemus 

laudetis 

laudent 



§§ 222-225. VERBA. PARADIGMATA. 139 



II. PASSIVUM 

A. Tempora imperfecta 

1) Indicativus 

a) praesentis 

§ 222. § 223. § 224. § 225. 

carport wordgeplukt mdior ik word ge- deleor ik word ver- laudor ik word ge- 

carperis audiris hoord deleris delgd laudaris prezen 

carpitur audltur deletur laudatur 

carpimur audlmur delemur laudamur 

carpimini audlmini delemini laudamini 



carpunlur 



audiuntur 



delentur 



b) imperfecti 



laudantur 



carpebar ik werdgepl. audiebar ik werdge- delebar ik werd ver- laudabar ik werd ge- 



carpebaris 

carpebatur 

carpebamur 

carpebaminT 

carpebantur 



carpar ik zal gepl. 

carperis worden 

carpetur 

carpemur 

carpemini 

carpentur 



audiebaris 

audiebatur 

audiebamur 

audiebamini 

audiebantur 



hoord delebaris 
delebatur 
delebamur 
delebamini 
delebantur 

c) futuri 



delgd laudabaris 
laudabatur 
laudabamur 
laudabamini 
laudabantur 



prezen 



audiar ik zal geh. 

audieris worden 

audietur 

audiemur 

audiemim 

audientur 



delebor ik zal verd. laudabor ik zal gepr. 
deleberis worden laudaberis worden 
delebitur laudabitur 

delebimur laudabimur 

delebimini laudabiminl 

delebuntur laudabuntur 



2) Coniunctivus 



praesentis 



carpar (dat) ik worde audiar (dat)ikworde delear (dat) ik worde lauder (dat) ik wprde 



carpans 

carpatur 

carpamur 

carpamini 

carpantur 



gepl. 



audiaris 

audiatur 

audiamur 

audiamini 

audiantur 



geh. 



delearis 

deleatur 

deleamur 

deleamini 

deleantur 



verd. 



lauderis 

laudetur 

laudemur 

laudemini 

laudentur 



gepr. 



140 



carperem {dat) ik 
carperes plukte 
carperet 
carperemus 
carperetis 



BUIGINGSLEER. 



b) imperfecti 



§§ 218-221. 



carperent 



carpe pluk 
carpito gij moet pi. 
carpi to hij moet pi. 
carpite plukt 
carpitote gij moet pi. 



audlrem {dat) ik 

audlres hoorde 

audlret 

audlremus 

audlretis 

audfrent 



delerem {dat) ik Iaudarem {dat) ik 
deleres verdelgde laudares preze 

deleret laudaret 

deleremus laudaremus 

deleretis laudaretis 



delerent 



laudarent 



3) Imperativus praesentis 






audi hoor dele verdelg lauda 

audlto gij moet h. delefo gijmoetverd. laudato 

audlto hij moet h. deleto hij moet verd. laudato 

audlte hoort delete verdelgt laudate 



pnjs 

gij moet pr. 
hij moet pr. 
prijst 



auditote gij moet h. deletote gijmoetverd. laudatote gij moet pr. 
carpunto zijmoetenpl. audiunto zij moeten h. delento zijmoeten verd. laudanto zij moeten pr. 



carpe re plakktn 



carpturus, -a, -um 
esse te zull. plukk. 



4) Infinitivus a) praesentis 

audlre hooren delere verdelgen 

b) futuri 

auditurus, -a, -um deleturus, -a, -um 
esse te zull. hooren esse te zull. verd. 

5) Participium a) praesentis 



Iaudare prijzen 



laudaturus, -a, -um 
esse te zull. prijzen 



carpens, -entis pluk- audiens, -entis hoo- delens, -entis verdel- laudans, -antis prij- 



kend 



rend 

b) futuri 



gend zend 



carpturus, -a, -um 
zullende plukken 



carpendl 

carpendo 

(ad) carpendum 

carpendo 

van het plukken 

aan „ „ 

{tot) „ „ 

door „ „ 



auditurus, -a, -um 
zullende hooren 



deleturus, -a, -um 
zullende verdelgen 



laudaturus, -a, -um 
zullende prijzen 



6) 
audiendi 
audiendo 
(ad) audiendum 
audiendo 
van het hooren 
aan » „ 
{tot) „ „ 
door „ „ 



Gerundium 

delendl 

delendo 

(ad) delendum 

delendo 

van het verdelgen 

aan ,, » 

{tot) „ „ 

door „ h 



laudandl 

laudando 

(ad) laudandum 

laudando 

van het prijzen 

aan „ „ 

{tot) » „ 

door „ „ 



7) Supinum 

carptum omte plukken audltum om te hooren deletum omteverdelgen laudatum omte prijzen 
carptu te plukken audltu te hooren deletu te verdelgen laudatu te prijzen 



5§ 222-225. 



VERBA. PARADIGMATA. 



141 



b) imperfecti 

carperer {dat) ik wer- audirer {dat) ik wer- delerer {dat) ik wer- laudarer {dat) ik werde 

carpereris de gepl. audlreris de geh. delereris de verd. laudareris gepr. 

carperetur audTretur deleretur laudaretur 

carperemur audlremur deleremur laudaremur 



carperemini 
carperentur 



audiremini 
audirentur 



deleremim 
delerentur 



laudaremini 
laudarentur 



3) Imperativus praesentis 

carpere wordgeplukt audlre wordgehoord delere word verdelgd Iaudare word geprezen 

carpitor gij m. gepl. w. auditor gij moetgeh. w. deletor ggm. verd. w. laudator gij m. gepr. w. 

carpitor hijm.gepl. w. auditor hij m. geh. w. deletor hijm. verd. w. laudator hij m. gepr. w. 

carxixxximiwordtgepl. audlminl wordt geh. feXtmmlwordtverd. laudamini wordt gepr. 

carpuntor zijmoeten audiuntor zij moeten delentor zij moeten laudantor zij moeten 
gepl. worden geh. worden verd. worden gepr. worden 

4) Infinitivus a) praesentis 

carpi gepl. te worden audlri geh. te worden deleri verd. te worden laudari gepr. te worden 

b) futuri 

carptum in gepl. te auditum Iri gehoord deletum Iri verd. te laudatum In gepr. te 
zullen worden te zullen worden zullen worden zullen worden 



5) Gerundivum 

carpendus, -a, -um audiendus, -a, -um delendus, -a, -um laudandus, -a, -um 
die geplukt moet die gehoord moet die verdelgd moet die geprezen moet 



worden 



worden 



worden 



worden 



142 



BUIGINGSLEER. 

B. Tempora perfecta 
1) Indicativus 

a) perfecti 



§§ 218-221. 



carps! ik heb geplukt audlvl ik heb gehoord delevT ik heb verdelgd laudavi ik hebgeprezen 

carpsisti audTvisti delevisti laudavisti 

carpsit audTvit 

carpsimus audlvimus 

carpsistis audlvistis 

carpserunt audfverunt 



delevisti 

delevit 

delevimus 

delevistis 

deleverunt 



laudavisti 

laudavit 

laudavimus 

laudavTstis 

laudaverunt 



b) plusq uamperfecti 
carpseram ik hadge- audiveram ik hadge- deleveram ikhadver- laudaveram ik hadge- 



carpseras 
carpserat 
carpseram us 
carpseratis 
carpserant 



plakt audTveras 
audlverat 
audiverimus 
audlveritis 
audlverant 



hoard deleveras 
deleverat 
deleveramus 
deleveratis 
deleverant 



delgd laudaveras 
laudaverat 
laudaveramus 
laudaveratis 
laudaverant 



prezen 



c) futuri exacti 
carpsero ik zalgepl. audlvero ik zal geh. delevero ik zal verd. laudzv cr 6 ik zal gepr. 



carpsens 

carpserit 

carpserimus 

carpseritis 

carpserint 



hebben audlveris 
audlverit 
audiverimus 
audlveritis 
audiverint 



hebben deleveris 
deleverit 
deleverimus 
deleveritis 
deleverint 



hebben laudaveris 
laudaverit 
Iaudaverimus 
laudaveritis 
laudaverint 



hebben 



2) Coniunctivus 

a) perfecti 
carpserim (dat) ik heb- zudiver\m(dat)ikheb-&&\e\zrim(dat)ikheb-\&\idaNzrim (dat) ik 



carpseris be gepl. audlveris 
carpserit audlverit 

carpserimus audiverimus 

carpseritis audlveritis 

carpserint audiverint 



be geh. deleveris be verdelgd laudaveris hebbe 

deleverit laudaverit geprezen 

deleverimus Iaudaverimus 

deleveritis laudaveritis 

deleverint laudaverint 



§§ 222-225. 



f sum 
carptus, I es 

-a, -um| est 

,_ f sumus 
car P fi ' estis 
" ae > " a | sunt 
ik ben geplukt 



I eram 
carptus, I - 
v { eras 
-a, -urn 
' I erat 

f eramus 

< eratis 



carpti, 
-ae. -a 



{ erant 
ik was geplukt 



carptus, I 
-a, -um 



carpti, 
-ae. -a 



ero 
x eris 
t erit 

f erimus 



< eritis 
[ erunt 
ik zal geplukt zi/n 



f sim 
carptus, I 

-a, -um( sit 

r simus 



carpti, 
-ae, -a 



< sitis 
I sint 
(dat) ik zi/ geplukt 



VERBA. PARADIGMATA. 

B. Tempora perfecta 
1) Indicativus 

a) perfecti 



auditus. ! 



-a, -um 



■'i 



sum 

es 

est 



deletus? 
-a, -um 



sum 

es 

est 



,_„ f sumus 
auditi, ,. 

' < estis 

' " [sunt 



1 

T sumus 



deleti, I 

' < estis 

" ae - " a I sunt 



ik ben gehoord ik ben verdelgd 

b) plusquamperfecti 



,;, f eram 
auditus, 

'{ eras 

- a '- um |erat 

,_,_ f eramus 
auditi, J -,. 
' { eratis 

' " [erant 

ik was gehoord 



eram 



deletus. I 

< eras 

- a '- um [erat 

,-,__ ( eramus 
deleti, 

' < eratis 

-ae, -a , 

I erant 

ik was verdelgd 



c) futuri exacti 



auditus, 

'< ens 

- a '- um lerit 

,_„_ f erimus 
auditi, ... 

' { entis 
-ae, -a , 

' { erunt 

ik zal gehoord zijn 



deletus, J arl 
-a, -um I 



ero 
eris 
erit 



_,_._,_ { erimus 
deleti, ... 

' < eritis 

' [erunt 

ik zal verdelgd zijn 



2) Coniunctivus 



J: 



a) 



auditus, ' ' 

< sis 
-a, -um[. t 

, . f simus 
audIfi - sitis 
- ae ' " a I sint 



perfect] 

deletus, J 



f sim 



. sis 
um I sit 



,_._,_ f simus 
deleti. I _„ 
' sitis 



-ae, -a | 



sint 



143 



fsum 
laudatus, J 

' < es 
-a, -um | est 

f sumus 
laudati, ,. 

' < estis 

' " [sunt 

ik ben geprezen 



.J: 



laudatus, ' 

< eras 
-um 



laudati, 
-ae, -a 



erat 
( eramus 
< eratis 
{ erant 



ik was geprezen 



laudatus, J . 
' i ens 
-a, -um 1 erft 



erimus 



< eritis 
I erunt 



laudati, 
-ae, -a 

ik zal geprezen zijn 



(dat) ik zij gehoord (dat) ik zij verdelgd 



laudatus, J _ 
' { sis 

um Isit 

f simus 

< sitis 
-ae, -a I . . 
' I sint 

(dat) ik zij geprezen 



-a, 



laudati, 



144 



BUIGINGSLEER. 



§ 226. 



§ 226. 



VERBA. DEPONENTIA. 



145 



b) plusquamperfecti 

carpsissem (dat) ik audivissem (dat) ik delevissem (dat) ik laudavissem {dot) ik 

carpsisses haddegepl. audivisses haddegeh. delevisses hadde verd. laudavisses hadde 

carpsisset audlvisset delevisset laudavisset geprezcn 

carpsissemus audTvissemus delevissemus laudavissemus 

carpsissetis audivissetis delevissetis laudavissetis 

carpsissent audivissent delevissent laudavissent 



3) Infinitivus perfecti 

carpsisse geplukt te audlvisse gehoordte delevisse verdelgd te laudavisse geprezen 
hebben hebben hebben te hebben. 



b) plusquamperfecti 



C. VERVOEGING DER VERBA DEPONENTIA. 

§ 226. Gelijk in § 181 reeds opgemerkt werd, bestaan er in het 
Latijn verschillende werkwoorden die bijna uitsluitend p a s s i e v e 
vormen hebben, maar met actieve (of reflexieve) beteekenis: 
de zoogen. verba deponentia: loquor ik spreek; laetor (a) ik ver- 
heug mij. 

Aan het activam ontleenen deze werkwoorden slechts het meerendeel 
hunner nominaalvormen (§ 183): 

het participium praesentis, 

het participium futuri, 

den infinitivus futuri (dus nooit locutum iril), 

het gerundium en 

het supinum. 

Passieve beteekenis heeft alleen hun gerundivum. 

Aanm. 1. Van sommige deponentia heeft ook het participium perfecti 
passieve beteekenis : vgl. § 308. 

Aanm. 2. De benaming deponens, die de Romeinsche taalgeleerden voor 
deze werkwoorden bezigden, berust in ieder geval op eene onjuiste voor- 
stelling: inderdaad is de verklaring der deponentia te zoeken in 
i het wezen van het Latijnsche passivum. 

Het Latijnsche passivum is nl. eigenlijk een medio-passivum, d. w. z. 
het dient ook tot aanduiding van een genus dat bij het Grieksche werk- 



f essem 

w ^\ esses 

' " [ esset 

( essemus 

P ' < essetis 
-ae, -a , - 

I essent 

dat) ik waregepl. 



carptus, -a, -urn esse 
geplukt te zijn 



carptus, -a, -um 
geplukt 



{ essem ._,_, 

J „ -„ deletus, ] 

< esses ' ; esses 

' a '- Um lesset " a - " um I esset 

, f essemus ,- rr [essemus 

1 < essetis ^ ' < essetis 



( essem 



' " [essent 
(dat) ik ware gen. (dat) ik ware verd. 



-ae, -a 

I essent 



3) Infinitivus perfecti 

audTtus, -a, -um esse deletus, -a, -um esse 
gehoord te zijn verdelgd te zijn 

4) Participium perfecti 

audTtus, -a, -um deletus, -a, -um 
gehoord verdelgd 



laudatus, , 

' < esses 
-a, -um 
' I. esset 

,_._ f essemus 
laudati, 

' < essetis 

' [ essent 

(dat) ik waregepr. 



laudatus, -a, -um esse 
geprezen te zijn 



laudatus, -a, -um 
geprezen. 






woord eene belangrijke rol speelt, maar in het Latijn als zoodanig verdwe- 
nen is: het medium. Vgl. § 200. 

Het medium geeft te kennen, dat het subject nog op eene andere wijze 
dan als subject bij de door het werkwoord uitgedrukte handeling (toestand 
enz.) betrokken is, de handeling voor zich zelf, aan zich zelf met het oog 
op zich zelf verricht, m. a. w. dat de drager der handeling daarvan eene 
of andere terugwerking ondervindt. 

Het staat dus, wat zijne beteekenis aangaat, in het midden tusschen het 
activam en het passivum ■ daaraan ontleent het zijn naam ; inderdaad is 
het echter oorspronkelijker dan het passivum, en heeft het passieve gebruik 
zich nit het mediale in dier voege ontwikkeld, dat in het medium de eene 
zijde — de werking van het subject — op den achtergrond geraakte, en 
alleen de andere — de aan het subject uitgeoefende werking — bleef: 
zoo wordt bijv. lavor ik wasch mij, tot : ik word gewasschen, wanneer op het 
object der handeling alle nadruk valt. Vandaar dat in het Latijn vele 
passieve verba nog reflexieve (d. i. mediale) beteekenis hebben: moveor 
ik beweeg mij, enz.. Vgl. § 494. 

De beteekenis nu van sommige werkwoorden bracht mede, dat ze van 
huis uit bij voorkeur in dit medium gebruikt werden, omdat ze reeds op 
zich zelf eene nadere betrekking van het subject tot de handeling (toestand, 
gebeurtenis) aanduidden (bijv. de verba die een voelen uitdrukken: vgl. in 
het Latijn vereor ik vrees, irascor ik word toornig, enz.). 

In het Latijn echter trad het passivum hier in de plaats van het medium, 
en kwamen zulke werkwoorden dus voornamelijk of uitsluitend in het 
passivum voor. 

De Latijnsche deponentia zijn derhalve oorspronkelijk zoogen. 
WOLTJER, Lat. Gramm. 6e druk. io 



146 



BUIGINGSLEER. 



§§ 226a -227. 



media tantum, d. w. z. werkwoorden die tengevolge van hun beteekenis 
altijd of bijna altijd in den medialen vorm gebezigd werden. 

Later werd de schakeering, die tot het gebruik van den medialen vorm 
aanleiding gaf, dikwijls niet meer gevoeld ; maar de mediale vorm bleef: 
vgl. bijv. reor en ptito (beide: ik meen). Vele deponentia verraden echter 
nog door hun reflexieve beteekenis hun oorsprong: ulciscor ik wreek mij, 
proficiscor ik begeef mij op weg, vertrek, laetor ik verheug mij, enz. Vgl. 
§ 494, A. 2. 

Wanneer men met dezen oorsprong der deponentia rekening houdt, 
begrijpt men tevens, dat ze geen scherp begrensde groep vormen, maar 
dikwijls met activa wisselen : vgl. bijv. mereo ik verdien en mereor (bij ons 
bijv. keeren (intrans.) en zich (om)keeren). De nadere betrekking tot het 
subject behoefde niet altijd uitgedrukt te worden; gelijk ook wij kunnen 
zeggen: hij nam zich eene vrouw, of: hij nam eene vrouw. 

De vormen der regelmatige deponentia komen op dezelfde wijze tot 
stand als de overeenkomstige der andere regelmatige werkwoorden. 



PARAD1GMATA. 

A. Tempora imperfecta 
1) Indicativus 

a) praesentis 



. § 226a. 

loquor 

loqueris 

loquitur 

loquimur 

loquiminl 

loquuntur 



ik spreek 

gij spreekt 

hij, zij, het spreekt 

wij spreken 

gij spreekt 

zij spreken 



§ 227. 

blandior 

blandlris 

blandltur 

blandlmur 

blandimini 

blandiuntur 



loqiiebar ik sprak 
loquebaris gij spraakt 
loquebatur hij sprak 
loquebamur wij spraken 
loquebaminl gij spraakt 
loquebantur zij spraken 



b) imperfect! 

blandiebar 

blandiebaris 

blandiebatur 

blandiebamur 

blandiebaminT 

blandiebantur 



ik vlei 

gij vleit 

hij, zij, het vleit 

wij vleien 

gij vleit 

zij vleien 



ik vleide 
gij vleidet 
hij vleide 
wij vleiden 
gij vleidet 
zij vleiden 



§§ 228-229. 



VERBA. DEPONENTIA. 



147 



Omdat echter het onderscheid in beteekenis verwarring zou kunnen 
veroorzaken, laten we hier de paradigmata der verschillende conju- 
gaties in hun geheel volgen. 



We nemen daartoe: 

als consonantstam : 

„ I-stam : 

» e-stam : 

n a-stam : 



loquor ik spreek, 
blandior ik vlei, 
vereor ik vrees, 



locutus sum, loqui(§ 184) 
blanditus sum, blandin 
verftus sum, vereri 



hortor ik vermaan, hortatas sum, hortan. 



Aanm. 3. In blandior en hortor zijn praesensstam en verbaalstam gelijk 
(blandi- en horta-). In vereor hoort de e niet tot den verbaalstam ; geheel 
regelmatige deponentia der e-stammen (als deleo, deletum) zijn er niet (zie 
§ 303). 

Over locutus vgl. § 283, A. 8. 

« 

Aanm. 4. Daar blandior een dativus na zich heeft, bezit het alleen een 
onpersoonlijk passivum (vgl. § 394). 



PARADIGMATA. 

A. Tempora imperfecta 
1) Indicativus 







a) 


praesentis 




§ 228. 






§ 229. 




vereor 


ik vrees 




hortor 


ik vermaan 


vereris 


gij vreest 




hortaris 


gij vermaant 


veretur 


hij, zij, het vreest hortatur 


hij, zij, het vermaant 


veremur 


wij vreezen 




hortamur 


wij vermanen 


vereminl 


gij vreest 




hortamini 


gij vermaant 


verentur 


zij vreezen 


b) 


hortantur 
imperfecti 


zij vermanen 


verebar 


ik vreesde 




hortabar 


ik vermaande 


verebaris 


gij vreesdet 




hortabaris 


gij vermaandet 


verebatur 


hij vreesde 




hortabatur 


hij vermaande 


verebamur 


wij vreesden 




hortabamur 


wij vermaanden 


verebaminl 


gij vreesdet 




hortabamini 


gij vermaandet 


verebantur 


zij vreesden 




hortabantur 


zij vermaanden 



10* 



148 



loquar 

loqueris 

loquetur 

loquemur 

loquemini 

loquentur 



BUIGINGSLEER. 



§§ 226a -227. 



c) futuri 



ik zal spreken 
gij zu.lt » 
hij zal „ . 
wy zullen „ 
gij zult „ 
zij zullen » 



blandiar 

blandieris 

blandietur 

blandiemur 

blandieminl 

blandientur zij zullen 



ik zal vleien 
gij zult 
hij zal „ 
wij zullen „ 
gij zult „ 



§§ 228-229. VERBA. DEPONENTIA. PARADIGMATA. 



.149 



2) Coniunctivus 

a) praesentis 



loquar {dat) 

loquaris 

loquatur 

loquamur 

loquamini 

loquantur 



ik spreke 
gij spreket 
hij spreke 
wij spreken 
gij spreket 
zij spreken 



blandiar [dat) ik vleie 



blandiaris 

blandiatur 

blandiamur 

blandiamini 

blandiantur 



gij vleiet 
hij vleie 
wij vleien 
gij vleiet 
zij vleien 



b) imperfecti 



loquerer (dat) ik sprake 
loquereris gij spraket 



blandirer (dat) ik vleide 
blandlreris gy vleidet 



loqueretur 
loqueremur 
loqueretninl 
loquerentur 



hij sprake 
wij spraken 
gij spraket 
zij spraken 



blandlretur 
blandTremur 
blandTremini 
blandlrentur 



hij vleide 
wij vleiden 
gij vleidet 
zij vleiden 



3) Imperativus praesentis 



loquere spreek blandire vlei 

loquitor gy moet spreken blandltor gij moet vleien 

loquitor hij moet spreken blandltor hij moet vleien 

loquimini spreekt blandimini vleit 

loquuntor zij moeten spreken blandiuntor zij moeten vleien 

4) Infinitivus a) praesentis 

loquT spreken blandlr! vleien 

b) futuri 

locuturus, -a, -um esse te zullen blanditurus, -a, -urn esse tezullen 

spreken vleien 



c) futuri 



verebor 

vereberis 

verebitur 

verebimur 

verebimini 

verebuntur 



ik zal vreezen 
gy zult „ 
hij zal a 
wy zullen » 
gij zult „ 
zij zullen „ 



hortabor 

hortaberis 

hortabitur 

hortabimur 

hortabiminl 



ik zal vermanen 
gij zult 
hij zal 
wij zullen 
gij zult 



horlabuntur zij zullen 



2) Coniunctivus 

a) praesentis 



verear (dat) ik vreeze 

verearis gij vreezet 

vereatur 

vereamur 

vereamini 

vereantur 



horter (dat) ik vermane 
horteris gij vermanet 



hij vreeze 
wij vreezen 
gij vreezet 
zij vreezen 



vererer (dat) ik 

verereris 

vereretur 

vereremur 

vereremini 

vererentur 



gy 

hij 
wij 

gij 
zij 



hortetur 
hortemur 
horteminl 
hortentur 

b) imperfecti 

vreesde hortarer (dat) 

vreesdet hortareris 

vreesde hortaretur 

vreesden hortaremur 

vreesdet hortareminl 

vreesden hortarentur 



hij vermane 
wij vermanen 
gij vermanet 
zij vermanen 



ik vermaande 
gij vermaandet 
hij vermaande 
wij vermaanden 
gij vermaandet 
zij vermaanden 



3) Imperativus praesentis 



verere 

veretor 

veretor 

veremini 

verentor 



veren 



vrees hortare vermaan 

gij moet vreezen horlator gij moet vermanen 

hij moet vreezen hortator hij moet vermanen 

vreest hortamini vermaant 

zij moeten vreezen hortantor zij moeten vermanen 

4) Infinitivus a) praesentis 

vreezen hortari , vermanen 



b) futuri 

veriturus, -a, -um esse tezullen hortaturus, -a, -um esse te zullen 

vreezen vermanen 



150 BUIGINGSLEER. §§ 226fl-227. 

5) Participium a) praesentis 
loquens, -entis sprekend blandiens, -entis vleiend 

b) f u t u r i 
locuturus, -a, -urn zullende spreken blandTturus, -a, -um zallende vleien 

6) Gerundium 

loquendi van het spreken blandiendl van het vleien 

1 o q u e n d 6 aan » » blandiendo aan „ » 

(ad) loquendum (tot) » „ (ad) blandiendum (tot) » » 

1 o q u e n d 6 door „ >, blandiendo door ,, » 

7) Gerundivum 

loquendus, -a, -um die gesproken blandiendum est er moet gevleid 
moet worden warden 



8) Supinum 



1 o c u t u m om te spreken 
locutu te spreken 



blanditum om te vleien 
blanditu te vleien 



B. Tempora perfecta 
1) Indicativus 



ken 



a) p e r f e c t i 

, _ (sum ik heb gesproh 

locfltus < es gij hebt „ 
-a, -um I , ... , c , 
' t. est hij heeft „ 

i sumus wit hebben „ 
ocuti, ,. ... , , 

' < estis pa hebt „ 



I estis gij hebt 

-ae, -a I 
1 i 



(.sunt zij hebben 



, ' ,_ ( sum ik heb gevleid 
b anditus, ! ■• , ,. 

' < es gij hebt » 

" a '" um lest hij heeft . 

,_ _ ( sumus wij hebben „ 
b andm, \ ,- •■ ... 

' < estis gi hebt » 
ae a 

' ^sunt zij hebben ,, 



ken 



b) plusquamperfecti 

f eram ik had gesproh 

locQtus - I eras gij hadt „ 
-a, -um I emt ^ Aarf 

f eramus wij hadden „ 
locuti, I er _ tis j hadt n 

' t erant zy hadden „ 



feram /A Aacf gevleid 
ocQtus - I eras gij had? ' „ blandltus <| eras |# fcaff . 

- a '- um Urat 4^ 



andltus '!eras gij hadt 
m [erat Ay Aorf 



, _ f eramus ww hadden 
blandfti, | eratis ^^ 

-ae, -a ^ erant _, - ^ aflWfi/z 



§§ 228-229. VERBA. DEPONENTIA. PARADIGMATA. 

5) Participium a) praesentis 
verens, -entis vreezend hortans, -antis vermanend 



151 



b) futuri 

veriturus, -a, -um zullende vreezen hortaturus, -a, -um zullende ver- 

manen 

6) Gerundium 

verendi van het vreezen hortandi van het vermanen 

verendo aan „ „ hortando aan ,, „ 

(ad) verendum (tot) » » (ad) hortandum (tot) » » 

verendo afoor „ » hortando oWr „ » 

7) Gerundivum 

verendus, -a, -um die gevreesd hortandus, -a -um die vermaand 
moet worden moet worden 



v'eritum 
veritu 



8) Supinum 



om te vreezen 
te vreezen 



hortatum 

hortatu 



om te vermanen 
te vermanen 



verltus. 



-a, -um 



sum 

es 

est 



B. Tempora perfecta 
1) Indicativus 

a) p e r f e c t i 



ik heb gevreesd 
gij hebt « 
hij heeft » 



veriti 



f sumus wij hebben „ 



-ae, -a | 



' < estis 



sunt 



gij hebt 
zij hebben 



sum ik heb vermaand 

es gij hebt « 

est hij heeft „ 

f sumus wij hebben „ 

' { estis gij hebt „ 

' ' { sunt zij hebben „ 



hortatus, 
-a, -um 



hortati 



veritus, 
-a, -um 



feram 

I 



eras 



b) plusquamperfecti 

ik had gevreesd , ,_., feram 

... ,, hortatus, ! 

gii hadt „ ' < eras 

-a, -um I , 
, ( erat 



erat hij had 



ik had vermaand 
gij hadt u 
hij had „ 



( eramus wij hadden » f eramus wij hadden „ 

"" ' < eratis gij hadt „ l ' j eratis gij hadt „ 

' ' [ erant zij hadden „ ' [ erant zij hadden „ 



-ae, 



152 



BUIGINGSLEER. 



c) futuri exacti 



§§ 226a -227. 



locutus, I 



-a, -um 



ero 
eris 
erit 



gy zult 

hij zal 

, _^_ f erimus wij zullen 
locuti, J ... .. ,, 

< entis gij zult 

erunt zij zullen 



ik zal gesproken hebben , , ,_ { ero 

blanditus, 

' ens 



-a, -um 
' I erit 



-ae, -a (( 



ik zal gevleid hebben 

gij zult „ „ 

hij zal „ „ 

{ erimus wij zullen „ a 
blanditi, J ... :. ,, 

entis gy zult » „ 

erunt zij zullen » „ 



-ae, -a , 



2) Coniunctivus 

a) p e r f e c t i 



. _ [sim (dat) ik hebbe gesproken 

'{ sis gij hebbet „ 

-a. -um . aa 



- a '- um isit 

, _,_ (simus 
locuti, I _,. 



-ae, -a [ 



< sitis 
sint 



gij hebbet 
hij hebbe 
wij hebben 
gij hebbet 
zij hebben 



, . ,„ i sim (dat) ik hebbe gevleid 

blanditus, J _ .. , ,, , s 

< sis gu hebbet „ 

-a, -um ., 



I sit 

, . ,_._ f sltnus 
blanditi, _,. 
< sitis 

sint 



-ae, -a^ 



hij hebbe 
wij hebben 
gij hebbet 
zij hebben 



b) plusquamperfecti 



l 0cfltus fessem (dat) ik hadde gesproken fessem (dat) ik hadde gevleid 

>\ esses gij haddet , an ltus ' < esses gij haddet „ 



I esset 

,'' ^._ fessemus 
locuti, , 

< essetis 

-ae, -a I , 

t. essent 



hij hadde 
wij hadden 
gij haddet 
zij hadden 



-a, -um| 

(^ esset 

,_.,_ ( essemus 
blanditi, I 

< essetis 

-ae, -a I , 

( essent 



gij haddet 
hij hadde 
wij hadden 
gij haddet 
zij hadden 



3) Infinitivus perfecti 
locutus, -a, -um esse gesproken te hebben blanditus, -a, -um esse gevleid te hebben 

A) Participium perfecti 
locutus, -a, -um gesproken hebbende blanditus, -a, -um gevleid hebbende 



§§ 228-229. 



VERBA. DEPONENTIA. PARADIGMATA. 



c) futuri exacti 



153 



veritus, { 



-um 



ero 
eris 



ik zal gevreesd hebben , ^ , ero 
hortatus, ! 



veriti, } 



gij zult 
^ erit hij zal 

erimus wij zullen 



-a, -um 



; eritis gij zult 
-ae, -a l bJ 



* erunt zij zullen 



ik zal vermaand hebben 

I eris gij zult „ „ 

I erit hij zal „ ,, 

,_,_ / erimus wij zullen „ ,, 

hortati, ... .. ,, 

I entis gy zult 



-ae. -a 



I erunt zij zullen 



2) Coniunctivus 



a) perfecti 



veritus, | 



sim (dat) ik hebbe gevreesd 



-um 



sis 



I sit 



venti . 1 «r 



-ae, -a 



-a) 



simus 



sitis 



^ sint 



gij hebbet 
hij hebbe 
wij hebben 
gij hebbet 
zij hebben 



hortatus, 
-a, -um 

hortati, 



sim (dat) ik hebbe vermaand 



-ae, -a 



^ sis 
I sit 

simus 
I sitis 



1 
I sint 



gij hebbet 
hij hebbe 
wij hebben 
gij hebbet 
zij hebben 



b) plusquamperfecti 



( essem (dat) ik hadde gevreesd , essem (dat) ik hadde vermaand 

ventUS ' [ esses gij haddet „ nortatus - J esS es gy haddet 

-a. -um ! ...... -a. -um ! ??. . . . 



-a, -um 

I esset 



veriti, 
-ae, -a 



i essemus 
I essetis 
\ essent 



hij hadde 
wij hadden 
gij haddet 
zij hadden 



a, -um , 

' y esset 



( essemus wii hadden 

hortati, 

' I essetis 

' \ essent zij hadden- 



hij hadde 
wij hadden 
gij haddet 



3) Infinitivus perfecti 
veritus, -a, -um esse gevreesd te hebben hortatus, -a, -um esse vermaand te hebben 

4) Participium perfecti 
veritus, -a, -um gevreesd hebbende J hortatus, -a, -um vermaand hebbende 



154 



BUIGINGSLEER. 



D. CONIUGATIO PERIPHRASTICAl). 



§ 230. 



§ 230. Behalve de tot dusver besproken gewone vormen heeft het 
Latijn nog de zoogen. coniugatio periphrastica of omschrij- 
vende vervoeging, aldus geheeten, omdat in haar alle vormen door 
omschrijving gemaakt worden, terwijl van de gewone vervoeging er 
slechts enkele omschreven worden (bijv. laudatus sum). 

Door de coniugatio periphrastica wordt geen handeling, maar een 
voortdurende toestand te kennen gegeven. 

I. De coniugatio periphrastica in engeren zin is eene 
verbinding van het participium futuri activi of het gerun- 
divum met het werkwoord esse. 

a) Door het participium futuri, verbonden met het werkwoord esse, 
wordt te kennen gegeven, dat men voornemens, van plan, of op 
het punt is (of was enz.), iets te doen, of in 't algemeen, dat een 
feit onder zekere omstandigheden in de toekomstplaats 
v i n d e n z a 1 : laudaturus sum = ik ben zullende prijzen = ik ben van 
plan te prijzen. 

1) Indicativus 

praes. laudaturus sum ik ben van plan te (ik wil) prijzen 

imperf. laudaturus eram ik was van plan te (ik wilde) prijzen 

Jut. laudaturus ero ik zal van plan zijn te (ik zal willen) 

[prijzen 
per/. laudaturus fuT ik ben van plan geweest te (ik heb 

[willen) prijzen 
plusq.perf. laudaturus fueram ik was van plan geweest te (ik had 

[willen) prijzen 
fut. exact, laudaturus fuero ik zal van plan geweest zijn te 

[(ik zal hebben willen) prijzen 

2) Coniunctivus 

praes. laudaturus sim (dat) ik van plan zij te prijzen 



imperf. laudaturus essem 
perf. laudaturus fuerim 

plusq.perf. laudaturus fuissem 



(dat) ik van plan ware te prijzen 
(dat) ik van plan geweest zij te prijzen 
(dat) ik van plan geweest ware te 

[prijzen 

3) Infinitivus 

praes. laudaturus esse van plan zijn te prijzen 

perf. laudaturus fuisse van plan geweest zijn te prijzen 

fut. laudaturus fore (§ 209, 6, A.) van plan zullen zijn te prijzen. 

Aanm. Laudaturus esse dient ook als infin. fut. act. (§ 211), lauda- 
turus sim als conjunct, fut. act. (§ 190). 



l) Het woord periphrasticus omschrijvend, is een, in het Middeleeuwsch Latijn van 
het Grieksche woord xsQicpgaais omschrijving, gevormd adjectief. 



§ 231. 



VERBA. CONIUG. PERIPHR. 



155 



b) Door het gerundivum, verbonden met het werkwoord 
esse, wordt te kennen gegeven, dat iets gedaan behoort te wor- 
den: laudandus sum ik ben moetende geprezen worden = ik moet 
geprezen worden. 

1) Indicativus 
praes. laudandus sum ik moet geprezen worden (ik ben te 

[prijzen) 
imperf. laudandus eram ik moest geprezen worden (ik was te 

[prijzen) 
fut. laudandus ero ik zal geprezen moeten worden 

[(ik zal te prijzen zijn) 
perf. laudandus fuT ik ben te prijzen geweest 

plusq.perf. laudandus fueram ik was te prijzen geweest 

fut. exact, laudandus fuero ik zal te prijzen geweest zijn 

2) Coniunctivus 

praes. laudandus sum (dat) ik te prijzen zij 

imperf. laudandus essem (dat) ik te prijzen ware 

perf. laudandus fuerim (dat) ik te prijzen geweest zij 

plusq.perf. laudandus fuissem (dat) ik te prijzen geweest ware 

3) Infinitivus 

praes. laudandus esse te prijzen zijn 

perf. laudandus fuisse te prijzen geweest zijn 

fut. laudandus fore te prijzen zullen zijn. 

§ 231. II. Op gelijke wijze kan men het participium praesentis 
activi of het participium perfecti passivi verbinden met 
esse, om, krachtens den aard van het participium, dat deel heeft (parti- 
ceps is) aan de natuur van een adiectivum, een voortdurenden 
toestand te kennen te geven: 

a) patiens sum (eram enz.) ik ben (was enz.) lijdende, 

daarentegen patior ik lijd; 

oboediens sum (eram enz.) ik ben (was enz.) gehoorzaam, 
daarentegen oboedio ik gehoorzaam. 

b) Het participium perfecti passivi, verbonden met esse, is, wat 
den vorm betreft, gelijk aan het perf. passivi, maar toch bestaat er onderscheid 
in beteekenis. 

Men is bijv. bezig, een standbeeld op een graftombe te plaatsen. Wanneer 
dat werk afgeloopen is, zeg ik: monumento statua superimposita est: het 
standbeeld is op de graftombe geplaatst (geworden). 

Beschrijft iemand nu dil praalgraf, dan zegt hij ook: monumento statua 
superimposita est: het standbeeld is op de graftombe geplaatst, maar dan is het 
ongeveer gelijk in monumento est, het staat op de graftombe. 

Bezoekt iemand later het graf, nadat het standbeeld er door den storm is 
afgewaaid, dan zegt hij: monumento statua superimposita fuit: op de graf- 
tombe heeft een standbeeld gestaan, enz.. 



156 



BUIGINGSLEER. 



§ 232. 



Aanm. 1. Het part. perf. pass., verbonden met fore (§ 209, 6 P 
Aanm.), wordt gebruikt ter aanduiding van een inf. fut. exacti passivi: 

omnia fore explicata dat alles uitgelegd zal zijn; liberatam Oraeciam fore 
dat Griekenland bevrijd zal zijn ; se adeptumfore dat hij verkregen zal hebben. 
Vgl. § 591. 

Aanm. 2. Wanneer in afhankelijke zinnen een coni. fut. exact, moet 
staan, naast een praeteritum in den hoofdzin, gebruiken Sallustius, Livius 
en Tacitus gewoonlijk een partic. perf. met foret, forent : si designates foret 
wanneer hij aangewezen zou zijn. Cic. gebruikt daarvoor een coni. 
plusqpf.. Zie § 563, 2°. 



E. BIJZONDERHEDEN IN DE VERVOEGING. 
I. DE VORMING DER STAMTIJDEN. 

A. PRAESENSSTAM. 

1. Ongelijkheid van praesensstam en verbaalstam. 

§ 232. Terwijl bij de hierboven behandelde paradigmata carpo, 
audio, deleo en laado de praesensstam (afgezien van de toevoeging van de 
thematische vocaal in carp-i-s enz.), althans uiterlijk, gelijk is aan den ver- 
baalstam (§ 184), zijn er andere werkwoorden wier praesens- 
en verbaalstam verschillen, doordat de eerste versterkt is. 

Dit is het geval bij de meeste consonantstammen en bij enkele 
vocaalstammen (§ 184, A. 2). 

Van geheel anderen aard dan de hier bedoelde veranderingen, die oorspr. 
alle met de bijzondere beteekenis van den praesensstam verband moeten 
gehouden hebben, zijn zuiver phonetische verschillen tusschen praesens en 
perfectum als in 5tin.gu.-0 — stinxi (§ 25, 1), 00k in mftto (uit *mlto: § 28, 6) 
— misi, e. d.. 

De veranderingen die de verbaalstam in het praesens kan ondergaan, 
zijn de volgende: 

1. Dikwijls is de verbaalstam in het praesens versterkt met 
eene n. Deze n kan 

a) aan den stam zijn toegevoegd (n-suffix), bij v.: 



verb.stam tern- (perf. tem-p-si); 
„ u si- ( „ si-vi); 
„ „ li- (sup. li-tum); 



-tem-n-o ik veracht, praes.stam temn 
si-n-o ik laat toe, ,, „ sin- 
li-n-o ik bestrijk, \„ „ lin- 

somtijds met schijnbare metathesis (§ 29) in den verbaalstam, bijv. : 

cer-n-o ik onderscheid, perf. cre-vi; 
sper-n-o ik versmaad, „ spre-vi; 

of wel b) (bij muta-stammen) in den stam zijn //zgevoegd j(n-infix); 
zij gaat dan voor b en p in m over (§ 25, 4); bijv.: 



§ 232. 



VERBA. PRAESENSSTAM. 



157 



verb.stam vie- (sup. vie- tarn); 
„ „ fad- (perf. fud-i) ; 
» » rap- (sup. rup-tum). 



vi-n-c-o ik overwin, praes.-stam vinc- 
fu-n-d-o ikgiet, „ „ fund- 

ru-m-p-o ik breek, „ „ rump- 

Aanm. 1. Inderdaad heeft men in sper-no — spre-vi en dergelijke niet 
te doen met metathesis: aan beide ligt ten grondslag een tweelettergrepige 
wortel spere-, die tengevolge van verschillend accent in de Indo-Germ. 
moedertaal verschillende vormen hebben kon (§ 13, Aanm.) : in het praesens 
Indo-Germ. spere-, Latijn spera- (*spera-n-o, gesyncopeerd sper-n-o), in het 
perfectum spre- (spre-vi). 

Aanm. 2. In fi-n-go ik vorm, e. d. is de n 00k in het perf. doorge- 
drongen (finxi, maar fic-tum), in iungo ik verbind, e. d. in het geheele 
paradigma (vgl. iugum juk). 

2. Eindigt de verbaalstam op c, dan wordt in het praesens somtijds 
eene t toegevoegd, bijv.: 

flec-t-o ik buig, praes.st. fled- : verb.st. flee- (perf. flexi); 
(plec-t-o) ik vlecht, „ „ pled- : „ „ plec- (perf. (plexi)). 

Aanm. 3. Vgl. Gr. tiUkw. Plexl e. d. kunnen echter 00k uit *plect-sl 
e. d. ontstaan zijn. 

3. Eindigt de verbaalstam op 1, dan wordt deze in het praesens 
somtijds verdubbeld; bijv.: 

pel-l-o ik drijf, praes.st. pell-: verb.st. pel- (perf. pe-pul-i). 

Aanm. 4. De dubbele -II- in deze praesentia op -116 is, naar het schijnt, 
door assimilatie ontstaan uit -In- of -Id-. 

Fallo ik misleid, heeft de dubbele 1 00k in het perf. (fe-fell-i). 

4. Eenige werkwoorden vormen hun praesensstam, door -sc- (of -Isc-) 
achter den verbaalstam te voegen; bijv.: 

cre-sc-o ik groei, praes.st. cresc-: verb.st. ere- (perf. cre-vi); 

na-sc-or ik word geboren, „ „ nasc-: „ „ na- (ndtas geboren); 

pac-isc-or ik tref eene over- „ „ paclsc-: ,, „ pac- (perf. pactus sum). 

[eenkomst, 

Aanm. 5. Behalve door -sc- (-Isc-) is de praesensstam bij deze verba 

soms nog op andere wijze versterkt: door invoeging van eene n in: 

na-n-c-J-sc-or ik verkrijg, praesensst. nancisc-, verb.st. nac- (perf. nac-tus sum); 

door reduplicatie (zie onder 5) in: 
di-sc-o ik leer (uit *di-dc-sco, *di-c-sco), praes.st. disc-, verb.st. d(e)c-. 

Aanm. 6. Ook hier is het praesenssuffix soms in andere vormen binnen- 
gedrongen: vgl. posco ik eisch (uit *porc-sc-o) - perf. poposci, pdsco ik 
laat weiden — sup. pastum (uit *pasc-tum). 

5. Andere werkwoorden hebben eene praesensreduplicatie, dat is, 
zij verdubbelen in het praes. den verbaalstam, door de eerste consonant 
van dezen, gevolgd door eene i, er voor te plaatsen (vgl. § 234) ; bijv. : 

gi-gn-o ik breng voort, praes.-st. gign-, verb.st. gen- (perf. gen-ui: 

vgl. genus), zwakkere vorm gn- (§ 13, Aanm.); 

si-st-o ik plaats, praes.st. sist-, verb.st. st(a)-; 

se-r-o ik zaai, voor *si-s-o, verb.st. se- (perf. se-vi, vgl. semen zaad). 



158 



BUIGINGSLEER. 



§ 233. 



Aanm. 7. Bibo (voor *pi-bo, verb.st. p(o)-, met overgang van p in b) heeft 
de reduplicatie ook in het perf. : bibi (§ 265), en is daardoor niet meer 
als geredupliceerd praesens te herkennen. Hetzelfde geldt van disco, perf. 
di-dic-i: zie A. 5. 

6. a) Vele werkwoorden zijn in het praesens en de daarvan afgeleide 
vormen vocaalstammen, terwijl zij in het perfectum en het supinum 
met de daarvan afgeleide vormen consonantstammen zijn, bijv. : 

iuvo ik help, praes.stam lava-, verb.st. iu(v)-, perf. iavi; 
lavo ik wasch, » „ lava-, » „ lav-, „ lavi; 
venio ik kom, - „ „ venl-, „ „ ven-, „ veni; 
alle verba op -veo, als: moveo ik beweeg, perf. mov-i; enz.. 

b) Ofschoon het eigenlijk bij de bespreking van het perfectum thuis 
hoort (vgl. § 237, 2), zij er hier nog op gewezen, dat omgekeerd eenige 
werkwoorden, die inderdaad consonantstammen zijn, naar analogie 
van andere, in beteekenis verwante, verba, in het perfectum en 
supinum met de daarvan afgeleide vormen eene T hebben aangenomen 
en daardoor vocaalstammen zijn geworden, bijv.: 

peto ik streef, perf. petlvi, sup. petltum; 
quaero ik zoek, „ quaeslvl, „ quaesltum. 

Aanm. 8. Gelijk we reeds opmerkten (§ 184), worden bij de algemeene 
verdeeling deze werkwoorden (onder 6a en b) gerekend tot die stammen, 
waartoe het praesens behoort, video bijv. tot de vocaal-, quaero tot de 
consonantstammen. 

2. Vermenging van conjugaties in den praesensstam 

(capio). 

§ 233. a) In de vorige § hebben wij de verschillen besproken 
tusschen verbaalstam en praesensstam, en daarbij ook melding gemaakt 
van werkwoorden wier praesens- en verbaalstam tot verschillende con- 
jugaties behooren (zie ba en b; ook 4). Thans moeten ons eenige 
verba op -io bezig houden die in den praesensstam zelf ver- 
menging van twee conjugaties vertoonen. 

Ze zijn kenbaar aan den inf. praes. act, die niet (zooals bij audio) 
op -ire, maar op -ere eindigt (pass. -T, niet -In); bijv.: 

capio ik neem, inf. praes. act. cap ere (pass. capi). 

Deze werkwoorden op -io, infinit. op -ere, wier praesensslam eigenlijk 
niet op -T-, maar op -T- (-j-) eindigt, laten deze i weg, wanneer er, 
naar het paradigma van scribo, eene andere i of eene oor- 
spronkelijk korte (dus niet later eerst kort geworden) e op zou 
volgen, en worden dus op de volgende wijze vervoegd: 



§ 233. 



VERBA. CAPIO. 



159 



Te m p o ra 


imp e rfe eta 


I. ACTIVUM 


II. PASSIVUM 


1) Indicat. 2) Conjunct. 


1) Indicat. 2) Coniunct. 


a) praesentis 


a) praesentis 


capio capiam 


capior , capiar 


cap is capias 


caperis capiaris 


cap it capiat 


capiftur capiatur 


capimus capiamus 


capimur capiamur 


capitis capiatis 


capiminT capiaminT 


capiunt capiant 


capiuntur capiantur 


b) imperfecti 


b) imperfecti 


capiebam caperem 


capiebar caperer 


capiebas , caperes 


capiebaris capereris 


capiebat caperet 


capiebatur caperetur 


capiebamus caperemus 


capiebamur caperemur 


capiebatis caperetis 


capiebaminT caperemini 


capiebant caperent 


capiebantur caperentur 


c) f u t u r i 


c) f u t u r i 


capiam 


capiar 


capies 


capieris 


capiet (§ 213, Aanm.) 


capietur 


capiemus 


capiemur 


capietis 


capieminl 


capient (§ 213, Aanm.) 


capientur 


3) Imper. praes. 


3) Imper. praes. 


cape 


capere 


capito 


capitor 


capito 


capitor 


c a p ite 


capiminT 


(capitote) 






capiunto 


capiuntor 


4) Inf. praes. 


4) Inf. praes. 


capere 


capi 


5) Gerundium 


5) Gerundivum 


capiendl 


capiendus, -a, -urn 


capiendo 




(ad) capiendum 




capiendo 




6) Partic. praes. 




capiens, capientis 





160 


BUIGINGSLEER. 




b) Behalve 


capio gaan aldus: 






-lacio 


ik lok (§ 280, 10) 


iacio 


ik werp 


-specio 


ik zie (§ 280, 18) , 


morior 


ik sterf 


cupio 


ik begeer 


pario 


ik baar 


facio 


ik doe 


patior 


ik lijd 


fodio 


ik graaf 


(quatio) 


ik schud 


f ugio 


ik vlucht 


rapio 


ik roof 


gradior 


ik schrijd, ga 


sapio 


ik smaak, 


en hunne composita. 







§ 234. 



§ 235. 



VERBA. PERFECTUMSTAM. 



161 



Aanm. 1. Over inquam vgl. § 248; over aio (aiio) § 247. Ook odor 
gaat ten deele als capio: vgl. § 290, A. 5. 

Aanm. 2. Ten overvloede zij opgemerkt, dat deze verba alleen ten op- 
zichte van hun praesens biieen hooren. De perfecta en supina zijn 
dikwijls op verschillende wijze gevormd : capl-vi, fiig-i, pe-per-i, (quas-si), 
rap-ui, tva. ; cupi-tum, fac-tam, enz . 



B. PERFECTUMSTAM. 

§ 234. Het Latijn heeft tweeerlei perfectum: 

' 1°. met reduplicatie : te-tend-l; 

a. met verlengden stamkl. : 



I. een sterk, op een 
enkele -I 



20. zonder redupl. 



leg-i; 

zonder verandering v. d. 

verbaalst.: defend-l. 



II. een zwak, op 



(10. 

< 20. 
1 3». 



■si: carp-si; 
■vl: audl-vl; 
■uT: al-ul. 



Met II, 1° en 20 hebben we reeds kennis gemaakt, van I, 2° b kan 
fu-i (§ 208) as voorbeeld gelden; thans moeten we al de verschillende 
wijzen waarop het perfectum van den verbaalstam gevormd wordt, geza- 
menlijk behandelen. 

I. Sterk perfectum (op -T). 

10. met reduplicatie. 

Oorspronkelijk had het sterke perfectum in den regel, behalve den 
uitgang -T, voor den verbaalstam nog eene zoogen. reduplicatie of 
gedeeltelijke herhaling daarvan. In het klassieke Latijn is de reduplicatie 
meestal verdwenen en slechts in een klein aantal verba bewaard gebleven. 

De reduplicatie bestond uit de beginconsonant van den 
stam en eene e, die echter, wanneer de klinker van de stamlettergreep, 
zoowel in het praesens als in het perfectum, i, o of u was, in den 
klassieken tijd zich daaraan geassimileerd heeft (§ 17): 






iendo - te-tend-i 
curro — cu-curr-i 
mordeo — mo-mord-i 
pello — pe-pul-i. 
Aanm. 1. In het oudere Latijn vindt men nog 'cecum, 'memordi, enz.. 
Begint de stam met twee consonanten, dan neemt de redupli- 
catie deze beide over, maar de stam verliest de eerste, bijv.: 
spondeo ik beloof, verb.st. spond-, perf. spo-pondl, 
De klinker van den verbaalstam wordt overeenkomstig § 15 A 
verzwakt: ae tot I; a voor twee consonanten en voor r tot e, voor 
eene consonant (behalve r) verder tot i; e voor eene consonant (be- 
halve r) eveneens tot i, bijv.: 

cado ik val, verb.st. cad-, perf. ce-cid-i. 

Aanm. 2. Eene schijnbare uitzondering is het perf. van pello ik drijf: 
pepull (niet *pepilJ). De u in dezen vorm laat zich daaruit verklaren, dat 
-l in het perf. op -ai berust (dus *pe-pel-ai; -ai schijnt eigenl. een mediale 
uitgang te zijn), en de op de e volgende 1 derhalve velaar is (§ 21, Aanm.), 
niet palataal, zooals anders voor i (vgl. velim); yoor eene velare 1 echter 
ging e in eene open middenlettergreep niet in i, maar over o in u over 
(vgl. Siculus [SmsXog] tegenover Sicilia [Sixslia]). 

§ 235. In het klassieke Latijn hebben de volgende werkwoorden nog 
een geredupliceerd perfectum: 



cado 


ik val 


cecidi 


pello 


ik drijf 


pepuli 


caedo 


ik houw 


cecidi 


pendeo 


ik hang(intr. 


pependi 


cano 


ik zing 


cecini 


pendo 


ik weeg 


pependi 


curro 


ik loop 


cucurri 


posco 


ik eisch 


poposci 


disco (§264) 


ik leer 


didici 


pungo 


ik steek 


pupugi 


do (a) 


ik geef 


dedi 


sisto 


ik plaats 


stiti(steti) 


fallo 


ik bedrieg 


fefelli 


spondeo ik beloof 


spopondi 


stam men- 


ik herin- 


memini 


s t o (a) 


ik sta 


steti 


(§ 250) 


ner mij 










mordeo 


ik bijt 


momordi 


tango 


ik raak 
aan 


tetigi 


pango 


ik maak 
vast 


pepigi 


tendo 


ik span 


tetendi 


parco 


ik spaar 


peperci 


tondeo 


ik scheer 


totondi 


pario 


ik baar 


peperi 


tundo 


ik stoot 


tutudi 



Aanm. 1. Een perf. *tetuli (uit *tetolai) bij fero ik draag, was in Cicero's 
tijd reeds verouderd. Bij ouderen vindt men het dikwijls. Zie § 257, Aanm. 
en § 266, A. 2. 

Aanm. 2. Van parco bestaat naast peperci een minder gebruikelijk/?axs/. 
Van pango gebruikt men pepigi in figuurlijke beteekenis, in den eigen- 
lijken zin en in composita liever pegi; ook vindt men panxi. 
woltjer, Lat. Gramm. 6e druk. \\ 



162 



BUIGINGSLEER. 



236. 



§ 237. 



VERBA. PERFECTUMSTAM. 



163 



Daar sisto en sto beide tot den wortel sta- behooren, verwacht men bij 
deze verba eenzelfde perfectum : ste-t-l (uit *ste-st-ai); om onderscheid te 
maken gaf echter een deel der grammatici aan het perf. van sisto den uit 
de composita afgeleiden vorm stitl. 

Aanm. 3. Het verlies der reduplicatie ging uit van de composita 
(vgl. A. 4); hier is zij in den regel, door syncope van de e onder invloed 
van het prae-historische accent (§ 15 B), en vereenvoudiging der geminata 
(§ 24, 4), verdwenen ; alleen de composita van do, sto, sisto, disco en posco 
behouden de reduplicatie: circumdedi, adstiti, restiti, addidici, expoposci, 
terwijl die van curro nu eens met, dan zonder reduplicatie gevonden worden 
(zie § 263, 3). Over rettuli enz. zie A. 4. 

Aanm. 4. In de perfecta der met re- samengestel'de werkwoorden: 
recido ik val terug, refero ik breng terug, repello ik drijf terug, reperio ik 
vind, retundo ik stoot terug, is wel onder den invloed van het oorspron- 
kelijke accent de e door syncope uitgevallen (§ 15 B), maar de geminata 
(na eene korte vocaal) bewaard gebleven, zoodat ze nu schijnbaar geen 
reduplicatie, maar alleen eene verdubbeling van de eerste consonant van 
den stam hebben: reccidi, rettuli, reppuli, repperi, rettudi (uit 
"re'cecadai, "retetolai^ *re'pepelai, "repeparai, 're'tetudai). De dubbele d in reddidi 
(uit *red-dedai) is aan het praesens reddo ontleend; vgl. § 30, A. 5. 

2". zonder reduplicatie. 

§ 236. a) met verlenging van den stamklinker (§ 13 Aanm.). 

Een perfectum op -I, zonder reduplicatie, doch met verlen- 
ging van den stamklinker (waarbij aan a in het praes. e in het 
perf. beantwoordt), hebben: 

1) eenige consonantstammen, die met een korten klinker 
beginnen, bij v.: 

ago ik voer, verb.st. ag-, perf. egi 
emo ik koop, ,, ,, em-, » emi; 

2) eenige consonantstammen en eenige vocaalstammen met 
een op eene consonant eindigenden verbaalstam, die eveneens eene korte 
stamvocaal hebben, maar met een medeklinker beginnen, bij v.: 

/agio ik vlucht, verb.st. fug-, perf. ftigi (§ 233) 

video ik zie, 

venio ik kom, 
facio ik doe, 
frango ik breek, 

b) zonder verandering van den stamklinker. 
Een perfectum op -I zonder reduplicatie en zonder veran- 
dering van den stamklinker hebben: 
1) vele consonantstammen op -ndo: 

findo ik splijt, perf. fidi 
defendo ik weer af, » defendi; 



i i 



„ u VIU-, 

„ „ ven-, 


„ veni (§ 232, 6) 


,, ,, fac-, 


„ feci (§ 233) 


» » frag-, 


„ fregi (§ 232, 1). 



Aanm. 1. Findo en scindo hebben fidi en scidi met korte i (tegenover 
fudi van fundo ik giet), omdat zij oorspronkelijk geredupliceerd waren. 

2) alle consonantstammen op -uo: 

tribuo ik deel toe, verb.st. tribu-, perf. tribui; behalve: 

fluo ik vloei, perf. fluxi, en 

struo ik bouw, » struxi (§§ 281, 6 en 280, 21); 

Aanm. 2. Oorspronkelijk hadden deze verba op -uo een perf. op -vT: 
in het oude Latijn vindt men nog *statuvX, *fiivT; in het klass. Latijn viel 
de v na de u uit, terwijl deze voor de i verkort werd. 

3) eenige andere, bij v.: 

verto ik wend, verb.st. vert-, perf. verti 
lambo ik lik, „ „ lamb-, „ Iambi, enz.. 

II. Zwak perfectum (op -si, -vT of -uT). 

§ 237. De zwakke perfecta gaan uit op -si, -vi of -ui: 

i°. op -sif. 

-si (§ 193), de het meest voorkomende uitgang van het perfectum, wordt 
in zonderheid gevoegd achter consonantstammen, die daardoor vele veran- 
deringen ondergaan : 

a) d- en t- gaan over in s-, die verdwijnt na eene consonant, een langen 
klinker of een tweeklank (§§ 25, 4; 24, 5): quatio (§ 233) ik schud : (quassi); 
drdeo (§ 232, 6) ik brand: drsi; sentio (§ 232, 6) ik gevoel: sensi; liido ik 
speel : lusi; claudo ik sluit: clausi; 

b) c-, g-, qu-, gu-, h- smelten met de s samen tot x ; wanneer echter nog 
eene 1 of r voorafgaat, vallen zij uit (§ 24, 2): rego ik regeer: rexi; coquo 
ik kook: coxi; traho ik trek: traxi; maar: mulceo ik streel: mulsi; torqueo ik 
draai : torsi; 

c) b- gaat over in p- (§ 25, 1): scfibo ik schrijf: scripsi; nubo ik trouw: 
nupsi; 

Aanm. 1. lus-si van wbeo ik beveel, is slechts eene schijnbare uitzon- 
dering, daar de b in tub- een oorspronkelijken dentaal (dh) vervangt 
(§ 25, 4) en iussi dus onder a) valt. 

d) tusschen de m en de s wordt eene p ingevoegd (§ 28) : como ik voeg 
samen: compsi; -temno (§ 232, 1): -tempsi; 

Aanm. 2. In pressi bij premo ik druk, heeft schijnbaar de m zich 
geassimileerd ; inderdaad echter komt pressi van een stam pres-, die naast 
prem- stond (vgl. prelum pers [uit pres-lom : § 24, 3]). 

e) wanneer de verbaalstam eindigt op eene s, die in het praesens (tusschen 
klinkers) in r over is gegaan (§ 27), keert voor -si de s terug: gero ik draag: 
gessi; uro ik brand: ussi; met verenkeling van -ss- (naar § 24, 5, b): haurio ik 
schep: hausi (ouder haussi). 

De quantiteit van den stamklinker is bij deze perfecta op -si meestal dezelfde 
als in het praesens, maar wijkt in sommige gevallen door verschillende oorzaken 
daarvan af. 

11* 



164 



BUIGINGSLEER. 



238. 



2°. Op -VI. 

-vl wordt aan vocaalstammen gehecht, het meest aan a- en T-stammen, 
minder aan e-stammen: audivi, delevi, lauddvi; ook aan dezulke die in 't 
praesens de vocaal niet hebben (§ 232, 6), bijv. : peto, petlvi; quaero, quaesivi, 
of na de vocaal eene n hebben aangenomen (§ 232, 1), bijv.: lino ik smeer: 
Levi; cerno : crevi. 

De stamklinker is overal lang. 

3°. op -ui. 

-ui wordt achter vele consonantstain men gevoegd, vooral achter die op 
1, r, m of n : volo ik wil: volui; gemo ik zucht: gamut; rapio ik roof: rapid, 
enz. ; ook achter sommige van die welke in 't praesens eene e of a hebben 
aangenomen en daarom tot de vocaalstammen gerekend worden (§ 232, 6): 
moneo ik vermaan: monui; domo (a) ik tern: dotnui; sono (a) ik klink: sonui; 
zoo ook: salio ik spring: salui. 

4°. Een dubbelen uitgang (combinatie van -si en -ui) vindt men in messiii 
(van meto ik oogst). 

5°. Over -il vgl. § 241a. 

C, SUPINUMSTAM. 

§ 238. Om het supinum (en het partic. perf. pass.) te vormen, 
wordt achter den verbaalstam gewoonlijk -turn (-tus), somtijds -sum 
(-sus) gevoegd. 

Wanneer tusschen den stam en den uitgang nog eene i staat (wat 
dikwijls voorkomt), volgt altijd -turn. 

-sum staat in den regel na d en t. 

De quantiteit van den stamklinker verschilt dikwijls van die in het praesens. 
Inzonderheid zij opgemerkt, dat vele participia van verbaalstammen op g een 
korten stamklinker verlengen: ago — actus. 

Eene v gaat in u over of verdwijnt; overigens hebben dezelfde of gelijk- 
soortige veranderingen plaats als bij het perfectum: 

tango tactum deleo deletum nubo nuptum 

pello pulsutn laudo laudation como comptum 

venlo ventam peto petltum premo pressum 

frango frdctum lino lltum maneo mdnsum 

/undo fusum rapio raptum moneo monitum 

findo fissum cedo cessum domo (a) domllum 

tribao tributum traho traclam solvo solutum 

audio audttum torqueo tortum moveo mo turn. 

Aanm. De oorspronkelijke uitgang van het part. perf. pass, was -tus 
(-tos: vgl. § 207). Stond voor -tus een dentaal, dan ging naar de Latijnsche 
klankwetten d of t + t over in -ss-, die sedert het einde der eerste eeuw 
v. Chr. na een langen klinker of een tweeklank tot -s- vereenvoudigd werd 
(§§ 25, 9; 24, 5): edo ik eet: *edtos, essus, esus (Cicero sprak en schreef 
nog essus) ; meto ik oogst, maai : *mettos, messus. 






If 



§§ 239-241. 



VERBA. AFWIJKENDE VORMEN. 



165 



Van hier uit is -sus door analogie in tal van andere verba doorgedrongen, 
waar men -tus zou verwachten. Daarbij speelde het voorhanden zijn van 
een perfectum op -si eene gewichtige rol : zoo ontstond naar analogie van 
clausi (perf. van claudo ik shut) - clausus (uit *claudtos), bij het peri, flxi 
(van flgo ik hecht) een part. perf. flxus in plaats van het oudere fictus, 
dat men nog bij Lucretius vindt. 

II. AFWIJKINGEN VAN DE PARADIGMATA IN ENKELE VORMEN. 

A. Praesens. 

§ 239 [240]. In den 2den pers. sing, van deponentia en passiva 
wordt meer de uitgang -re dan -ris gevonden, behalve in den indie, praes., 
waar -ris regel is : videbdre, tenebere, loquere, assentidre, videdre, morerere, utdre 
enz., maar liever: videris, uteris, condris enz.. Vgl. § 204. 

§ 240 [241]. Apocope (§ 16, c,20). De 2de pers. sing, imperat. 
praes. act. van dico, duco en facto luidt: die, due, fac. 

De eigenlijke samenstellingen van facio (met overgang van a in i: -ficio: 
§ 268, A. 3) behouden de e : cdnfice, perfice. 

Aanm. Bij Plautus en andere oude schrijvers blijft gewoonlijk de e: 
*dice, *duce, *face. 

Ook bij few ontbreekt de e : fer (§ 257). 

B. Perfectum. 

§ 241 [239]. Zeer dikwijls vindt men naast de in de paradigmata opgegeven 
vormen der tempora perfecta andere, die verkort schijnen. 
a) Zoo vindt men : 



1) 



2) 



3) 



voor: 






— avisti 


-asti 


laudasti 


— avistis 


-astis 


laudastis 


— averunt 


-arunt 


laudarunt 


— averam 


-aram 


laudaram 


— avero 


-aro 


laudaro 


— a verim 


-arim 


laudarim 


— avissem 


-assem 


laudassem 


— avisse 


-asse 


laudasse 


voor: 






— e visti 


-esti 


delesti 


— evistis 


-estis 


delestis 


— everun t 


-erunt 


delerunt 



in plaats van laudavisti 

a a a laudavistis 

a n n laudaverunt 

u n a laudaveram 

n n a laudavero 

a a a laudaverim 

a n a laudavissem 

n n a laudavisse; 

in plaats van delevisti 

n n a delevistis 

a n n deleverunt 
enz. (deleram, delero, deierim, delessem, delesse) ; 

voor: 

— T visti -Tsti : audisti in plaats van audTvisti 

— Ivistis -Tstis : audistis „ „ „ audTvistis 

— Tverunt -lerunt: audierunt „ „ „ audlverunt 
enz. (audissem, audlsse ; audiero, audierim, audieram) ; 



166 



BUIGINGSLEER. 



§ 242. 



§§ 243-244. 



VERBA. DEFECTIVA. 



167 



Aanm. 1. Bij de perfecta der l-stammen op -ivi zijn de kortere vor- 
men (zonder -vi- of -v-) regel voor s en r. 

Voor r behouden ze echter, gelijk men ziet, de e (audieruni, audiero 
naast lauddrunt, lauddro). 

Aanm. 2. Zoo gaan ook de perfecta van peto ik streef, en zijnecomposita: 
pefisti, petistis, petisses, petlsse; petiero, petieris, petierit, petierim, petieram, 
petierant (maar liever petlvi, petlvit, petlverunt dan petii, petiit, petierunt), 
en van desino ik houd op: desii, desJsti enz. (vgl. echter § 276, A. 2). 

4) voor : 

— ovisti -osti in nosti in plaats van novisti 

-— ovistis -ostis „ nostis „ „ „ novistis 

— overunt -orunt „ norunt „ „ „ noverunt 

enz. (ndram, now, norim, ndssem, ndsse); vgl. ook commosset (commovisset). 

Wat de verklaring van de onder 1—4 genoemde vormen aangaat, zij op- 
gemerkt, dat ze niet alle eenzelfden oorsprong hebben : audisti, delerunt e. d. 
zijn ontstaan door het uitvallen van v tusschen gelijke klinkers en daarop 
volgende samentrekking dier klinkers (§ 18; vgl. § 128, A. 1); naar analogie 
daarvan vorrnde men dan ook delesti, lauddrunt, enz.. 

Daarentegen berusten de vormen op -il, -ieram, -iero enz. niet op -ivi, -Tveram 
enz., maar hebben hun uitgangspunt in het perf. van eo ik ga en zijne compp., 
dat l-l luidde (§ 259). 

5) bij perfecta op -si vereenvoudiging van de klankverbinding -sis- tot -s- 
door haplologie (§ 26, 3°): 

dixti = dixisti 

promisti = promisisti 

protraxtis = protraxistis 

extinxem = extinxissem 

intellexes = intellexisses 

Aanm. 3. De verkorte vormen zijn hoofdzakelijk dichterlijk; het klassieke 
literaire proza heeft in den regel de onverkorte ; in de omgangstaal schijnen 
ze echter ook in den klassieken tijd in gebruik gebleven te zijn: vgl. 
decesse, intellexti enz. in de brieven van Cicero. 

b) Somtijds eindigt de 3de pers. plur. ind. perf. op -ere, in plaats van op 
-erunt, bijv. fuere = fuerunt, superavere = superaverunt (vgl. § 193). 

C. Verouderde vormen. 

§ 242. Eindelijk geven we hier nog enkele oude, in den klassieken 
tijd grootendeels verouderde vormen. Als zoodanig zijn te beschouwen : 

1) coni. praes. act. op -im : 
duim = dem 

duint = dent 

perduim = perdam 

edim (§ 256) = edam 



4) „coni. perf. act." op -sim (-ssim): 5) „fut. exact, act." op -so (-sso) : 



> 



dixet 


= dixisset 


erepsemus 


= erepsissemus 


surrexe 


= surrexisse 


traxe 


= traxisse 


dixe 


= dixisse. 



2) fut. act. op -bo van l-stammen: 
scTbo = sciam 
scTbis = sties (§ 213) 

3) in/in. praes. pass, op -ier: 
laudarier, enz. (§ 205) 



faxim 

faxis 

dTxis 

noxit 

ausitn 

iussim 

imperassit 

habessit 



fecerim 

feceris 

dixeris 

nocuerit 

ausus sim 

iusserim 

imperaverit 

habuerit 



faxo 


= fecero 


iusso 


= iussero 


amasso 


= amavero 



hierbij een infin. met de beteekenis 
van een fut. : 

impetrassere = impetraturum esse. 
Ook passieve vormen komen voor: 
turbassitur = turbatum erit 
faxitur = factum erit. 

Aanm. 1. 1) Deze vormen zijn eigenlijk athematische optativi (vgl. § 196 
en § 209, 3). Duim enz., van den stamvorm du- (die naast da- : dare, stond ; 
vgl. Gr. 8iSco/j,i), is gevormd als sim, velim, nolim, malim (zie § 258). 

4) en 5). De vormen op -sim zijn eigenlijk optativi van een en s-aoristus 
(aoristus I: zie § 193). Dat het geen verkortingen zijn van de gewone 
vormen, blijkt duidelijk bijv. reeds uit habessit en noxit, die niet samen- 
getrokken kunnen zijn uit habuerit en nocuerit. De verdubbeling van de s 
is nog niet voldoende verklaard. 

Ausim is de eenige vorm , die in het klassieke en latere proza nog als 
werkelijk levend kan gelden. 

De vormen op -so zijn eigenlijk coniunctivi van een s-aoristus 
(aoristus I: Gr. tzqu^w) (zie § 195). 

Van huis uit hebben de onder 4 en 5 genoemde vormen met het per- 
fectumsysteem van den historischen tijd niets te maken. Bewezen wordt dit, 
afgezien van den vorm van den stam, ook door het voorkomen van pas- 
sieve vormen als iussitur, turbassitur, e. d. en door den infin. op -assere 
(die op dezelfde wijze gevormd is als praesentia gelijk capessere e. d. [§ 277]). 
Vandaar dat ze ook wat de beteekenis betreft, in het oude Latijn geenszins 
uitsluitend bij de tempora perfecta hooren (evenmin als de Grieksche aoristus : 
faxo is eig. : ik wil doen, faxim ik zou gaarne doen) : eerst langzamerhand 
worden ze geregeld als zoodanig gebruikt. 

Aanm. 2. Over lenibat e. d. vgl. § 213, A. 2. 

F. ONREGELMATIGE WERKWOORDEN. 

§ 243. De onregelmatigheden bestaan: 

1) in het ontbreken a) van sommige personen of b) van som- 
mige tijd en en wijzen: verba defectlva. 

2) in sterk afwijkende vorming of onregelmatigheden in 
engeren zin: verba anomala. 

I. VERBA DEFECTIVA. 

a) Impersonalia (onpersoonlijke werkwoorden). 

§ 244. Oorspronkelijk waren alle werkwoorden persoonlijk, maar 
het gebruik heeft gewild, dat vele, altijd of gewoonlijk, slechts in den 



168 



BUIGINGSLEER. 



§§ 245-247. 



derden persoon sing, neutr. gebezigd werden, met een infinitief 
of een neutrum tot subject, of ook geheel zonder uitgedrukt subject. 

Aanm. Strikt genomen is dus de naam impersonalia minder juist : beter 
ware unipersonalia. 



1) Een (zedelijk) gevoel drukken uit: 

decet het betaamt, past oportet 

dedecet het betaamt niet 

licet het staat vrij 

lubet (libet) het lust (§ 10, 4) 
m is ere t (me) ik heb medelijden 



taedet 

2) Natuurverschijnselen drukken uit: 

ad vesperascit het wordt avond lucescit 
fulget, fulminat het bliksemt ning(u)it 
fulgurat het weerlicht pluit 

gelat het vriest rorat 

grand in at het hagelt tonat 



het behoort, moet 
piget het verdriet 

pudet (me) ik schaam mij 
paenitet het berouwt 

het walgt. 



het wordt licht 
het sneeuwt 
het regent 
het dauwt 
het dondert. 



Bij deze werkwoorden kan natuurlijk even goed als in onze taal een 
subject worden gevoegd, bijv. : Iupplter tonat. 

§ 245. 3) Ook werkwoorden die gewoonlijk persoonlijk gebruikt 
worden, kunnen onpersoonlijk voorkomen, bijv. : 



accedit daar komt bij 
constat het staat vast 
expedit het is nuttig, dienstig 
est het gebeurt, men mag 

interest er is aan gelegen 



iuvat het doet genoegen 

placet men vindt goed 
praestat het is beter 
res tat er blijft (nog) over 
sequitur (hieruit) volgt; enz.. 



Aanm. Altijd onpersoonlijk is het passivum der intransitiva: itur 
men gaat, carritur men loapt, ventum est men is gekomen, enz.. Vgl. §§ 180; 
359, 4; 394. 

§ 246. De impersonalia worden op de gewone wijze vervoegd. Over 
de perfecta vgl. § 262 vlgg. 

Aanm. De imperativus ontbreekt (behalve bij liceto, dat men dikwijls 
in wetten vindt) : hij wordt vervangen door den coniunctivus. 

Ook de participia ontbreken meestal, evenals het supinum: libens 
(ouder lubens: § 10, 4) gewillig, gaarne, en pudens eerbaar, bescheiden, 
zijn adiectiva geworden. 

b) Eigenlijke defectlva. 

§ 247. Eigenlijke defectiva, d. vv. z. werkwoorden die slechts 
enkele vormen bezitten, zijn: 



§ 248. 



VERBA. DEFECTIVA. 



169 






1) Aio (eig, aiio) ik zeg, beweer, bevestig. 



1) 


Indicat. 


2) 


Coniunct. 


a) praes. 




b) imperf. 




praes. 


(aio) 




aiebam 






ais 




aiebas 




(a i a s) 


ait 




aiebat 

aiebamus 

aiebatis 




aiat 


aiun t 




aiebant 




(a i a n t) 


3) Part. 


praes. 


aiens 







Ait heeft 66k de beteekenis van een perfectum: hij zeide, hij beweerde. 

Aanm. 1. De vormen tusschen haakjes komen niet bij Cicero voor; 
Caesar gebruikt aio in 't geheel niet. 
't Imperfectum luidde oudtijds ook "albam. 

Aanm. 2. Aio komt van een wortel ag- (*ag-jd, aiio [§ 32], aio), waarvan 
ook adagium spreekwoord, prodigium (§ 15 A, 1) het voorzegde. Vgl. 
Gr. -fj hij sprak (uit *»?*-*), waarbij later een praesens fjju werd gevormd 
(naar analogie van ecprj — <pw<). 

Aanm. 3. Aisne? (§ 46, § 47, 2) wordt bij dichters soms verkort tot 
ain (eenlettergrepig). 



§ 248. 



2) Inquam zeg ik. 



A. 


Tempora imperfecta 




1) li 


idicat. 


2) 


Coniunct. 


a) praes. b) 


imperf. c) fat. 




praes. 


inquam 








inquis 


inquies 






inquit inq 


uiebat inquiet 




(i n q u i a t) 


(inquimus) 








(i n q u i t i s) 








inquiunt 








3) Imperat. 


praes. 


4) 


Part, praes. 


(i n q u e) 






(i n q u i e n s) 


(i n q u i t o 


) 






B 


. Tempora perfec 
Indicat. perf. 


ta 






(i n q u T) 








i n q u i s t I 








inquit 







170 



BUIGINGSLEER. 



§ 249. 



Aanm. 1. De vormen die tusschen haakjes staan, komen niet bij Cicero 
en Caesar voor. 

Inqiiam wordt ook voor „zeide ik" gebruikt. 

Aanm. 2. Al deze vormen worden gebezigd, wanneer men in recht- 
streeksche rede zijn eigen of eens anders woorden aanhaalt en er reeds een 
of meer genoemd heeft : videte nunc, inqait, iudices ziet nu, zeide hi], 
reenters. Met een persoonsnaam als subject: Nam hercule, inqait Minucius, 
me quoque rogavit want bij Hercules, zeide Minucius, mij ook heeft hi] 
gevraagd. 

Aanm. 3. De vorm inqaam is waarschijnlijk een oude coniunctivus, 
gevormd als agam, dus eig. : ik zou willen zeggen. De overige vormen der 
tempora imperfecta gaan naar capio (§ 233). 



§ 249. 



3) Fan spreken. 



A. Tempora imperfecta 
1) Indicat. 2) Imperat. praes. 

a) praes. b) imperf. c) fat. 

(fabar) (fabor) 
(fab ere) 
fatur fabitur 

(famur) (fabimur) 

(famin!) 

4) Partic. praes. 
(fans, fantis sprekend) 



(fare) 

3) Infin. praes. 
(far!) 



5) Gerundium 

(fandl) 
fando 

7) Supinum 

(fatu) 



6) Gerundivum 

(fandus, -a, -um) 

B. Tempora perfecta 
1) Indicat. 2) Part. perf. 

a) perf. b) plusquamperf 
(fatus est) (fatus eram) (fatus, -a, -um gesproken 
(fat I sunt) [hebbende) 



Aanm. 1. Gelijk men ziet, is de vervoeging regelmatig; de stam is fa-: 

Vgl. Gr. (prjiAi (Dorisch <pd-fj,i), cpaanw. 

De tusschen haakjes geplaatste vormen komen slechts voor in composita 
(als: affari aanspreken, effari uitspreken, praefari vooraf spreken (praefatio), 
profari voorspellen), of bij dichters en latere prozaschrijvers. 

Aanm. 2. In proza komt dit werkw. zelden voor, meer bij dichters. 
Vroeger werd het veel gebruikt, wat de talrijke afleidingen bewijzen : infans 
kind, nefandus niet uit te spreken, goddeloos ; fatum godspraak, noodlot, 
affabilis minzaam, vriendelijk, facundus welbespraakt, fabula verhaal, fabel; 
fama gerucht, roem, fas (gods)woord, goddelijk recht, enz.. 






§ 250. 



VERBA. DEFECTIVA. 



171 



§ 250. 4) Memini ik herinner mij 5) o d i ik heb een afkeer, haat 
6) coepl ik heb begonnen 7) novT ik weet, ik ken. 

Gelijk men ziet, bebben van deze vier perfecta drie de beteekenis 
van een praesens (vgl. § 504). 

De vervoeging is regelmatig; alleen om de beteekenis der ver- 
schillende vormen aan te geven, laten wij een overzicht daarvan volgen. 





1) Indicativus 






a) perfecti 




memini 


odl coepl 
b) plusquamperfecti 


novi 


memineram 


oderam coeperam 


noveram 


ik herinnerde mij 


ik haatte ik had begonnen 
c) futuri exacti 


ik wist, ik kende 


meminero 


odero coepero 


no vero 


ik zal mij her- 


ik zal haten ik zal begonnen 


ik zal weten 


inneren 


hebben 

2) Coniunctivus 

a) perfecti 




meminerim 


oderim coeperim 


noverim 


(dat) ik mij her- 


(dat) ik hate (dat) ik hebbe be- 


(dat) ik wete 


innere 


gonnen 
b) plusquamperfecti 




meminissem 


odissem coepissem 


no vissem 


(dat) ik mij her- 


(dat) ik haatte (dat) ik hadde 


(dat) ik wist 


innerde 


begonnen 
3) Imperativus perfecti 




memento 


ontbr. ontbr. 


ontbr. 


herinner u, gedenk 






mementote 






herinnert u, gedenkt 


4) Infinitivus perfecti 




meminisse 


odisse coepisse 


novisse 


zich herinneren 


haten begonnen te hebben weten, kennen . 



Behalve deze vormen vindt men nog de volgende participia: 

coepturus zullende beginnen coeptus begonnen 

osurus zullende haten (not us (adiect.) bekend). 



172 



BUIGINGSLEER. 



§§ 251-252. 



Van coepi gebruikt men de passieve vormen coeptus sum, coeptus 
eram, enz., wanneer er een infinitivus passivi bij staat: urbs 
aedificdri coepta est men begon de stad te bouwen. 

Bij eenen infinit. actlvi en deponentis (ook bij fieri = worden, 
geschieden (§ 261)) gebruikt men de vormen coepi, coeperam, enz.. 

Voor 't praesens wordt incipio (§ 268, A. 2) gebezigd. 

Aanm. 1. Memini komt van den starn men- gedenken (§ 235): vgl. 
o. a. : mens geest, geraoed, comminiscor ik verzin (§ 283, 9) ; moneo (eig. 
ik doe gedenken), enz.. Memini is dus eig. : ik heb mij de vroegere ge- 
dachte te binnen gebracht; vgl. § 504. 

Memento en mementote zijn in 't Latijn de eenige gevallen van 
een imperativus perfecti activi. Vgl. Gr. Horn, fus/iazm [uit '(M-nv-rm]. 

Aanm. 2. Als passivum bij odi gebruikt men odio esse of in odio esse. 
Bij dichters vindt men nog vormen als van een deponens, bijv. : osus 
sum (= odi), exosus es (= odisti); perosus hevig hatende. 

Aanm. 3. Coepi (uit *co-epi) is eigenlijk een pert, van een praesens 
*co-apio (§ 283, A. 1); in 't Latijn van Plautus en Terentius worden nog 
vormen gevonden als: *coepio (uit *co-ipio), "coepiat, *coeperet, *coepere; in 
goed proza bezigt men daarvoor: incipio, incipiat, inciperet en incipere. 

Aanm. 4. Novi is eigenlijk pert, bij nosco ik leer kennen (§ 274, 2). 



Over de kortere vormen nosti, noram enz., zie § 241 



a, 4. 



§ 251. 8) Salvere gezond, wel zijn 

heeft slechts dezen infin. (verbonden met iubeo), en van den imperat. 
de vormen salve (sal veto), salvete gegroet, wees, weest gegroet. 

9) Avere gezond, wel zijn 
evenzoo: ave (a veto), avete gegroet, wees, weest gegroet. 
Aanm. In den keizertijd zeide men have: vgl. § 10, 3. 

II. VERBA ANOMALA. 

§ 252. A. Onregelmatigheid in het genus vindt men in de 
volgende werkwoorden: 

1) in eenige, die neutro-passiva of semi-deponentia (halve deponentia) 
genoemd worden; het zijn verba neutra (d. i. intransitiva), die alleen in het 
perfectum en de daarvan afgeleide vormen deponentia zijn (vgl. § 207) : 

audeo ausus sum audere durven, wagen 

gaudeo (uit *gav(i)deo: §15) gavTsus sum gaudere zich verheugen 
sbleo solitus sum solere gewoon zijn, plegen 

fldo fisus sum fTdere vertrouwen (zoo ook 

confTdo vertrouwen en diffldo wantrouwen); 

2) in libet (lubet) perf. libuit en libitum est libere (vgl. 

licet ,, licuit en licitum est licere [§244) 

miseret „ miseritum est miserere 






}§ 253-255. 



VERBA. ANOMALA. 



173 



piget perf. piguit (zelden pigitum est) pigere 

placeo „ placuT (en placitus sum (dichterl.)) placere 

pudet „ puditum est en puduit pudere 

taedet „ pertaesum est taedere; 

Aanm. 1. Libitum est en licitum est staan dikwijls zonder onderscheid met 
de praesentia libet en licet. Placitum est (onpers.) vindt men ook bij Cicero. 

Aanm. 2. Van miseret wordt ook in andere tijden het passivum gebruikt 
in dezelfde beteekenis als het activum : miseretur, miserebitur, misereri. 

3) in revertor terugkeeren (§ 272, A. 11): perf. reverti, inf. praes. 
reverti; partic. perf. reversus teruggekeerd (zelden). 

Aanm. 3. Ook van assentior, assensus sum, assentiri toestemmen 
(§ 200, 1) werd een actief perfectum gebruikt (assensi), doch minder dik- 
wijls dan assensus sum. 

§ 253. B. Eenige werkwoorden hebben eene onregelmatige vorming 
van het partic. futuri activi (dat, gelijk we gezien hebben (§§ 184, 199), 
in den regel van het supinum gevormd wordt, door -turn in -turns, -sum in 
-sums te veranderen, of, wanneer het supinum ontbreekt, op dezelfde wijze van 
het part. perf. passivi) : 

maar fruiturus genieten 

„ iuvaturus helpen (doch adiuturus) 

,, moriturus sterven 

„ nasciturus geboren worden 

„ oritur us -ontstaan 

„ pariturus baren 

„ ruiturus ijlen, storten 

.; secaturus snijden 

,i sonaturus klinken. 

Aanm. Enkele werkww. hebben supinum noch part, perf., doch wel een 
part. fut. act., dat alsdan naar analogie gevormd is, bijv. : caleo warm zijn : 
caliturus; careo missen: cariturus; doleo smart lijden: doliturus; (ap)pareo 
verschijnen: (ap)paritums ; valeo sterk zijn, gelden : valiturus. 

§ 254. C. Tot de eigenlijke verba anomala worden gerekend, 
behalve sum, dat reeds behandeld is (§ 208): 1) possum ik kan, 2) edo 
ik eet, 3) fero ik draag, 4) volo ik wil, nolo ik wil niet, mdlo ik wil 
liever, 5) eo ik ga, 6) queo ik kan, nequeo ik kan niet, 7) fio ik word. 

De „onregelmatigheden" bestaan ook hier, evenals bij de substantiva, meer 
in schijn dan in werkelijkheid: zij zijn hoofdzakelijk daaraan te danken, dat 
deze verba oorspr. tot de athematische vervoeging (§ 186) behoorden of 
althans gerekend konden worden; bovendien beperken zij zich tot de van den 
praesensstam afgeleide vormen. 

§ 255. 1) Possum ik kan 

is eene samenstelling van het adi. potts, pote machtig, in staat, vermo- 
gend (§138,2), met het werkwoord sum (§208): * pote sum, (*potesum, 
*potsum [§§ 15 B; 25, 4]), possum; *pot{e) eram [§ 19 B], poteram. 



fruor 


subst. 


fructus 


iuvo 


sup. 


iutum 


morior 


part. 


mortuus 


nascor 


n 


natus 


orior 


a 


orfus 


pario 


sup. 


partum 


ruo 


n 


-r u t u m 


seco 


„ 


sectum 


so no 


subst. 


sonitus 



174 



BUIGINGSLEER. 



§ 255. 



Tempora imperfecta 


Tempora perfecta 


1) Indicat. 2) Coniunct. 


1) Indicat. 2) Coniunct. 


a) praesentis 


a) perfecti 


possum possim 


potuT potuerim 


potes possis 


potuistl potueris 


potest possit 


potuit potuerit 


possumus possimus 


potuimus potuerimus 


potestis possitis 


potuistis potueritis 


possunt possint 


potuerunt potuerint 


ik kan (dat) ik kunne 


ikhebgekund (dat) ik hebbe 




[gekund 


b) imperfecti 


b) plusquamperfecti 


poteram possem 


potueram potuissem 


poteras posses 


potueris potuisses 


poterat posset 


potuerat potuisset 


poteramus possemus 


potueramus potuissemus 


poteratis possetis 


potueratis potuissetis 


poterant possent 


potuerant potuissent 


ik kon (dat) ik konde 


ik had gekund (dat) ik gekund 




[hadde 


c) futuri 


c) f atari exacti 


potero ik zal kunnen 


potuero ik zal gekund 


poteris 


potueris [hebben (ik zal 


poterit 


potuerit [hebben kunnen) 


poterimus 


potuerimus 


poteritis 


potueritis 


poterunt 


potuerint 


3) Infinit. praes. 


3) Infinit. perf. 


posse kunnen 


potuisse gekund hebben 


4) Parti ci p. praes. 




[pot ens machtig (adjectief)] 





Aanm. 1. Possem en posse zijn gevormd naar analogie van possum, 
possim enz. : men zou potessem en potesse verwachten (vgl. potest), vormen, 
die inderdaad bestaan hebben: vgl. A. 3. — Het perfectum potui en het 
participium praes. potens komen van een verloren gegaan praesens *poteo; 
vgl. potior, potltus sum, potiri zich meester maken van (§ 289, 6). 

Aanm. 2. In verbinding met een infinitivus passivi vindt men in 
het oude Latijn ook passieve vormen: potestur, possitur, poterdtur, pos- 
setur. Vgl. § 250 [coepi) en § 260. 

Aanm. 3. Bij dichters komen nog andere vormen voor, als : potissunt 
(= possunt), possiem (= possim), possiet en potissit (= possit), potesset 
en potisset [uit potis esset: § 26, 3°] (= posset), potesse (= posse). 



§§ 256-257. 



VERBA. ANOMALA. 



175 



§ 256. 2) Edo ik eet 

heeft nevens vormen met de thematische vocaal (zie § 186) ook oudere vor- 
men, welkediemissen;de kenletterd heeft in deze vormen veranderingen 
ondergaan, waardoor zij gelijk zijn aan de overeenkomstige van sum, alleen 
met dit onderscheid, dat de e door niet geheel zekere oorzaak verlengd is. 

De athematische vormen moeten voor den klassieken tijd als de 
nor male gelden. 





I. ACTIVUM 




1) Indicat. praes. 


2) Coniunct. imperf. 


3) Imperat. praes. 


edo 


ederem en essem 




edis en es 


ederes „ esses 


ede en es 


edit . a est 


ederet „ esset 


e d i 1 6 „ esto 


edimus 


ederemus » essemus 


e d i t e „ este 


edit is ,, estis 


ederetis » essetis 


e d i t o t e „ estote 


edunt 


ederent „ essent 


edunto 


ik eet enz. 


dat ik ate enz. 


eet enz. 


4) Infinit. praes. edere en esse eten 






II. PASSIVUM 




1) Indie, praes. 2) Coniunct. imperf. 


editur en estur 


ederetur en essetur 


hij (zij, het) wordt 


gegeten (dat) hij (zij 


het) gegeten werde 



De overige vormen zijn alle regelmatig. Perf. edi, sup. esum. 
Vgl. § 269, 1. 

Aanm. 1. In es-sem e. d. is de d geassimileerd (§ 25, 4, vgl. § 24, 
A. 7); zoo ook in es, dat echter de geminata vereenvoudigd heeft (§ 23); 
*ed-tis e. d. hadden naar § 25, 9 eigenlijk *essis enz. moeten worden; met 
het oog op de duidelijkheid is de t van het suffix echter hersteld ; de 2de 
pers. sing, imperat. es is gevormd naar analogie van es wees. 

Aanm. 2. In plaats van den coniunctivus edam vindt men bij oudere schrij vers 
gewoonlijk edim, dat, evenals sim (§ 208), velim, nolim, malim (§258), eigenlijk 
een oude optativus is: ik zou willen eten (vgl. § 209, 3). Zie § 242. 



§ 257. 3) Fero ik draag, ik breng 

heeft eenige vormen waarin de thematische vocaal (§ 186) 
schijnt te ontbreken; zij zijn in het volgende paradigma vet gedrukt. 
Het perfectum tali en het supinum latum komen van een anderen 
stam: vgl. § 266,2. 

Aanm. 1. Het is niet zeker, dat we hier inderdaad met resten van eene 
athematische vervoeging te doen hebben, zooals bijv. bij edo (% 256). 
Vooral met het oog op het thematische cpeqm en den coniunct. feram (niet 
*ferim, zooals edim, velim enz.), moet men ook rekenenmet de mogelijkheid, 
dat de vormen zonder thematische vocaal eerst later door syncope tot stand 
zijn gekomen (bijv. ferrem uit *feresem of *fererem), zoodat het samenvallen 



176 



BUIGINGSLEER. 



§ 258. 



§ 258. 



VERBA. ANOMALA. 



177 



van vormen als fert enz. met de athematische vervoeging alleen uiterlijk is : 
de thematische vocaal is er dan wel geweest, maar uitgevallen. 

Aanm. 2. Het perf., dat van een wortel to I- gevormd is, was oorspr. 
geredupliceerd : *tetolai, *tetuli; na verlies van de reduplicatie bleef tuli 
(§ 235, A. 3). Van een anderen vorm (§ 13, Aanm.) van denzelfden wortel (tla-) 
komt latum (oorspronkelijk "tldtum [§ 23 A]: vgl. e-rltj-v, Tla-ly-v). 



I. ACTIVUM 


II. PASSIVUM 


1) Indie. 2) Conjunct. 


1) Indie. 2) Coniunct. 


a) praesentis 


a) praesentis 


fero feram 


feror ferar 


f ers f eras enz. 


f erris f eraris enz. 


fert 


f ertu r 


ferimus 


f erimur 


f ertis 


f eri.rninl 


ferunt 


f eruntur 


b) imperf. 


b) imperf. 


ferebam ferrem 


ferebar ferrer 


ferebas ferres 


ferebaris ferreris 


enz. enz. 


enz. enz. 


c) futuri 


c) futuri 


feram 


ferar 


feres enz. 


fereris enz. 


3) Imperat. praes. 


3) Imperat. praes. 


fer (§ 241) 


f erre 


f erto 


f ertor 


ferto 


f ertor 


f erte 


f e r i m i n I 


fertote 






ferunto 


feruntor 


4) Infinit. praes. 


4) Infinit. praes. 


fer re 


ferri 


5) Partic. praes. 




f erens 




6) Gerundium 


5) Gerundivum 


f e r e n d I 


f er endus 


ferendo 




(ad) ferendum 




ferendo 





§ 258. 4) Volo ik wil; nolo ik wil niet; malo ik wil liever. 

Volo staat voor *velo: de stam is vel- (vgl. ons willen, Duitsch: wollen); 
nolo is ontstaan uit tie (§§ 17, 18) en volo: *ne-volo, *no(v)olo, *nolo; malo 
uit mage (= magis) en volo: *mag{e)-volo (§§ 14, 15,24), *mavolo, malo. 



!1 






De perfecta zijn regelmatig: 

volui (voluisti, enz.), nolui, malui (vgl. § 279, 7). 





1) Indicativus 






a) praesentis 




volo ik wil 


nolo ik wil niet 


malo ik wil liever 


vis 


ndn vis 


mavis 


vult 


non vult 


mavult 


volumus(§186,A. 1) 


nolumus 


malumus 


vultis 


non vultis 


mavultis 


volunt 


nolunt 

b) imperfecti 


malunt 


vole bam ik wilde 


nolebam ik wilde 


male bam ik wilde 


volebas 


nolebas [niet 


malebas [liever 


enz. 


enz. 

c) futuri 


enz. 


vol am ik zal willen 


nolam ik zal niet 


malam ik zal liever 


voles 


noles [willen 


males [willen 


enz. 


enz. 

2) Coniunctivus 

a) praesentis 


enz. 


velim (vgl. § 256, 


nolim 


malim 


veils [A. 2) 


noils 


malls 


velit 


nolit 


malit 


veil mus 


nolimus 


raalimus 


vellti s 


nolitis 


malitis 


veli nt 


nolint 

b) imperfecti 


malint 


vellem 


nollem 


mallem 


velles 


nolles 


malles 


vel let enz. 


nollet enz. 


mallet enz. 


3) Itnperativus praes. 


ontbreekt 


noli wil niet 

nolito 

nolito 

nolite 

nolitote 

nolunto 

4) Infinitivus praes. 


ontbreekt 


vel Ie 


nolle 


malle 


5) Participium praes 




(volens, volentis) (nolens, nolentis) 


ontbreekt 



woltjer, Lat. Oramm. 6e druk. 



12 



178 



BUIGINGSLEER. 



§ 259. 



259. 



VERBA. ANOMALA. 



179 



Aanm. 1. De stamklinker e bleef voor -11- en -li- (d. i. voor eene 
palatale 1 (§ 21, Aanm.)), maar ging voor 1 + andere consonant of a, e, 
o, u (velare 1), in o over. De u in vult enz. is uit de o ontstaan (in 't 
oudere Latijn *volt), zooals scribunt uit *scribont: vgl. § 10, 7. — Velle 
was oorspr. *vel-se (§ 25, 8; § 192); zoo ook vellein *vel-se-tn (§ 190). 

Aanm. 2. Men merke nog op, dat voor vlsne? wilt gij niet? ook vin? 
gebruikt werd; in plaats van si vis zoo gij wilt, ook sis (door samen- 
trekking : *sl(v)ls : § 19 A a), en, naar analogie van dit laatste, bij oudere 
schrijvers *sultis voor si vutiis, vormen, die eigenlijk tot de spreektaal behooren. 

Aanm. 3. In plaats van volens, dat in klassiek Latijn niet voorkomt, 
gebruike men liever cupiens; in plaats van nolens neme men invltus. 

§ 259. 5) E6 ik ga (stam I- [uit ei-]) 

is een werkwoord, dat tot de I-stammen behoort, dus vervoegd moest 
worden als audio. Het wijkt echter van deze vervoeging af, in zoo- 
verre als 

10 de stam voor a, o, u in e- overgaat; 

2° het imperfectum geen e heeft; 

30 het futurum (als dat van a- en e-stammen) op -bo uitgaat; 

40 het supinum de i kort heeft. 







I. 


ACTIVUM 








A. Tern 


pora imperfecta 








1) Indicat. 


2) Coniunct. 


a) praes. 


b) imperf. 


c) fat. 


a) praes. 


b) imperf. 




eo 


Ibam 


Ibo 


earn 


Irem 




IS 


Tbas 


ibis 


eas 


Ires 




it 


Tbat 


Tbit 


eat 


iret 




Imus 


Tbamus 


Tbimus 


eamus 


Iremus 




Itis 


Ibatis 


Tbitis 


eatis 


Iretis 




eunt 


Tbant 


ibunt 


eant 


Irent 


3) 


Imperat. 


praes. 


4) Infin. 






1 
Ito 




a) praes.: Ire 

b) fat. : 1 1 u r u s 


esse 




Ito 
Ite 




5) Partic. 






Itote 
eunto 




a) praes.: iens, euntis 

b) fut. : 1 1 u r u s 


6) 


Gerundium 


7) Supinum 




eundl 




itum 






eundo 




itu 






(ad) eundum 
eundo 










B. Tempora perfecta 





1) Indicat. 




2) Coniunct. 


a) perf. 


b) plusqpf. 


c) fut. exact. 


a) perf. 


b) plusqpf. 


ii (Tvi) 


ieram 


iero 


ierim 


Issem 


is ti 


ieras 


ieris 


ieris 


Isses 


iit, It 


ierat 


ierit 


ierit 


Isset 


nmus 


ieramus 


lenmus 


lenmus 


Issemus 


Istis 


ieratis 


ieritis 


ieritis 


Issetis 


ierunt 


ierant 


ierint 


ierint 


Issent 



PASSIVUM 

2) Coniunct. 

eatur dat men ga 

Iretur dat men ging 



3) Infin. perf. isse 

II. 

1) Indicat. 

Itur men gaat 

Ibatur men ging 

ibitur men zal gaan 

if turn est men is gegaan, enz. 

3) Infin. praes.: Iri: zie § 211. 

4) Gerundivum: -eundus in composita (adeundus, ineun- 

[dus, subeundus). 

De transitieve composita vormen het geheele passivum: 
praetereor ik word voorbijgegaan 
praeterlris gij wordt „ , enz. 

praeteritus voorbijgegaan, enz. 



Dit werkwoord behoorde oorspronkelijk tot de conjugatie op -mi (vgl. I-s, 
i-t enz.: § 186), evenals het Grieksche st-fti, maar is grootendeels overgegaan 
in de vervoeging op -6. 

Alleen het supinum itum en de daarvan afgeleide vormen komen nog van 
den zwakkeren stamvorm 1- (§ 13 Aanm.). 

De stam is overigens ei- ; voor de a, o en u kwam daaruit (door overgang 
van ei- in ej- voor een klinker en verdwijning van de i consonans (j) tusschen 
vocalen) e- : *ei-ont, *e(j-)ont, eunt; voor medeklinkers I- (§ 10, 13): imus, Itis. 
Let op euntis, eundi naast iens (Ablaut oje: § 13 Aanm.). 

I-I is de oorspr. vorm van het perf.; het perf. op -vT (ivi, Ivisti enz.) is eerst 
later ontstaan en weinig in gebruik: bij Cicero en Caesar ontbreekt het geheel. 

Er zijn vele composita van eo: 

a b e o weggaan o b e o 

adeo naar lets toegaan pereo 

ambio rondgaan praetereo 

c i r c u (m) e rondgaan p r o d e 

coeo samenkomen redeo 

exeo uitgaan subeo 

i n e ingaan t r a n s e o 

intereo te gronde gaan veneo 

introeo binnengaan 



L 



ondergaan, sterven 

omkomen 

voorbijgaan 

optreden 

terugkeeren 

op zich nemen 

overgaan 

verkocht worden. 

12* 



180 



BUIGINGSLEER. 



§ 260. 



261. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



181 



Ambio is geheel overgegaan in de vervoeging der i-stammen: ambiebam, 
ambivi, ambltum, atnbire. 

Aanm. Veneo, venll, venire (niet te verwarren met venire, komen), ont- 
staan uit venum eo enz. ik ga ten yerkoop, dat is : ik word verkocht, dient 
als passivum bij vendo (uit venum, do ik geef ten verkoop,) ik verkoop. 
Als partic. perf. gebruikt men venditus verkocht, als gerundivum vendendas, 
maar het part. fut. act. is veniturus zullende verkocht worden. 

Evenals veneo bij vendo, wordt pereo ik ga te gronde, perf. peril, inf. perire, 
als passivum gebruikt bij perdo ik richt te gronde (§304). Als part. perf. 
dient perditus. 

§ 260. 6) Queo ik kan, (nequeo) non queo ik kan niet, 

gaan in den praesensstam geheel naar eo. Beide werkwoorden komen 
in klassiek proza weinig voor, queo het minst. 



1) Indicat. 


2) Conjunct. 


1) Indicat. 2) Coniunct. 


a) praesentis 


a) praesentis 


queo 


queam 


non queo non queam (nequeam) 


ik kan 


quels 


nequeas 




queat 


nequit non queat 




queamus 


nequeamus 
n e q u 1 1 i s 




j} u e a n t 


nequeunt nequeant (non q.) 




(dat) ik kunne 




b) 


imperf. 


b) Imperf. 

nequirem 




qulret 


nequlret (non q.) 




(dat) hij konde 


3) Inf. praes.: nequire 

Coni. plusqpf. : nequisset 



Deze vormen alleen komen bij Cicero voor. Caesar gebruikt geen van beide 
werkwoorden. Bij andere schrijvers vindt men nog: 
Indicat. praes. : quTmus, queunt nequeo, nequTs (non quTs) 

nequit (non quit), non queunt 



» imperf. 

„ fut. 

Coniunct. praes. 
Partic. praes. 



Indicat. 



Infin. 



: qui bam 
: quTbo 

: quiens 

: quivi, (quiit) 



perf. 

plusqpf. . 

fut. exact. : q u i v e r o 

perf. : quisse 



nequlbam 

nequlbo (non quTbo) 

nequeat 

nequiens 

nequTvi, (nequiit) 
nequiveram 
nequivero 
nequisse. 



In verbinding met een infin. pass, komen bij oudere schrijvers ook pas- 
sieve vormen voor, als: queatur, nequltur, quitus sum, nequitus. (Vgl. 
§ 250 en § 255, A. 2.) 






Aanm. Waarschijnlijk is nequeo oorspronkelijk een compositum van eo 
(aanvankelijk alleen onpersoonlijk: nequit = *neque-it „het gaat niet", non 
potest), waaruit door onjuiste etymologische scheiding (ne-quif) later het 
simplex queo geabstraheerd werd. 

§ 26 1- 7) Flo ik word (gemaakt) 

gebruikt men in de vormen die van den praesensstam zijn afgeleid, als 
passivum bij facio (§ 268, 3). De i is overal lang, ook voor 
een klinker, behalve waar -er- volgt en in den 3den pers. sing, 
indie, praes. fit (§ 35, 3). 

Aanm. Fimus en fills vindt men nergens. Ook de imperativus komt 
in goed proza niet, voor. — De passieve vorm van den infinitivus schijnt 
aan de beteekenis van het verbum te danken te zijn. 



1) Indicativus 

a) praes. b) imperf. c) fut. 
fio flebam flam 

fis fiebas fies 

fit flebat flet 

fiebamus fiemus 
fiebatis f let i s 
Hunt (§35,3) fiebant flent 
ik word ik werd ik zal worden 

3) Imperat. praes. (fi, fito, flte word enz 

4) Inf. praes. fieri te worden 



2) Coniuri 


ctivus 


a) praes. 


b) imperf. 


flam 


flerem 


f lis 


fleres 


fiat 


fleret 


fiamus 


fieremus 


fiatis 


f leretis 


fiant 


fierent 



(dat) ik worde (dat) ik werde 



Al het overige komt van facio, feci, factum, facere: dus perf.: f actus 
sum, factus sim enz., ik ben geworden enz.. 

8) Over do ik geef, vgl. § 304. 



LIJST DER MEEST GEBRUIKELIJKE WERKWOORDEN MET 
OPGAVE DER PERFECTA EN SUPINA. 

Voor de vorming der stamtijden zie men §§ 232-238. 

De voornaamste composita (samenstellingen) zijn in de Aanmer- 
kingen vermeld. Over den vorm der praepositie in deze samenstellingen 
vergelijke men in 't algemeen § 30, over de verandering van den stam- 
klinker ten gevolge van de samenstelling § 15. 

Bij sommige verba zijn het perfectum en supinum aan een geheel 
anderen wortel ontleend dan het praesens: de oorzaak hiervan is de- 
zelfde als die van het overeenkomstige verschijnsel bij de comparatie 
(§ 125): door hunne beteekenis konden sommige wortels niet in 
het perf. gebruikt worden, en moesten daarom door vormen van andere 
wortels aangevuld worden : few, tuli, latum, ferre. 



182 



BUIGINGSLEER. 



§§ 262-263. 



A. CONSONANTSTAMMEN (3de Conjugate). 

I. Sterk perfectum 1) met reduplicatie. 

a) Supinum op -turn: 

§ 262. 1. cano cecini [cantos subst.) canere zingen 

2. pango pepigi pactum pangere vast maken 

3. pario peperi partum parere voortbrengen 

4. pungo pupugi punctum pungere steken 

5. tango tetigi tactum tangere aanraken 

6. tendo tetendi tentum tendere spannen. 

Aanm. 1. Voor cantum, cantus gebruikte men gewoonlijk cantatum, 
cantatas (van cantdre). 

De comp. concino, concinui, concinere overeenstemmen en praecino, 
praecinui, praecinere voorspellen, hebben geen supinum en 't perf. 
op -ui, ofschoon ook praececini voorkomt. 

2. Zie § 235, A. 2. Wat de beteekenis betreft, behoort pepigi bij 
paciscor een verdrag sluiten (§ 283, 15). — Comp. impingo, impegi, 
impactum, impingere tegen iets slaan, -stooten, zoo ook compingo 
ineenslaan, samenvoegen. 

3. Part. fut. pariturus (§ 253). 

4. Comp. compungo, compunxi, compunctum, compungere hevig ste- 
ken; zoo ook: expungo schrappen, strijken, delgen, interpungo door 
punten scheiden. 

5. Comp. altingo, attigi, attactum, attingere aanraken, aanroeren; 
zoo ook: contingo aanraken, treffen, te beurt vallen. 

6. De vorm ten-turn wijst er op, dat de -d- in net praes. en perf. niet 
tot den wortel hoort: vgl. § 25, 9 ; tensum is van jongeren oorsprong. - 
Comp. attendo, attendi, attentum, attendere acht geven;' zoo ook: 
contendo inspannen, strijden, extendo uitspannen (sup. extentum en 
extensum), intendo inspannen; ostendo toonen heeft als sup. gewoon : 
lijk ostentatum (ostentus nog bij Terent., Cato en Varro), maar het subst. 
is: ostentum een voorteeken. 



b) Supinum op -sum: 
§ 263. 1. cado cecidi 



2. caedo 

3. curro 
fallo 
parco 
pello 



cecidi 

cucurri 

fefelli 

peperci 

pepuli 



casurus 
caesum 
cursum 
fa Is us 



cadere 

caedere 

currere 

fallere 



vallen 

vellen 

loopen 

misleiden 

sparen 

drijven 



parsurus parcere 

pulsum pellere 

pendo pependi pensum pendere laten hangen, we- 

tundo (tutudi) -tusum tundere stooten. [gen 

Aanm. 1. Comp. occldo, occldi, occasurus, occidere ondergaan, 
sterven (substant. occasus ondergang), incido, incidi, (incasurus), inci- 



§§ 264-265. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



183 



dere invallen, recido, reccidi (vgl. § 235, A. 4; ook recidi), recasurus, 
recidere terugvallen. — De overige composita hebben geen part, futuri. 

2. Comp. occldo, occldi, occlsum, occidere dooden; zoo ook: abscldo 
(§30) afsnijden, concldo neerhouwen, circumcldo rondom afsnijden, 
incido graveeren, insnijden. 

3. Comp. succurro, succurri, succursum, saccurrere (§ 30) te hulp 
komen, recurro terugloopen, occarro tegemoet loopen; maar pro- 
curro, pro c u curri, procursum, procurrere vooruitloopen; zoo ook decurro 
af loopen en excurro uitloopen; - de andere samenstellingen hebben 
het perf. zoowel met als zonder reduplicatie. Vgl. § 235, A. 3. 

4. Als part. perf. pass, gebruikt men deceptus misleid, bedrogen 
(van decipio: § 268, A. 2): falsus is adiectivum: valsch. - Het comp. 
refello, refelli, refellere wederleggen, heeft geen supinum; daarvoor ge- 
bruikt men refutatum. 

5. Zie § 235, A. 2. - Voor het supinum en de daarvan afgeleide vor- 
men gebruikt men temperatum (parsurus komt bij Livius voor). 

6. Zie § 234, A. 2, § 272, 8. - Comp. appello, appuli, appulsutn, 
appellere aandrijven, landen; zoo ook: expello uitdrijven, repello 
terugdrijven (perf. reppuli: § 235, A. 4). 

7. Comp. impendo, impendi, impensum, impendere ten koste leggen, 
besteden; zoo ook: appendo toewegen, expendo uitgeven, perpendo 
overwegen, suspendo ophangen. 

8. Het perf. van het simplex wordt alleen door de grammatici opge- 
geven; 't supinum komt alleen bij dichters en latere schrijvers voor (ook 
in den vorm tunsum). - Comp. contundo, contudi, contusum (en contun- 
sum), contundere stuk stooten, obtundo, obtlidi, obtusus (en obtunsus), 
obtundere afstompen, retundo terugstooten (perf. rettudi: § 235, A. 4). 



leeren (apprendre) 
eischen. 



c) Zonder supinum: 
§ 264. 1. disco didici discere 

2. posco poposci poscere 

Aanm. 1. Van disco is de wortel dec-, zwakkere vorm dc- (§ 13, Aanm.); 
vgl. de verwante woorden dec-et (het is geschikt,) het past (§ 381), 
en doc-eo (eig. : tot iets geschikt maken,) leeren, wat de vorming 
aangaat ook het Gr. SiSaaxw (voor *8i-8ax-oxw), dat echter wellicht tot 
een anderen wortel behoort. Di-sc-o staat voor *di-dc-sco, met praesens- 
reduplicatie, en hoort dus eigenlijk in § 265. Vgl. § 232, 4. - Comp. 
addisco, addidici, addiscere er bij leeren; zoo ook: edisco van buiten 
leeren, dedisco afleeren, perdisco grondig leeren. 

2. Vgl. §232, A. 6. - Comp. dcposco, depoposci, deposcere af eischen ; 
zoo ook: exposco dringend eischen; reposco terugeischen heeft geen 
perf.; daarvoor gebruikt men repetlvi van repeto (§ 277, 7), waaraan ook 
het supinum ontleend wordt: repetltum. 



d) Met praesensreduplicatie (§ 232, 5): 
265. 1. bibo bibi potum bibere 
2. sisto (stiti) (statum) sistere 



drinken 
plaatsen, stellen. 



184 



BUIGINGSLEER. 



§ 266. 



Aanm. 1. Vgl. § 232. De wortel is po(i), pi- (vgl. .po-tum en Gr. niva>). 
Het supinum en de daarvan afgeleide vormen kan men ook nemen van 
potare (§ 307), dat van potus gevormd is: potdtum. - Comp. comblbo 
opdrinken, indrinken, imbibo opnemen, inzuigen. 

2. Si-st-o is gelijk 1'ot^/a.i (voor *el-otrj- pi), 't Perf., dat den vorm 
steti moest hebben en somtijds nog heeft (§ 235, A. 2), en 't supinum komen 
zelden voor en wel in de gerechtstaal. Somtijds heeft het werkwoord dan 
intransitieve beteekenis : zich plaatsen, gaan staan. 

Comp. met het perf. stiti en zonder supinum: absisto, abstiti weg- 
gaan, afstand doen, adsisto bij iets gaan staan, bijstaan, cbnsisto 
bestaan, desisto ophouden, exsisto ontstaan, Jnsisto optreden, resisto 
wederstaan, subsisto blijven staan. Het comp. circumsisto omringen, 
heeft in het perf. circtimsteti (niet *circumstiti). 

e) De reduplicatie in het perfectum is afgevallen : 
§ 266. 1. per-cello per-culi per-culsum per-cellere ternedervverpen 



2. 


fero 


3. 


findo 


4. 


scindo 


5. 


t o 1 1 


UI 


MM. 1. V, 



tuli latum ferre 

fidi fissum findere 

scidi scissum scindere 

sus-tuli sub-Iatum to 11 ere 



dragen (§ 257) 
splijten 
scheuren 
opheffen, weg- 
[nemen. 
§ 272, 8. *Cello bestaat si edits in composita. Antecello 
overtreffen, excello uitmunten, praecello uitsteken, hebben geen per- 
fectum en geen supinum. (Van excello komt bij latere schrijvers een 
perfectum excellui voor (als van *excelleo), dat in goed proza evenwel ver- 
vangen wordt door florid, vigui, eminui, praestiti of dergelijke.) 

2. Vgl. § 235, A. 1 en § 257. Van denzelfden wortel als het perfectum 
tuli en het supinum latum komt no. 5 tollo, dat in het perf. en het sup. 
met sub- is samengesteld. De comp. attollo en extollo verheffen, hebben 
geen perf. of supinum. 

Fero heeft talrijke samenstellingen, de meeste met assimilatie der praepo- 
sitie (§ 30). 

Geene verandering ondergaan : antefero, antetuli, anteldtum, antejerre 
voortrekken, circumfero ronddragen, defero afbrengen, overbren- 
gen, perfero overbrengen, ten einde toe dragen, praefero vooruit- 
dragen, voortrekken, profero te voorschijn brengen, trdnsfero 
overbrengen, overdragen. Zoo ook: refero, rettuli (§ 235, A. 4), reld- 
tum, referre verhalen. Over aufero, abstuli, abldtum, auferre wegnemen, 
vgl. § 30. 

De overige assimileeren geheel of ten deele: 



affero 


attuli 








alldtum 


afferre 


aanbrengen 


cdnfero 


contuli 








colldtum 


conferre 


bijeenbrengen 


differo 


distuli 








dUdtum 


differre 


uitstellen 


effero 


extuli 








elatum 


efferre 


uitbrengen 


uifero 


Midi 








illdtum 


Jnferre 


inbrengen 


offero 


obtuli 








obldtum 


offerre 


aanbieden 


suffero 


sustuli 


(§ 


30) 






sufferre 


verdragen. 


3. Zie 


§ 232, 1 en 


§ 236, 


b, A. 1. Comp. diffindo 


splijten. 


4. Vgl 


§ 236, b, 


A 


. 1. 


Comp. discindo 


en rescindo 


verscheuren. 



3§ 267-268. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



185 



emo 


emi 


emptum 


lego 


legi 


lectum 


-1 i n q u o 


-1 1 q'u i 


-lictum 


rumpo 


rupi 


r u p t u m 


vinco 


vTci 


victum 



e m e r e koopen 

1 e g e r e lezen 

-1 i n q u e r e laten 

rum per e breken (trans.) 

vincere overwinnen. 

behoudt de e, maar adimo, 
dirimo scheiden, interimo en 



2) zonder reduplicatie, met verlenging van den 
stamklinker (§ 236, a), 
a) Supinum op -turn: 
a. de klinker is dezelfde: 

§ 267. 1. 
2. 
3. 
4. 
5. 

Aanm. 1. Comp. Coemo opkoopen, 
ademi, ademptum, adimere ontnemen, 
perimo dooden, redinw loskoopen, veranderen haar in het praesens in 

Emo had oorspronkelijk de beteekenis van nemen; deze is in eenige 
der bovengenoemde comp. gebleven, en zoo ook in de vier volgende, 
die samengetrokken worden (§ 19) en een zwak perf. op -si hebben (met 
inlassching van p tusschen m en s: §28): 

cdmo (co- en emo), compsi, cdmptum, cdmere samenvoegen, ordenen; 
demo (de en emo), detnpsi, demptum, demere wegnemen; 
promo (pro memo), prompsi, promptum, promere voor den dag bren- 
gen (prdmptus (als adiect): openbaar, vaardig, bekwaam); 
sumo (sub(s) memo), sumpsi, siimptum, sumere nemen. 

Zij zijn aan den langen klinker in het praes. gemakkelijk te herkennen. 

2. Comp. De e blijft behouden in: adlego er bij kiezen, perlego 
doorlezen, relego herlezen, intellego en neglego (zie beneden). — Zij 
gaat over in i in: colligo , collegi, collectum, colligere verzamelen; 
deligo kiezen, eligo uitkiezen, seligo uitzonderen, uitkiezen. 

De volgende drie hebben in 't perf. -si : 
dlligo, dTIexi, dllectum, diligere beminnen; 
intellego, intellexi, intellectum, intellegere begrijpen (§ 30); 
neglego, neglexi, neglectum, neglegere veronachtzamen. 

3. Zie §232,1. - 't Simplex komt zelden voor. Comp. delinquo, deliqui, 
delictum, delinquere falen, misdoen; zoo ook: relinquo verlaten, dere- 
linquo in den steek laten. Het sup. komt alleen in de comp. voor. 

4. Comp. evenzoo: abrumpo afbreken, corrumpo bederven, om- 
koopen, erumpo en prdrumpo uitbreken, irrumpo indringen, per- 
rumpo doorbreken. 

5. Comp. evenzoo: convinco iemand van eene dwaling overtuigen, 
iets aantoonen, devinco en pervinco geheel overwinnen, revinco be- 
dwingen, wederleggen. 



p. Tegenover eene korte a in het praesens staat eene lange e 
in het perf. (§ 13 Aanm.): 



§ 268. 



1. 


ago 


egi 


actum 


agere 


voeren, doen 


2. 


capio 


cepi 


captum 


capere 


nemen 


3. 


facio 


feci 


factum 


facere 


doen, maken 


4. 


f rango 


fregi 


fractum 


f rangere 


breken (trans.) 


5. 


iacio 


ieci 


iactum 


iacere 


werpen. 



186 



BUIGINGSLEER. 



§§ 268-269. 



Aanm. 1. Comp. Circumago rondvoeren en perago ten einde voe- 
ren, behouden de a in het praesens; de overige veranderen haar in i . 

abigo, abegi, abactum, abigere wegdrijven ; adigo aandrijven, 
exigo opeischen, redigo terugdrijven, herleiden, subigo onderwer- 
pen, transigo afdoen, een vergelijk tot stand brengen; ambigo 
twijfelen, dat geen pert, of supinum heeft. 

Samengetrokken zijn (§ 19) : 

co go (co- en ago), coegi, codctum, cogere d win gen; 

dego (de en ago) doorbrengen, leven, zonder perf. en supin.. 

2. Vgl. §233. - Comp. De a blijft in het praesens in: antecapio, ante- 
cepi, anteceptum, antecapere vooraf riemen (maar anticipdre). 

De overige krijgen i: accipio, accept, acceptum, accipere aannemen, 
concipio opvatten, in zich opnemen, decipio misleiden, exciplo op- 
nemen, uitzonderen, incipio beginnen (vgl. § 250), percipio begrij- 
pen, suscipio ondernemen. 

3. Vgl. § 233. Imperat. praes. act. : fac (§ 240). 

Comp. a) De jongere, met verba en adverbia samengestelde, behouden 
de a in het praesens en hebben, evenals het simplex, in 't pass. fJo, 
/actus sum, fieri (§261): arefacio drogen, assuefacio gewennen (trans.), 
calefacio verwarmen, commonefacio herinneren, liquefacio vloeibaar 
maken, madefacio nat maken, patefacio openen. Vgl. § 47, 1°. 

Calefacio heeft ook de gesyncopeerde (§ 15 B) vormen calfeci, calfartum, 
calfacere; de imperat. is alleen calf ace (van de overige boven genoemde 
werkwoorden komt de imper. niet voor). Olfacere ruiken, de lucht van 
iets krijgen, heeft alleen den gesyncopeerden vorm (niet olefacere) ; 't komt 
in 't passief niet voor. 

b) De oudere, met praeposities samengestelde, veranderen de a in i 
(§ 15 A) en vormen het passivum op de gewone wijze : afficio, affect, 
affectum, afficere aandoen : pass.: afficior, affectus sum, affici; 

zoo ook: conficio afdoen, deficio wegblijven, ontbreken, efficio be- 
werken, Inficio verven, besmetten, interficio dooden, officio verhin- 
deren, perficio voleindigen, praeficio aan 't hoofd stellen, proficio 
voortmaken, helpen, reficio herstellen, sufficio kiezen in plaats 
van een ander, intr. voldoende zijn. 

4. Comp. confringo (§ 15 A), cdnfregi, confractum, confringere verbreken, 
effringo openbreken, perfringo doorbreken. 

5. Vgl. § 233. Comp. abicio, abieci, abiectum, abicere afwer pen, adicio 
toevoegen, conicio (bijeen)werpen, gissen, deicio afwerpen, disicio 
verstrooien, eicio uitwerpen, obicio voorwerpen, proicio voorwer- 
pen, ratio verwerpen, subicio onderwerpen, traicio (transicio) over- 
zetten, doorboren. De eerste lettergreep van abicio e. d. (uit *ab-j(a)cio, 
met syncope van de a en vocaliseering van de j) wordt bijna altijd posi- 
tione lang genomen (§ 32): men sprak blijkbaar abjicio (naar analogie 
van iacio): vgl. § 10, 4. 

b) Supinum op -sum: 
§ 269. 1. edo edi esum edere eten (§ 256) 

2. fodio fodi fossum fodere graven 

3. fundo fudi fusum fundere gieten, verslaan 

4. sido -sedi -sessum sldere gaan zitten. 



§§ 270-271. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



187 



Aanm. 1. Comp. comedo opeten, exedo geheel opeten, peredo 
doorknagen. 

2. Vgl. § 233. Comp. cdnfodio en perfodio doorboren, effodio uit- 
graven, suffodio ondermijnen. 

3. Comp. confando verwarren, effundo uitstorten, Jnfundo in- 
gieten, perfundo overstroomen, profundo vergieten. 

4. Sido staat voor *sizdo, *si-sd-o (§ 24, 3); sd- is de zwakkere vorm 
van den wortel sed-, -dien men in sedeo ik zit, heeft (§ 13, Aanm.). 't Simplex 
komt in klassiek proza zelden voor; 't perf. en 't supinum alleen in comp.: 
adsldo naast of bij iemand gaan zitten, consTdo gaan zitten, zich 
neerzetten, possido in bezit nemen, resldo zich nederlaten, be- 
daren, subsldo hurken, gaan zitten, zitten blijven. 

Zelden vindt men (bij dichters en prozaschrijvers na Cicero) een perf. -sldi 
met ii (naar analogie v. h. praes.), bijv. conslderdmus Plin. Ep. 6, 20, 14; 
conslderant Liv. 9, 37, 7. 

c) Zonder supinum: 

§ 270. 1. fugio fugi fugere vluchten 

2. scabo scabi scabere schaven. 

AANM. 1. Vgl. § 233. Partic. futuri : fugiturus. Comp. aufugio (§ 30) 
wegvluchten, confugio heen vlieden, effugio ontvluchten, perfugio 
zijne toevlucht nemen, profugio de vlucht nemen, refugio terug- 
vluchten, transfugio overloopen. 



3) zonder reduplicatie en zonder verandering 
van den stamklinker (§ 236, b). 

a) Supinum op -tarn: 

§ 271. 

1. acuo acui aciltus acuere scherpen 

2. arguo argui argutus arguere in het licht stellen, 

[tmsdmldigen 

3. exuo exui exiitum exuere uittrekken 

4. delibuo delibui delibutum delibuere bestrijken 

5. (ico) Ici ictum (Icere) slaan, treffen 

6. imbuo imbui imbutum imbuere drenken 

7. induo indui indutum induere aantrekken 

8. (luo lui -lutum luere) wasschen, spoelen 

9. minuo minui minutum minuere minderen 

10. ruo rui (rutum) mere rennen, stoften 

11. solvo solvi solutum solvere losmaken 

12. spuo spui sputum spuere spuwen 

13. statuo statui statutum statuere vaststellen 

14. suo sui sutum suere naaien 

15. tribuo tribui tributum tribuere toedeelen 

16. volvo volvi vol u turn volvere wentelen. 



BUIGINGSLEER. 



§§ 271—272. 



Aanm. 1-16. Oorspr. hadden deze verba een perf. op -vi : vgl. § 236, 
A. 2 ; zoo ook solvl uit *solul, *so-luvi, en volvi uit "voluT, *vo-luvi. 

1. 't Supinum ontbreekt; acutus is altijd adiectivum: scherp. 

2. Argutus als partic. komt bij Plautus voor (klass. daarvoor accasatus) ; 
als adiectivum beteekent het: sprekend, geestig, scherpzinnig. Verder 
heeft men een part. fut. arguiturus. 

Comp. coarguo bewijzen (supin. convictum), redargue wederleggen 
(supin. refutatum). 

3 en 7. Deze beide composita komen van een niet meer gebruikelijk 
*-uo aantrekken, bekleeden. 

5. Zelden in 't praesens, waarvoor men ferio gebruikt; ici foedus ik heb 
een verbond gesloten, foedus Ictum est een verbond is gesloten. 

8. 't Supinum -latum komt slechts in composita voor: abluo, ablui, 
ablutum, abluere afspoelen, eluo delgen, polluo bevlekken {pol- door 
assimilatie uit por-, dat ook voorkomt in porrigo uitstrekken, portendo 

' voorspellen, enz. [vgl. § 30]; polluo dus: naar voren spatten, be- 
spatten). Eigenlijk zijn eluo e. d. geen comp. van luo, maar van lava 
(dat in het oude Latijn ook consonantstam is : § 305, 2) ; elavo werd over- 
eenkomstig §15,4 eluo: uit eluo (dat bij Plautus nog het perf. elavl heeft) 
enz. werd dan later een simplex *luo afgeleid. 

Van een gelijkluidenden, maar niet gelijken, stam lu- (vgl. Gr. Xvco) komt: 
eene andere reeks van werkwoorden met het grondbegrip van: losmaken;. 
zooals Luo, lui, (lutum), luere lossen, dlluo, dTlui, dJlutum, dlluere oplos- 
sen, solvo (no. 11) (voor *se-liw. vgl. §§ 30 en 19, A. 3, a). 

9. Comp. comminuo stuk breken, vernietigen, deminuo en imminuo 
verminderen. 

10. Part. fut. ruiturus (§ 253). 't Supin. komt voor in comp., als: 
dlruo verwoesten, eruo opgraven, obruo bedekken, begraven, 
subruo ondergraven; de u is dan kort, terwijl zij in rutum lang is: 
dTriitum, eriitum, obrutum, enz. (vgl. § 37, A. 1). Geen supinum hebben : 
corruo instorten en irruo binnenrennen. 

11. Uit *se-luo: zie 8. Dichters gebruiken somtijds diaeresis (§19, A. 3): 
solui, soluendus. Comp. absolvo vrijspreken, dissolvo oplossen enz.. 

12. Comp. respuo, respui, respuere verwerpen, versmaden, zonder 
supinum, waarvoor men repudidtum kan gebruiken. 

13. In de comp. gaat de a over in i: cdnstituo besluiten, destituo 
verlaten, begeven, Tnstituo inrichten, restituo herstellen. 

14. Comp. consuo aan elkander naaien, dissuo lostornen. 

15. Comp. attribuo toedeelen, contribuo bijdragen, distribuo ver- 
deelen. 

16. Comp. evolvo uit-, ontrollen, involvo inwikkelen, revolvo terug- 
wentelen. Bij dichters met diaeresis (§ 19, A. 3): evoluam, involuisse. 

b) Supinum op -sum: 
§ 272. 

1. accendo accendi accensum accendere in brand steken. 

2. defendo defendi defensum defendere verdedigen 






§§ 


272-273. 




VERBA. STAMTIJDEN. 


189 


3. 


mando 


(mandi) 


mansum 


mandere 


kauwen 


4. 


pando 


pandi 


passum 


pandere 


uitbreiden 


5. 


prehendo 


prehend 


i prehensum 


prehendere 


grijpen 


6. 


scando 


scandi 


scansum 


scandere 


stijgen 


7. 


cudo 


-cudi 


-cusum 


cudere 


slaan, stampen 


8. 


vello 


velli 


vulsum 


vellere 


trekken, plukken 


9. 


verro 


verri 


versum 


verrere 


sleepen, vegen 


10. 


verto 


verti 


versum 


vertere 


wenden, keeren. 



Aanm. 1. Het simplex *cando wit maken (waarbij candeo (§ 301, 4) 
het irrtrans. is: wit zijn) is niet meer in gebruik. Andere comp. incendo 
en succendo doen branden, ontvlammen. 

2. Het simplex *fendo bestaat niet meer; offendo tegenstooten. 

3. Het perfect, mandi komt zeer zelden voor. 

4. Passum hoort bij een verbaalstam zonder n ; een vorm pdnsum 
(naar analogie van pandi) wordt zeer zelden en meestal bij lateren gevon- 
den. Comp. expando uitspannen, uitbreiden. 

5. Uit *prae-hendd. De n hoort niet tot den wortel : vgl. praeda buit 
(uit *prae-heda). Samengetrokken vormen : prendo, prendi. Comp. appre- 
hendo aangrijpen, comprehendo samenvatten, begrijpen, deprehendo 
aanvatten, verrassen, reprehendo berispen. 

6. Het supin. komt niet voor in 't simplex, dat in 't algemeen zeld- 
zaam is, wel in de comp.: a(d)scendo, a(d)scendi, a(d)scensum, a(d)scendere 
opstijgen, cdnscendo bestijgen, descendo afdalen, trdnscendo over- 
gaan, o verschrijden. 

7. Het perf. en supin. slechts in comp. : excudo, exciidi, excusum, excu- 
dere uitslaan, incudo inslaan. 

8. Het supinum met verandering van e in u (ouder o), evenals pulsum 
van pello, perculsum van percello, enz. (voor 1 + andere cons, [velare 1] : 
vgl. § 258, A. 1). Een perf. vulsi (naar vulsum) in plaats van velli wordt 
zeer zelden gevonden. 

Comp. dvello afrukken, convello losrukken, divello uiteentrekken, 
evello uitrukken. 

10. Comp. adverto heenkeeren, averto afwenden, converto om- 
keeren, everto omwerpen, verwoesten; devertor zich afwenden, 
zijn in trek nemen, revertor terugkeeren (perf. reverti: § 252, 3; 
zoo ook deverti). 



c) Zonder supinum: 



§ 273. 






1. 


congruo 


congrui 


congruere 


overeenstemmen 


2. 


lambo 


Iambi 


lambere 


likken 


3. 


metuo 


metui 


metuere 


vreezen 


4. 


-nuo 


-nui 


-nuere 


knikken 


5. 


pluit (§ 244) 


pluit 


pluere 


regenen 


6. 


psallo 


psalli 


psallere 


op de citer spelen 


7. 


sternuo 


sternui 


sternuere 


niezen 


8. 


vlso 


vlsi 


v T s e r e 


gaan zien, bezoeken 



190 



BUIGINGSLEER. 



§ 274. 



§§ 275-276. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



191 



Aanm. 1, 3, 4, 5, 7. Vgl. § 271, A. 1-16. 

4. 't Simplex bestaat niet; comp. abnuo weigeren (part. fut. abnui- 
turus), annuo (adnuo) toeknikken, beide zonder supin.. 

8. Vlso (uit *veid-so) is van een wortel veid- (vgl. video) gevormd met 
een zeldzaam praesenssuffix -s-, dat voluntatieve beteekenis had (vgl. §277, 8); 
als perf. werd ook (misschien zelfs meestal) vidi (§ 293, 3) gebruikt. 

II. Zwak perfectum 1) op -vT. 

Deze werkww. zijn alleen in 't praes. consonantstammen ; 't perf., en 
meestal ook het supin., is van een vocaalstam gevormd, vandaar -vT en 
in 't sup., waar dit bestaat, -turn (vgl. §§ 232, 6 en 277). 

a) Het praesens heeft -sco achter den verbaalstam gevoegd (§ 232, 4) : 
§ 274. 

1. cresco crevi {cretus) crescere groeien 

2. nosco novi (§ 250) notus noscere leeren kennen 

3. obsolesco obsolevi obsoletus obsolescere verouderen 

4. pasco pavi pastum pascere laten weiden 

5. quiesco quievi quietus quiescere rusten 

6. scisco scTvi scitum sciscere besluiten 

7. suesco suevi suetus suescere gewoon worden. 

Aanm. 1. Wortel ere-: vgl. creo ik schep. Van de comp. heeft concresco 
zich verdikken, een partic. pert.: concretus vast, hard geworden, 
de andere niet; in 't simplex komt cretus alleen bij dichters voor (als adiect.: 
ontsproten, geboren). 

2. Nosed uit *gnosco: de stam is (g)no-: vgl. agnosco, Gr. yi-yvcu-axco, 
enz.. Part. perf. notus bekend. — Comp. Als het simplex gaan : ignosco 
vergeven en pernosco goed leeren kennen (dit laatste zonder supinum); 
— maar agnosco, agnovi, agnitum (uit *agnatu/n tegenover notus : Ablaut 
d/o: vgl. § 13, Aanm.), agn osce re erk en n en, herkennen; zoo ook: co- 
gnosco leeren kennen en recognosco zich te binnen brengen. 

3. Obsoletus verouderd, is een adiectivum. 

Obsolesco schijnt te komen van soleo gewoon zijn; zoo ook exolesco, 
exolevi, exoletum, exolescere in onbruik geraken, verdwijnen. 

In verband met alo voeden (§278, 1) staan alesco en olesco groeien, in: 

abolesco, abolevi, abolescere vergaan; 

adolesco, adolevi, adultus, adolescere opgroeien; 

coalesco, coalui, coalescere samengroeien; 

inolesco, inolevi, inolescere aan iets groeien; 

subolesco, subolescere nagroeien, opvolgen (vgl. adulescens jonge- 
ling, proles (*pro-oles) spruit, nakomeling, suboles spruit, kroost). 

4. De wortel is pa-: vgl. pabulum voeder; pastum uit *pa-sc-tum: vgl. 
§ 232, A. 6. Pass, pascor, pdstus sum, pasci weiden (intrans.). 

5. Part. perf. quietus gerust. — Comp. acquiesco tot rust komen, 
conquiesco rusten, requiesco uitrusten. 



' 



6. Vgl. plebi scitum (§ 88a, A. 1) volksbesluit. Comp. adscisco aan- 
nemen, conscisco aandoen (bij v. mortem sibi consciscere). 

7. Part. perf. suetus gewoon. 't Simplex komt zelden voor. Comp. 
assuesco, consuesco gewend worden, desuesco ontwennen, zonder supin., 
maar met de part. perf. assuetus, consuetus, desuetus, ook -als adiectiva. 

b) Het praesens is versterkt met eene n (§ 232, 1): 

a. Perf. en sup. beide met langen klinker en schijnbare metathesis: 

§ 275. 

(crevi) -cretum cernere onderscheiden, zien 
sprevi spretum spernere versmaden 
stravi stratum sternere uitspreiden. 

Aanm. 1—3. Deze verba hadden oorspr. tweelettergr. wortels: cerei-, 
spere-, stere- (vgl. Gr. i-arogs-aa) : vgl. § 232, A. 1 en § 277, 10. 

1. Cerno uit *cr(i)-no (vgl. xqivm, xqi-tos), of uit *cer(a)-no; cretus bij crevi, 
dat bij het praes. cerno gemaakt is naar analogie van spre-vT: sperno (men 
verwacht *cri-vi: vgl. tfi-vl [§277,10]); het oude part, certus (uit *cr(i)-tos) 
is adject, geworden: zeker. — Crevi komt in proza zelden voor; -cretum 
alleen in comp.: decerno besluiten, discerno onderscheiden, secerno 
afscheiden. 

3. Stravi naar analogie van stratum: men verwacht *strevi; omgekeerd 
spretum met e naar sprevi. Comp. consterno bestrooien, prosterno neer- 
werpen. 



cerno 

sperno 

sterno 



fi. De lange klinker is alleen in het perf.: 
§ 276. 

1. -lino -levi -litum -linere 

2. sino sivi situm sinere 



bestrijken 
laten, toestaan. 



Aanm. 1. Wortel lei- (vgl. XsXoe, levis glad), zwakkere vorm li- (§ 13, 
Aanm.). Le-vi uit *lei-vi met e na I ; men vindt soms livi naar analogie 
van sivi. 't Simplex wordt in klassiek proza niet gevonden. Comp. illino 
opsmeren, oblino besmeren. 

2. Wortel sei-jsi- (§ 13, Aanm.). Sino wellicht eigenlijk: neerleggen. 
Vgl. situs gelegen en pono (§ 278, 11). Comp. desino, desii (§ 241, A. 2), 
desitum, desinere af laten, ophouden (eig. : afleggen), voor welks perf. 
Cicero en Caesar destiti (van desisto) gebruiken. 



c) Praesensreduplicatie : 

3, sero sevi satum 



serere 



zaaien. 



Aanm. 3. Sero staat voor *si-s-o (van den wortel se- [zwakkere vorm s-, 
voor eene consonant sa-: vgl. § 13, Aanm.]: vgl. se-men zaad), met e in 
plaats van T naar analogie der composita, waarin T voor r in eene mid- 
denlettergreep (§15) e was geworden (vgl. tints — cineris). — Comp. consero, 
consevi, consitum(§l5A), cdnserere bezaaien; zoo ook: Jnsero inplanten. 



192 



BUIGINGSLEER. 



§§ 277—278. 



278. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



193 



7. 
8. 

9. 
10. 



d) Consonantstammen hebben in het perf. en 't sup. eene l 
genomen (§ 232, 6 b) : 
§ 277. 

arcessitum arcessere ontbieden 
capessitum capessere aanpakken 
facessitum facessere ijverig doen 

incessere aanvallen 
lacessitum lacessere plagen 
cupltum cupere begeeren 
petltum 
quaesitum 



aan- 



1. arcesso arcessivi 

2. capesso capesslvi 

3. facesso facessivi 

4. incesso incessivi 

5. lacesso lacessivi 

6. cupio cuplvi 



peto 

quaero 

sapio 



petivi 
quaesivi 
sapivi (sapii) 



petere 

quaerere 

sapere 



tero 

Aanm. 



tnvi 



terere 



streven naar 

zoeken 

smaken , smaak 

[hebben 
wrijven. 



tritum 

1 — 10. Men moet uitgaan van cupio, dat in het oude Latijn nog 
den inf. praes. cupire heeft ; naar analogie daarvan hebben ook eigenlijke 
consonantstammen, die een streven enz. uitdrukken, -Ivi en -Ttum gekre- 
gen. Tero is, afgezien van de n, gevormd als cerno, en hoort dus eig. niet hier. 

1. De afleiding van arcessere is zeer onzeker. 

Of accerso, accerslvl, accersitum, accersere, dat in gelijke, of ongeveer 
gelijke beteekenis als arcesso gebruikt wordt, hetzelfde werkwoord is, door 
metathesis veranderd (§ 29), of dat het van een anderen stam, komt, staat 
ook nog niet vast. Men gebruike liever arcesso dan accerso. 

2, 3, 4, 5 van capio, facio, incedo, lacio. Zie § 349, c. 

6. Vgl. § 233. 

7. Zie §241, A. 2. Comp. appeto grijpen naar iets, expeto begeeren, 
oppeto te gemoet gaan, repeto herhalen, suppeto voorhanden zijn. 

8. Quaero is ontstaan uit *quais-o (§ 27) ; daarentegen berust de oude 
bijvorm quaeso, die nog dikwijls als een tusschenwerpsel gebruikt wordt 
(§ 329): ik bid u, quaesumus wij bidden u (§ 186, A. 1), op een met 
een praesenssuffix -s- (§ 273, 8) versterkten vorm quaes-s-b '(§ 27, A. 1); zoo ook 
quaesivi op quaes-sivl. — In de comp. van quaero gaat ae (ai) over in I: 
acquiro, acquislvi, acquisitum, acquirere verwerven, anquiro -onder zoe- 
ken, conquiro bijeenzoeken, inquiro onderzoeken, enz.. 

9. Vgl. § 233. Een perf. sapui wordt eerst bij lateren gevonden. - Com- 
posita: desipio dwaas zijn, resipio naar iets smaken; beide zonder 
perf. en supin.. 

10. De wortel ierei- heeft, ten gevolge van verschillend accent in de 
Indo-Germ. moedertaal, in het praes. den vorm ter(e)-, in het perf. en sup. 
trei-: trivi en tritum staan voor "treivi en *treitum (§ 10, 13); vgl. § 13, Aanm.; 
§ 275, A. 1-3. Comp. contero stuk wrijven, obtero vertrappen. 



2) op -ui. 




a) Supinum op -turn (-itum): 




§ 278. 




1. alo alui altum alere 


voeden 


2. colo colui cultum colere 


verzorgen 






3. 


consulo 


consului 


consultum 


consulere 


raadplegen 


4. 


-cum bo 


-c u b u i 


-cubitum 


-cumbere 


gaan liggen 


5. 


gigno 


genui 


genitum 


gignere 


voortbrenger 


7. 


molo 


molui 


molitum 


molere 


malen 


9. 


occulo 


occului 


o c c u 1 1 u m 


occulere 


verbergen 


10. 


pinso 


pinsui 


pistum 


plnsere 


stampen 


11. 


pono 


posui 


positum 


ponere 


plaatsen 


12. 


rapio 


rapui 


raptum 


rapere 


rooven 


13. 


sero 


serui 


sertum 


serere 


aaneenrijgen 


14. 


texo 


texui 


textum 


texere 


weven 


15. 


vomo 


vomui 


vomitum 


vomere 


braken. 






Aanm. 1. Behalve het oorspr. alius vindt men een partic. alitus (bij 
alui gevormd). Zie verder § 274, 3. 

2. Comp. accolo bij iets wonen, excolo met zorg bewerken, incolo 
bewonen (maar incultus onbebouwd). 

4. Alleen in composita: accumbo gaan aanliggen, concumbo zich 
neerleggen, incumbo zich toeleggen op, occumbo sterven, procumbo 
voorover neervallen, recumbo achterover gaan liggen, succumbo 
bezwijken. Vgl. § 232, 1 en cubo (§ 307, 2). 

5. Met praesensredupiicatie van den stam gen- (zwakkere vorm gn-) : 
gi-gn-o. Qi-gn-b: gen-us = yl-yv-ofiai: ysv-og- vgl. § 13 Aanm.. 

10. Behalve pistum (met T, en dus van een stamvorm zonder n, zooals 
fictus bij fingb [§ 280, 6]: vgl. pistor molenaar, bakker) vindt men ook 
pinsitum als supinum. 

11. Bij dichters vindt men van het partic. perf. dikwijls den gesynco- 
peerden (§ 15 B) vorm postus. 

Pono is eigenlijk een compositum van sino (§ 276, 2): *po-si-no } *posno 
(po een andere vorm voor ab (uit *ap) : beide zijn verkortingen van apo 
{§ 30): pono dus eigenlijk: heenleggen, neerleggen); vandaar dat bij 
oudere schrijvers het perf. nog poslvi luidt. Doordat de samenstelling niet 
meer als zoodanig gevoeld werd , kon bij positus (waarin men pos- als 
verbaalstam, -itus als uitgang beschouwde) een perf. posui ontstaan, even- 
als molui (7) bij molitum hoorde, monui (§ 296, 5) bij monitum. 

Comp. appono bijstellen, compono samenstellen, expono uiteen- 
zetten, impono opleggen, repono terugplaatsen, in de plaats 
stellen, suppono onder iets leggen, enz.. 

12. Vgl. § 233. — Comp. met overgang van a in i (§ 15) : abripio, abripui, 
abreptum, abripere wegrukken, arripio aangrijpen, corripio grijpen, 
diripio plunderen, eripio ontrukken, proripio voortsleuren, surripio 

ontstelen. 

13. Comp. consero samenvoegen, desero verlaten, dissero uiteen- 
zetten (sup. disputdtum), insero invoegen. 

14. Comp. contexo samenweven, intexo inweven, praetexo voor- 
wenden, retexo uitrafelen. 

15. Comp. evomo uitspuwen, revomo weder uitspuwen. 
woltjer, Lat. Oramm. 6e druk. 13 



194 



BU1GINGSLEER. 



§§ 279-280. 



b) Supinum op -sum: 

meto (messui) messum 

necto nexui nexum 



metere oogsten, maaien 

nectere binden, knoopen. 

6. In plaats van messui (met dubbelen uitgang, evenals nexui: §237,4°), 
dat alleen bij latere schrijvers en dan hog zelden voorkomt, kan men 
nemen secui (§ 307, 7) of messem feci. Zoo ook in het comp. demeto 
af maaien: desecui, demessum, demetere. — Messum uit *mettum: vgl. 
§ 25, 9. Messis oogst. 

8. Zoo ook de comp. annecto aanknoopen en conecto (niet connerfo: 
§ 30) samenknoopen, verbinden. — 't Simplex heeft ook nog 't oude, 
regelmatige perfectum nexi, dat echter in het klassieke Latijn minder in 
gebruik was; nexui (uit *nec-t-s-ui of uit *nec-s-ui: § 232, 2) ontstond wel- 
licht onder invloed van texui (14). — 't Supinum nexum uit *necssum en 
dit uit *nect-tum; zoo ook flexum (§ 281, 5) uit *flect-tum, pexum (§ 281, 
11) uit *pect-tum, enz. : § 25, 9, § 238, Aanm.. 



c) Zonder supinum 
§ 279. 

1. fremo 

2. g e m o 

3. compesco 

4. sterto 

5. strepo 

6. tremo 

7. volo 



fremui 

getnui 

compescui 

stertui 

strepui 

tremui 

volui 



fremere 

gemere 

compescere 

stertere 

strepere 

tremere 

velle 



brullen, mompelen 
zuchten 
bedwingen 
snorken 

bruisen, ruischen 
beven, sidderen 
willen (zie § 258). 



3) op -si. 



a) Supinum op -turn (stammen op c, g, qa, h, b, p, m, s): 
§ 280. 

carptum 

cinctum 

coctum 

dictum 

ductum 

f ictum 



1. carpo 

2. cingo 

3. co quo 

4. dlco 

5. duco 

6. fingo 

7. afflTgo 

8. gero 

9. iungo 

10. illicio 

11. nubo 

12. pingo 

13. plango 

14. rego 

15. scalpo 

16. scrlbo 



carpsi 

cTnxi 

coxi 

dixi 

duxi 

flnxi 

afflixi 

gessi 

iunxi 

illexi 

nupsi 

plnxi 



plukken 

gorden, omringen 

koken (trans.) 

zeggen 

leiden 

vormen 



carpere 
cingere 
coquere 
d I c e r e 
ducere 
f ingere 
afflictum affligere terneder slaan 
gestum gerere dragen 
iunctum iungere verbinden 
illectum illicere verlokken 
nuptum nubere trouwen (v. d. vrouw) 
pictum pingere schilderen 
planxi planctum plangere slaan 
rexi rectum regere besturen 

scalpsi scalptum scalpere krabben, beitelen 
scrlpsi scriptum scrlbere schrijven 



§ 280. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



195 



17. sculpo sculpsi sculptum sculpere beitelen 

18. aspicio aspexi aspectum aspicere aanschouwen 

19. exstinguo exstlnxi exstlnctum exstinguere uitblusschen 

20. stringo strlnxi strictum stringere snoeren 



21. 


struo 


struxi 


s t r u c t u m 


struere 


oprichten 


22. 


sugo 


suxi 


suctum 


sugere 


zuigen 


23. 


tego 


texi 


tectum 


tegere 


dekken 


24. 


-t e m n o 


-t e m p s i 


-temptum 


-temnere 


verachten 


25. 


tingo 


tinxi 


tinctum 


tingere 


indoopen 


26. 


traho 


traxi 


tractum 


t r a h e r e 


trekken 


27. 


ung(u)o 


finxi 


unctum 


u n g (u) e r e 


zalven 


28. 


uro 


ussi 


ustum 


urere 


branden 


29. 


veho 


vexi 


vectum 


vehere 


voeren 


30. 


vivo 


vixi 


victum 


vivere 


leven. 




Aanm. 1. 


In comp. 


?aat de a over 


n e (S 15 A): d 


ecervo afnli 



excerpo uitplukken, uitlezen, een uittreksel maken. 

2. Vgl. § 33, 2 en § 24, A. 1 ; zoo ook bij 6, 9, 12, 13, 19, 20, 25, 27. 
Comp. accingo aangorden. 

4. Imperat. praes. act.: die (§ 241). Comp. edwo uitvaardigeri, be- 
velen, indwo aanzeggen, interdwo verbieden, praedlco voorzeggen. 

5. Imperat. praes. act.: due (§ 241). Comp. abduco af voeren, adduco 
heenvoeren, conduco huren, deduco afleiden, indiico invoeren, over- 
trekken, produco voor den dag brengen, subduco onderuit voeren. 

7. Het simplex *ftigo slaan is verouderd. Andere comp. confllgo 
strijden; maar profllgo verslaan, terugslaan, is a-stam : profttgavi, 
profligatum, profllgdre. 

8. De stam is ges- (vgl. §§ 27 en 237, 1, e). Comp. aggero aanbren- 
gen, congero bijeenbrengen, digero verdeelen. 

9. Comp. adiungo toevoegen, coniungo verbinden, disiungo schei- 
den, seiungo afscheiden, enz.. 

10. Vgl. § 233. Het simplex lacio lokken was weinig of niet in ge- 
bruik. Andere comp. allicio aanlokken (zonder supin.), pellicio ver- 
lokken, elicio uitlokken, dat perf. elicui en sup. elicitum heeft. 

12. Comp. depingo schilderen, beschrijven. 

14. Vgl. § 33, 2 en § 238, kleine letter. - Comp. met overgang van de e in i 
(§ 15): arrigo., arrexi, arrectum, arrigere oprichten, corrigo verbeteren, 
erigo oprichten, porrigo (§271, A. 8) uitstrekken; met syncope (§ 15 B): 
per go (uit *per-rego), perrexi, perrectum, pergere voortgaan, vervolgen, 
surgo (uit *sub-regd), surrexi, surrectum, surgere opstaan. 

16. Comp. ascrlbo bij schrijven, circumscribo omschrijven, consenbo 
opschrijven, describe/ afschrijven, exscrlbo uitschrijven, inscribe) in 
of op iets schrijven, perscrlbo geheel opschrijven, registreeren, 
praescribo voorschrijven, proscrlbo openlijk bekend maken, ver- 
beurd-, vogelvrij verklaren, resenbo terugschrij ven, onderschrij- 
ven, subscrlbo onderaan schrijven, transcribe- overschrijven. 

18. Vgl. §233. 't Simplex specio zien komt zelden voor. Andere comp.: 
conspicio beschouwen, despicio neerzien, verachten, dispicio door- 

13* 



196 



BUIGINGSLEER. 



§ 281. 



zien, Inspicio inzien, monsteren, perspicio door(heen)zien, prospicio 
voorzien, voorzorg nemen, respicio terugzien, suspicio opzien, 
bewonderen, zelden verdenken (echter suspectus als adiect.: verdacht). 
1Q. Vgl. § 25, 1, § 232. Het simplex stinguo, dat eig. (het brandende 
hout) uiteensteken schijnt te beteekenen, zelden. Andere comp. distinguo 
onderscheiden, restinguo blusschen. 

20. Comp. astringo strak aantrekken, constringo samentrekken, 
perstringo treffen, hekelen. 

21. De gutturaal behoort niet in den wortel, maar is in het perf. en 
sup. gekomen naar analogie van fluo e. d. : vgl. § 236, b 2 en § 281, A. 6, 
ook § 285, A. 3. - Comp. construo samenstellen, destruo afbreken, 
exstruo opbouwen, instruo inrichten. 

23. De e in text is lang: § 33, 2. Comp. detego ontdekken, protego 
beschutten. 

24. 't Simplex komt bij dichters voor. In proza gebmikt men altijd 
contem.no. 

25. Onder invloed van ungtw - unctum komt bij tinctum reeds spoedig 
eene schrijfwijze tinguo op, die echter minder juist is: vgl. Gr. i-eyya> (tingo 
uit *tengo: e werd i voor ng; vgl. § 15). Unga en iinguo zijn beide goed. 

26. De wortel is oorspr. tragh- (§ 25, 1). Comp. abstraho (§ 30), ab- 
straxi, abstraction, abstrahere aftrekken; zoo ook contraho samentrek- 
ken, detraho aftrekken, retraho terugtrekken, alle met behoud van 
de a: vgl. § 15, A. 4 (daarentegen detrectare enz.). 

27. Vgl. 25. - Unctus ook als adiect.: vettig, vet, smijdig. 

28. Stam us- (§ 27): vgl. Gr. evm (uit *euso). Comp. aduro aan bran- 
den, inu.ro inbranden. Zoo gaat ook combu.ro verbranden (vgl. bustum 
brandstapel), dat een b ingevoegd heeft naar analogie van ambiiro, dat 
men ten onrechte als am-buro opvatte (in plaats van als amb-uro). 

29. Vgl. § 33, 2. De wortel van dit werkw. (vegh- : gh = Lat. h) is de- 
zelfde als in ons bewegen, weg. Vgl. § 25, 1. Comp. adveho aanvoeren, 
aveho afvoeren. 

Pass, vehor, vectus sum, vehi varen, rijden; comp. invehor inrij- 
den, uitvaren tegen, prdvehor voortvaren, voortgaan. 

30. Wellicht was de wortel oorspr. *gyig>- (vgl. ons kwik): gv werd in 
het Latijn tusschen klinkers v, voor een consonant g: vTxi staat dan voor 
*vig v -si; vgl. §§ 24, 1 en 25, 1. Vivo kan echter ook uit gnvo ontstaan 
zijn ; dan is vixi gevormd naar analogie wanfluxl bij fluo (=fluyo: § 281, 6). 

b) Supinum op -sum (stammen op c, g, d, t, s): 



§ 281. 



1. 


cedo 


cessi 


cessum 


cedere 


wijken 


2. 


claudo 


clausi 


clausum 


claudere 


sluiten 


3. 


divido 


divlsi 


divlsum 


dividere 


verdeelen 


4. 


figo 


f Ixi 


f Ixum 


f Igere 


hechten 


5. 


f lecto 


flexi 


f lexum 


flectere 


buigen 


6. 


fluo 


fluxi 


(f 1 u x u m) 


f 1 u e r e 


vloeien 


7. 


laedo 


laesi 


laesum 


laedere 


kwetsen 


8. 


ludo 


lusi 


lusum 


ludere 


spelen 


9. 


mergo 


mersi 


mersum 


mergere 


onderdompelen 


10. 


mitto 


ml si 


missum 


mittere 


zenden 












§ 281. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



197 



11. 


pecto 


pexi 


pexum 


pectere 


kammen 


12. 


plaudo 


plausi 


plausum 


plaudere 


klappen 


13. 


(plecto 


plexi 


plexum 


plectere 


vlechten) 


14. 


premo 


pressi 


pressum 


premere 


drukken 


15. 


quatio 


(quassi) 


quassum 


quatere 


schudden 


16. 


rado 


rasi 


rasum 


radere 


schaven 


17. 


rodo 


rosi 


rosura 


rodere 


knagen 


18. 


spargo 


sparsi 


sparsum 


spargere 


strooien 


19. 


t r u d o 


trusi 


trusum 


trtidere 


stooten 


20. 


vado 


-vasi 


-vasum 


vadere 


gaan. 



Aanm. 1. De oorspr. van cedo staat niet vast; waarsch. is het ontstaan 
uit *ce-zd-o (van de part, ce- daar [§ 170, A. 1 ; § 329, A. 2], en den 
zwakkeren vorm [§ 13 Aanm.] van een wortel sed- gaan: vgl. §24, 3, A. 2 ; 
§ 14, 1); in dit geval staat cessl voor *ce-zd-sl (§ 25, 4, a). — Comp. accedo 
toetreden, concedo toestaan, excedo uitgaan, af wijken, incedo voort- 
treden, gaan, succedo opvolgen. 

2. In comp. gaat au over in u (vgl. § 15, A, 3): concludo, conclusi, 
conclusum, conctiidere besluiten, excludo uitsluiten, incliido insluiten, 
recludo ontsluiten, secludo afsluiten, afsnijden. 

3. Over i in het praes. tegenover ? in dJ-visT vgl. § 13 Aanm.. Naar 
analogie van dlvTsl heeft ook dJvTsum i gekregen. 

4. Vgl. § 238 Aanm.. Comp. affigo aanhechten, cbnflgo aaneenhech- 
ten, doorboren, Tnflgo insteken, inprenten, transflgo doorsteken. 

5. Comp. circumflecto ombuigen, deflecto afwenden, inflecto om- 
buigen, reflecto terugbuigen. 

6. Waarschijnlijk is de stam flug"- : vgl. de oude vormen *conflovont 
(= confluunt: § 186, A. 1 ; men sprak ook later fluvo) en *fluv-i-dus (= 
fluidus), en voorts fluctus vloed, golf; vgl. § 24, 1. - Comp. afluo 
afvloeien, affluo toevloeien, confluo samenvloeien enz.. 

7. In comp. gaat ae (eig. ai) over in I (§ 15): allldo, allisi, allisum, 
aUidere stooten, slaan tegen, collldo tegen elkander stooten, illldo 
stooten tegen, verpletteren. 

8. Comp. eludo bespotten, illudo den spot drijven. 

9. Vgl. § 24, 2. — Comp. demergo onderdompelen, emergo opduiken. 

10. Mitto uit *mito (vgl. § 28, 6); vandaar misi (missi), uit *mit-si. — 
Comp. dmitto verliezen, admitto toelaten, committo toevertrouwen, 
begaan, dimitto laten gaan, omitto weglaten, promitto beloven. 

12. Comp. applaudo toejuichen, met au evenals het simplex; de 
andere comp. hebben niet au, maar 6, bijv. : explodo, explosi, expldsum, 
explodere met slagen verdrijven, afkeuren; dit bewijst, dat plaudo 
oorspr. 6 moet hebben gehad, daar een oorspr. au in de composita u 
zou zijn geworden (vgl. 2 [claudo]); plaudo geeft blijkbaar de deftige uit- 
spraak (of schrijfwijze) weer: vgl. § 10, 14. 

13. In 't activum verouderd, als deponens in composita (zie § 283, 17). 
[Dit plecto is het Grieksche nlexw, en van denzelfden wortel als ons 
vlechten. Van een anderen wortel komt plecto, plexum, plectere 



198 



BUIGINGSLEER. 



§§ 282—284. 



§ 284. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



199 



slaan, straffen (meestal in 't pass, gebruikt: plector geslagen, gestraft 
worden), dat met het Gr. szlr/zTco overeenkomt ; dezelfde wortel in plango 
(§ 280, 13)]. 

14. 't Perf. en supin. komen van een stam pres- (§ 237, A. 1). In comp. 
gaat de e over in i: comprimo, compressi, compressum, comprimere satnen- 
drukken, deprimo neerdrukken, exprimo uitdrukken, imprimo in- 
drukken, opprimo onderdrukken. 

15. Het perf. bestaat alleen in de composita, waarin qua- overgaat in 
cu- (met syncope van a en vocaliseering van v: *con-qu(a)tio, con-cutio: 
vgl. iacio — in-icio), bijv. : concatio, concussi, concussum^ concutere schok- 
ken, schudden, discutio uiteenslaan, excutio uitschudden, incutio 
inboezemen, percutio doorboren. 

16. Comp. corrddo bijeenschrapen, erado uitkrabben. 

17. Comp. corrddo stuk knagen. 

18. Vgl. § 24, 2. — In comp. gaat de a over in e (§ 15 A, 1): aspergo, 
aspersi, aspersum, aspergere besprenkelen, conspergo besproeien, 
dispergo verstrooien. 

19. Comp. contrudo tegen elkander stooten, detrudo naar bene- 
den stooten. 

20. Het perf. en 't supin. komen alleen voor in de composita: evddo 
ontsnappen, invddo indringen, aanvallen, pervddo doorgaan. 



c) Zonder supinum: 
§ 282. 1. ango 



mxi 



2. ning(u)it (§ 244) nlnxit 

3. repo repsi 

4. serpo serpsi 



a n g e r e beangstigen 

ning(u)ere sneeuwen 

rep ere kruipen 

serpere kruipen. 



Aanm. 3. Comp. irrepo inkruipen, obrepo bekruipen, insluipen, 
prorepo voortkruipen. 

4. Serpo is het Grieksche sqizco. — Serpens (nl. bestia) slang. 



SEMIDEPONENS (§ 252, 1). 

283 [284]. Fldo fisus sum fldere 



vertrouwen. 



Aanm. Fidens vol vertrouwen. Ms fldo gaan ook de comp. confldo 
vertrouwen, part, praes. confidens driest, vermetel, part. perf. confl- 
sus vertrouwende (§ 595), diffido wantrouwen. 

DEPONENTIA. 

284 [283]. 

1. adipiscor adeptus sum adiplsci verkrijgen 

2. expergiscor experrectus sum expergisci ontwaken 

3. fruor (fructus sum) frui genieten 

4. fungor functus sum fungi verrichten 

5. (gradior gressus sum gradi) gaan, schrijden 















6. irascor 

7. labor 

8. loquor 

9. comminiscor 

10. morior 

11. nanclscor 

12. nascor 

13. nitor 

14. obliviscor 

15. paciscor 

16. patior 

17. amplector 

18. proficlscor 

19. queror 

20. sequor 

21. ulciscor 

22. utor 

23. vescor 



iratus 
lapsus sum 
locutus sum 
commentus sum 
mortuus sum 
nactus (nanc- 

t u s) sum 
natus sum 
nisus(nixus)sum 
o.blltus sum 
pactus sum 
passus sum 
amplexus sum 
profectus sum 
questus sum 
secutus sum 
ultus sum 
usus sum 



irasci vertoornd worden 

labi glijden [of zijn 

1 o q u i spreken 

comminisci verzinnen 
m o r i sterven 

nanclsci (toevallig) verkrij- 

[gen 
nasci geboren worden 

nlti steunen 

oblivisci vergeten 
paclsci eeneovereenkomst 

pati lijden [treffen 

amplecti omarmen 
proficisci vertrekken 
queri klagen 

s e q u i volgen [wreken 

ulclsci zich wreken, 

uti zich bedienen van, 

[gebruiken 
vesci zich voeden met, 

[eten. 
Aanm. 1. Het simplex api-scor, ap-tus cum, apl-sci (afgel. van *apio 

vastmaken) bemachtigen, bereiken, verkrijgen, is in klassiek proza 

zeldzaam. Aptus als part. =■ aangehecht, bevestigd, als adiect. = 

passend, geschikt. 
Van denzelfden stam komt coepi (§ 250), eig. perf. bij een verouderd 

praesens *co-apio (uit co- (§ 30) en *ap£o). 

2. Experrectus gevormd als perrectus (§ 280, 14), omdat men exper- 
giscor met pergo in verband bracht. Inderdaad is het door dissimilatie 
(§ 26) ontstaan uit ex-per-gri-scor, zoodat de vorm expergitus (uit *ex-per- 
gri-tos) (vgl. s-ygrj-yoQa, syeiQw), die een enkel maal bij dichters voorkomt, 
waarschijnlijk de oudere is. 

3. Voor 't perf. gebruikt men in klassiek Latijn : usus sum of fructum 
cepi ex. Part. fut. fruiturus (§ 253). 

Dit ww. heeft, evenals fluo (§ 281, 6), een gutturaal in den verbaalstam : 
fru(v)or uit *frug v or (§ 24, 1): vgl. fruges vruchten. 

4. Vgl. § 33, 2 en § 24, A. 1. — Comp. defungor sterven, perfungor 
voleindigen. 

5. 't Simplex komt in klassiek proza niet voor; in comp. gaat de a 
over in e (onder invloed van het part. perf. niet verder in i) : aggredior, 
aggressus sum, aggredi aangrijpen, congredior samenkomen, digredior 
uit elkander gaan, egredior uitgaan, ingredior ingaan, progredior 
voortgaan, trdnsgredior overschrijden. Naar analogie der veel meer 
gebruikte composita kreeg ook het part, van het simplex e : gressus i. pi. v. 
*grassus (a echter nog in de afl. grassdri voortschrijden) : vgl. fessus 
vermoeid i. pi. v. *fassus (bij fatisco uitgeput worden) naar defessus. 

6. Iratus toornig, boos, alleen als adiect.. 't Perf. neemt men van 
suscenseo (§ 296, A. 15), dus: suscensui. 



200 



BUIGINGSLEER. 



§§ 284—285. 



§§ 286-287. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



201 



7. Comp. collabor instorten, detabor afglijden, dilabor uit elkander 
vallen, elabor ontsnappen, prdldbor geraken in of tot, vervallen. 

8. Loc-utus en sec-utus (20) zijn gevormd naar analogie van solu-tus 
en volu-tus (§ 271, 11 en 16). — Comp. alloquor toespreken, colloquor 
zich onderhouden, eloquor uitspreken. 

9. Zoo ook: reminiscor, remiriisci zich herinneren, waarbij als perf. 
recorddius sum genomen wordt. De wortel is men-: vgl. memim (§ 250), 
mentior (§ 289, 3), enz.. 

10. Mortuus (uit *mort-vos), het eenige part. perf. dat niet op -tus (sus) 
eindigt, schijnt zijn uitgang aan vi-vus te hebben ontleend : men verwacht 
*mortus (vgl. ortus bij orior: § 290, 5). Part, fut moriturus (§ 253). — 
Comp. demorior door den dood ontvallen, emorior geheel sterven, 
vergaan. 

12. Part. fut. ndsciturus (§253). De stam is eigenlijk.g7za- (vgl. gi-gn-d); 
men vindt de g nog bij oudere schrijvers en dichters in: *gndtus zoon, 
'gnata dochter, in klassiek Latijn in de samenstellingen agndtus en 
cogndtus verwant en prdgndtus geboren uit. 

Comp. endscor ontspruiten, inndscor in of bij iets ontstaan 
(inndtus aangeboren), rendscor weder geboren worden. 

13. Nixus (van een stam gnic-, met de beteekenis: zich buigen (vgl. 
ons nijgen), verwant met cdruveo (§ 294, 1)) beteekent gewoonlijk, ook in 
comp.: steunende op of tegen, riisus (nJssus, uit *tiit-tos) echter: stre- 
vend, zich inspannend. — Comp. cdnltor met alle krachten zich 
inspannen, enltor zijn best doen, streven, obtiitor wederstreven. 

15. Voor 't perf. partus sum kan men ook gebruiken pepigi van pango 
(§ 262, 2). 

16. Comp. perpetior, perpessus sum, perpeti standvastig verdragen, 
met e (in plaats van i) onder invloed van het part. perf.. 

17. Zie § 281, A. 13. Zoo ook: circumplector omstrengelen, omge- 
ven, complector omarmen, samenvatten. 

19. Uit *ques-or: vgl. § 27. Comp. conqueror zich beklagen. 

20. Vgl. 8. Comp. assequor bereiken, cdnsequor volgen, verkrij- 
gen, exsequor uitvoeren, Jnsequor volgen, nazetten, obsequor ge- 
hoor geven, persequor vervolgen, prdsequor begeleiden, subsequor 
onmiddellijk volgen. 

22. Comp. abator misbruiken, verbruiken. 

23. Als perf. gebruikt men edi (§ 269, 1): carne vescor ik eet vleesch; 
carnem edi ik heb vleesch gegeten. 

B. VOCAALSTAMMEN. 

a) I-STAMMEN (4de Conjugatie). 

I. Sterk perfectum 1) wet reduplicatie. 

§ 285. Geen T-stam heeft eene reduplicatie, raaar een spoor ervan is 
te vinden in : 






f 






1. reperio repperi repertum repenre vinden. 
Weggevallen is de reduplicatie in: 

2. comperio comperi compertum comperire ervaren, bevinden. 

Aanm. 1. Vgl. § 235, A. 4. Reperio is, evenals comperio en experior, 
eigenlijk wellicht een in het praesens geheel in de vervoeging van audio 
overgegaan compositum van pario (§ 262, 3); het heeft althans zijn perf. 
en sup. naar pario gevormd. 

2. Na com- is de reduplicatie weggevallen (§ 235, A. 3). — Men vindt 
soms comperior als deponens. Experior, expertus sum, experiri op de 
proef stellen, onderzoeken, ervaren is altijd deponens (§ 290, 2). 

2) zonder reduplicatie, met verlenging van den 
stamklinker. 



§ 285a\ venio veni 



ventum 



venire 



komen. 



Aanm. Zie § 232, 6. Comp. advenio aankomen, circumvenio omsin- 
gelen, convenio samenkomen, evenio uitkomen, gebeuren, invenio 
vinden, pervenio komen, belanden, praevenio voorkomen, prdvenio 
voor den dag komen, revenio terugkomen, subvenio te hulp komen. 

II. Zwak perfectum 1) op -vl. 

§ 286. De regel is, dat een T-stam in het perf. -vT, in het supin. 
-turn heeft, zooals audio. Slechts bij enkele is iets op te merken: 

1. cio: zie (cieo): § 295, 5. 

2. scio weten, regelm., maar de 2de pers. van den imperat. dntbreekt: 

alleen scito en scitote worden gebruikt, of de coni. scias enz.. 

3. sepelio sepellvi sepultum sepelire begraven. 

Aanm. 3. Sepultum met ti fouder 6) uit e, omdat 1 voor eene andere 
consonant velaar is: vgl. § 272, A. 8. 



2) op -ui. 



§ 287. 



1. 


aperio 


aperui 


apertum 


aperire 


openen 


2. 


operio 


operui 


opertum 


operire 


bedekken 


3. 


salio 


salui 


(sal turn) 


salire 


springen. 



Aanm. 1 en 2 zijn aldus samengesteld : *ap(= ab, am6)-(v)erio, *op(— ob, 
s7il)-(v)erio (*verio = sluiten), en hebben dus niets te maken met reperio 
of comperio (§ 285). Comp. cooperio geheel bedekken. 

3. Hier en daar komt een perf. salii (-silii) voor. In de comp. gaat a 
(naar § 15) over in i: desilio, desilui, (desultum), desilire afspringen, 
exsilio uit-, opspringen, Jnsilio inspringen, resilio terugspringen, 
trdnsilio overspringen. 

De i in 1, 2 en 3 behoort niet tot den verbaalstam : § 232, 6. 



202 



BUIGINGSLEER. 



3) op -si. 



§§ 288-289. 



a) Supinum op -turn: 

§ 288. 1. (amicio) (amixi) amictus (amicire) bekleeden 

2. farcio farsi fartum farclre volstoppen 

3. fulcio fulsi fultum fulcTre schragen 

4. haurio hausi haustum haurire putten 

5. saepio saepsi saeptum saepire omheinen 

6. sancio sanxi sanctum sancire heiligen 

7. sarcio sarsi sartum sarcire lappen 

8. vincio vinxi vinctum vincire boeien. 



b) Supinum op -sum: 
9. sentio sen si 



sensum 



sentire 



voelen. 



Aanm. 1. Amicio is eig. eene samenstelling van amb- (vgl. §280, A. 28) 
en iacio (*am(b)-jacio, met syncope [§ 15 B] van de a en vocaliseering van 
j), dat in de vervoeging der I-stammen overgegaan is, en beteekent dus lett. : 
omwerpen, omdoen. — Als pert, wordt ook opgegeven amicui, raaar 
van het geheele werkw. wordt in klassiek proza eigenlijk alleen het part, 
pert. pass, amictus gebruikt : een supinum komt niet voor en een perfectum 
zeer zelden. 

2. Over het verdwijnen van de c in de perff. van 2, 3 en 7 zie § 24, 2. — 
Comp. met overgang van a in e (§15): confercio, confersi, confertum, 
confercire opeendringen, effercio en effarcio (§ 15, A. 4, 2°) volstoppen, 
refercio opeenhoopen {refertus adiect. = rijk a an (§ 423 c, Aanm.)). 

4. Hausi uit haus-si (oudere schrijfwijze) : haurio uit *hausio (§ 27); 
zoo ook haesi van haereo (§ 299, 2); vgl. § 24, 5 b. — Comp. exhaurio 
uitputten. 

6. Vgl. § 33, 2 en § 24, A. 1. — Minder goed sandtum. 

7. Comp. exsarcio verstellen en resarcio herstellen. 

8. Comp. devincio en revincio vast bin den. 

9. Comp. consentio overeenstemmen, dissentio verschillen, prae- 
sentio een voorgevoel hebben; over assentior zie § 252, 3, Aanm. en 
§ 290, 1. 

DEPONENTIA. 

§ 289. 1) Regelmatig: 
1. blandior blanditus sum blandiri vleien 
2 
3 
4. 
5 
6 



largior largitus sum largiri rijkelijk schenken 

mentior mentltus sum mentiri verzinnen, liegen 

molior molitus sum moliri in beweging brengen, 

partior partitus sum partiri deelen [ondernemen 

potior potitus sum potlri zich meester maken van 

sortior sortitus sum sortiri loten. 



§§ 290-291. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



203 



Aanm. 1 — 7. Deze werkwoorden komen van biandus, largus, mens (uit 
*men-ti-s: § 250, A. 1), motes, pars, potis (§ 138, 2), sors. 

3. Comp. ementior verdichten. 

4. Comp. amolior verwijderen, demolior afbreken. 

5. Partio, het activum, wordt zelden gebruikt, dikwijls echter partitus 
met passieve beteekenis. De comp. dispertio verdeelen en impertio 
toedeelen zijn gewoonlijk activa, soms echter deponentia. 

2) De I is niet in 't part, perfect. : 

290. 1. assentior assensus sum assentiri toestemmen 

2. experior expertus sum experiri op de proef stellen 

3. metior mensus sum metiri meten 

4. ordior orsus sum ordiri beginnen 

5. orior ortussum oriri ontstaan, opgaan. 

Aanm. 1. Zoo is de gewone vorm van het pert, (zie § 252, 3, Aanm.). 

2. Zie § 285, A. 2. 't Partic. expertus dikwijls passief. — Zoo ook 
opperior, oppertus (zelden opperitus) sum, opperiri afwachten. 

3. Mensus schijnt naar analogie van pensus (§ 263, 7) te zijn gevormd. - 
Comp. dlmetior afmeten, emetior uitmeten, permetior afmeten, door- 
gaan. 

4. Orsus (uit *orssus) staat voor *ord-tos (§25,9): vgl. exordium in lei- 
ding, primordia atom en, ordo rang, rij. — Comp. exordior beginnen. 

5. De verbaalstam is or- (vgl. Sg-w/u). In 't praes. komt van den stam or- : 
oritur (nooit oritur); oreris (doch ook oriris); coni. imperf. dikwijls oreretur, 
orerentur; imperat. orere. Parti cipia: oriens, ortus, oriturus. Orlgo oor- 
sprong. — Comp. adorior aanvallen, coorior ontstaan, uitbreken, 
exorior oprijzen, zijn oorsprong nemen. 



b) E-STAMMEN (2de Conjugatie). 

I. Sterk perfectum 1) met reduplicatie. 

a) Supinum op -sum: 

§ 291. 1. mordeo momordi morsum mordere bijten 

2. spondeo spopondi slponsum spondere beloven 

3. tondeo totondi tonsum tondere scheren. 

Aanm. 2. Comp. despondeo, despondi, desponsum, desponderevtrloven; 
zoo ook: respondeo antwoorden. 

3. Comp. attondeo, attondi, attonsum, attondere af scheren; detondeo 
afscheren gaat evenzoo. 

b) Zonder supinum: 

4. pendeo pependi (§ 235) pendere hangen (intrans.). 

4. Comp. dependeo afhangen (niet bij Cic. of Caes.), impendeo boven 
het hoofd hangen, beide zonder perf. en sup.. 



204 



BUIGINGSLEER. 



§§ 292-294. 



2) zonder reduplicatie, met verlenging van den 
stamklinker. 

a) Supinum op -turn: 

§ 292. 1. caveo cavi cautum cavere op zijn hoede zijn 

2. faveo favi fautum favere gunstig zijn 

3. foveo fovi fotum fovere koesteren 

4. moveo movi motum movere bewegen 

5. voveo vovi votum vovere wijden. 

Aanm. 1. Cautum en fautum voor *cav(i)tum en *fav(i)tum. Cautus 
behoedzaam. 

4. Comp. admoveo ergens heen bewegen, amoveo verwijderen, com- 
moveo bewegen, schokken, permoveo overhalen, removeo verwijderen. 

5. Comp. devoveo als offer wijden, verwenschen. 

b) Supinum op -sum: 

§ 293. I. prandeo prandi pransum prandere ontbijten 

2. sedeo sedi sessum sedere ziiten 

3. video vidi visum videre zien. 
Aanm. 1. Pransus die ontbeten heeft (§ 493, d). 

2. Comp. De e gaat over in i in : assideo, assedi, assessum, assidere 
bij iets zitten, dissideo gescheiden zijn, obsideo belegeren, possidea 
(Hit "por-sideo: vgl. § 271, A. 8, § 280, A. 14) bezitten; maar de e blijft 
in: circumsedeo , tircumsedi, circumsessum , circumsedere belegeren, en 
supersedeo, supersedi, supersessum. supersedere zich onthouden van. 
Vgl. § 15, A. 4. 

3. Visum heeft T wellicht naar analogie van vidi (met I tegenover video : 
Ablaut l/i vgl. linquo — Hqtii, vinco — vici, enz. : § 13 Aanm.). — Comp. 
invideo benijden, provideo voorzien. 

c) Zonder supinum: 

§ 293a. paveo pavi pave re bang zijn. 

Aanm.. Eigenlijk had dit werkwoord, evenals die van § 292, een zwak 
perf. op -vi : pavi uit *pav-vT, cdvi uit *cav-vt, enz.. 

3) zonder reduplicatie en zonder verandering van 
den stamklinker. 

Zonder supinum: 

§ 294. 1. coniveo (conivi) conivere de oogen sluiten, door de 

2. ferveo fervi fervere gloeien [vingers zien 

3. Iangueo langui languere kwijnen 

4. liqueo licui liquere vloeibaar, helder zijn 

5. strideo stridi stridere sissen, knersen. 

Aanm. 1. Vgl. § 284, 13. 't Perf. komt zelden voor en alleen bij latere 
schrijvers. 
2. Behalve fervi vindt men nog een perfectum ferbui. 



5§ 295-296. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



205 






3. Het perf. langui is drie-lettergr. (tegen § 9, 3°). Streng genomen zijn 
langui en licui geen perfecta op -i, maar op -ui (§ 297) : voor de -u- van 
het perfectum werd -gu- (g": § 21 Aanm.) g, -qu- (qv) c: lang-ui, lic-ui. 

5. Dit werkw. heeft ook den vorm strido, stridere. 

II. Zwak perfectum 1) op -vi. 

§ 295. De regelmatige vorming op -vi, -turn hebben slechts weinige 
werkwoorden der e-stammen: 

1. deleo delevi deletum delere verdelgen 

2. fleo flevi fletum flere weenen 

3. neo nevi netum nere spinnen 

4. compleo complevi completum complere vervullen. 

Aanm. 1—4. Al deze werkwoorden hebben een eenlettergrepigen 
verbaalstam op -e-. Eene schijnbare uitzondering maakt deleo; maar dit 
is inderdaad een compositum, wellicht verwant met lino (§ 276, 1); het 
praesens zou dan bij het perf. de-levi nieuw zijn gevormd (voor een ouder 
* de-lino). 

4. Het simplex wordt in het Latijn niet gevonden (vgl. nijx-7ilr)-fii). 
Andere composita: expleo vullen, ver-, a an-, impleo vullen, verza- 
digen, repleo weder vullen, suppleo aanvullen. 

Afzonderlijk staat: 

5. (cieo) civi citum ciere in beweging brengen, roepen. 

5. Dit werkwoord vermengt twee stammen : cie- en ci- (vgl. mvea>, xi-). 
In het praesens schijnt tie- de oorspronkelijke stam te zijn; echter geldt 
als regel, dat de vormen met e overal vermeden vvorden, waar achter de 
e nog een klinker zou staan: dus niet cieo, maar do; niet cieam, maar 
dam ; daarentegen cietur, ciere, dent. In composita komen evenwel vormen 
als -citur, -are dikwijls voor. 

Het perf. is altijd civi, niet *cievi, het part. perf. echter weer dtus (als 
adiect. : snel), niet *citus. 

Van de composita gaat actio, accivi, accitum, acc'ire aanroepen, ont- 
bieden, steeds geheel als audio; contio bijeenroepen en extio oproe- 
pen gewoonlijk ook, behalve dat in het part. perf. meer concitus en excitus 
gevonden wordt, dan concitus en excitus. Cicero en Caesar gebruiken voor 
deze werkwoorden echter liever concitare en excitare. 

2) op -ui. 

a) Supinum op -itum {-tarn): 
§ 296. 

1. debeo debui debitum debere schuldig zijn, moeten 

2. habeo habui habitum habere hebben 

3. liceo licui licitum licere veil, te koop zijn 

4. mereo merui meritum merere (ver)dienen 

5. moneo monui monitum monere herinneren, vermanen 



206 



BUIGINGSLEER. 



§ 296. 



6. noceo nocui nocitum nocere 

7. pareo parui pa.ritu.rus parere 

8. placeo placui placitum placere 

9. taceo tacui taciturn 

10. terreo terrui territum 

11. doceo docui doctum 

12. misceo miscui mixtum 

13. teneo tenui (tentum) 

14. torreo' torrui tostum 



schaden 

verschijnen, gehoorzamen 

behagen 

zwijgen 

verschrikken 
do cere leeren, onderwijzen 
miscere mengen 
ten ere houden 
t o r r e r e droog maken, roost(er)en. 



tacere 
terrere 



Aanm. 1. Debeo is eigenlijk een comp. van habeo (no. 2): *de-hibeo, 
lett.: ik heb iets van iemand weg. 

2. Comp. adhibeo, adhibui, adhibitum, adhibere aanwenden, cohibeo 
omvatten, terughouden, diribeo (uit *dishibeo: § 27) verdeelen, prae- 
beo (uit *praehibeo) voorhouden, toonen, prohibeo verhinderen. 

3. Vgl § 303, 2. Onpersoonlijk: licet (§ 252) het staat vrij, men 
mag (§ 244), lett.: het is voor mij te koop. 

4. Ook als deponens gebruikt (§ 303, 4). 

5. Vgl. 11. — Comp. admoneo herinneren, commoneo onder het 
oog brengen, vermanen. 

7. Vgl. § 253, Aanm. — Comp. appareo verschijnen, blijken (appd- 
ret het blijkt) en com.pa.reo verschijnen. 

8. Vgl. § 252, 2. — Comp. displiceo mishagen. 

9. Comp. reticeo zwijgen, verzwijgen. 

10. Comp. absterreo, deterreo&l schrikken, perterreo zeer verschrikken. 

11. Doceo is causativum bij disco (§ 264, A. 1), zooals moneo (5) bij 
den wortel men- (§ 250, A. 1), enz.. — Doctum uit *doc(i)tum. — Comp. 
dedoceo afleeren, edoceo duidelijk leeren. 

12. Naast mixtum (uit *mix(i)tum, van een tweeden wortel: mix-, die 
voor misc- stond) vindt men somtijds mistum (met verdwijning van de c 
naast -st-). Comp. admisceo bij iets mengen, immisceo inmengen, per- 
misceo dooreenmengen. 

13. Comp. Abstineo zich onthouden, attineo betreffen, contineo 
bijeenhouden (contentus als adiect. tevreden), pertineo zich uitstrek- 
ken, sustineo uithouden (waarbij sustentatum als supinum genomen wordt) 
hebben geen supinum; de andere wel : detineo vasthouden, distineo uit 
elkander houden, obtineo in bezit houden, behouden, retineo ach- 
terhouden, tegenhouden. 

14. Torreo uit *torseo (vgl. ons dors-t); -rs- werd geassimileerd tot -rr-: 
§ 25, 8. In 't sup. tostum is de r voor -st- uitgevallen (§ 24, 4) : tors(i)tum, 
*torstum, tostum. 



b) Supinum op -sum: 
15. censeo censui censum 



een sere schatten, oordeelen. 



15. Censum (in plaats van *censtum) naar pensum (§ 263, 7) e. d.. 
Comp. percenseo optellen, narekenen, zonder supin.; doch recenseo, 
recensui, recensum, recensere monsteren, beoordeelen; accenseo bij- 



§ 297. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



207 






tellen, toevoegen, wordt bijna uitsluitend gebruikt in het part. perf. 
accensus toegevoegd, als subst. de aan een consul toegevoegde 
dienaar, plur. eene aan de legioenen toegevoegde reserve. — Een com- 
positum is misschien ook suscenseo, suscensui, suscensere vertoornd zijn, 
dat door anderen met candeo (§ 301, 4) in verband gebracht wordt. 





c) Zonder 


supinum: 






§ 


297. 








1., 


arceo 


arcui 


ar cere 


afweren 


2. 


caleo 


calui 


calere 


warm zijn 


3. 


calleo 


callui 


cal'lere 


eelt hebben, slim zijn 


4. 


careo 


carui 


carere 


ontberen, missen 


5. 


doleo 


dolui 


dolere 


pijn doen, smart hebben 


6. 


egeo 


egui 


egere 


gebrek lijden 


7. 


floreo 


florui 


florere 


bloeien 


8. 


frondeo 


f rondui 


frondere 


loof hebben, groenen 


9. 


horreo 


horrui 


horrere 


er ruw uitzien, huiverert 


10. 


iaceo 


iacui 


iacere 


liggen 


11. 


lateo 


latui 


latere 


verborgen zijn 


12. 


madeo 


madui 


m adere 


nat zijn 


13. 


niteo 


nitui 


nitere 


schitteren, glanzen 


14. 


oleo 


olui 


olere 


rieken 


15. 


palleo 


pallui 


pallere 


bleek zijn 


16. 


pateo 


p a t u i 


patere 


open staan 


17. 


rigeo 


rigui 


rigere 


strak, stijf staan 


18. 


rubeo 


r u b u i 


rubere 


rood zijn 


19. 


sileo 


silui 


silere 


zwijgen 


20. 


sorbeo 


sorbui 


sorbere 


opslurpen 


21. 


sordeo 


sordui 


sordere 


vuil zijn 


22. 


splendeo 


(s p 1 e n d u i) 


splendere 


schitteren, stralen 


23. 


studeo 


studui 


studere 


zich toeleggen op 


24. 


stupeo 


stupui 


stupere 


verstomd staan 


24a 


timeo 


timui 


timere 


vreezen 


25. 


t o r p e o 


torpui 


torpere 


stijf, verlamd zijn 


26. 


tumeo 


t u m u i 


tumere 


gezwollen zijn, zwellen 


27. 


valeo 


valui 


valere 


gezond, krachtig zijn 


28. 


vigeo 


vigui 


vigere 


frisch, krachtig zijn 


29. 


vireo 


virui 


virere 


groen zijn. 



Aanm. 1. Comp. met overgang van a in e: coerceo, coercui, coercitum, 
coercere beteugelen, en exerceo oefenen (part. perf. pass, exercitdtus 
geoefend; exercitus = gekweld). 

4. Part. fut. cariturus (§ 253). 

5. Part. fut. doliturus (§ 253). 

6. Comp. indigeo noodig hebben. 
9. Comp. abhorreo verafschuwen. 



208 



BUIGINGSLEER. 



§§ 298-300. 



§§ 301-302. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



209 



10. Iaceo is eig. het intrans. bij het trans, iatio ik werp (§ 268, 5); 
iaci-d: iace-re = <pa£va> (uit *cpavj-w): cpav-rj-vai; iaceo dus eig. : geworpen 
zijn. — Part. fut. iaciturus (§ 253). Comp. adiaceo bij iets liggen. 

20. Comp. absorbeo opslurpen, exsorbeo uitzuigen, resorbeo weer 
opslurpen. 
22. Comp. resplendeo weerkaatsen. 
27. Part. fut. valiturus (§ 253). 

3) op -st. 

a) Supinum op -turn: 
§ 298. 

1. augeo auxi auctum augere vermeerderen 

2. indulgeo indulsi (indultum) indulgere toegeven, inschik- 

3. mulgeo mulsi multum (mulsum) mulgere melken [kelijkzijn 

4. torqueo torsi tortum torquere draaien. 

Aanm. 1. Comp. adaugeo sterk vermeerderen. 

4. Vgl. § 24,2 (zoo ook bij 2 en 3). — Comp. contorqueo ronddraaien, 
extorqueo ontwringen. 



b) Supinum op -sum: 

§ 299. 1. ardeo arsi 

2. haereo haesi 

3. iubeo iussi 

4. maneo mansi 

5. mulceo mulsi 

6. rideo risi 

7. suadeo suasi 

8. -tergeo -tersi 

Aanm. 1. Arsi uit *ardsi: 



arsurus ardere branden(intr.) 
haesurus haerere hangen aan 



lussum 
mansum 
mulsum 
rlsum 

suasum 
-tersum 



iubere bevelen 

man ere blijven 

mulcere streelen 

r I d e r e lachen 

suadere aanraden 

-tergere afwisschen. 



zie §§ 25, 4 en 24, 5 ; zoo ook bij 6 en 7. 

2. Haesi uit haes-si (oudere schrijfwijze) : vgl. § 288, A. 4. — Comp. 
adhaereo, inhaereo aanhangen, cohaereo samenhangen. 

3. Over iussi vgl. § 237, A. 1. 

4. Vgl. § 33, 1. Comp. permaneo voortdurend blijven, remaneo 
achterblij ven. 

5. Mulsi uit *mulc-si: zie § 24, 2; zoo ook bij 8. 

6. Comp. arrldeo toelachen, derideo en irrldeo uitlachen, bespotten. 

7. Vgl. § 19, A. 36. - Comp. dissuadeo afraden, persuddeo overreden. 

8. Zelden ook in het praesens consonantst. : tergo, tergere. — Comp. 
abstergeo en detergeo afwisschen. 



c) Zonder supinum: 
§ 300. 1. algeo alsi algere 

2. frigeo frixi frigere 



koude lijden 
koud, verstijfd zijn 



3. fulgeo fulsi fulgere (weer)lichten, schitteren 

4. luceo liixi lucere lichten 

5. lugeo luxi lugere rouwen, treuren 

6. turgeo tursi turgere gezwollen, vol zijn 

7. urgeo ursi urgere dringen, drukken. 

Aanm. 3. Somtijds bij dichters ook in 't praes. als consonantstam : 
fulgit, fulgere. — Comp. affulgeo, offulgeo toestralen, effulgeo uitblin- 
ken, refulgeo een weerschijn geven. 

4. Comp. alluceo tegenblinken, eluceo uitblinken, perluceo door- 
schijnen, praeluceo voorlichten. 

7. Eene spelling urgueo vindt men eerst in lateren tijd. 
III. Verba zonder perf. en supin. 



301. 1. albeo 

2. areo 

3. aveo 

4. candeo 

5. flaveo 

6. h e b e o 

7. immineo 

8. promineo 

9. Hveo 

10. maereo 

11. polleo 

12. renideo 

13. scateo 

14. squaleo 

15. tepeo 

Aanm. 3. Dit aveo 
(§ 251). 

13. Bij dichters ook 



alb ere wit zijn 

arere droog zijn 

avere begeerig zijn 

c a n d e r e gloeien 

f lav ere (goud)geel zijn 

he be re stomp zijn 

imminere dreigen 

prominere uitsteken 

Iivere loodkleurig, nijdig zijn 

maerere treuren 

poll ere sterk zijn, vermogen 

renidere glanzen, schitteren 

scat ere opborrelen, vol zijn, wemelen 

squalere raw van oppervlakte, vuil zijn 

tepere lauw zijn. 

is wel te onderscheiden van het defectieve avere 



scato. scatere. 



SEMIDEPONENTIA. 

§ 302. 1. audeo ausus sum audere wagen 

2. gaudeo gavlsus sum gaudere zich verheugen 

3. soleo solitussum solere plegen. 

Aanm. 1—3. Vgl. § 252, 1, § 207. 

1. Audeo door syncope uit *avideo, van avidus begeerig, dus eig.: 
lust hebben. 

3. Solitus wordt gebruikt voor het part, praes., dat in klassiek Latijn 
niet voorkomt (§ 595). 
WOLTJER, Lat. Qramm. 6e druk. 14 



210 



BUIGINGSLEER. 



DEPONENTIA. 



§§ 303—304. 



§ 303. 

1. fateor 

2. liceor 

3. medeor 

4. mereor 
5. 



fateri 

liceri 

mederi 

mereri 
misereor miseritus sum misereri medelijden hebben [maken 
reor ratus sum reri meenen, gelooven 

tueor (tuitussum) tueri (beschouwen), beschermen 



fassus sum 
licitus sum 

meritus sum 



bekennen 

bieden op iets 

heelen, genezen 

verdienen, zich verdienstelijk 



8. vereor veritussum vereri schuwen, vreezen. 

Aanm. 1. Comp. met overgang van a in i : cdnfiteor, confessus sum, 
confiteri bekennen, profiteor openlijk verklaren. 

2. Vgl. § 296, 3. Comp. polliceor aanbieden, beloven (over pol- = 
por-, vgl. § 271, A. 8, § 280, A. 14). 

3. Als perf. gebruikte men sanavi, 

4. Vgl. § 296, 4. 't Act. en 't depon. kunnen beide gebruikt worden 
(vgl. § 226, A. 2). Gewoonlijk: bene mereri de zich verdienstelijk maken 
ten opzichte van; bene meritus die zich verdienstelijk gemaakt 
heeft, verdienstelijk. — Comp. commereo meer dan commereor ver- 
dienen, perf. gewoonlijk commerui; demereo en demereor zich verdien- 
stelijk maken, emereo meer dan emereor uitdienen (maar emeritus die 
uitgediend heeft), prdmereo en prdmereor verdienen. 

5. De vorm misertus sum komt niet in klassiek proza voor. 

7. De eigenlijke beteekenis beschouwen is in het simplex dichterlijk 
(voor den overgang van beteekenis vgl. bij ons waarnemen en bewaren). 
Als perf. vindt men bij lateren tuitus sum, doch gewoonlijk is het perf. 
tatdtus sum. Hier en daar vindt men ook vormen van Huor, *tueris. 
Tutus veilig, is adiect., obtutus aanblik, ' substant. (u-stam). — Comp. 
contueor, (contuitus sum), contueri beschouwen, intueor, {intuitus sum, 
doch beter) aspexi, intueri op iets zien, beschouwen. 

c) A-STAMMEN (iste conjugate). 



I. Sterk perfectum 1) met reduplic&tie. 



§ 304. 



do dedi datum dare 

sto steti {status subst.) stare 



geven 

staan. 



Aanm. 1. Van het paradigma der a-stammen (laudo) wijkt dit werkw., 
behalve in den vorm van 't perfectum (zie § 235), ook daarin af, dat het 
de a van den stam overal kort heeft, uitgezonderd in das en da 
(en natuurlijk in dans), dus: damus, dabam, ddbunt. Het behoort tot de 
verba die geen them, vocaal hebben. Vgl. de vervoeging van 8i-8co-im. 

Oude vorm : danunt = dant (zie § 243). 

Comp. Evenals do gaan de jongere, met tweelettergrepige woorden 
samengestelde : circumdo, circumdedi, circumdatum, tircdmdare omgeven; 



§§ 305-306. 



VERBA. STAMTIJDEN. 



211 



pessumdo (ook: pessum do) te gronde richten, satis do borgstellen, 
venum do (ook: venundo) verkoopen (vgl. § 259, Aanm.). 

De oudere zijn overgegaan in de vervoeging der consonantstammen (vgl. 
§ 15 A): dedo, dedidi, deditum, dedere overgeven, overleveren, edo 
uitgeven, ter wereld brengen, prddo verraden, reddo (zie § 30, 
A. 5) teruggeven, trado (*trdnsdo) overhandigen, overleveren, 
vendo verkoopen (pass, veneo). — 

Naast deze composita van dare geven staan eenige samengestelde werk- 
woorden op -dere, die eigenlijk niet bij dare behooren, maar van een 
anderen wortel (dhe-, vgl. Gr. xi-d-iq-iu) komen, die zetten, maken betee- 
kent: abdo, abdidi, abditum, abdere wegdoen, verbergen, addo er bij 
doen, toevoegen, condo (eig. bijeenzetten) stichten, wegleggen, 
wegbergen (maar abscondo verbergen heeft abscondi, absconditum, 
abscondere, dus niet *abscondidi), credo (uit *cred(vgl *cor(d))-do, dus eig. 
het hart op iemand zetten) toevertrouwen, gelooven, indo indoen, 
geven, perdo verdoen, in 't verderf storten, subdo onderleggen, 
in de plaats stellen. 

2. Part. fut. stdturus. Comp. circumsto rondom staan, perf. circum- 
steti, zonder supin.. De met eenlettergrepige praeposities samengestelde 
verzwakken de e van 't perf. overeenkomstig § 15 A tot i en hebben zel- 
den een supinum : adsto, adstiti bij iets staan, consto bestaan, exsto 
uitsteken, insto op de hielen zitten, aandringen, obsto in den 
weg staan, persto vaststaan, praesto uitmunten, verrichten. De 
partic. fut. komen dikwijls voor: constaturus, exstdturus, instaturus, persta- 
turus, praestdtiirus (partic. perf. praestdtus, praestitus). Disto verwijderd 
zijn, heeft geen perfectum en geen supinum. — Ook antisto (beter dan 
antesto) den voorrang hebben heeft in t perf. i: antistiti; 't komt 
echter zelden voor; 't supinum ontbreekt. 

2) zonder reduplic&tie, met verlenging van den 
stamklinker. 

§ 305. 1. iuvo iuvi iutum iuvare helpen 

2. lavo lavi lautumenlavatum lava re wasschen. 

Aanm. 1 en 2. Eigenlijk hadden deze verba, evenals paveo enz. (§293 a, 
Aanm.), een zwak perf. : *iuv-vl, *lav-vl. 

1. Comp. adiiivo helpen, bijstaan; part. fut. adiuturus, maar van 
iuvo: iuvaturus (§ 253). 

2. Lavo uit *lovo (vgl. Gr. *Xo(f)sa>, lovm). Bij dichters vindt men nog 
een praesens als van een consonantstam : *lavis, *lavit, Havimus, *lavere; 
vgl. § 271,8. In het oudere Latijn wordt lavare in tegenstelling met lavere 
intransitief gebruikt. 



II. Zwak perfectum 1) op -vi: 

§ 306. -vi is de gewone uitgang der a-stammen in het perfectum. 
Eenige van deze kunnen, bij het eerste gezicht, Iichtelijk misleiden, 
daar zij in den lsten pers. sing, indicat. praes. act. het voorkomen 
hebben van e-, I- of u-stammen. De meest gebruikelijke volgen daar- 
om hier: 

14* 



212 



BUIG1NGSLEER. 



§ 307. 



calceo 

colllneo 

creo 

delineo 

enucleo 

illaqueo 

meo 

nauseo 

amplio 

crucio 

hio 

nuntio 

satio 

saucio 

socio 

somnio 

spolio 

aestuo 

attenuo 

continuo 

insinuo 



calceavi enz. 



ampliavi enz. 



aestuavi enz. 



calceare 

colllneare 

creare 

delineare 

enucleare 

illaqueare 

meare 

nauseare 

a m p 1 i a r e 

cruciare 

hiare 

nuntiare 

satiare 

sauciare 

sociare 

somniare 

spoliare 

aestuare 

attenuare 

conti nuare 

insinuare 



met schoenen voorzien 

aanleggen op, mikken, raken 

scheppen, voortbrengen 

schetsen, ontwerpen 

de pitten uitnemen, verklaren 

verstrikken 

gaan 

misselijk zijn 

uitbreiden, verdagen 

martelen, kwellen 

gapen 

boodschappen, verkondigen 

verzadigen 

verwonden 

vereenigen 

droomen . 

berooven, plunderen 

heet zijn, golven, branden 

verzwakken, verdunnen 

voortzetten 

doen indringen. 



Afzonderlijk staat: 

poto potavi potum potare (veel of sterk) drinken. 

Aanm. Potare is oorspr. een van pdtus, dat eig. part. pert, van bibo is 
[uit *pibo: wortel pdfi)-, met Ablaut pi-: vgl. § 265, 1], afgeleid frequen- 
tativum: herhaaldelijk drinken. Als supinum komt ook potatum voor, 
hoewel zeer zelden; pdtus is zoowel actief: gedronken hebbende, als 
passief: gedronken, uitgedronken. Vgl. § 493 d) Aanm.. 



2) op 

Supinum op -itum en -turn: 



■Uli 



§ 307. 



1. 


crepo 


crepui 


crepitum 




2. 


cubo 


cubui 


cubitum 




3. 


domo 


domui 


domitum 




4. 


frico 


fricui 


frictum 




5. 


mico 


micui 


ontbr. 




6. 


-plico 


-plicui 


-plicitum 




7. 


seco 


secui 


s e c t u m 




8. 


sono 


sonui 


(sonitus, 


subst.) 


9. 


tono 


tonui 


ontbr. 




0. 


veto 


vetui 


vetitum 





Aanm. 1. Comp. concrepo knarsen, kleppere 
(zonder supin.), increpo toeschreeuwen, verwijt 

2. Vgl. § 278 (-cumbo). Comp. accubo aanli 
houden, incubo ergens op liggen, recubo ac 



c r e p a r e klapperen 

cub are liggen 

do mare temmen 

fricare wrijven 

mi care flikkeren 

-p 1 i c a r e vouwen 

secare snijden 

s o n a r e klinken 

ton are donderen 

vetare verbieden. 

n, discrepo verschillen 
en. 

gen, excubo de wacht 
hterover liggen. 



§§ 308 - 309. 



ADVERB1A. 



213 



3. Comp. edonio, perdomo geheel en al temmen, bedwingen. 

4. 't Supinum is ook fricdtum. Comp. refrico weder openkrabben, 
part. fut. refrtcdturus. 

5. Comp. emico plotseling te voorschijn komen. Doch dlmico 
vechten, strijden heeft dTtnicavi, dlmicatum. 

6. 't Simplex is niet in gebruik. Comp.: applico, applicavi en applicui, 
applicatum (applititum), applicare aanwenden, complico, complicui, com- 
plicdtum, compliccire dicht vouwen, explico, explicdvi en explicui, expli- 
catum en explicitutn, explicare ontvouwen, implico, implicui en impllcavi, 
implication en implicitum, implicare inwikkelen. — Supplico smeeken 
(van supplex (§ 118, Aanm.)), duplico verdubbelen (van duplex (§ 118)) 
en multiplico vermeerderen (van multiplex (§ 118)) hebben altijd -dvi, 
-at urn. 

7. Part. fut. secaturus (§ 253). Comp. deseco afsnijden, exseco 
uitsnijden, inseco insnijden, perseco af-, doorsnijden, reseco weg- 
snijden. 

8. Part. fut. sondturus (§ 253). Comp. consono samenklinken, 
overeenstemmen, dissono niet overeenstemmen, persono weer- 
klinken. 

9. Tonitms, -us, subst. = donder. Comp. attono verbazen, doe 
ontstellen (part. perf. attonitus verplet, buiten zich zelven), inton 
donderen, part, intondtus. 

DEPONENTIA. 

§ 308. De deponentia gaan alle regelmatig. Enkele hebben, vooral 
in 't part, perf., zooals meer bij deponentia voorkomt (§ 226, A. 1), 
somtijds passieve beteekenis, bijv. : interpreter, interpretatus sum, inter- 
pretari uitleggen, vertolken: interpretatus ook: vertolkt, ver- 
klaard. 



HOOFDSTUK VI. 



PARTICULAE. 



i. HET ADVERBIUM. 

1) Vorming der adverbia van adiectiva. 

§ 309*. Over de wijze, waarop van adiectiva adverbia worden ge- 
vormd, vgl. deel III (De leer der woordvorming), § 352 vlgg.. 

2) Pronominale adverbia. 

§ 309. De van pronomina afgeleide adverbia van plaats, 
van tijd en van wijze laten zich, evenals vele pronomina (§ 179), 
in correlativa groepeeren: 



214 



BUIGINGSLEER. 



§ 309. 



§ 310. 



ADVERBIA. 



215 



Interrog. 


Demonstr. 


Indefin. 


Relativa 


Rel. indef. 


ADVERBIA LOCI : 


ubi waar? 


ibi daar 


alicubi ergens 


ubi waar 


ubicunque 




ibidem op de- 


uspiam 




ubiubi 




zelfde plaats 


usquam 




waar ook 




hTc hier 


ubilibet overal 








istfc daar 


ubivls 








i lire daar 

■ 


ubTque 
usquequaque 






quo waar- 


eo daarheen 


aliquo ergens- 


quo waar- 


quocunque 


heen ? 


e o d e rn naar de- 
zelfde plaats 
hue hierheen 
istrfc daarheen 
illuc daarheen 


quolibet [heen 
quovTs 


heen 


waarheen ook 


quorsum 


horsum her- 


aliquovorsum 


quorsum 


quoquover- 


werwaarts ? 


waarts 


ergensheen 


waarheen 


sus naar alle 
kanten heen 


unde van- 


inde vandaar 


alicunde ergens 


unde van- 


undecunque 


waarp 


in did em juist 

daarvandaan 
hinc vanhier 
istinc vandaar 
illinc vandaar 


vandaan 
undevTs 
undelibet 
undique van 
_ alle zijden 


waar 


vanwaar ook 


qua waar- 


ea daar(langs) 


qua ergens langs 


qua waar- 


quacunque 


langs, op 


eadem langs 


a 1 i q u a op eenige 


langs, op 


waarlangs 


welke wijze? 


denzelfden weg 
hac hierlangs 
iliac daarlangs 


wijze 


welke wijze 


ook, op welke 
wijze ook 


ADVERBIA TEMPORIS: 


quando 


turn toen 


quando ooit 


quando 


quando- 


wanneer? 


tunc toen 


aliquando eens 


toen, wan- 


cunque 




nunc nu 


unquam ooit 


neer 
cum (quom) 
toen 


wanneer ook 


quotiens 


totiens zoo dik- 


aliquotiens 


quotiens 


quotiens- 


hoe dikwijls? 


wijls 


eenige malen 


hoe dikwijls, 
{zoo dikw) als 


cunque hoe 
dikwijls ook 



: 



1 



:.. 



ADVERBIA MODI: 



ut hoe? 
qui „ 
quomodo 
op welke 
wijze? 



quam hoe 

zeer? 



ita, sic zoo 
item evenzoo 
itidem op gelij- 
ke wijze 



aliquo modo 
op de eene of 
andere wijze 

quodammodo 
op eene zekere 
wijze, eenigs- 
zins 



tam zoo 



ali quam eeni- 

germate 
quamvis 
quamlibet 



ut zooals 



quam hoe, 
(zoo) als 



utcunque 
utut hoe dan 
ook 



quamq u a m 
quamvTs 
hoezeer ook 



Aanm. 1. Verder merke men nog op, dat van alius gevormd worden: 
alibi elders, aliunde van elders, alio naar elders, alias op een an- 
deren tijd, aliter (vgl. § 352, A. 2) op eene andere wijze; van uter- 
que: utrobique aan weerszijden, utrimque van weerszijden, utroque 
naar weerszijden. — Bij het demonstratieve adeo (eigenlijk: tot zoo- 
ver) zoozeer, behoort het interrogatieve en relatieve quoad hoe ver, 
tot waar?, quousque (beter quo usque) hoe lang? 

Aanm. 2. Vele van de bovengenoemde adverbia zijn eigenlijk adiec- 
tive gebruikte pronomina waarbij het subst. verzwegen is: bij v. : qua, 
hac, iliac, nl. via, ratione langs welken enz. weg, op welke enz. wijze; 
alias, nl. vices. 

Aanm. 3. Quorsum is samengetrokken uit *quo-vorsum (dit vorsum is 
het part. pert. pass, van verto (*vorto): vgl. §10, 7), horsum uit *ho-vorsum. 
Zoo heeft men nog : aliorsum (^alio-vorsum), deorsum (*de-vorsum), introrsum 
(*intro-vorsum), dextrorsum, sinistrorsum, prorsum (§ 24, 4), seorsum, stir- 
sum (voor *subs-vorsum). 

Aanm. 4. Ubi en ibi zijn eigenlijk locativi (§ 54, Aanm.) van pronominale 
stammen : ubi uit *cubi (vgl. ne-cubi, sl-cubi; zoo ook unde uit *cunde), en 
dit voor *quobi (vgl. "quoius = cuius, *quoi — cui) = quo + -bi; ibi = 
i- + bi, van denzelfden stam i- als is, id. 

3) Comparatio. 

§ 310. De adverbia die van denzelfden stam gevormd zijn als 
adiectiva of participia, hebben evenals deze eenen comparativus 
en eenen superlativus. De eerste is gelijk aan het neutrum 
van den comparat. van het adiect. of partic., de tweede aan den 
superl. met verandering van -us in -e: 

Adiect. Adverb. Comparat. Superlat. 

longus longe lang longius longissime 

fortis fortiter sterk fortius fortissime 



210 




BUIGINGSLEER. 


§ 311. 


audax 


audacter 


vermetel 


audacius 


audacissime 


sapiens 


sapienter 


wijs 


sapientius 


sapientissime 


miser 


misere 


ellendig 


miserius 


miserrime 


facilis 


facile 


gemakkelijk 


facilius 


facillime 


bonus 


bene (§ 352) 


wel 


melius 


optime 


(magnus) 






magis 


maxime 


malus 


male (§ 352) 


slecht 


peius 


pessime 


multus 


multum 


veel 


plus 


plurimum 


nequam 


nequiter 


slecht 


nequius 


nequissime 


parvus 


parum 


weinig 


minus 


minime 


deterior 




minder 


deterius 


deterrime 


ocior 


ociter 


snel 


ocius 


ocissime 


potior 




liever 


potius 


potissimum 


prior 




eerder 


prius 


primum 


propior 


prope 


nabij 


propius 


proxime 


posterior 


post 


na 


posterius 


postremum. 



§ 312. 



PRAEPOSITIONES. 



217 



Aanm. 1. Zie §§ 120-122; 126; 128, 3; 135. - Mag-is (tegenover 
maius uit *mag-ios) heeft den zwakkeren vorm van het comparatiefsuffix 
(-is: vgl. § 13 Aanm.). - Over -um zie § 353. Parum uit *parvom, daar 
v voor 6 uitviel: § 128, A. 1 (in het adiect. is v gebleven naar analogie 
van parvl enz.). 



Aanm. 2. Buitendien nog: 

diu 
saepe 
nuper 
nove 

sat of satis 
secas 

pos. en superl. 
ontbr. 



lang 

dikwijls 

onlangs 

nieuw 

genoeg 

anders 



diutius 

saepius 

comp. ontbreekt 

comp. ontbreekt 

satius beter 

sequius 



diutissime 
saepissime 
nuperrime 
novissime 
superl. ontbr. 
superl. ontbr. 



setius minder, minder goed {nihilo s. 
[niettemin, nee. s. niet minder). 



2. DE PRAEPOSITIONES. 

§ 311. De praepositiones of voorzetsels warden in 't Latijn ver- 
bonden: 

10 met eenen accusativus; 

20 met eenen ablativus; 

30 nu eens met eenen accus., dan weer met eenen ablat.. 

Bij eenen dativus staan ze nooit, 00k niet bij een genetivus. 

1) Bij den accusativus staan: 

ad tot, naar iuxta naast 

adversus tegen — op, tegen ob om, wegens 

ante voor penes bij, in de macht van 

a pud bij per door — heen, door 






circa *> 
circum / 


om, rondom 


post 
praeter 


na 

voorbij, behalve 


cis 


aan deze zijde van 


prope 


nabij 


citra 


naar deze zijde van 


propter 


naast, wegens 


contra 


tegen 


secundum 


langs 


erga 


jegens 


super 


over, boven 


extra 


buiten 


supra 


boven 


Infra 


beneden 


trans 


over 


inter 


tusschen, onder 


ultra 


aan gene zijde van, 


intra 


binnen 




[over, verder dan. 



Aanm. 1. De praeposities zijn oorspronkelijk adverbia (meestal van plaats), 
die niet het nomen (dat ze later schenen te „regeeren"), maar het werk- 
woord (of 00k een adiectivum) nader bepaalden. Vandaar dat vele dezer 
praeposities 00k nog als adverbia voorkomen, bijv. : adversus, ante, circa, 
circum, extra, infra, intra enz.. 

Aanm. 2. Daar de praeposities oorspr. adverbia zijn, zijn ze over het 
algemeen op dezelfde wijze als deze gevormd. De meeste zijn versteende 
casus van nomina: het suffix -ter in in-ter enz. is identiek met het 
adverbiale suffix -ter (-tero-: § 352); in-ter, prae-ter enz. zijn dus eigenlijk 
nominativi (§ 353, A. 3), evenals adversus enz. ; de praep. circa, citra, 
contra, extra, infra, intra, supra, ultra zijn eigenlijk ablativi en hebben 
daarom de a lang. 

j 312. 2) Bij den ablativus staan: 

a b (a b s , a) van - af, van, door p r a e voor, wegens 

cum met pro voor 

d e van - af, van, uit sine zonder. 

ex (e) uit 

Aanm. 1. Abs (d. i. ab, versterkt met de particula -s(e): vgl. § 30) is 
oorspr. een zelfstandige vorm naast ab; a is niet uit ab ontstaan, maar 
uit abs voor v, 1 en nasalen (door verdwijning van bs en schadeloosstel- 
ling: vgl. § 14); in het klassieke Latijn staat a echter voor alle conso- 
nanten, ab in den regel voor vocalen en h (echter 00k wel voor conso- 
nanten, vooral in bepaalde verbindingen, zooals ab consule enz.), terwijl 
het gebruik van abs hoe langer hoe meer beperkt wordt (voorn. abs te). — 
Zooals a uit abs, is e ontstaan uit ex (d. i. *ec + s); het staat alleen voor 
consonanten, ex zoo wel voor consonanten als voor vocalen (echter steeds 
bijv. e regione, e republics,, en ex tempore, ex parte). Overigens laat zich 
bij ex nog minder een vaste regel stellen dan bij ab. 

Aanm. 2. Wanneer cum staat bij een pronomen personale, wordt het 
gewoonlijk na zijn casus geplaatst en daarmede tot een woord verbonden : 
mecum, tecum, secum, nobiscum, vobiscum; zoo 00k qulcum (§ 173, A. 2); 
bij quo, qua, quibus staat het 00k wel vooraan : quocum en cum quo enz.. 

Aanm. 3. Ook de adverbia clam buiten weten, en coram (uit *co-oram 
in het gezicht) in tegenwoordigheid van, worden somtijds als praepo- 
sities gebruikt (zie § 459). - Over tenus tot aan, zie § 450. 



218 



BUIGINGSLEER. 



§§ 313-315. 



§ 313. 3) Bij den accusativus of den ablativus staan: 
in in, op, naar, tegen sub onder. 

Als antwoord op de vraag: waarheen? gebruikt men den a ecus., 
als antwoord op de vraag: waar? den a Mat. Zie verder de Syntaxis. 

Aanm. Naast sub staat subter (van sub gevormd als in-ter (§ 311) van 
in), dat echter zelden gebruikt wordt, met den abl. bijna alleen bij dichters. 
Dit laatste geldt ook van super met den abl.: vgl. § 448. 

§ 314. Als onscheidbare voorzetsels (praepositiones insep am biles) komen 
voor: amb-, dis-, por-, re- {red-), sed- (se-), ve-. 

Onscheidbaar moet hier opgevat worden als: niet op zich zelf staande, want 
ook de andere praeposities kunnen in samenstellingen niet gescheiden worden, 
zooals in onze taal. 

Aanm. 1. Ve- beteekent een gebrek door te veel of te weinig: vecors 
verstandeloos, vesanus onzinnig, dol, vegrandis zeer groot. 

Aanm. 2. Over de veranderingen, die de praeposities in samenstellingen 
ondergaan, zie § 30. 



3- DE CONIUNCTIONES. 

§ 315. De coniunctiones of voegwoorden zijn: A. coordinee- 
rend (nevenschikkend) of B. subordineerend (onderschikkend) ; 
de eerste verbinden twee zinnen of woorden van gel ij ken rang, 
de laatste rangschikken den eenen zin onder den anderen. 

A. Coordineerend zijn: 
1) de copulatlvae of verbindende voegwoorden: 

et-et 



et | 

-que (§ 47) en 
at que (ac) J 

etiam 1 

quoque / 

n e q u e (nee) en niet, noch 

n e c n 5 n en ook, alsmede 

partim — partim deels-deels 



ook 



et 

-que 

-que 
neque 

turn 
modo-modo/ 



niet alleen — 
maar ook 



-que 
et 

-que 

neque noch - noch 
turn 1 nu eens - dan 
weer 



tam-quaml 



cum-tum j 



>zoowel — als ook; 



Aanm. Ac is ontstaan uit atque door syncope van de e voor eene 
beginconsonant van net volgende woord en daarop volgend verlies van 
het labiale element in de gutturaal voor eene consonant (vgl. §§ 19, A. 4; 
21 Aanm.; 24, 1): *atqu(e), "ate, *acc (§ 25, 6), ac (§ 23, B, b); ac staat 
bij goede schrijvers nooit voor een klinker; ook voor c, g, q 
en h gebruike men .(op Cicero's voorbeeld) alleen atque. - Op soort- 
gelijke wijze is nee (nequ{e)) gevormd, dat echter ook wel voor klinkers 
voorkorat. 






§§ 316-319. 



CONIUNCTIONES. 



219 



§ 316. 2) de disiunctivae of scheide.nde: 



aut 
vel 
-ve 
sive(seu) 



of 



aut-aut 

vel — vel 

-ve — -ve 

si ve-slve 



of- of; 



Aanm. Sea uit *sei-ve, met syncope van de e voor eene volgende con- 
sonant, staat nooit voor klinkers. 

Vel is misschien de oorspr. 2de pers. sing, indie, praes. act. van velle (uit 
*vels(i), *vell), volgens anderen een oude athematische imperat. (eig. : kies). 



§ 317. 3) de adversativae of tegenstellende: 

sed \ 

verum > maar, doch 

vero J 

e n i m v e r o voorwaar, maar 

verum enim vero maar waarlijk 

aut em nu, echter 

at daarentegen, maar dan toch 

atquT en toch, niettemin 



tarn en echter, evenwel, maar toch 

at tamen maar toch 

et tarn en en toch 

sed tamen maar toch 

verum tamen « « 

non modo (solum) — sed etiam 

niet alleen — maar ook 
(non tantum — sed etiam); 



Aanm. 1. Vero en autem staan niet in 't begin van den zin, maar na 
het eerste woord of de eerste woorden. 

Aanm. 2. Een oud, zelden voorkomend voegwoord is ast wanneer 
echter, wanneer verder. Bij de dichters uit den tijd van Augustus 
en bij latere prozaschrijvers komt dit ast opnieuw in gebruik, maar dan 
geheel met de beteekenis van at. 

§ 318. 4) de causales of redengevende: 



nam 



) 



namquej 



want, immers 



enim 
etenim j 



\ 



> namelijk, want; 



Aanm. Enim, dat in het oudere Latijn een zuiver bevestigende partikel 
is (inderdaad) en (in navolging daarvan) ook door Vergilius nog in 
dezen zin gebruikt wordt, staat niet in 't begin van den zin, maar na 
het eerste woord of de eerste woorden. 

§ 319. 5) de conclusivae of gevolgtrekkende: 

I 



ergo 
igitur 
itaque J 
eo ) 

i d e o 5 
idcirco J 



derhalve, alzoo, dus 



daarom, deswege 



quare 

qua de causa 

quam ob rem 

quam obcausam 

quocirca 

quapropter 



weshalve, waar- 
om, daarom; 



Aanm. Itaque (§47 Aanm.) staat vooraan in den zin; igitur komt na het 
eerste woord of na de eerste woorden: het is door verzwakking (§ 15 A) 



220 



BUIGINGSLEER. 



5§ 320-324. 



ontstaan uit een toonloos agitur in zegswijzen als quid agitur, eig. : waar- 
over gaat het? wat dus? Vgl. § 47. 

§ 320. 6) de interrogatlvae of vragende: 

-ne, num, nonne, an, utrum, anne, numne; quidnl, quin 
waarom niet? Zie §§ 642- 649. 



§ 321. B. Subordineerend zijn: 
1) de causales of redengevende: 

quando 



quia 

quoniam > omdat, dewijl 

quod J 

cum (quom) daar, dewijl 



1 naardien, nade- 
quandoquidem ) maal 
s T q u i d e m inzooverre, 

daar toch 
quippe, utpote daar immers; 



Aanm. Quom, de oorspr. vorm van cum, is eig. een adverbiale ace. 
sing, neutr. van den stam van het relativum quo- (§ 173) ; men schrijve 
nooit qtium, dat een maaksel van lateren tijd is. 

Quoniam = quom iam. 

§ 322. 2) de finales ofdoelaanwijzende: 

ut (uti) dat, opdat nedum laat staan dat 

ne opdat niet quo opdat daardoor 

neve (neu) en opdat niet quo minus opdat niet, om te 

ne forte opdat niet misschien quin opdat niet, dat niet; 

Aanm. Uti (uit *utei) is een oudere vorm naast ut (uit *uti\ vgl. uti- 
nam och dat!): vgl. § 16, A. 3. 

Ne is eigenlijk de oude, negatieve partikel ne in nequiquam enz. (daar- 
naast ne- in nefas enz.; vgl. § 329, A. 2); neu is gevormd als sen (§ 316). 

Quin is ontstaan uit *qui-ne. 



323. 3) de concessivae of toegevende: 

i' 



etsi quamquam ofschoon, hoewel 

tametsl [schoonook, cum terwijl, ofschoon 

etiamsl J ofechoon Hcet zij het ook 

quamvls ) ut gesteld ook 

quantumvls fhoezeer, hoe ook ut non, ne verondersteld dat niet; 
quamlibet 



i 



§ 324. 4) de consecutivae of gevolgaanwijzende: 
ut (uti) zoodat ut non (quin) zoodat niet; 






;§ 325-327. 



CONIUNCTIONES. 



221 



§ 325. 5) de comparativae of vergelijkende 
ut (uti) ) , , ut si 



slcu'tjslcutl)! 6 ^. 11313 ' 200313 ' 

velut (veluti)j g ] aeque ac 

quasi als het ware, alsof pariter ac 

tanquam ] 

\ I , . quam 

m) > alsof H , 

,j atque 



(tamquam) ;> alsof 
tanquam si 



> alsof 

s even alsof 

dan 

als; 



Aanm. Ceu (uit *cei-ve of *ce-ve [zooals neu uit ne-ve, sea uit *sei-ve\) 
gelijk, als, zooals, als het ware, ook = ceu si alsof, wordt alleen 
door dichters en enkele latere prozaschrijvers gebruikt. 

§ 326. 6) de condicionales of voorwaardelijke: 



si 

nisi (nl) 

dum 

modo 

dummodo 



indien, wanneer 
indien niet 

[ indien maar, 
I mits (dat) 



sin maar wanneer, 

wanneer daarentegen 

dumne 

modo ne 

a „ a \ nuts (dat) met; 

dummodo nej x ' ' 



! indien maar niet, 



Aanm. Nisi is eene samenstelling van het negativum ne (§ 322, Aanm.) 
met si, en beteekent dus eig.; niet indien; nl (oud-Lat. *nei) is niet uit 
nisi ontstaan, maar een zelfstandige partikel, die in het oude Latijn en later 
bij dichters nog den zin van non of ne, niet, dat niet, heeft (vgl. quidnl? 
waarom niet?), en eerst langzamerhand in de beteekenis van nisi (si non) 
gebruikt werd. 

Sin is eene samenstelling uit si en ne, echter niet het negatieve ne (bij 
Plautus heeft sin nog geen negatieve kracht), maar het demonstratieve, 
en is dus eig. = si vero. 



§ 327. 7) de temporales of voegwoorden van tijd: 

} 

priusquam j 

zoodra als, sedert postquam 1 
wanneer, toen posteaquam / 



cum (quom) 1 , antequam 

, } wanneer, toen, als 

quando 



ut 
ubi 
ut primum 
ubi primum 
cum primum 
simul atque 
[(ac) 
simul ut 
simul ubi 
simul 



voordat 
nadat 



> zoodra als 



dum terwijl, zoolang als, totdat 

quoad } z00lan S als ' totdat 
quamdiu zoolang als 
quo ties zoo dikwijls als; 



8) de interrogatlvae: zie § 320 en verder de Syntaxis (§§ 524; 
644 vlgg.). 



222 BUIGINGSLEER. • §§ 328 - 329. 



4. DE INTERIECTIONES. 

A. Eigenlijke tusschenwerpsels. 

§ 328. De eigenlijke tusschenwerpsels, d. z. op zich zelf 
staande klanken, die als het ware tusschen het grammatische zins- 
verband in worden geworpen, om een of ander gevoel te uiten of de 
opmerkzaamheid te trekken, geven te kennen: 



vreugde: 


i o hoezee ! 
euoe 


tegenzin : 


vah 
ah 






euax 




pro(h) 


o! ach! 


lof: 


heia, eia ei! wel! 




eho 




berisping: 


ohe hola! 


verwondering 


■ oho 




smart: 


au 




hem ) 
ehem / 


he! 




eheu,heu ach ! 






vae wee! 




aha 






hei (ei) 


roepen : 


heus 


hei daar! 









eho 




verontwaardiging 


: h u i 




ehodum 





B. Oneigenlijke tusschenwerpsels. 

§ 329. Oneigenlijke tusschenwerpsels, d. z. woorden (ad- 
verbia, substantiva enz.) en woordverbindingen, die buiten het 
grammatische zinsverband geplaatst en als tusschenwerpsel gebmikt wor- 
den, zijn: 

herc(u)le, meherc(u)le bij Hercules! 

malum o ramp! 

medius Fidius waarachtig! 

ne (nae), profecto waarlijk, 



I 



welaan ! 



age, plur. agite 
agedum, agitedum 
a g e s I s J 

a p a g e weg er mee ! 



nefas' 



belle prachtig ! 

cedo, pi. cette geef(t) op, hier! obsecro 

ecastor bij Castor! pax 

en, ecce ziedaar pol, edepol 

eu, euge braaf zoo! quaeso, amabo 



voorwaar ! 
gruwelijk! 
ik bezweer u ! 
stil! 

bij Pollux! 
bid ik u! 



Aanm. 1. De scheiding in eigenlijke en oneigenlijke tusschenwerpsels 
laat zich niet streng doorvoeren. Zoo is pro waarschijnlijk het adverb, (de 
praep.) pro, dus oorspr. : weg er mee ! 

Aanm. 2. Sis in agesls = sJ vis (§ 258, A. 2), als ge wilt. 

Apage, eu en euge zijn aan het Grieksch ontleend : anays, sv, evye. 

Cedo (niet te verwarren met cedo ik wijk) is eene samenstelling van ce- 
(§ 170a, A. 1) en een ouderen imperat. *do (= da) bij dare geven (van 
den stam do- : vgl. Sl-dm-/u) ■ de pluralis cette staat voor *ce-date (§§ 25, 1 
en 15 B). 



§ 329. 



INTERIECTIONES. 



223 



En is de Grieksche interjectie rjv. Ongeveer gelijke beteekenis heeft het 
oudere, door de comoediedichters gebruikte em, dat eigenlijk een impera- 
tive van emo (oorspr. = nemen) is (uit *eme): dus: neem, daar hebt 
ge! — Met tile (in den ace.) verbonden, geeft dit em: ellum, ellos, enz.. 
Vgl. § 170, A. 4. 

Ecce is misschien eene samenstelling met -ce (zie onder cedo); het kan 
eveneens met ille (en ook met iste) verbonden worden (met elisie van de e) : 
eccillam (het Fransche : celle), eccistam (het Fr. : cette). 

Hercle is een vocat. ; me hercle waarsch. = (ita) me, Hercule, (adiuves). 

Medius Fidius = (ita) me Dius (= divus, deus) Fidius (iuvet) zoo 
waarlijk helpe mij de god der trouw (Juppiter). 

Ne [niet te verwarren met de oude negatieve partikel tie- of tie- in nequl- 
quam, tiequaquam, ne-scio, nefas enz., die ook in ne (op)dat niet (§ 322) 
over is, en met het interrogatieve -ne (§ 320)] , is het Grieksche vri ; de 
bijvorm val van dit laatste gaf wellicht aanleiding, dat men later het La- 
tijnsche ne ook nae spelde, om het van ne (op)dat niet te onderscheiden. 

Pol is waarsch. afgekort uit Pollux; edepol = e + de {= *dee) + pol: 
o god Pollux!, volgens anderen (m)ed Apollo. 

Over quaeso vgl. § 277, A. 8. 



§§ 332-334. 



SUBSTANTIVA. 



225 



DERDE DEEL. 
DE LEER DER WOORDVORMING. 



§ 330. Wat de vorming der woorden betreft, moet men onder- 
scheiden tusschen derlvata of afgeleide woorden, en composita 
of samengestelde. De laatste ontstaan door de verbinding van twee 
of meer woorden tot een nieuw woord, bijv. agri-cola landman; de eerste 
worden gevormd door middel van suffixen. 

We behandelen achtereenvolgens : 

1. de vorming der substantiva; 

2. die der adiectiva; 

3. die der verba; 

4. die der adverbia. 

1. SUBSTANTIVA. 
A. DERIVATA. 

§ 331. Gelijk we vroeger gezien hebben, laten in de buigbare woorden zich 
twee verschillende bestanddeelen onderscheiden : een wisselend bestanddeel, dat 
dient tot aanduiding van Humerus, genus en casus: de (buigings)uitgang, en 
een vast bestanddeel, dat de beteekenis van het woord aangeeft: de stam. 

Soratijds laat deze stam zich niet verder ontleden, bijv. : diix aanvoerder, 
stam due-. Gewoonlijk echter kan men ook in den stam weer twee verschillende 
elementen aanwijzen : een vaste kern, die onontleedbaar is en het algemeene 
begrip der woordfamilie bevat : de wortel, en een achtervoegsel, dat het begrip 
van den wortel nader aanduidt en het karakter van het woord {nomen, verbum) 
bepaalt: het stamsuffix of formans. Zoo is can- de wortel van can-ere 
zingen, can-or melodie, can-tor zanger, can-tas gezang. In den regel bestaat 
dus een buigbaar woord uit drie deelen: wortel + stamsuffix + uitgang: 
bijv. : can-tu-s. 

Het stamsuffix kan onmiddellijk aan den wortel of den verbaalstam gevoegd 
worden ; het kan echter ook komen achter andere stammen, die zelf reeds uit 
wortel + suffix bestaan. In het eerste geval spreekt men van primaire deri- 
vata, in het tweede geval van secundaire. Zoo is vic-tor( waarin het suffix 
-tor gevoegd wordt aan den wortel (verbaalstam) vie-) een primair derivatum, 
victor-ia( waarin het suffix gevoegd wordt aan den nominalen stam victor-) 
een secundair derivatum. 

De scheiding tusschen stam en suffix is dikwijls eenigszins willekeurig: zoo 
is in Romanus het suffix eigenlijk -nus: Roma-nus; de stamklinker a werd 






echter in dergelijke woorden gevoeld als een deel van het suffix (dus: Rom- 
anus), en zoo ontstond een nieuw suffix -anus, dat ook aan woorden gevoegd 
-werd die geen a-stammen waren, bijv. urb-anus, pag-anus, enz.. Op dezelfde 
wijze ontstond -ulus (in reg-ulus e. d.) uit -lus (in porcu-lus uit *porco-los 
(§ 15 A], van porcus). 

Wanneer het grondwoord (prlmitivum) een nomen is, heeten de 
derlvata: substantiva denominativa of nomindlia; is het 
een verbum, dan heeten zij substantiva verbalia. 

a. Substantiva denominativa. 

De denominativa zijn afgeleid: 

I. van substantiva: 

1) Persoonsnamen, afgeleid van zaaknamen. Zij gaanuit op: 

a) -tor, fem. -trfx, dat nomina agentis vormt (naar analogie van 
de van verba afgeleide: § 341, 6): gladiator zwaardvechter (gladius); 
j auditor slingeraar (funda); ianitor deurwachter (ianua) ; senator (senatus); 

viator reiziger (via); 

b) -(a)rius: tabula-rius archivaris; statua-rius beeldhouwer (statua); 
sica-rius sluipmoordenaar (slca dolk); argent-arius geldwisselaar (argen- 
tum); libr-drius afschrijver (liber); vgl. § 343. 

§ 332. 2) Patronymica (mt-rjQ en Svoua), woorden, die de afkomst 
van een persoon aanduiden. Het zijn alle Grieksche woorden, de manlijke 
a-stammen, de vrouwelijke d-stammen. Zij gaan uit op: 

a) -ades masc. , -eis fem. (van stamwoorden op -as en -es): Aeneades 
nakomeling van Aeneas, gen. Aeneadae; Aeneis, gen. Aeneidos (Aeneas); 

b) -iades masc, -ias fem. (van stamwoorden op -es, -ius, -on): AnchTsiades, 
Thestiades, Thestias, Telatnoniades (Anchises, Thestius, Telamon); 

c) -ides masc, -eis fem. (van stamwoorden op -eus) : Nerides, Nereis (Nereus); 

d) -ides masc, -is fem. (van stamwoorden op -us, -os, -or, -s met vooraf- 
gaande consonant): Danaides, Danais, Minoides, Mind is, Agenorides, Pelo- 
pides (Danaus, Minos, Agenor, Pelops). 

Aanm. Over de gentilia enz. zie onder de adiectiva (§ 344). 

§ 333. 3) Plaatsnamen. Zij gaan uit op: 

a) -(a)rium (§343,2): aquarium plaats waar het vee gedrenkt wordt 
{aqua) -^ aerarium schatkist (aes) ; granariam korenschuur (granum) ; 

b) -etum: dumetum kreupelhout, wildernis (dumus); olivetum olijf- 
gaard (oliva); vinetum wijngaard (vinum); 

c) -He: Aow&koestal (bos); equlle paardenstal (equus); ovlle schapen- 
stal (ovis). 

§ 334. 4) Zaaknamen, afgeleid van persoonsnamen. Zij 
gaan uit op: 

WOLTJER, Lat. Qramm. 6e druk. 15 



226 



WOORDVORMING. 



§§ 335-337. 



§§ 338-340. 



SUBSTANTIVA. 



227 



a) -iutn of -(i)tium: conviviam maaltijd (conviva); dominium heer- 
schappij (dominus) ; sacerdotium priesterambt (sacerdos) ; collegium ver- 
eeniging van ambtgenooten (collega) ; servitium slavernij (servus) ; 

b) -Tna: mediclna geneeskunst, geneesmiddel (medicus); disciplina 
wetenschap, leer (discipulus) ; officina werkplaats (op if ex). 

Aanm. 1. Enkele substantia op -Tna zijn onmiddellijk van verbaal- 
stammen gevormd : zoo rapTna root (rapid). 

Aanm. 2. In gallina hen (gallus), regina koningin (rex) dient -tna 
alleen om het vrouwelijke geslacht aan te duiden. 

c) -monium: matrimonium huwelijk (mater); testimonium getuigenis 
(testis) ; 

d) -tus (gen. -tutis) : virtus manlijkheid, deugd (vir); servitus dienst- 
baarheid, slavernij (servus) ; senectus ouderdom (senex) ; 

e) -atus (gen. -us): consulatus (consul); magistrdtus (magister); 
equitdtus ruiterij (equus). 

§ 335. 5) Deminutiva of verkleinwoorden. Zij hebben gewoonlijk 
hetzelfde geslacht als de stamwoorden. 

De algemeene uitgang is, overeenkomstig de drie geslachten: -lus, 
-la, -lum. 

Aanm. De verkleinwoorden behooren vooral thuis in de meer intieme 
omgangstaal van het gewone, met name van het huiselijke leven ; dikwijls 
hebben zij eene vleiende, vergoelijkende of ook minachtende beteekenis. 
In de latere ontwikkeling van het Latijn nemen zij sterk in aantal toe en, 
verdringen niet zelden hun stamwoorden : vgl. Fr. oreille (uit auricula). 

§ 336. a) De consonantstammen voegen in den regel -cu-lus achter 
den nominativus: pater: paterculus; mater: matercula ; fids : fldsculus ; ds: 
osmium kus (bekje); corpus: corpusculum; mils: musculus; 

doch de nominativi op -6 (gen. -onis en -inis) voegen -cu-lus achter den 
stam (met den stamklinker: -unculus): quaestid: quaestiuncula ; homo: homun- 
culus mannetje (echter ook homullus). 

De c-, g-, d- en t-stammen voegen -ulus achter den stam: vox: vdcula; rex: 
regulus; merces: mercedula; caput: capitulum; adulescens: adulescentulus ; 
lapis: (*lapid(u)lus,) lapillus; uit lapillus e. d. werd dan een nieuw suffix -illus 
afgeleid : codex : cddlc-illus. 

Aanm. De deminutiva op -uncula komen voor verreweg het grootste 
deel van abstracta op -tio (-sio), als quaestid enz.. Uit zulke woorden 
heeft zich later een zelfstandig suffix -unculus ontwikkeld, dat in enkele 
substantiva, die tot verschillende declinaties behooren, voorkomt : furunculus 
ellendige dief (fur\ mendaclunculum (menddcium), ranunculus (rand), avun- 
culus (avus), enz.. 

§ 337. b) De i-, u- en e-stammen voegen -cuius achter den stam; de 
i-stammen met den nominat. op -es behouden de e van den nomin. (naar 
analogie van de e-stammen op -es: vgl. § 89, Aanm.); bij de u-stammen gaat 






de u over in i (§ 15): navis: navicula; pars: particula; os: ossiculum; vulpes: 
vulpecula; — artus: articulus; versus: versiculus; anus: anicula; - spes: 
specula een geringe hoop; dies: diecula. 

§ 338. c) en d) De a- en o-stammen hebben bijna alle -la en -lus (-lum) 
(met den stamklinker: -ula, -ulus): luna: lunula; area: arcula; /tortus: hor- 
tulus, enz.. Overigens hebben bij de a-stammen de volgende veranderingen 
plaats (vgl. § 25, 8) : 

tinea 
bestla 
opera 
corona 
tabula 
femina 
umbra 
capra 
fenestra : 



-ea wordt 


-eola: 


-ia 


-iola: 


-ra 


t 


-11a: 


-na 


j 


-11a: 


-ula 


i 


-ella: 


-in a 


i 


-ella: 


-bra 


t 


-bella 


-pra 


i 


-pella 


-tra 


j 


-tella: 



llneola 

bestiola 

opella 

corolla 

tabella 

femella (voor *feminula) 

umbella zonnescherm 

capella 

fenestella. 



§ 339. Dezelfde of soortgelijke veranderingen ondergaan ook de o-stam- 
men: filius: fdio-lus; malleus: malleolus hamertje; ager: agellus (§ 24, 8); 
puer: puella, puerulus; catlnus: catillus schoteltje; signum: sigillum; oculus: 
ocellus; asinus: asellus; labrum: labellum lipje, kuipje; lucrum: lucellum kleine 
winst ; flagrum: flagellum geesel ; *castrum: castellum kasteel ; pdculum: pocillum. 

Aanm. 1. Op zich zelf staan: homuncio (homo: meest in verachtelijken 
zin), en enkele op -uleus, als: eculeus (equus), aculeus (acus). 

Aanm. 2. Sommige woorden hebben eenen dubbelen verkleiningsvorm, 
vooral bij dichters: puer: puella (uit *puero-la) meisje: puellula een 
klein meisje; ia zelfs een drievoudigen : cista kist: cistula: cistella: 
cistellula. 

II. van adiectiva: 

§ 340. Van adiectiva zijn gevormd substantiva abstracta, die 
een eigenschap, gemoedsgesteldheid, neiging of toestand 
uitdrukken : 

1) a) door -ia, van adiectiva met drie en met een uitgang 
(vooral van participia op -ans en -ens) : invidus: invidia; miser: 
miseria; auddx: auddcia; prudens: prudentia; 

b) door -itia (-ities), vooral van adiect. met drie uitgangen (soms 
ook met twee): laetus: laetitia; maestus: maestitia; pudicus : pudicitia; 
tristis: tristitia, enz.; 

c) door -monia, van enkele adiect. van drie en van twee uit- 
gangen: acer: dcrimonia scherpte; castus: castimonia kuischheid; 

2) door -tas en -tudo (of -i-tas, -i-tudo) van adiectiva met drie, 
twee en een uitgang: liber : lib ertds ; asper : asperitds ; facilis : facilltas 
(facultds vermogen) ; atrox: atrdcitas; verus: Veritas; amdrus: amdritudo; 
turpis: turpitudo ; magnus: magnitudo ; longus: longitudo. 

15* 



228 



WOORDVORMING. 



§ 341. 



§ 342. 



SUBSTANTIVA. 



229 



Aanm. 1. Over den vorm van den stam in libertas, Veritas, pietas enz„ 
vgl. § 15 en § 17. 

Aanm. 2. Enkele substantiva op -tas zijn van substantiva gevormd: 
hones-tas {honos eer), tempes-tas tijd, weder {tempus: vgl. § 13 Aanm.), 
aetas [uit *aevitas\ leeftijd (aevum), civi-tas burgerij (civis), audor-i-tas 
gezag (auctor), enz.. Van een comparatief komt maiestas grootheid, hoog- 
heid (maius: § 13 Aanm.). 

b. Substantiva verbalia. 

i 
§ 341. De substantiva verbalia worden gevormd door de 
volgende achtervoegsels : 

1) a) -tio (-sio: vgl. § 238 Aanm.), gen. -tionis, en -tus (-sus), gen. 
-tus, die nomina actionis vormen; beide drukken eene handeling 
uit, maar -tio meer de actieve werkzaamheid, ook met betrekking tot 
de wijze, waarop . zij geschiedt; -tus meer in neutralen of passie- 
ven zin, de we r king, het gewerkte: actio handeling, actus bedrijf; 
motio beweging (het in-beweging-brengen), motus beweging (het in-be- 
weging-zijn); quaestio (onder)zoeking, quaestus winst; visio beschouwing, 
aanschouwing, vlsus blik, gezicht; inventio uitvinding (alleen abstr.); - 
cursus loop, gemitus zucht, rlsus lach, orndtus versiering; 

b) -\b, dat dezelfde kracht heeft, echter veel minder gebruikt wordt: 
religio godsdienst, opinio meening, oblivio vergetelheid, suspicio ver- 
moeden ; 

AANM. 1. Somtijds gaat de abstracte beteekenis dezer suffixen in de 
concrete over, bijv. : munitio versterking (schans); in het Latijn geschiedt 
dit echter veel minder dan bij ons : zoo is bijv. uitvinding in concreten zin = 
Inventum (niet inventio). 

Aanm. 2. Verder heeft men nog: 

-tura (-sura): sepultura begrafenis, mensura maat; 

.el a . querela klacht (ook querimonia), Mela bescherming, 

voogdij; 
-Tdo, -igo: ««/>«&> begeerte, libido lust, willekeur, origo oorsprong. 

2) -ium, dat te kennen geeft: a) het product der handeling: 
aedificium gebouw, spoliam buit, indicium rechterlijke uitspraak; - 
b) de werkzaamheid zelf: gaudium vreugde, studium ijver, odium 
haat; - of c) eene plaats: refugium toevluchtsoord, comitium plaats 
der volksvergadering; 

3) -men, dat a) eene zaak benoemt naar hetgeen zij doet: f lumen 
{id quod fluit), fulmen {id quod fulget), veldmen {id quod velat) ; of 
naar hetgeen ermede gedaan wordt: semen {id quod seritur), carmen 
(uit * can-men) {id quod canitur); - of b) een middel aanduidt, waar- 
mede iets gedaan wordt: tegimen omhulsel; in het laatste geval gebruikt 



f 



men vooral -mentum : vestimentum {quo vestimus), documentum, orna- 
mentum, alimentum, experimentum proeve; 

Aanm. 3. Alle vormen op -men en -mentum vindt men van den stam 
feg--dekken: tegimen (ouder tegumen: §10,4), tegmen (metsyncope : §15, B); 
tegimentum (ouder tegumentum: §10,4), tegmentum, (met syncope: §15, B). 

4) -ulum, -bulum, -culum (-clum) en -trum (ook -ula enz.), 
die eveneens een middel of werktuig (soms ook eene plaats) aan- 
duiden: cingulum gordel {cingo), fdbula verhaal, gesprek {fan), regula 
regel {rego); stabulum stal, vendbulum jachtspies, guberndculum roer, 
vehiculum voertuig, cubiculum slaapkamer; ardtrum ploeg, claustrum 
(§ 130) grendel (uit * claud-trom: § 25, A. 8); 

Aanm. 4. Gaat er reeds eene 1 vooraf, dan wordt -brum (-bra), -crum 

gebruikt (vgl. § 26) : delabrum heiligdom (afwasschingsplaats ; deluo ik 
wasch af, ik spoel af), doldbra houweel (dolare houwen), latebrae schuil- 
hoek (lateo); lavdcrum bad, sepulcrum graf. 

5) -or (§ 64, A. 3), dat abstracta vormt, die een toestand aan- 
duiden : amor liefde, timor vrees, favor gunst ; 

6) -tor (-sor), fern, -trix, dat nomina agentis vormt: amdtor 
liefhebber, inventor uitvinder, censor beoordeelaar, victor overwinnaar; 
victrix, fautrix begunstigster, adiutrix helpster. 

Aanm. 5. De woorden op -tor geven personen te kennen met het oog 
op eene blijvende eigenschap; dus zijn toeho.orders auditores, wanneer 
ze niet maar eenmaal komen {qui audiunt), maar geregeld; lector een 
bestendige lezer (anders qui legit: vgl. § 599). 

I 
B. COMPOSITA. 

§ 342. Bij alle samenstellingen kan men onderscheiden tussehen het 
bepaalde woord (grondwoord), dat op de laatste plaats staat, en 
het bepalende woord. 

De substantiva composita zijn samengesteld uit: 

1) een substantivum en een verbum: agricola landbouwer, 
parricida moordenaar van verwanten (*pdrus uit *pdsos, Gr. nr\6g 
(*7idoog), verwant, en caedo), index (ids en dlco), artifex {ars kunst, en 

facio), causidicus pleitbezorger, naufragium schipbreuk {navis tnfrango), 
solstitium zonnestilstand; 

2) uit twee substantiva: manupretium arbeidsloon, capricornus 
steenbok ; 

3) uit een substantivum en een adiectivum, een numerale, 
een adverbium of eene praepositio: privilegium eene wet voor 
een enkelen persoon, voorrecht (privus en lex), decemviri tienmannen, 
paeninsula schiereiland, cognomen toenaam, proconsul, interrex. 



230 



WOORDVORMING. 



§ 343. 



Aanm. Woorden als res publico, gemeenebest, en ius iurandum eed, 
waarvan de beide deelen verbogen worden, zijn geene eigenlijke composita 
en behooren daarom gescheiden geschreven te worden; zoo ook aquae 
ductus waterleiding, senatus consultum, plebi scitum, pater familids enz.. 

2. ADIECTIVA. 



A. DERIVATA. 
a. Adiectiva denominativa. 

§ 343. De denominativa zijn afgeleid: 

I. van substantiva. 
Zij gaan uit op: 

1) -eus (-neus), -(a)ceus, die een stof aanduiden: aureus gouden, 
llgneus houten, eburneus ivoren, chartdceus van papier, membrdndceus 
van perkament; 

2) -ius, -rius (-arius), -cus (-icus, -ticus), -icius, -Ivus (-tivus), 
die beteekenen: behoorende tot: 

regius tot den koning behoorend, koninklijk, patrius vaderlijk, plebeius 
tot de plebs behoorend; 

ala-rius tot den vleugel behoorende, gregdrius tot den troep behoorend, 
legiondrius, argentdrius geld-, tabularius archief-; 

civi-cus tot den burger behoorend, classi-cus tot de (lste) klasse 
behoorend; (rus-ticus tot het land behoorend, domes-ticus tot het huis 
behoorend ;) 

patricius tot de patres behoorend, tribunicius tot den tribuun behoo- 
rend; genttticias tot de gens behoorend; 

aest-Tvus zomersch, tempes-tlvus tijdig, festivus (feestelijk,) aardig, 
bevallig; 

3) -lis (-alis, -elis, -ilis), die aangeven, wat overeenkomt met den 
aard en het wezen eener zaak: natura-lis natuurlijk, fide-lis trouw, 
hostl-lis vijandelijk, reg-dlis koninklijk, septentrion-alis noordelijk. 

Aanm. 1. Gaat eene 1 vooraf in 't woord, dan bezigt men (overeenkom- 
stig § 26) in plaats van -alis den uitgang -aris : popularis volks-, mllitdris 
soldaten-. 

Liberalis den vrije passend, en dergelijke, waarin op de 1 weer een 
r volgt, hebben natuurlijk -alis; zoo ook glacidlis ijskoud, pluvidlis 
regenachtig en andere (tengevolge van de i). 

Van een adiectivum gevormd is crudelis wreed (criidus). 

4) -ber, -bris : sdluber heilzaam, funebris begrafenis-, lugubris rouw-, 
muliebris vrouwelijk; 

Aanm. 2. Eigenlijk hebben we hier niet met een zelfstandig suffix te 
doen: funebris staat voor *funes-ris (vgl. funus), muliebris voor *mulies- 
ris, enz,. 



§ 344. 



ADIECTIVA. 



231 



5) -osus, -lentus (-olentus, -ulentus), die een vervuld zijn 
met iets en verder eene neiging tot iets te kennen geven: vlnosus 
aan den wijn verslaafd, ingeniosus vol geest, laboridsus moeitevol, glo- 
riosus roemvol, grootsprekend ; vlnolentus dronken, violentus geweld- 
dadig, fraudulentus bedriegelijk; 

6) -tus (-atus, -Ttus, -utus), dat beteekent een voorzien zijn 
van iets: onus-tus belast, robus-tus krachtig, sceles-tus misdadig, hones- 
tus eervol, ias-tus rechtvaardig, dla-tus gevleugeld, aur-atus gouden, 
verguld; auritus met ooren voorzien, turfltus met torens voorzien, 
corniitus gehoornd, dstutus (astus) listig, slim; 

Aanm. 3. Dit suffix -tus is hetzelfde als dat van het part. perf. pass.: 
vgl. § 207. 

7) -(e)stris, -(e)ster, -timus, die eene betrekking tot eene 
plaats te kennen geven: terrestris, paluster; agrestis (uit *agrestris: 
§ 26) landelijk; maritimus, flnitimus aangrenzend, naburig. 

Aanm. 4. Het suffix -timus (ouder -tumus) vindt men ook in superlativi 
als ci-timus, ex-timus, enz. (§§ 128, 135 en 120, A. 1); vgl. ook op-timus 
(ops: eig. het nuttigst). 



§ 344. Vooral zijn hier ook te vermelden de van eigennamen 
afgeleide a d i e c t i v a, die zeer dikwijls ook als substantiva voorkomen : 

a) op -nus (-anus, -inus en -ianus), van persoonsnamen: 
Aemilidnus, Octdvianus, die (oorspronkelijk) tot de gens Aemilia, Oc- 
tdvia behoort; Cicerdnianus een volgeling van Cicero, Pompeidnus een 
aanhanger van Pompeius, Sulldnus een aanhanger van Sulla; bellum 
Jugurthlnum, sales Plautlnl; drdtidnes Verrinae; 

Aanm. 1. Achter Grieksche namen komen ook in 't Latijn de Griek- 
sche uitgangen -icus, -eus: Platonicus, Philip picus, Sophocleus, Epicureus. 

b) op -nus (-anus, -Inus), -ensis (-iensis), -as van plaats- 
namen: Romdnus, Thebdnus, Tusculdnus; Capitolinus, Amerlnus 
(Ameria), Tarentinus; fiispaniensis, Cannensis (Cannae), Atheniensis, 
Megarensis, Carthaginiensis ; Arpinas (Arplnum); zoo ook: castrensis 
tot de legerplaats behoorend, forensis tot de markt behoorend ; 

c) op -ius, -icus, -iacus meest van Grieksche namen (van landen 
en volken): Corinthius en Corinthiacus, Peloponnesius en Peloponne- 
siacus; Gallicus, Iudaicus, Persicus, Aegyptiacus. 

Aanm. 2. Men lette op de volgende onderscheidingen : exercitus fiispaniensis 
een leger (der Romeinen bijv.) in Spanje, exercitus Hispanicus een leger 
der Spanjaarden; Peloponnesius een inwoner van den Peloponnesus, 
maar bellum Peloponnesiacum ; exercitus Asiaticus een (Romeinsch) leger 
in A., maar exercitus Asidnus een leger van Aziaten; Afer'is een 
Afrikaan, bellum Africum een oorlog tegen de Afrikanen, maar 
bellum Africanum een oorlog (door de Rom. bijv.) in Afrika gevoerd. 
Men vergete hierbij echter niet, dat deze onderscheidingen min of meer 
kunstmatig zijn en lang niet altijd in acht genomen worden. 



232 



WOORDVORMING. 

II. van adiectiva. 



§§ 345-346. 



§ 345. Van adiectiva zijn o. m. afgeleid de adiectiva deminutiva 
(verkleinende adiectiva): misellus (van miser) (een weinig) ellendig, 
bellas (van bonus; vgl. bene) mooi, aardig, pulchellus mooi, aureola's 
{aureus) gulden, parvulus klein, pauculus weinig, vetulus (vetula een 
oudje), grandiculus vrij groot (grootje); - novellas nieuw, jong; tan- 
tillus zoo klein; pauxillus (ook pausillus, door kruising met pusillus 
zeer klein) klein, weinig (van paullus [jonger paalus], een verlengden 
vorm van ^aaow [uit *pauclos: § 24, 5, c]); - van comparative 
minusculus vrij klein, maiusculus eenigszins groot, enz.. 

Aanm. I. Bij de vertaling kan men gewoonlijk het substantivum met 
den verkleiningsuitgang nemen, anders moet men omschrijven, daar onze 
adiectiva als verkleinwoorden slechts substantive gebruikt worden : epistola 
minuscula een klein briefje; cura maiusciUa eenigszins groote zorg; 
homo misellus een arme drommel; L. Paulus flliolam suam animum 
advertit tristiculam L. Paulus bemerkte dat zijn dochtertje een weinig 
treurig was (Cic. de Div. I, § 103). 

Aanm. 2. Verkleinende kracht heeft ook de uitgang -ulus in adiectiva 
verbalia (§ 345), in zooverre ze eene zwakheid te kennen geven: credulus 
lichtgeloovig, querulus die (te veel) klaagt, bibulus die gaarne 
drinkt [(charta) bibula vloeipapier]. 

Aanm. 3. Behalve de adiectiva deminutiva zijn er nog verschillende- 
andere van adiectiva afgeleide adiectiva: zoo o. m. enkele adiectiva op -ox: 
atrox verschrikkelijk (ater), ferox woest {ferns) e. a.. 

b. Adiectiva verbalia. 

§ 346. De adiectiva verbalia worden gevormd door de volgende 
achtervoegsels : 

1 ) -ax, dat eene verkeerde, overdrevene neiginguitdrukt: audax 
vermetel, loqudx babbelachtig, mendax leugenachtig, pugnax strijdzuchtig; 

Aanm. Van een adiectivum gevormd is bijv. verax waarachtig. — 
Over -ulus vgl. § 345, A. 2. 

2) -bundus, dat een vervuld zijn met de handeling, door het 
werkwoord aangeduid, te kennen geeft: mlrdbundus vol bewondering, 
venerabundus vol eerbied, moribundus stervend; 

3) -cundus, dat een aanleg aanwijst: iracundus driftig, opvliegend, 
facundus welbespraakt {fdrl), fecandus vruchtbaar (vgl. fetus, effetas); 

4) -(i)dus, dat een toestand beteekent: avidus begeerig {aveo) y 
calidas heet, frlgldus koud, rapidus snel ; 

5) -ilis, -bilis, die eene passieve geschiktheid te kennen geven: 
facilis gemakkelijk, docilis leerzaam, fertilis vruchtbaar, flexilis buigzaam, 
amabilis beminnenswaardig, mobllls beweeglijk, credibilis geloofelijk, 
probdbtlts wat goedkeuring verdient. 



§§ 347-349. verba. 

c. Adiectiva adverbialia. 



233 



§ 347. Van adverbia worden enkele adiectiva gevormd door de 
achtervoegsels : 

1) -arius: contrdrius tegengesteld, extrdrius uiterlijk; 

2) -tinus: crdstinus morgen- {eras), diutinus langwijlig {did); 

3) -ernus (-ternus): hodiernus {hodie heden), hesternus (Am gisteren). 

B. COMPOSITA. 

§ 348. De adiectiva composita zijn samengesteld uit: 

1) een substantivum als bepaald, en een substantivum, 
adiectivum, numerale of eene particula als bepalend woord; 
het bepaalde substantivum blijft onveranderd, behalve wanneer het een 
a-stam is of een neutrum: anguipes slangenvoetig, aeripes kopervoetig; 
quadrupes viervoetig; magnanimus grootmoedig, misericors barmhartig; 
bilinguis tweetongig; afflnis verwant; 

2) een adiectivum als bepaald, en eene particula als bepa- 
lend woord: immemor niet indachtig, Tnfelix ongelukkig, diff kills 
moeilijk, permagnus zeer groot, praedives zeer rijk, sub dlff kills een 
weinig moeilijk; 

3) een verbum als bepaald, en een substantivum, adiec- 
tivum, numerale of eene particula als bepalend woord : armlger 
wapen dragend, montlvagus op de bergen zwervend ; omnlpotens almachtig, 
grandlloquus grootsprekend; septemfluus met zeven monden uitstroomend; 
benevolus welwillend. 

3. VERBA. 

A. DERIVATA. 

a. Verba verbalia. 

§ 349. Van werkwoorden afgeleid zijn: 

1) de incohativa, die het ontstaan of het begin van een 
handeling te kennen geven. Zij gaan uit op -sco en zijn alle conso- 
nantstammen; zijn de stamwerkwoorden ook consonantstammen, wat 
zelden gebeurt, dan staat voor -sco nog eene i. Voorzoover ze een 
perfectum en supinum hebben, zijn deze van het stamwerk- 
woord gevormd: 

inveterasco inveteravl inveterascere oud worden 

languesco langul languescere mat worden 

obdormisco obdormivl obdormiscere inslapen 

revlvisco revixi revlvlscere herleven 

proficlscor profectus sum proficlscl vertrekken 

(inveterare, languere, dormire, vivere, proficere); 



234 



WOORDVORMING. 



§ 349. 



Aanm. 1. Niet alle incohativa zijn verbal ia; vele zijn onmiddellijk 
van den wortel gevormd (wortelverba): 

pasco (pa-) pavi pastum pascere laten weiden 

cresco (ere-) crevi (cretum) crescere groeien 

nosco ((g) no-) novi noscere leeren kennen. 

Andere zijn denominativa (van substantiva of adiectiva) ; zij gaan 
voor 't grootste deel uit op -esco en hebben in den regel geen perf. 
of supin. : 

vesperasco vesperavT vesperascere avond worden 



ignesco 
grandesco 

obmutesco obmutuT 
ingravesco 
duresco durui 



ignescere in brand geraken 

grandescere groot worden 

obmutescere verstommen 

ingravescere zwaar worden 

durescere hard worden 



(vespera) 
(ignis) 
(grandis) 
(m utus) 
(gravis) 
(durus). 

De incohatieve beteekenis dezer verba lag oorspronkelijk niet in net 
suffix op zich zelf, maar ging uit van werkwoorden wier wortel zulk eene 
beteekenis had, zooals cresco, enz. ; volstrekt niet alle verba op -sco 
hebben incohatieven zin. 

2) de deslderativa, welke een verlangen uitdrukken naar de 
handeling, door het primitivum aangegeven; zij zijn slechts weinig in 
getal; men vormt ze, door -urn van het supinum te veranderen in -uri're: 

parturio ik verlang te baren (pario, partum) 

esurio ik verlang te eten (edo, esum); 

3) de intenslva, welke eene versterking van, of een voort- 
duren van, een verblijven in de handeling te kennen geven; men 
vormt ze, door -um van het supinum te veranderen in -are: 



cap tare grijpen, jagen naar iets 

cursare heen en weer loopen 

habit are gewoonlijk hebben, bewonen 

sal tare dansen 



(capio, captum) 
(curro, cursum) 
(habeo, habitum) 
(salio, saltum); 



Aanm. 2. In nauw verband met deze staan de verbalia op -essere, als: 
arcessere, capessere, facessere, incessere, lacessere (zie § 277). 

4) de frequentativa of iteratlva, die eene herhaalde handeling 
te kennen geven; men vormt ze, door -um van het supinum te ver- 
anderen in -itare: 

cantitare herhaaldelijk zingen (cano, cantum, cantdre) 

sal ti tare herhaaldelijk dansen (salio, saltum, saltare) 

diet itare bij herhaling zeggen (dico, dictum, dictdre) 

cursitare bij herhaling loopen, heen en weer loopen {cursum). 

Aanm. 3. Vele werkwoorden, waaronder alle a-stammen, vormen het 
frequentativum van den verbaalstam: 

clamitare roepen (clamo) fugitare ontvluchten (fugio) 

minitari dreigen (minari) co git are denken (cogo). 






350. 



VERBA. 



235 



5) de deminutlva, welke het begrip, in 't stamwoord vervat, ver- 
kleind of met minachting te kennen geven; zij zijn slechts zeer 
weinig in getal; zij gaan uit op -illare: 

cantillare neurien (cano) 

sorbillare opslobberen, opslorpen (sorbeo). 

Aanm. 4. De meeste zijn denominativa of ook zonder bekend primi- 
tivum: cavillari bespotten, gekscheren (van cavilla fopperij en dit 
van cams hoi, nietig), scintillare fonkelen (van scintilla vonk), 
titillare kittelen. ■ 

b. Verba denominativa (nominalia). 



§350. De van nomina afgeleide werkwoorden zijn a-, e-, 

stammen. 

Denominativa zijn: 

1) bijna alle a-stammen (transitiva): 



of u- 



coronare (corona) 
gloriari (gloria) 
laudare (laus) 
sperare (spes) 
iudicare (iudex) 
bellare (bellum) 
dominari (dominus) 
alb are wit maken (alb us) 



liberare vrij maken (liber) 
fabulari kouten (fabula) 
claudicare hinken (claudus) 
dubitare twijfelen (dubius) 
belligerare oorlog voeren (bel- 

liger) 
morigerari ter wille zijn (mori- 

gerus); 



Aanm. 1. Somtijds schijnt een a-stam van een nomen afgeleid te zijn, 
terwijl inderdaad het omgekeerde het geval is: zoo komt degener van 
degenerare, niet omgekeerd, adulterare niet van adulter, maar adulter van 
adulterare, pugna van pugnare, dat een denominativum van pugnus, vuist, 
is, enz.. Men spreekt in dit geval van retrograde afleiding. 

2) vele e-stammen (uitsluitend intransitiva): 

albere wit zijn (alb us) rubere rood zijn (ruber); 

florere bloeien (flos, gen. floris) 

3) onder de I-stammen, bijv.: 

fin'Tre eindigen (finis) superblre trotsch zijn (superbus) 

custodire bewaken (custos, gen. partTri verdeelen (pars, gen. partis); 
'' c u s t o d i s) 

4) enkele u-stammen, bijv.: 

statuere (status) tribuere (tribus). 

Aanm. 2. De denominativa voegden oorspronkelijk een suffix -j-(6) 
achter den stam van een nomen ; de j viel tusschen twee klinkers uit, en 
in de meeste vormen werden de klinkers daarop samengetrokken : *cura-jo, 
euro. Zoo ontstonden van a-stammen verba op -ao (samengetrokken -6: 



236 



WOORDVORMING. 



§§ 351-352. 



uit -a-jo), van o/e-stammen (§ 100, A. 1) verba op -ed (bijv. albeo van 
albas, stam albo-, Ablaut albe-), enz.. Door onjuiste scheiding verkreeg 
men echter uit *cura-jo e. d. een suffix -aj-6, dat nu ook achter andere 
stammen gevoegd werd, bijv. *nomin-ajd, enz. (zoo ook -ej-6, enz.). 

B. COMPOSITA. 

§ 351. De verba composita zijn samengesteld : 

1) uit eene praepositio en een substantivum of adiectivum: 
irretlre verstrikken (in en rete); explanare duidelijk maken (ex en planus); 

2) uit een verbum als bepaald, en een substantivum, adiectivum, 
verbum of particula als bepalend woord: animadvertere opmerken, 
tergiversarl aarzelen, zich tegenkanten, puriflcare reinigen, calefacere 
warmen, commonefacere herinneren, assuefacere gewennen, patefacere 
openen, lahefacere doen wankelen; malle liever willen, nolle niet wiilen 
(zie § 258 begin), ablre weggaan, enz.. 

Aanm. 1. Bene dicere, male facere, satis facere, manu mittere, pessum 
dare, venum dare, usu capere enz. schrijve men liever gescheiden. Circum- 
dare (tegenover dedere) en derg., waarin de in § 15 A bedoelde vocaalverzwak- 
king achterwege is gebleven, zijn van jongeren oorsprong. Vgl. §304, A. 1. 

Aanm. 2. Van composita, die niet meer als zoodanig gevoeld werden f 
of wier simplex in onbruik geraakt was, konden nieuwe composita ge- 
vormd worden : zoo van surgo consurgo, van prehendo deprehendo (zoogen. 
decomposita). 

4. ADVERBIA. 

A. DERIVATA. 

§ 352. Voor het grootste deel zijn de adverbia oorspronkelijk casus 
van adiectiva, substantiva of pronomina. 

1) De meeste adverbia worden afgeleid van adiectiva en als 
adiectiva gebruikte participia. 

I. a) Van de adiectiva van drie uitgangen (o-stammen) vormt 
men het adverbium, door in den genet, sing. masc. -I te veran- 
deren in -e: 

longus lang gen. sing, long! adv. longe 

ornatus sierlijk „ „ ornatl „ ornate 

miser ellendig „ „ miser! „ miser e 

pulcher schoon „ „ pulchrl „ pulchre. 

b) Van de adiectiva van twee en van een uitgang (i-stammen) 
vormt men het adverbium, door in den genet, sing. -is te veran- 
deren in -l-ter. 

Uitgezonderd zijn de adiectiva (en participia). op -ans en -ens* 
waarbij -antis en -entis vervangen wordt door -anter en -enter: 



§ 353. 



ADVERBIA. 



237 



fortis sterk 

a c e r scherp 

c e 1 e r snel 

felTx gelukkig 

audax vermetel 

elegans keurig 

cons tans bestendig 

p r u d e n s verstandig 

d 1 1 i g e n s nauwgezet 



gen. sing, fortis 
u u a c r i s 
» » c e 1 e r i s 
» » fellcis 
« u audacis 



adv. fortiter 
v acrlter 
y celeriter 
» fellciter 

audacter (A. 2) 



elegantis „ eleganter 

constantis „ constanter 

prudentis „ prudenter 

diligentis „ dlligenter. 



Aanm. 1. Bonus (met assimilatie phonos] uit *benos: § 17) heeft bene, 
malus male; de verkorting van de -e in deze vormen is een gevolg van 
de neiging van het oudere Latijn, den langen slotklinker van tweeletter- 
grepige woorden, wier eerste lettergreep kort was, eveneens kort te maken 
{de zoogenaamde jambenverkorting: *«uit*-); andere voorbeelden 
zijn: modo, cito, quasi, enz.. 

Aanm. 2. Het suffix -e (ouder -ed [§ 23 B]: vgl. *facilumed in eene 
inscriptie van 186 v. Chr. {= facillime]) was een oude Indo-Germaansche 
bijvorm van den abl. der o-stammen naast -6 (ouder -6d), die in het Latijn 
alleen in adverbia gebruikt werd. 

Over -(i)ter vgl. § 353, A. 3. Het eigenlijke suffix is -ter, dat achter 
den stam der adiectiva komt : forti-ter; zoo ook van o-stammen (A. 3): 
humani-ter (uit *humano-ter: vgl. § 15 A). Bij de adiectiva van een uit- 
gang is verschil van opvatting mogelijk, daar hier de vorm van den stam 
dikwijls niet vast staat (vgl. § 114): audacter kan regelrecht van een stam 
audac- gevormd zijn ; in dit geval zou in fellciter e. d. het suffix niet -ter, 
maar -iter wezen (door onjuiste scheiding uit brevi-tert. d. geabstraheerd \brev- 
iter}); het laat zich echter ook denken, dat fellciter e. d. van een stam op 
-i- komen; audacter is dan gesyncopeerd uit *audaciter (§ 15 B); evenzoo 
kan prudenter zoowel uit *prudent-ter zijn ontstaan (§ 24, 5), als (door 
haplologie: § 26, 3) uit *prudentt-ter. 

Aanm. 3. Ook enkele o-stammen vormen hun adverbium op -ter: 
(g)navus ijverig na viler 

vlolentus (violens) gewelddadig violenter 

alius ander allter. 

Andere hebben beide vormen : 

firmus stevig, hecht flrmiter en flrme 

humanus menschelijk humantter „ humane 

largus rijkelijk, mild largtter ' „ large 

luculentus prachtig luculenter „ luculente. 

Oorspronkelijk was ook voor o-stammen -ter een gewone uitgang: in 
zijne oudere geschriften gebruikt Cicero humaniter, later humane. 

Aanm. 4. Van vele adiectiva van een uitgang, als pauper, dives, vetus, 
uber, komen in den positivus geene adverbia voor. 

§ 353. II. Van sommige adiectiva, die o-stammen zijn, wordt de 
accusativus of de ablativus sing, neutr. als adverbium gebruikt: 



238 

multum veel 

paulum weinig 

pier um que meestal 

solum alleen 

tan turn slechts 

nimium te veel 

ceterum overigens 

plurimum het meest 

prTmum het eerst 

postremum het laatst 

potissimum het liefst 



WOORDVORMING. 



§ 353. 



continuo onmiddellijk 

crebro dikwijls 

falso valschelijk 

f o r t u T 1 6 toevallig 

gratuito om niet 

manifesto klaarblijkelijk 

m e r i 1 6 terecht 

necessario noodzakelijk 

perpetuo onophoudelijk 

tut 6 veilig. 



Aanm. 1. Soms vindt men vormen op -e en -o naast elkander, doch 
met verschillende beteekenis : 



eerie zeker, ten minste 

cdnsulte met overleg 

rare hier en daar, dun 

vere naar waarheid 



certo zeker, met zekerheid 

cdnsultd met opzet 

raro zelden 

verb stellig, voorzeker, echter. 

Aanm. 2. Plerumque is de ace. sing, neutr. van plerusque (§ 134) het 
meerendeel, d. i. het enclitische -que (met generaliseerende kracht) en 
een oud adiect. *plerus, dat samenhangt met plenus vol. 

Aanm. 3. Ook enkele i-stammen op -is hebben den ace. sing, neutr.,. 
dus -e (en niet het gewone -ter) : 

facilis gemakkelijk facile sublimis hoog, verheven sublime 

(difficilis moeilijk difficile impunis ongestraft impune 

alleen bij lateren, hilaris vroolijk hilare. 

beter non facile 

of difficulter) 
Door dichters wordt, in navolging van de Grieken, ook van andere 
adiectiva op -is de ace. sing, neutr. dikwijls als adverbium gebruikt: 
zoo: duke ridere, flebile catttdre, spJrdre immdne, suave resondre, enz.. 

Aanm. 4. Somtijds dient de ace. sing, of plur. feminini, of ook de 
abl. sing./em. van een adiectivum als adverbium: hetsubst. is dan weggelaten : 

a) ace: bifdriam (sc. partem) tweevoudig, multifariam veelvoudig, perpe- 

ram (sc. viam) verkeerd ; 

alias (sc. vices) een anderen keer; 

b) abl.: dextrd (sc. parte of manu) rechts, sinistra links, recta (sc. via) 

rechtstreeks, enz.. 

Aanm. 5. Een enkele maal dient de nom. sing. masc. van een adiect 
als adverbium: zoo rursus terug (eig. reversus teruggekeerd ; een rursus it 
Me leidde tot een rursus it ilia, en zoo tot versteening van rursus), secus 
anders (eig. volgend : vgl. secundus), e. a.. 

Ook de adverbia op -ter (§ 352 b)) zijn eigenlijk nominativi sing.: 
brevi-ter (uit *breviter(o)s, *breviterr: §§ 16 c, 23 B) beantwoordt aan het 
Grieksche flgaxv-rsQog, gelijk ager aan ayeog. Het suffix -tero-s was een 
oud Indo-Germ. adjectiefsuffix , dat oorspr. diende ter vergelijking van 
twee tegengestelde begrippen, en in het Latijn tot deze functie beperkt 



§§ 354-355. 



adverbia. 



239 



gebleven is (in het Grieksch is het het gewone comparatiefsuffix geworden) ; 
vgl. dex-ter (= degi-zsgo;) de zich rechts [en niet links] bevindende, 
nos-ter die ons [en niet u] behoort, alter (uit *ali-tero-s) de ander (van 
twee), enz.. Deze adverbia op -ter waren dus oorspr. praedicatief gebruikte 
adiectiva. 

§ 354. 2) Van substantiva gevormd zijn de adverbia op 
-tim (-sim: vgl. § 239, Aanm.) [voor het meerendeel eigenl. ace. sing. 
van verouderde substantiva verbalia (i-stammen) op -tis (-sis)] en -atim: 
partim deels furtim (fur) steelswijze, heimelijk 

vicissim wederom, weder- ubertim rijkelijk 

keerig(v/a's:§133) cert atim (certo) om strijd 
rap tim (rapio) haastig gr eg atim (grex) troepsgewijze 

statim (sto) op staanden voet, generatim naar soorten 

dadelijk gradatim 

praesertim (gradus) stap voor stap 

(prae en sero) vooral membratim lid voor lid 

caesim (caedo) met een houw prlvatim als bijzonder per- 

passim (pando) verspreid, overal singillatim [soon 

tributim bij of naar tribus (singulus) een voor een; 

zoo ook van vir man: viritim man voor man. 

Aanm. 1. Deze oude nomina verbalia op -ti-s zijn later verdrongen door 
woorden op -ti-6, gen. -ti-6n-is (§ 341): zoo *rapt£s, gen. raptis (nom. verb, 
van rapio), waarvan raptim de ace. sing, was, door raptio, raptionis, *statis 
(waarvan statim) door static; zoo bestaat geen *sensis meer (nom. verb, 
van sentio, waarvan het adv. sensim), maar wel dissensio, enz.. 

De vorm -atim als zelfstandig suffix in gener-atim e. d. is door onjuiste 
scheiding uit certd-tim e. d. ontstaan. 

Aanm. 2. Ook van andere substantiva wordt somtijds de ace. sing, als 
adverbium gebruikt, bijv. vicem. 

Aanm. 3. Behalve den ace. sing, vindt men nog de volgende casus 
van substantiva als adverbium: 

a) abl. (locat.) sing.: modo (§ 40) slechts, vulgo gewoonlijk, principle; 
forte toevallig, sponte uit eigen beweging, temere blindelings (eig. in het 
donker, van een verloren *temus, -eris duisternis); 

domi te huis, humi op den grond, ruri op het land ; luci bij dag, vesperl 
bij avond; noctu (eig. locat. van een u-stam) 's nachts; 

b) ace. plur.: fords naar buiten (van *fora (diga) deur); 

c) abl. (locat.) plur.: gratis voor niets (eig. voor enkel dank) ; fofis buiten 
(vgl. fords), quotannis jaarlijks. 

§ 355. 3) Zoowel van substantiva als van adiectiva worden 
eenige adverbia gevormd op -tus, die oors prong en wijze van eene 
handeling te kennen geven: 

caeli-tus uit den hemel, fundi-tus tot den grond toe (eig.: van den 
grond af), geheel en al (fundus), radlci-tus met wortel en al; - 
antiqui-tas van ouds her, divlni-tus door goddelijke beschikking, humd- 
ni-tus op menschelijke wijze. 



240 



WOORDVORMING. 



§ 356. 



Aanm. 1. Van praeposities (adverbia) gevormd zijn alleen in-tus 
van binnen (vgl. Gr. iv-toe) en sub-tus van onderen. 

Aanm. 2. Aan deze adverbia op -tus sluit zich aan een adverbium op 
-cus: mordicus (mordeo) bijtend, met de tanden. 

4) Over de pronominale adverbia vgl. § 309, over de adver- 
bia numeralia § 151. 

B. COMPOSITA. 

§ 356. De samengestelde adverbia bestaan voornamelijk: 

1. voor 't grootste 'deel uit praepositiones met hare casus of met 
adverbia van tijd en plaats: 

imprimis in de eerste plaats, ilico terstond (eigenl.: ter plaatse, in-(st)loco [§15]), 
extemplo terstond (oud : extempulo) (van ex en templum afgebakende ruimte, 
plaats), denuo opnieuw (de-novo), sedulo oprecht, met zorg, ijverig (*se [= sine] 
dolo: eig. zonder erg), admodum zeer, propediem eerstdaags, invicem weder- 
keerig, obviam tegemoet, desuper van boven af, insuper daarenboven, subinde 
dadelijk daarna, abhinc van dezen tijd af, adhuc tot hiertoe, perinde eveneens, 
deinde daarna, interdum somtijds, interea ondertusschen, posted daarna, posthac 
na dezen, hierna, adeo zoozeer; 

Aanm. 1. Bij sedulo werd later een adiect. sedulus gevormd, bij obviam, 
obvius. 

2. uit een substantivum met zijn attribuut in den ablativus: 

magnopere zeer, quantopere, tantopere, summopere, quare waardoor, postridie 
den volgenden dag (posterd die), pridie daags te voren ; 

3. uit geheele uitdrukkingen en zinnen: 

niidius tertius eergisteren [d. i. nu- (= nunc) dius (= dies : vgl. diu, interdia) tertius, 
nu (ishet) de derdedag]; scilicet (scire en licet), teweten, natuurlijk, videlicet (videre 
en licet) natuurlijk, het is duidelijk; forsitan misschien (fors sit, an 't kan 
geschieden), dumtaxat (dum taxat (aliquis), wanneer men schat, taxeert) nauw- 
keurig, ten minste, in zooverre, enz.. 

Aanm. 2. De meeste adverbia die composita schijnen, zijn inderdaad 
niet zelf samengesteld, maar gevormd van samengestelde nomina, bijv. : 
perfacile van perfacilis zeer gemakkelijk. 

Sommige adverbia met de praefixen per- zeer en in- on-, zijn echter 
rechtstreeks van de enkelvoudige adverbia afgeleid : zoo iniussu zonder bevel 
(van iussu), ingratiis zonder dank (van gratils), persaepe zeer dikwijls 
(van saepe). 

Aanm. 3. Min of meer op zich zelf staan de volgende adverbia, die 
eigenlijk nom, sing, zijn: deinceps op de rij af; eminus uit de verte en 
comminus van nabij (composita van manus hand), intrinsecus van binnen, 
extrinsecus van buiten (composita van een oud adiect. secus volgend (vgl. 
§ 353, A. 3)). 



, 



.? 



VIERDE DEEL. 
SYNTAX1S. 



HOOFDSTUK I. 

HET NOMEN. 

A. Casus recti. Congruentia. 

I. DE NOMINATIVUS. CONGRUENTIA. 

a. De nominativus als subject. 

§ 357. De nominativus is, evenals in onze taal, de naamval van 
het grammatische onderwerp of subject. 

Aanm. Onderwerp is eene vertaling van subiectum (subicere onder 
werpen, ten grondslag leggen), gezegde van praedicdtum (praedicdre = iets 
zeggen van het een of ander), koppelwoord van copula (koppel, verbin- 
ding), voorwerp van obiectum (obicere voorwerpen, in den weg stellen), 
bijstelling van appositio (apponere bij iets plaatsen). Eene bepaling heet 
attributum (eigenlijk: het toegekende, toegedeelde). 

Op hun beurt zijn subiectum, praedicatum, obiectum, gelijk trouwens de 
meeste latijnsche grammatische termini (vgl. § 54 Aanm.), aan het Grieksch 
ontleend : to vjioxslfievov, to xartjyogov fisvov, to avrixsijisv ov. 

§ 358. Het subject in den nom. wordt, wanneer het een persoon- 
lijk voornaamwoord is, alleen dan afzonderlijk uitgedrukt, zoo de 
nadruk er op valt, dus vooral in tegenstellingen (vgl. § 166): 

Nos, nos consules, desumus rei publicae. — Si ego tefero, tu me f eras. 

§ 359. Het onbepaalde subject men wordt in het Latijn aldus 
uitgedrukt: 

1° door den 3den pers. plur., in de uitdrukkingen: aiunt men beweert, 
men zegt, appellant men noemt, credunt men gelooft, dicunt men zegt, 
ferunt men verhaalt, narrant men vertelt, putant men meent, tradunt 
WOLTJER, Lat. Qramm. 6e druk. 16 



242 



SYNTAXIS. 



§ 360. 



§§ 361-363. 



NOMINATIVUS. 



243 



men verhaalt, vocant men noemt, en so lent men pleegt. Bij deze werk- 
woorden wordt homines als subject gedacht: 

Sus Minervam, ut aiunt, docet. — Platonem ferunt, ut Pytfiagoreos cogno- 
sceret, in Italiam venisse. 

Zoo ook bij andere werkwoorden, wanneer vulgo er bij staat: Saturnum 
vulgo maxime colunt ad occidentem. 

2° door den lsten pers. plur., wanneer de spreker zich zelven mede 
insluit: Quae voluntas credimus libenter. — Sermone eo debemus uti, 
qui natus est nobis, ne peregrina verba inculcantes rideatnur. 

3° door den 2den pers. sing., wanneer men in het algemeen spreekt, 
maar zich iemand denkt, tot wien men zijne woorden richt; het werkwoord 
staat dan in den coniunctivus (vgl. § 519): 

Nulla est excusatio peccati, si amici causa peccaveris. — Agere quod agas 
considerate decet. 

4° door het passivum, onpersoonlijk bij intransitiva, persoonlijk 
bij transitiva: 

Negat Epicurus iucunde posse vivi nisi cum virtute vivatur. — Etiam in 
secundissimis rebus maxime est utendum consilio amicorum. — Druides magnum 
numerum versuum ediscere dicuntur. — In sepulcro Scipionum putatur 
Ennius esse constitutus ex marmore. 

5° door aliquis of quis (§ 177, A. 1): 

Dicet aliquis: unde tibi haec nota sunt? — Praeclare Socrates hanc viam 
ad gloriam proximam dicebat esse, si quis id ageret, ut qualis haberi vellet, 
talis esset. 

Aanm. Wanneer een infinitivus voorafgaat zonder uitgedrukt subject, 
kan aliquis of quis ook wegblijven : 

Difficile est in longa oratione non aliquando aliquid ita dicere, ut sibi 
ipse non conveniat. 

Zoo ook bij inquit, zegt men: Vide, inquit, ne veteranos offendas. 

Deze constructie, die eenige malen bij Cicero voorkomt, schijnt eene 
navolging van het Grieksch te zijn; men vergelijke bijv. : afiadla laxlv 
oisoftai eidevai a ovk oISsv (Plato Apol. 29 B), met: haec autem opinatio 
est iudicatio se scire, quod nesciat (Cic. Tusc. 4, 26): deze meening nu 
is een oordeel, dat men weet, wat men (inderdaad) niet weet. 

b. Congruentie van subject en praedicaat. 

1) Bij een subject. 

§ 360. Het praedicaat stemt met het subject over een (congruit, 
vandaar congruentia): 

a) wanneer het een werkwoord is, in per so on en getal; 

b) wanneer het een substantivam is, in naamval en getal; 

c) wanneer het een adiectivum of pronomen is, in geslacht, getal 
en naamval. 



V 









Evenals esse zijn, dienen ook andere werkwoorden, die eene wijze 
van zijn te kennen geven, als koppel woorden : fio, evddo, ex is to 
ik word, maneo ik blijf, videor ik schijn: 

Sepulcra sanctiora fiunt vetustate. — Apud nos videmas, qui ora- 
tor es evade re non potuerint, eos ad iuris stadium devenire. — Cicero 
Roscio Amerino causae patronus exstitit. - Causa manet eadem. - 
Terra si tibi parva, ut est, ita videtur, haec caelestia semper spectato. 

Aanm. Evenals de overige hier genoemde werkwoorden, komt^sstfook 
zelfstandig voor; het beteekent dan: zich bevinden', leven, gesteld 
zijn, gaan, en heeft dan natuurlijk adverbia als bepalingen : Iugurtha 
effecit ut ubivis tutius quam in meo regno essem. — Sic vita hominum 
est. — Patria est ubicumque est bene. 

§ 361. Is het praedicaatssubstantivum een mobile (§ 52, A. 3), dan stemt 
het niet slechts in naamval en getal, maar ook in geslacht met het subject 
overeen : 

O vitae philosophia dux! tu inventrix legum, tu magistra morum et 
disciplinae fuisti. — Oraculum erat datum, si rex interfectus esset, victrices 
Athenas fore. 

Is het praedicaatssubstantivum een commune (§ 52, A. 3), dan neemt een 
adiect. of partic, dat er bij staat, het geslacht van het subject aan : 

Nam igitur sacerdotem illam civem Romanam factam non esse arbt- 
tramurP — Tempestivi convivii, amoeni loci, multarum deliciarum comes est 
extrema saltatio. 

§ 362. Wanneer het werkwoord nader bij het praedicaatssub- 
stantivum staat dan bij het subject, dan richt het zich naar het eerste: 

Non omnis error staltitia est dicenda. - Contentum suis rebus esse 
maximae sunt certissimaeque divitiae. 

2) Bij twee of meer subjecten. 

§ 363. Wanneer er twee of meer subjecten in een zin zijn, dan 
gelden deze regels: 

1° Het praedicaat staat in 't enkelvoud, wanneer, het begrip van 
de eenheid op den voorgrond treedt, wat bijna altijd geschiedt, wan- 
neer de subjecten namen van dingen of collectiva zijn: 

Senatus populusque Romanus voluit. - Ius et iniuria natura 
diiadicatur. 

20 Het praedicaat staat in 't meervoud, wanneer het begrip der 
veelheid op den voorgrond treedt, wat het meest geschiedt, wanneer 
de subjecten namen van personen zijn: 

Romulus et Remus icti conciderunt. 

16* 



244 



SYNTAXIS. 



§§ 364-366. 



§§ 367-368. 



NOMINATIVUS. 



245 



3° Vat men ieder subject afzonderlijk op, dan wordt het 
praedicaat bij het eerste of ook bij het laatste geplaatst en stemt daar- 
mede overeen: 

tiomeras fa 1 1 et Hesiodus ante Rpmam conditam. — Mens et animus 
et consilium et sententia civitatis posit a est in legibus. 

Aanm. Wanneer subjecten door et-et, nec-nec, aut-aut, sive-sive enz. 
verbonden zijn, staat het praedicaat gewoonlijk in het enkelvoud: 

Et Brutus et Cassias multis iam in rebus ipse sibi senatus fuit, — 
nee enim nunc primum aut Brutus aut Cassius salutem libertatemque 
patriae legem sanctissimam iudicavit. 

§ 364. 4° Ten opzichte van het geslacht merke men nog op, dat, 
wanneer de subjecten van verschillend geslacht zijn en men 
niet ieder subject afzonderlijk opvat, het praedicaat 

10 bij persoonsnamen in het manlijk geslacht staat, 

2° bij zaaknamen in het onzijdig geslacht, 

3° bij zaak- en persoonsnamen gemengd, in het geslacht 
van het woord, dat door plaats of beteekenis het meest bij 
het praedicaat past: 

Pater mihi et mater mortui sunt. — Labor voluptasque societate 
quadam inter se naturali sunt iuncta. — Rex regiaqwe classis 
una profecti sunt. - Popali provinciaeque liberatae sunt. 

Aanm. 1. Wanneer al de subjecten, vrouwelijke zaaknamen zijn, mag 
het praedicaat ook in 't neutrum plurale staan, maar niet bij manlijke: 
Metellus, ubi ira et aegritudo per mixta sunt, ultum iniurias festlnat. 

Aanm. 2. Zijn de subjecten van verschillenden persoon, dan gaat 
de lste pers. boven den 2den, de 2de boven den 3den: Pater, ego, 
fratres mei, illo bello pro vobis arma tulimus. — Errastis vehementer 
et tu et nonnulli collegae tut. (Vgl. § 406). 

3) Bijzonderheden. 

§ 365. Somtijds vindt men het praedicaatsadiectivum in het neutrum, 
ofschoon het subject- masc. of femin. is; het adiectivum moet dan als een 
substantivum opgevat worden (iets, een ding, een wezen): 

Turpitudo peius est quam dolor. — Varium et mutabile semper femina. 

§ 366. Het praedicaat komt somtijds niet overeen met het subject wat den 
vorm betreft van dit laatste, maar wel wat de beteekeniS'-aangaat; men 
noemt eene dergelijke constructie „constructie naar den zin of de bedoeling" 
(constructio ad sententiam): 

Cum tanta multitudo lapides ac tela conicerent, in muro consistendi 
potestas erat nulli. — Capita coniufationis virgis caesi ac securi per cuss i 
sunt. (Cicero daarentegen: Duo haec capita nata sunt post homines natos 
taeterrima et spurcissima, Dolabella et Antonius.) — Quanta multitudo 
hominum convenerit ad hoc iudicium vides. 






§ 367. Wanneer pronomina relativa, demonstrativa, deter- 
minativa of interrogativa subject zijn en een praedicaats- 
substantivum bij zich hebben, richten zij zich in geslacht en 
getal naar dat substantivum: 

Wij zeggen: Dat is mijne schuld. In 't Latijn zegt men: Haec mea 
culpa est (Cic. Brut. 133); letterlijk: deze (schuld) is mijne schuld: 

Animal hoc providum, sagax, quern vocamus hominem, generatum 
est a supremo deo. — (Socrates docuit) hanc esse mortem, quam nos 
vitam putaremus. — Idem velle atque idem nolle, ea demum firma 
am ic it la est. — Nescio, inquit, quae causa odii fuerit. 

Aanm. 1. Na Cicero en bij dichters wordt van dezen regel dikwijls 
afgeweken : 

Nee sopor illud erat (Verg. Aen. 3, 173). — Si hoc profectio et non 
fuga est (Liv. 2, 38, 5). — Non enim preces sunt istud, sed efflagi- 
tatio intempestiva (Tac. ann. 2, 38). 

Aanm. 2. Wanneer het pronomen niet subject, maar praedicaat 
is, gebruikt men, evenals in onze taal, het neutrum: 

Num propterea idem voluptas est, quod indolentia? — Quid est 
pietas nisi voluntas grata in parentes? 

§ 368. In onze taal congrueert eene praedicatieve bepaling bij 

werkwoorden als noemen, heeten, prijzen enz., in naamval met het 

subject in den passieven vorm of met het object in den actieven: 

ik noem hem mijnen beschermer; hij wordt mijn be- 

schermer genoemd. 

Deze congruentie strekt zich in het Latijn over veel meer werkwoorden 
uit, namelijk ook over die, waarbij wij als, tot, voor gebruiken; bij v.: 

ifacere aliquem heredem iemand 
(tot) erfgenaam maken; 



facer e \ 

,, , maken tot: 

reddere 

(zie A. 1) 

dicere 



) 



creare 

eligere 

ducere 

habere 

(alleen in 
't pass., 

zie A. 1) 
putare 



benoemen tot: 



) 

) kiezen tot: 

J 



houden, aanzien voor, 
beschouwen als: 



J reddere aliquem sibi amicum 

v iemand zich tot vriend maken; 

dicere aliquem dictatorem iemand 

tot dictator benoemen; 
(creatus est consul hij is tot 
J consul gekozen; 
j ille legatus electus est hij is tot 
y gezant gekozen; 
hoc turpe duco dit houd ik voor 

schandelijk; 
habetur homo minus idoneus 
hij wordt voor minder geschikt 
gehouden, men houdt hem 
voor minder geschikt; 
eum egregium civem puto ik houd 
hem voor een uitstekend burger: 



246 



SYNTAXIS. 



§§ 369-370. 



§§ 371-373. 



VOCATIVUS. ACCUSATIVUS. 



247 



Ennius sanclos appellat poetas. - Est hostis a senata iudicatus 
Antonius. - Testamento fecit heredem filiam. - Omnes eius 
comites sibi amicos reddidit. — Mortuo rege Pompilio Tullum 
Hostilium populus regent comitiis curiatis creavit. — Consul dicta- 
torem T. Manlium Tojquatum ex auctoritate senatus dixit. - 
Est boni consults suam salutem posteriorem salute communi 
ducere. - Cleombrotus se ex altissimo praecipitavit muro, cum legisset 
hanc esse mortem, quam nos vitam putaremus. - Athenis tenue 
caelum, ex quo etiam acutiores putantur Attici. - Tenes apud 
Tenedios sanctissimus deus habetur. 

Aanm. 1. Bij putare, ducere enz. kan men ook in, pro, (in) numero, 
loco gebruiken; bij habere is dit in 't actief zelfs noodzakelijk, wanneer 
het beteekent houden voor, aanzien voor, behandelen als: 

Verres ausus est pro nihilo res sanctissimas ducere. — Germani 
deorum numero eos solos ducunt, quos cernunt. — In Gallia plebes 
paene servorum habetur loco. 

Maar bij habere = hebben tot of als, wordt geen voorzetsel of iets 
dergelijks gebruikt: 

Habebat rhetor iste discipulos adulescentis quosdam locupletis. 

Aanm. 2. Maken, verbonden met een praedicaatsadjectief ,- vertale 
men liefst door facer e, niet door reddere (Fr. rendre): vitam beatam 
facere het leven gelukkig maken; aliquem benevolum facere iemand 
welwillend maken (stemmen). 

Aanm. 3. Ten onrechte beschouwt men- gewoonlijk deze werkwoorden 
als zulke, die eenen dubbelen accusativus regeeren (§ 382 eri vlgg.) : de 
tweede accus. hangt niet van het werkw. af, maar staat als eene praedi- 
catieve bepaling bij het voorwerp (praedicatieve accusativus). Qok 
in andere naamvallen bestaat dezelfde congruence: 

Galli pro viclimis homines immolant administrisque ad ea sacrificia 
druidibus utuntur. — Mihi consult designato, Catilina, insidiatus 
es. — Dolabella hesterno die hoste decreto bellum gerundum est. 

c. Appositie en Attribuut. 

§ 369. De appositie (§ 357, Aanm.) stemt met het substantivum 
waarbij zij behoort, in naamval en, wanneer het kan, ook in geslacht 
en getal overeen. Eene appositie bij meer dan een subst. staat in het 
meervoud : 

Voluptates, dominae blandissimae, animum a virtute detorquent. — 
Venit mihi in mentem duos clarissimos viros, Tiberium et Oaium 
Gracchos, plebem in agris publicis constituisse. 

§ 370. Het praedicaat richt zich dikwijls niet naar het subject, maar 
naar de appositie, wanneer deze naderbij staat: 

Antonio et Crasso, cum summi essent ' oratores, duae res maximae, altera 
alt eri defuit. 



§ 371. Adverbiale apposities, dat wil zeggen, bijstellingen die 
men door een bijwoordelijken zin kan omschrijven, worden alleen dan 
door ut, velut, tanquam, quasi = als, voorafgegaan, wanneer niet eene 
werkelijkheid, maar eene gel ij ken is wordt uitgedrukt (vgl. echter 
§ 651 B): 

Cicero consul interitu rem publicam liberavit. — Senex in patriam 
revertor (Hannibal), unde puer profectus sum. 

Ex vita discedo lam quam ex hospitio, non tarn quam ex domo. — 
Parenlem veretur ut deum, amat vero ut sodalem, ut fratrem. 

§ 372. Een attribuut, 't zij een adiectivum, 't zij een participium, dat bij 
meer dan een substantivum behoort, congrueert gewoonlijk met het naastbij 
staande; wanneer de geslachten verschillen, kan men voor de duide- 
lijkheid het attribuut herhalen: 

Hominis utilitati agri omnes et marla parent. — Cuncta marla ter- 
raeque patebant Rpmanis. — Omnes terrae Cn. Pompeio atque omnia 
maria sunt permissa. 

II. DE VOCATIVUS. 

§ 373. 1. In den vocativus staat de aangesproken persoon of zaak. 
Streng genomen is hij geen naamval, daar hij buiten het zinsverband 
staat. Vgl. § 54, Aanm.. 

2. In het Latijn staat de vocativus meestal zonder interjectie; alleen 
wanneer men met nadruk of verheffing spreekt, gebruikt men 
de interjectie o\ 

3. De vocativus kan ook bepalingen of bijstellingen bij zich hebben. 
Hij wordt gewoonlijk niet vooraan geplaatst, maar tusschen andere 
woorden ingeschoven of achteraan gesteld: 

Genus ipsum prius cognoscite, indices! - O post hominum memo- 
riam fortissimi atque optimi consules ! — O paterni generis oblite ! 

Aanm. In het archai'sche Latijn en bij dichters vindt men soms den 
.nominativus gebruikt, waar men den vocativus zou verwachten: 

Audi tu, populus Albanus! (eene oude formule). Vgl. § 100, A. 3. 

B. Casus obliqui. Rectio. 

I. DE ACCUSATIVUS. 

In den accusativus staat het begrip waarop de in het werkwoord 
uitgedrukte handeling het eerst en het meest betrekking heeft (in tegen- 
stelling met den gen. en den dat.). Men onderscheidt een accusativus 
van het object en een accusativus van richting en uitbrei- 
ding, terwijl in de derde plaats daarbij nog de accusativus in 
uitroepen moet behandeld worden. 



' 



248 



SYNTAXIS. 



§§ 374-375. 



a. De accusativus van het object. 

1) De enkele accusativus. 

§ 374. Evenals in onzetaal, staatinhet Latijn het rechtstreeksche 
voorwerp bij transitieve werkwoorden in den accusativus. 

Bij omzetting in het passivum wordt de accus. nominativus, de 
nominat. van den actieven zin ab met den abl., wanneer hij een per- 
soon aanduidt, anders een enkele ablativus (vgl. § 426). 

De zin: Karthaginem atque Numantiam, duas urbes potentissimas, 
Scipio delevit, wordt dus in het passivum: 

Karthago atque Numantia, duae urbes potentissimae, a Scipio ne 
deletae sunt. 

Aanm. Over ab bij zaaknamen vgl. § 426, A. 2. 

§ 375. Transitiva zijn in het Latijn ook de volgende verba: 
deficere (beginnen te) ontbreken, niet toereikend zijn 

fugere ontgaan, vluchten voor [voor iemd 

effugere ontkomen aan 

subterfugere zich onttrekken aan, vluchten voor 
ulcisci zich wreken op, zich wreken wegens 

curare zich bekommeren om 

consolari troosten over 
mutare veranderen, verwisselen van 

par are zich toerusten tot 

excusare zich verontschuldigen wegens, — met - 

man ere wachten op: ,, 

Tempus te citius quam oratio deficiet. — Mulier abundat audacid, 
consilio et ratione deficitur. — Id sum dicturus quod illos fugit. — 
Mors fugitur. — Themistocles non effugit civiumsuorum invidiam. — 
Ulixes simulatione insaniae militiam subterfugere voluit. — Caesar 
(Rhenum) traducere exercitum constituit, ut Sugambros ulcisceretur.— 
Sed tu, quid potes dicere, cur alia defendas, alia non cures? — Gloria 
brevitatem vitae posteritatis memoria consolatur. — Silium mutasse 
sententiam Sicca mirabatur. — Si vis pacem, para be Hum. — 
Inopiam excusare etiam mediocris est animi. — Manebo te domi. 

Ulcisci aliquem ook = iemand wreken (se ulcisci = zich wreken), 
ulcisci allquid (bijv. mortem alicuius) iets wreken. 

Consolari aliquem ook = iemand troosten (se consolari = zich 
troosten, bijv. spe Inani met eene ijdele hoop); iemand troosten over iets = 
consolari aliquem de aliqua re. 

Excusare aliquem ook = iemand verontschuldigen (bij iemand = 
allcui of apud aliquem); zich verontschuldigen over iets = se de 
aliqua re excusare. 

Aanm. 1. Somtijds kan men ook ,in het Nederlandsch een transitief 
werkwoord bezigen : j 



§ 376. 



ACCUSATIVUS. 



249 



deficere begeven: Vires me deficiunt; 

(ef)fugere vermijden: concilia conventusqae hominam fugere ; 

parare voorbereiden ; 

mutare verruilen; 

excusare morbam als verontschuldiging ziekte opgeven; 

manere wachten: Allud fatum me manet een ander lot wacht mij 
(Cic. Phil. 13, 45). 

Aanm. 2. Wanneer deficere beteekent: van iemand afvallen, af- 
vallig word en, -dan construeert men: deficere ab aliquo (ad aliquem: 
overloopen). Deficere animo (§ 438, A. 2) beteekent: den moed ver- 
liezen, laten zinken. 

Fugere of effugere ex = vluchten of ontsnappen uit: Ex urbe fugit 
Antonlus (Cic. Phil. 3, 2). — Rex ipse e manibus effugit (Cic. Manil. 22). 

Aanm. 3. Sequi volgen en zijne composita adsequl, consequi, inseqai, 
persequi, subsequi hebben den accusativus, maar obsequi zich schik- 
ken naar, toegeven aan, richt zich naar oboedire e. d\, en krijgt dus 
den dativus: Obsequar voluntati tuae. 

Latere verborgen zijn wordt door Cicero en Caesar steeds a b s o 1 u u t, 
d. i. zonder object, gebruikt; dichters en latere prozaschrijvers verbinden 
het ook met een accusativus. 

§ 376. Vele verba, vooral zulke die eene gemoedsbeweging of 
de uiting daarvan te kennen geven, kunnen transitief gebruikt 
worden, hoewel zij gewoonlijk intransitief zijn: 

can ere zingen: bezingen:/afo de lotgevallen; 

do lere zeer doen (bijv. : 
pes dolet), smart voelen 

(bijv.: laesi dolent): betreuren: filii mortem; 
gemere zuchten: bejammeren, zuchten over: malum; 

horrere beven: beven v o or -Jiudicem; 

indignari verontwaar- 

digd zijn: verontwaardigd zijn over: factum; 

lamentari jammeren: bejammeren: calamitatem een onheil; 
ludere spelen: bespotten, beet nemen: aliquem; 

lugere \ 
maerere ) 

mirari zich verwonderen: zich verwonderen over, bewonde- 

ren: stultitiam, vas; 
klagen over, beklagen: iniquitatem praetoris ; 
vreezen voor, duchten: bellum, invidiam; 
lachen om iets, uitlachen: amentiam; 
hop en op: consulatum; 
desperare wanhopen: wanhopen aan: salutem; 
tacere \ 
silere ) zwl ^ en: 

Verres crimen et Judicium horruit. - Genus est hominum qui 
honores, quos quieta re publica desperant, perturbata se consequi 
posse arbitrantur. 



treuren : betreuren: mortem filii, calamitatem ; 



queri klagen: 
reformlda re huiveren : 
rider e lachen: 
sperare hopen: 



verzwijgen: aliquid:. 



250 



SYNTAXIS. 



§§ 377-378. 



Aanm. Indignari is meestal transitief: indignari de aliqua re 
(bijv. : de iugulatione oppidanorum over de vermoording van de bewoners 
der stad) komt weinig vopr. 

Ook bij desperare is de accus. de gewone constructie (vooral het 
participium desperates hopeloos, wanhopig, komt zeer dikwijls voor), 
ofschoon ook desperare de goed is; eindelijk kan men den dativus ge- 
bruiken : Saluti desperare vetuit (Cic. Cluent. 86). 

Daarentegen komt queri de aliqua re veel voor; zoo ook tacerei 
silere de aliqua re. 

§ 377. Vele intransitieve werkwoorden, vooral zulke die eene 
beweging uitdrukken, worden transitief door samenstelling 
met de praeposities circum, praeter, trans: 

circu(m)ire rondom gaan, omtrekken, omsingelen: 

circumvenire omsingelen : legiones ; [portas, postes ; 

circumstare omringen: tribunal den rechterstoel ; 

circumsistere rondom gaan staan: mercatores; 

circumsedere belegeren: Mutinam (Modena); 
praeterire, praetergredi voorbijgaan: domum, castra; 

praetervehi voorbijvaren: insulam; 

transire, transgredi overgaan: mare, f lumen: 

Hostes undique circumventi fuga salutem petiverunt. — Dies et 
noctis omnia nos undique fata circumstant. 
Ook andere piaeposities hebben somtijds denzelfden invloed, bijv.: 

adire bezoeken, zich wenden tot obire aanvaarden, waarnemen 

aggredi aanvallen obsidere bezet houden, blokkeeren 

alloqui aanspreken percurrere doorloopen 

inire betreden, inslaan subire op zich nemen, ondergaan. 

Aanm. Sommige dezer werkwoorden kunnen ook anders worden gecon- 
strueerd, met verschil van beteekenis: zie § 460. 

§ 378. Accusativus van inhoud. Intransitieve werkwoorden kunnen 
een substantivum van denzelfden stam (zoogen. figura etymologica) 
of van verwante beteekenis bij zich nemen in den accus. — bijna steeds 
met eene bepaling erbij — , welks inhoud zich met dien van het werkwoord 
dekt, en dat, tezamen met de bepaling, de handeling nader omschrijft. Men 
noemt dezen accusativus accusativus van inhoud of accusativus verbalis: 

Ego vestros patres vivere arbitror et earn quidem vitam, quae est sola 
vita nominanda. — Magna voce iuravi verissimum pulcherrimumque 
ius iurandum. — Non eosdem cursus concurrerunt. 

Zelden zonder attribuut: bijv.: servitutem servire, de oude juridische uitdruk- 
king voor slaaf zijn: 

Quorum maiorum nemo servitutem servivit. K 

Aanm. Het passivum bij deze constructie, dat oorspronkelijk onper- 
soonlijk was [vitam vivitur), is in het klassieke Latijn altijd persoonlijk: 
Acerrima pugna est pugnata. 









§§ 379—380. 



ACCUSATIVUS. 



251 



Met deze zegswijze verwant zijn de volgende: 

Sanguinem alicuius sitire naar iemands bloed dorsten (Cic. Phil. 5, 20). 
Scelus anhelare boosheid ademen (Cic. Catil. 2, 1). 

Redolere antiqaitatem niet frisch meer rieken, muf zijn, een ouderwetsch 
reukje hebben (Cic. Brut. 82). 

Crocum sapere naar saffraan smaken (rieken) (Cic. de orat. 3, 99). 

§ 379. De ace. van het neutrum van pronomina en adiectiva nume- 
ralia (unum, multa, pauca) wordt als accusativus van inhoud gebruikt bij 
vele werkwoorden die anders niet met eenen accusativus verbonden wor- 
den. Zoo zegt men : . 

utrumque laetor over beide zaken verheug maar: aliqua re laetart 

ik mij 
id semper studuit daarop heeft hij zich altijd > alicui rei studere 

toegelegd 
idem possum gloriari op hetzelfde kan ik mij » aliqua re gloriari 

beroemen 
hoc cogor hiertoeword ikgedwongen » cogi ad aliquam rem 

hoc solum pugnatur hierover alleen loopt de » pugnare de aliqua re 

strijd 
quod dubitari non waaraan niet getwijfeld » dubitare de aliqua re 

potest kan worden 

multa admonemur op vele dingen worden wij » admoneri de aliqua re: 
opmerkzaam gemaakt 
Haec turpe est dubitare philosophos, quae ne rustici quidem dubitenl. 
Zie ook §§ 383 en 384. 

§ 380. Eenen accus. van den persoon regeeren de im per- 
sonalia: 

miseret me ik heb medelijden 
paenitet me het berouwt mij, ik heb berouw 
piget me het verdriet mij 

pudet me ik schaam mij 

taedet me het walgt, verveelt mij. 

De persoon of de zaak die de gewaarwording veroorzaakt (het 
oorzakelijke voorwerp), staat in den genetivus (vgl. § 414): 

Me tui miseret. — Me erroris mei paenitet. — Me civitatis 
mo rum piget taedetque. — Qeminat peccatum, quern delicti 
non pudet. 

Aanm. 1. Het spijt mij is niet dolet me, maar doleo. 

Aanm. 2. Andere impersonalia die den accusativus regeeren, zijn: 
fugit -I 



Vgl. § 579. 



faU.it \ me het ontgaat mij 

praeterit ) 

iuvat me het verheugt mij. 



252 



SYNTAXIS. 



§§ 381^382. 



§ 381. Ook decere passen, betamen, en dedecere niet 
passen, niet betamen, misstaan, regeeren eenen accus. van 
den persoon. 

Het subject dezer werkwoorden is in den regel een pronomen van 
het onzijdig geslacht of een accus. cum infinitivo (§ 579, 1); 
het kan echter ook een substantief zijn: 

Quid deceat vos, spectare debetis. — Oratorem irasci minime 
decet, slmulare (Iram) non dedecet. — fiunc virum decet mulie- 
bris ornatus. — Ilia ornamenta me non decent. 

Aanm. Deze constructie van decere wordt duidelijk uit de beide laatste 
"voorbeelden : decere hangt samen met dews (§ 264, A. 1) en beteekent 
. oorspronkelijk sieren (goed staan, goed kleeden). ' 

2) De dubbele accusativas. 

§ 382. Twee objects-accusativi — eenen van den persoon en 
eenen van de zaak — regeeren in het klassieke Latijn nog slechts de 
volgende verba: 

1° docere leeren, onderwijzen, met zijne composita, en som- 
tijds ook celare verbergen. 

In het passivum zou de accusativus van de zaak nominativus 
moeten worden, maar deze constructie is niet gebruikelijk. Als passi- 
vum bij 

docere aliquem aliquid zeide men: discere aliquid ab aliquo; 
het passivum van 

celare aliquem aliquid is: celari de aliqua re ab aliquo; 

alleen wanneer het zakelijk object bij celare een ace. van het neutr. van 
een pronomen of van een adiect. num. is, kan de ace. in het passivum 
blijven (illud dux celatur: vgl. § 379) : 

Rem populum docento. — Eloquendi vis efficit, ut ea, quae 
scimus, alios docere possimus. — luventutem Catilina mala 
facinora edocebat. — Non te celavi sermonem T. Ampii. — 
O virum simplicem qui nos nihil celet. 

Est ortus ab Mis, quos memoriae proditum est ab ipso Hercule 
sacra didicisse. — Debes existimare te maximis de rebus a 
fratre esse celatum. — Indicabo tibi, quod mehercule imprimis te 
ce latum volebam. 

Aanm. 1. Ook in het activum is de constructie celare aliquem. de 
aliqua re iemand onkundig houden van iets, gebruikelijker: 

De armis, de ferro , de insidiis celare te noluit. 

Docere aliquem de aliqua re, dat beteekent: iemand kennis 
geven van iets, komt ook in het passivum voor: 

Mori malebat, quam de his rebus Sullam doceri; 



§ 383. 



ACCUSATIVUS. 



253 



met den ace. neutr. van een pronomen in plaats van de (§ 379): 

Haec et a nobis cognoverant et, quos habebant captivos, ab lis doce- 
bantur. 

Aanm. 2. Doceor = disco wordt door Cicero zelden gebruikt, meestal 
met een inf. : 

An sum etiam nunc vel Graece loqui vel Latine docendus? — 
Docemur auctoritate nutuque legum domitas habere libidines. 

't Partic. perf. pass, doctus wordt in klassiek proza in den regel slechts 
met den ablat. instrumentalis verbonden (§ 452): 

D. Brutus fuit homo et Oraecis doctus litteris et Latinis. 



§ 383. 20 flagitare en poscere e i s c h e n : 

Cotidie Caesar Aeduos frumentum flagitabat. — Verres unus 
parentes pretium pro sepultura liberum poscebat. 

Flagitare en poscere hebben ook de gewone constructie van synonieme 
verba als postulare vorderen, petere verlangen, quaerere vragen: 
aliquid ab (bij quaerere ook ex) aliquo. Bij omzetting in het passivum is 
deze constructie regel : 

Mercedem (Ennius) flagitat ab iis, quorum patres affecerat gloria. — 
Examinabo, quid a me cuiusque tempus poscat. 

Nullum a vobis praemium virtutis postulo. — Spartiatae oraculum 
ab love Dodonaeo petiverunt. — Eadem secreto ab aliis quaerit. — 
Alius ex alio causam tumultus quaerit. 

Aanm. 1. De passieve constructie wordt veelal vermeden, omdat ze tot 
onduidelijkheid aanleiding kan geven, daar ab bij het passivum ook door 
kan zijn (§ 374). Toch zegt Cicero bij v. : 

A me brevitas postulatur men verlangt kortheid van mij 
(Quinct. 34). 

30 rogare vragen alleen in de staande uitdrukking: rogare ali- 
quem sententiam iemand (in den senaat) naar zijne meening 
vragen; passief: rogari sententiam ab aliquo: 

L. Tarquinius antiquos patres priores sententiam rogabat. - 
Primus rogatus (est) sententiam. 

Natuurlijk heeft rogare, evenals orare verzoeken, bidden, ook 
een dubbelen accusativus, wanneer de zaak door een pronomen of 
adiectivum numerale in 't onzijdig geslacht wordt uitgedrukt (zie§379): 
hoc, id, unum, multa te rogo, hoc te oro: 

Te in extremo pauca de ipsa causa rogabo. - Ad ea quae rogati erunt, 
mihi parati sint respondere. — Id postremum parentes suos liberi orabant, 
ut levandi cruciatus sui causa lictori pecunia daretur. 

De gewone constructie van rogare en orare is: orare, rogare aliquem, 
ut met den conjunct. (§ 549): iemand vragen, verzoeken, dat hij, bijv. : 
rogare (orare) aliquem ut opem ferat iemand om hulp vragen (verzoeken) ; 



254 



SYNTAXIS. 



§§ 384-386. 



verder : 

rogare (interrogare) aliquem de aliqua re en 

rogare aliquid de aliquo; 

rogare (aliquem) met eene afhankelijke vraag (§ 524), en eindelijk 

rogare rem, bijv. : auxilium .■ 

Rogat oratque te ut sibi liceat vitam in egestate degere. — Socrates pusionem 
quendam interrogat de dimensione quadrati. — Respondeto ad ea quae de te 
ipso rogaro. — Consulatus petebatur, non rogabatur. 

Aanm. 2. In het gewone leven zeide men voor rogo te sententiam : 
interrogo te quid sentias ik vraag u naar uw gevoelen: 

Interrogabatur quid de Ti. Gracchi morte setitiret. 

Aanm. 3. Rogare aliquid ab aliquo is ongewoon, orare aliquid ab 
aliquo komt in het klassieke Latijn niet voor; rogare aliquid ex aliquo is 
geen Latijn. 

§ 384. Twee accusativi kunnen ook staan bij monere, admonere, hortari 
en enkele andere werkwoorden, wanneer de zaak door het neutrum van een 
pron. of van een adiectivum numerale wordt uitgedrukt (vgl. § 379):* 

Illud me praeclare ad/nones. — Aliud quiddam ingenia me hortantur 
vestra et aetates. — Non audimus ea, quae ab natura monemur. 

§ 385. Eindelijk vindt men twee accusativi nog bij sommige werkww., 
die, op zich zelf reeds transitief zijnde, bovendien nog samen- 
gesteld zijn met praeposities, die met eenen accus. ver- 
bonden worden (vgl. § 377), vooral bij traduco, traicio, transporto. 

In 't passief blijft de plaats in den accusativus staan: 

Caesar equitum mag nam partem f lumen traiecit. - Caesar deter- 
rere potest, ne maior multitudo Germanoram Rhenum traducatur. 

Aanm. Slechts zelden wordt de praepositie van het werkwoord herhaald : 
(Caesar postulavit) ne quam multitudinem hominum amplius trans Rhenum 
in Galliam traduceret (Ariovistus). 

3) De accusativus in elliptische zinnen. 

§ 386. Somtijds staat een accusativus in een elliptischen zin: 
het regeerende werkwoord is dan weggelaten, omdat het uit 
den zin gemakkelijk kan worden opgemaakt: Quid multa? namelijk 
dicam. — Manum de tabula! namelijk tolle. — Fortes fortuna, 
namelijk adiuvat. 

Aanm. Eigenlijk hebben we hier dus niet met een afzonderlijk soort 
accusativus te doen. 






§ 387. 



ACCUSATIVUS. 



255 



b. De accusativus tot aanwijzing van de richting (het doel) 
en van de uitbreiding in ruimte en tijd. 

1) zonder praepositie. 

a. De accusativus van richting. 

§ 387. In het klassieke Latijn staan alleen de namen van steden 
en kleine eilanden, benevens de appellativa dotnus huis, en 
rus land, op de vraag: waarheen? nog in den enkelen accu- 
sativus zonder praepositie; alle andere substantiva in den 
accusativus met in in, naar, tot in (of ad naar, tot (aan)) : 

venire Romam, Delum, domum, rus; 
maar: 

proficisci in Galliam, ad Boios, ad exercitum, ad urbem, ad portum; 
pervenire ad Nervios, ad Rhenum, in Macedoniam, ad castra; 
venire ad Ligerim, in Siciliam, in castra, in insulam, enz. : 

Cicero cum venisset Athenas studium philosophiae renovavit. — 
Corcyram bellissime nav igavimus. — Constituerunt optimum esse 
domum suam quemque revert i. — Rus ex urbe tamquam e vinculis 
evolaverunt. 

Onder kleine eilanden verstaat men gewoonlijk die, welke slechts 
een stad hebben, van denzelfden naam als het eiland; het begrip is 
echter niet vast. 

Aanm. 1. Wanneer een appellativum, als urbs, oppidum, insula, bij den 
eigennaam staat of als appositie gebezigd wordt, plaatst men daarvoor 
de praepositie; dus: 

venire Romam 

venire in urbem Romam 

venire Romam, in urbem maximam Italiae: 

Demar'atus Corinthius dicitur se contulisse Tarquinios, in urbem 
Etruriae florentissimam. — Consul in oppidum Cirtam pervenit. 

Aanm. 2. Ad voor den naam van eene stad bij een werkwoord van 
beweging beteekent: naar de omstreken van: Caesar ad Oendvam 
pervenit. — Laelius cum classe ad Brundisium venit. 

Aanm. 3. De accusativus van richting kan ook van een substan- 

tivum verbale (§ 341) afhangen : domum reditionis spes hoop op 

den terugkeer naar huis, d. i. hoop om naar huis, naar het vaderland, 
terug te keeren (§ 629) (Caes. Gall. 1, 5, 3). 

Aanm. 4. Wanneer domus eenvoudig het gebouw aanduidt, gebruikt 
men gewoonlijk de praepositie in : omnia in domum Galloni contulit. 



256 



SYNTAXIS. 



§§ 388-390. 



390. 



ACCUSATIVUS. 



257 



b. De accusativus van uitbreiding in ruimte en tijd. 

§ 388. De accusativus staat verder om de uitbreiding in ruimte 
en tijd aan te wijzen, op de vragen: hoe lang (van tijd en plaats), 
hoe breed, hoe hoog, hoe diep, hoe ver, hoe oud? 

Milites aggerem latum pedes trecentos et triginta, altum 
pedes octoginta exstruxerunt. — A recta conscientia traversum 
unguem non oportet discedere. — Duodequadraginta annos 
tyrannas Syracusanomm fait Dionysias. — Quinque et viginti 
natus annos dominatam occupavit. — Ab his castris oppidum 
Remorum nomine Bibrax aberat milia passuum octo. — Reliqaae legi- 
ones magnum spatium (aberant). — Turres toto opere circumdedit, 
quae pedes LXXX inter se distarent. 

Aanm. 1. Bij distare en abesse kan men ook den ablat. gebruiken: 
zoo gewoonlijk: abesse spatio en distare intervallo met een genet, 
bij spatio en intervallo. Zie § 431. 

Aanm. 2. Wanneer men vraagt: hoe diep? staat altijd alius, nooit 
profundus. 

In de plaats van magnus en crassus met den accus. gebruikt men 
magnitudine en crassitudine met den genet.: clavi ferrei digiti 
pollicis crassitudine ijzeren bouten van een duim dik (Caes. Gall. 3, 13, 4). 
Ook zegt men: in altitudinem, in longitudinem, in latitudinem 
met den genetivus: ter hoogte van, ter lengte van, enz.. 

Aanm. 3. Over per bij dezen accus. zie § 390, onder 29. 

Aanm. 4. De ace. bij natus geeft niet den duur van het nasci aan ; 
hij schijnt oorspr. niet bij natus behoord te hebben, maar bij een verbum 
als vivere e. d.. 

§ 389. Accusativus adverbialis. Tot dezen accusativus der 
uitbreiding in ruimte en tijd wordt ook de accus. gerekend in 
enkeleadverbiale uitdrukkingen, als: magnam partem, maxi- 
mam partem grootendeels, id temporis om dien tijd, enz. en in adver- 
bia als: multum, summum, ceterum, cetera overigens (accus. adver- 
bialis); zie § 353: 

Suebi non multum frumento, sed maximam partem lacte atque 
pecore vivunt, multumque sunt in venationibus. — Varro venit ad 
me et quidem id temporis, ut retinendus esset. 

Aanm. Verder nog uitdrukkingen als id aetatis; id, hoc, omne genus 
e. d., die gewoonlijk attributief gebruikt worden: cum id aetatis filio 
met een zoon van dien leeftijd (maar ook : id aetatis sum) ; id genus homines 
menschen van dat slag. 

2) met praeposities. 

§ 390. Ter nadere bepaling van de richting (het doel) en de uitbrei- 
ding in ruimte en tijd, welke door den accusativus aangewezen worden, dienen 
de volgende voorzetsels: 



1) ad tot, naar: a) van plaats, allereerst om de richting aan te geven, 
waarin eene beweging geschiedt (§ 387), maar dan ook om de voltooide be- 
weging, de richting en de rust uit te drukken : naar, tot (tot aan), tegen: 
Aquitania a Garumna flumine ad Pyrenaeos monies pertinet. — Ad flue- 
turn aiunt declamare solitum Demosthenem. — bij, aan: Mater mihi ad pedes 
misera iacuit. — Bello Punico secundo exercitus populi Romani ad lacum 
Trasumenum interiit. 

b) van tijd: tot (tot aan): Sophocles ad summam senectutem tragoe- 
dias fecit. — Ad tempus op (den juisten) tijd, doch ook: voor een (korten) 
tijd, een tijd lang: Ad tempus veniebant. — Perturbatio animi plerum- 
que brevis est et ad tempus. — omstreeks, tegen: Domum ad vesperam 
rediit. — bij, onder: Mos apud maiores fuit, ut deinceps, qui accubarent, 
canerent ad tibiam claromm virorum laudes. 

c) overdrachtelijk: bij getallen: aan, bij, ongeveer: Antonius Brun- 
disii ad trecentos civis trucidavit. — Adunum omnes of omnes ad unum 
alien tot op den laatste toe-.De amicitia omnes ad unum idem sentiunt. - 
met betrekking tot, in vergelijking met: Terra ad universi caeli com- 
plexum quasi puncti instar obtinet. — om een doel aan te wijzen: voor: 
Ad templum monumentumque nostrum civitates pecunias decreverunt. — 
overeenkomstig, naar: Vixit ad aliorum arbitrium, non ad suum. 

2) apud bij, in de omgeving van iemand, drukt altijd een toestand 
van rust uit: Apud Helvetios longe nobilissimus fuit Orgetorix. — Apud 
M. Laecam bij M. Laeca thuis. — overdr. : De sepulcris nihil est apud 
So Ion em. — Apud me antiquorum auctoritas valet. Zelden bij plaats- 
namen, waarbij men gewoonlijk ad gebruikt. 

3) iuxta naast, dichtbij, aan, geeft onmiddellijke nabijheid te kennen : 
Appius sepultus est iuxta viam Appiam ad quintum lapidem. Cic. gebruikt 
het niet. 

4) penes bij, in 't bezit, in de macht van iemand: Eloquentia non 
modo eos ornat, penes quos est, sed etiam universam rem publicum. — Cum 
penes unum est omnium summa rerum, regem ilium unum vocamus. 

5)^ prope nabij, in de nabijheid van, bij, staat tegenover procul (§ 450); 
het is meestal adverbium, doch zoowel de positivus als ook de comparat. en 
de superl. propius en proxime worden somtijds met den accus.- verbonden als 
praepositiones : Paucis annis post reges exactos plebes prope ripam Anienis 
ad tertium miliarium consedit. — Haec pars insulae est propius solis occa- 
sum. — Necesse est quam proxime I tali am esse. 

Niet zelden vindt men prope ab: Propius a terra lovis stella fertur. 

6) propter (uit *propiter, van prope) : a) van plaats: naast, zeer dichtbij; 
Cicero gebruikt dit voorzetsel in de plaats van iuxta (zie onder 3) : Fanum Chrysae 
est in agro propter ipsam viam, qua Assoro itur Hennam. 

b) overdrachtelijk: wegens: Propter frigora frumenta in agris 
matura non erant. — Brutus cessit Italia, ne qua oreretur belli civilis causa 
propter se. Zie § 405, A. 1. 

7) ante voor, staat tegenover post (8): a) van plaats: het geeft te kennen, 
dat men iets voor zich, voor oogen heeft (vgl. § 449); vandaar zeer dik- 
wijls in allerlei verbindingen, bijv. : ante oculos: Id ne demonstretur, quod 
ante oculos est; zoo ook: ante oculos ponere, proponere, versari. 

b) van tijd: Homerus fuisse ante Romam conditam traditur. 
WOLTJER, Lat. Qramm. 6e druk. yj 



258 



SYNTAXIS. 



§ 390. 



390. 



ACCUSAT1VUS. 



259 



Aanm. 1. Ante wordt in klassiek proza niet gebruikt ora eene rich- 
ting of beweging te kennen te geven; daarvoor gebruikt men ad of 
in, bijv. : Aliquid ad iudicem deferre iets voor den reenter brengen ; 
aliquem in ius of in indicium, vocare iemand voor den rechter (het 
gerecht) dagen. 

Wanneer Caesar zegt: Caesar equitatum omnem ante se mittit en 
Cicero: ante pedes Pythii pisces abiciebantur, dan moet men ante in 
die zinnen op soortgelijke wijze verklaren als in met den ablat. bij pono, 
colloco, constituo, bij welke werkwoorden ook ante voorkomt : zie § 445. 

Aanm. 2, Ante wordt in klassiek proza ook niet gebruikt om een 
voorkeur, een voorrang te kennen te geven, waarvoor men praeter 
bezige ; dus : praeter alios, praeter ceteros voor anderen, d. i. 
boven anderen: zie praeter (10). Bij latere prozaschrijvers en bij dich- 
ters vindt men in dien zin ook: ante omnes, ante omnia, ante alios, ante 
ceteros; in het klassieke proza dienen deze uitdrukkingen echter alleen om 
een plaats of tijd aan te duiden. 

8) post achter, na: a) van plaats: Germani post tergum clamore 
audita se ex castris eiecerunt. 

b) van tijd: Unas adhuc fuit post Romam conditam (§ 600), cui res 
publica se totam traderet, L. Sulla. 

9) pone achter, wordt in klassiek proza niet meer gebruikt: het is verouderd. 

10) praeter voorbij, langs: a) van plaats: Eurbtas praeter Lace- 
daemonem fluit. 

b) overdrachtelijk: tegen, boven: praeter spent, opinionem, modum 
enz. ; voor, boven (zie ante (7)): Phalaridis est praeter ceteros nobilitata 
crudelitas. — behalve, buiten: Ariovistus praeter se denos ut ad colloquium 
adducerent, postulavit. 

11) secundum (van sequor) langs: Caesar ipse sex legiones secundum 
f lumen Elaver duxit. — onmiddellijkna: Tu haec nobis expones; sed opinor 
secundum hunc diem. — (In actione) vultus secundum vocem plurimum 
potest. — overeenkomstig: Stoici dicunt homini id esse in bonis ultimum 
secundum naturam vivere. 

12) adversus tegenover, tegen, jegens: Sunt quaedam officia etiam 
adversus eos servanda, a quibus iniuriam acceperis. ■- Adversus rem 
publicum (het tegengestelde is e re publica (§ 435, 3)). 






Aanm. 3. Een oude vorm is advorsum (vgl, 
advorsum stimulum calces iactare. 



10, A. 1) : Inscitia est 



13) versus -waarts, naar, wordt altijd achter zijn naamval geplaatst en 
is zoowel in dit opzicht, als wat de afleiding aangaat, gelijk aan ons -waarts: 
orientem versus oostwaarts, Romam versus naar Rome. Somtijds staat voor 
het substantief nog ad of in: ad Oceanum versus naar den Oceaan toe. 

14) contra tegenover, tegen: contra Oalliam tegenover Gallie; — 
contra naturam, spem, opinionem, mores, legem cett. tegen de natuur enz.. — 
Potentia nos utimur pro salute bonorum, contra amentiam perditorum. 






15) erga jegens, wordt nooit van eene vijandelijke gezindheid gebruikt bij 
goede schrijvers: Eodem modo erga amicos affecti simus, quo erga nosmet 
ipsos. 

16) ob voor, bij werkwoorden van rust: ob oculos versari (vgl. ante); — 
wegens: quam ob cans am? om welke reden, waarom? ob hanc causam, 
ob earn causam, ob nullam causam, quam ob rem enz., maar nooit ob me, 
ob id, ob ea, ob quod en dergelijke. In bepaalde formules ook met een gerun- 
divum, bijv. : ob rem iudicandam pecuniam accipere geld aannemen voor het 
beslechten van eene zaak. 

17) circum om, rondom, alleen plaatselijk: templa circum forum. — 
Terra circum axem se summa celeritate convertit et torquet. 

18) circa om, inde omgeving: Circa Hennam lacus lucique sunt 
plurimi. Het staat in goed proza niet voor circiter (19). 

19) circiter omstreeks: Circiter meridiem exercitum in castra reduxit. 

20) cis aan deze zijde (op de vraag: waar?) staat tegenover trans: 
Germani, qui cis Rhenum incolunt, sese cum Belgis coniunxerunt. 

21) citra naar deze zijde (toe) (op de vraag: waarheen?): Decretum est, 
ut (Antonius) exercitum citra f lumen Rubiconem, qui finis est Galliae, educeret. 

22) trans aan gene zijde, over (zoowel op de vraag waar? als waar- 
heen?): trans Mosam mittere over de Maas zenden ; trans Rhenum incolere 
aan gene zijde van den Rijn wonen. 

23) ultra aan gene zijde, over (iets heen, verder) (eveneens zoowel 
op de vraag waar? als waarheen?): Nihil est ultra illos monies usque 
ad Oceanum. 

24) extra buiten (op de vraag waar? zoowel als waarheen?): Latrocinia 
nullam habent infamiam, quae extra fines cuiusque civitatis fiant. — Extra 
fines, extra cancellos egredi buiten de perken gaan; — extra periculum 
esse buiten gevaar zijn. 

25) intra binnen: a) van plaats: Belgae Teutones Cimbrosque intra 
fines suos ingredi prohibuerunt. - Intra parietes. - b) ook van den tijd: 
Intra annum vicensimum binnen zijn twintigste jaar. 

26) inter (van in, zooals propter van prope) tusschen: a) van plaats: 
Inter fines Helvetiorum et Allobrogum Rhodanus fluit. Vgl. intra. — 
b) van tijd: Silent leges inter arma. — c) overdrachtelijk: Sic homines 
inter se loquebantur. — Honestissimus inter cives de achtingswaardigste 
onder de burgers. 

27) infra onder, beneden: Infra lunam nihil est, nisi mortale et cadu- 
cum praeter animos hominum; supra lunam sunt aeterna omnia. — Supra 
me Atticus accubuerat, infra Verrius. — Uri sunt magnitudine paulo infra 
elephantos. 



28) supra boven (zie infra): 
putanda est deoque tribuenda. 



Ratio recta constansque supra hominem 



17* 



260 



SYNTAXIS. 



§§ 391-392. 






§§ 392-393. 



DATIVUS. 



261 



29) per door: a) van plaats: Flumen est Arar quod per fines Aeduomm 
et Sequanorum in Rhodanum influit. — over: Homines fusi per agros ac 
dispersi vagabantur. — b) van tijd, om uitdrukkelijker een tijdsverloop te 
kennen te geven, dan door den accus. alleen : gedurende, — lang: multos 
per annos vele jaren lang; per triennium drie jaren lang. — c) over- 
drachtelijk: bij persoonsnamen : door middel van: Aliud per servos, 
aliad per liberos, per amicum aliud, aliud per inimicum inveniebant. — 
ook bij zaaknamen, om den weg aan te duiden, waarlangs men zijn 
doel bereikt: Hae pecuniae per vim atque iniuriam captae tibi fraudi esse 
debent. — Per litteras schriftelijk; per dolum atque insidias door list en 
Iagen; per me licet wat mij betreft, mag het; per deos immortales bij de 
onsterfelijke goden. — = propter: Per aetatem ad pugnam inutiles videbantur. 
Vgl. § 405, A. 3. 

Aanm. 4. Over in bij den accus. zie § 387, A. 1, § 446; over sub § 447; 
over super § 448. 

c. De accusativus bij uitroepen. 

§ 391. De accusativus staat bij uitroepen van verwondering 
of droefheid; somtijds gaat eene interiectio vooraf: 

Me miser urn! te in tantas aemmnas propter me incidisse! — 
O fallacem hominam spem fragilemque foriunam! — O prae- 
claram custodem ovium, ut aiunt, lupuml 

Aanm. 1. Wanneer men iemand aanroept, gebruikt men den voca- 
tivus: zie § 373.. 

Aanm. 2. Bij het vooral door de comici en in de volkstaal gebruikte 
ecce, zie, ziedaar, staat in het klassieke Latijn de nominativus, in het 
oudere de accusativus, die later opnieuw in zwang komt {eccillam (§ 170, 
A. 4): vandaar in het Fransch: celle): Ecce tibi alter! — Ecce ilia tem- 
pestas ! — {Ecce homo !). 

Daarentegen wordt en zie, ziedaar, in het klassieke Latijn gewoonlijk 
met den accusativus verbonden : En memoriam mortui sodalis! 

Vae (ons wee!), waarbij sit moet gedacht worden, heeft bijna altijd den 
dativus; zoo ook (h)ei ail: Vae victis! — Et mihi, quid faciam? 

II. DE DATIVUS. 
a. De dativus commodi et incommodi. 

§ 392. De dativus geeft in 't algemeen, evenals in onze taal, den 
persoon (of de zaak) te kennen, aan of voor wien iets is of plaats 
vindt, die of in zijn voordeel of in zijn nadeel bij eenen toestand of 
eene handeling betrokken is (dativus commodi et incommodi). 

Hij wordt dan ook voor het grootste deel bij dezelfde werkwoorden 
en bijvoegelijke naamwoorden gebruikt, die bij ons den datief hebben, 
of waar wij de voorzetsels aan en voor bezigen: 



j 



Brevis a natura nobis vita data est. — Car us fuit Africano 
superiori noster Ennius. — Non solum nobis divites esse volumus, 
sed liberis, propinquis, amicis maximeque rei publicae. 

Aanm. 1. Wanneer voor beteekent ter bescherming van, wordt het 
door pro vertaald (§ 449). 

Aanm. 2. De dativus wisselt dikwijls met andere constructies 
af, somtijds met bijna onmerkbaar verschil in beteekenis. Zoo vindt men: 

E bestiarum corporibus multa remedia morbis et vulneribus elicimus; 
doch meer gebruikelijk is remedium, medicamentum, medicina met den 
genetivus: remedium tanti vulneris (Cic. epist. 5, 15, 1), doloris 
medicamenta (Cic. fin. 2, 22), periculorum medicina (Cic. Sest. 51). 

Men zegt n>el : legatus populi Romani (genet, subi.), legatus Caesaris 
(genet, poss.) en zoo ook: legatus sum Caesaris (Caes. civ. 1, 8 en 51), 
cuius legatus erat (Cic. off. 3, 79), maar, wanneer de gedachte aan 
hulpbetoon moet worden uitgedrukt, volgt altijd de dativus: legatus 
sum alicui ik ben legaat bij iemand, en zoo ook: legatus fratri profi- 
ciscitur; tibi eram legatus (Cic. rep. 2, 67), (echter ook : legatus noster erat 
(rep. 1, 23)). Ik ben gezant bij iemand: legatus sum a pud aliquem 
(Cic. Cato 43). 

Men zegt: heres sum alicui, maar ook alicuius: Cut tu es heres. — 
Tu neque Eonteius es, neque patris heres (Cic. Cluent. 40). — Ook zegt 
men: Filiam bonis suis heredem instituit. 

Finem facere heeft zoowel den dat. als den genet, bij zich, een gerun- 
dium echter altijd in den genet.: Finem o ratio ni nostrae facimus. - Ne 
triumphus quidem finem facit belli? — Nox tibi finem dicendi fecit. 

Men zegt zoowel litteras mittere ad aliquem, als litteras mittere alicui 
in gelijken zin, ofschoon het eerste meer voorkomt: litteras, quas Neroni 
mittis (Cic. Verr. 1,80). — quas ad Neronem litteras misit (ibid. 83); maar 
met onderscheid in beteekenis: litteras dare ad aliquem een brief aan 
iemand schnjven, litteras dare alicui iemand een brief geven om te be- 
zorgen. — Bij legatos mittere volgt altijd ad aliquem. 

Aanm. 3. Een enkel maal hangt een dativus af van een substan- 
tivum verbale: iustitia est obtemperatio scriptis legibus Cic. leg. 1, 42, 
het gehoorzamen aan geschreven wetten. Vgl. § 387, A. 3. 



§ 393. Onder 
datief hebben, 



de werkwoor 
maar bij ons 



blandiri 

credere 

bene dicere 

male dicere 

fconjfidere 

diffidere 

favere 

gratulari 

imminere 

invidere 

mederi 



vleien , 

gelooven 

goed spreken 

kwaad spreken 

vertrouwen 

wantrouwen 

begunstigen 

feliciteeren 

bedreigen 

benijden (iem. of iets) 

genezen 



den, die in 't Latijn eenen 
niet, merke men op: 
minari bedreigen 
minitari bedreigen 
nocere benadeelen 
nubere trouwen (alleen v. d.vrouw) 
obtrectare verkleinen, benijden 
parcere sparen 
persuadere overtuigen, overreden 
servire dienen 
studere zich toeleggen op 
supplicare smeeken. 



262 



SYNTAXIS. 



§ 393. 



Voluptas sensibus nostris blanditur. — Quts nobis credet, 
cui nos? — Imitari, Castor, potius avi mores debebas quatn optimo 
viro male dicere. — Vestrae virtuti constantiaeque con- 
fido. — Sibi ipse diffidit. — Mihi boni viri too nomine 
gratulabantur. — Videntur non solum vivis, sed etiam mortals 
invidere. — Est haec saecull quaedam macula, virtuti In vide re. — 
Efflclt hoc philosophta: medetur anlmis, inanes solllcltudlnes 
detrahit. — Perdlti homines tectis ac temp lis urbls mlnabantur. — 
Venus nupslt Vulcano. — Obtrectare alterl, quid habet utill- 
tatls? - Non aetate confectls, non mullerlbus, non Infantlbus 
pepercerunt. — Orgetorlx Helvetlls persuaslt, ut de flnlbus 
suis cum omnibus coplls exlrent. — Alll glorlae servlunt, alll 
pecuniae. — Germanl a parvulls labori ac duritlae student. — 
Amlcls elus omnibus pro te suppllcabo. 

Aanm. 1. Ook hier is het verschil in constructie gevolg van eene andere 
opvatting; zoo is nabere misschien eigenlijk: zich geven aan een man; 
credere zijn hart, zijn vertrouwen stellen op iemand of iets (§ 304, 
A. 1); mederi genezing schenken (maar sanare aliqaem, iemand 
gezond maken); supplicare een knieval voor iemand doen ; favere 
gunstig, genegen zijn aan; nocere schadelijk, nadeelig zijn voor; 
met fidere kan men vergelijken de uitdrukking fideni habere alicui geloof 
schenken aan, gelooven, enz.. 

Aanm. 2. Bij credere staat datgene wat men gelooft in den ace: 
Credite hoc mihi. — Id quod volunt, credunt. 

Iemand met iets geluk wenschen kan aldus worden uitgedrukt: 
1) gratulari alicui de aliqua re: Mihi de eo, quod egerim, gratularis (Cic. 
epist. 4, 14, 3); 2) gratulari alicui alqd.: Ei recuperatam libertatem est 
gratulatus Brutus (Cic. Phil. 2, 28); 3) gratulari alicui in aliqua re: 
Tibi etiam in hoc gratulor (Plane. 91); 4) eindelijk kan men ook zeggen : 
gratulor victoriae tuae ik wensch u met uwe overwinning geluk: Hoc si 
tibl fortuna quadam. contigisset, gratularer felicitati tuae. 

Iemand (om) iets benijden is in het klassiek Latijn niet: invidere 
alicui aliquid: men zegt daarvoor: invidere alicui rei alicuius: Nullius 
equidem invideo honori. Wordt bij ons de persoon, wien tnen(om) iets 
benijdt, door een pron. pers. van den lsten of 2den pers. uitgedrukt, dan 
gebruikt men daarvoor in het Latijn het pron. poss. : Inviderunt laudi 
meae: zij benijdden mij. mijnen lof (Cic. p. red. in sen. 21). 

Iemand met iets bedreigen is: minfitjari alicui aliquid, maar ook, 
met abl. instr. (§ 451): alicui aliqua re (echter steeds mortem e. d., niet 
morte) : Omnibus bonis cruces ac tormenta minitatur. — Huic urbi ferro 
igneque minitatur. 

Iemand overtuigen van iets: persuadere alicui de aliqua re of id, 
hoc, quod (§ 379). - Over het verschil tusschen persuadere alicui met vol- 
genden accus. cum inf. (iemand overtuigen, dat iets is) en met volgend ut 
(iemand overreden, overhalen om iets te doen), vgl. § 581. 

Aanm. 3. Wanneer het voorwerp van confidere eene zaak is, kan het 
ook met den ablativus verbonden worden, ofschoon de dat. meer voor- 






§§ 394-395. 



DATIVUS. 



263 



komt: Multum natura loci confidebant (Caes. Gall. 3, 9, 3). Bij het part. 
conftsus is de ablativus regel. Vgl. § 443. 

Men zegt alleen: nubere alicui, niet cum aliquo; het part. perf. nupta 
echter, dat actieve beteekenis heeft (vgl. §§ 207 en 493 d) , wordt zoowel 
met den dativus, als met cum aliquo verbonden (de laatste constructie 
naar analogie van matrimonio iuncta, waarmede het synoniem is): Erat 
nupta soror Attici Q. Tulllo Ciceroni. — Viri, quibuscum illae nuptae 
erant (Cic. Verr. 4, 136). 

§ 394. De werkwoorden die eenen dativus regeeren, kunnen in het 
p a s s i v u m slechts onpersoonlijk voorkomen : de dativus blijft : 

Cur somnlis credatur nescio (actief: somnlis credlmus). — Ne 
cui noceatur (ne cui noceamus). — Nemo unquam sapiens pro- 
dltorl credendum esse putavlt. — Allorum laudi atque gloriae 
maxlme inviderl solet. - Non parcetur labori. - Mihi nunquam 
persuaderl potuit anlmos, cum exlssent e corporibus, emori. 

Aanm. Ik ben overtuigd = mihi persuasi of mihi persuasum est. 
Mihi persuasum habeo (ik houd mij overtuigd (Caes. Gall. 3, 2, 5)) is 
eene minder gewone uitdrukking. 

Als passief van invidere kan men ook gebruiken : in invidia esse apud 
aliqaem en invidiae esse alicui. 

§ 395. 1. Vele werkwoorden, die samengesteld zijn met de 
praeposities ad, con- (= cum), in, inter en sub (de laatste 
alleen voorzoover ze transitief zijn), hebben tweeerlei constructie: 

a) men plaatst het woord waarop het voorzetsel betrekking heeft, in 
den dativus; of 

b) men herhaalt de praepositie; 
dus: 

adicio alicui rei aliquid; of 
adlcto ad aliquam rem aliquid. 

Wanneer het werkwoord overdrachtelijke beteekenis heeft, staat 
meer de dativus; wanneer eene plaatselijke betrekking aangegeven 
wordt, herhaalt men liever de praepositie. (Zie echter Aanm. 1.) 

2. De met sub samengesteide intransitiva en de werkwoorden die 
met ante, ob en prae samengesteld zijn, hebben gewoonlijk alleen de 
eerste constructie; dus: 

antepono alicui rei aliquid: 

1) Nihil interest teruncium adicere Croesi pecuniae. — Timo- 
theus, Cononis flllus, ad belli laud em doctrlnae et Ingenll glorlam 
adiecit. — Manus extrema non accessit operibus C. Gracchi. — 
Parva magnis saepe rectisslme conferuntur. — Humanus animus 
cum alio nullo compararl potest. — Spem Improbls ostendistis, 
timorem bonis iniecislls. — Clarlsslmi nostrae clvltatls viri se in 
medio s host Is pro salute exercltus Inlecerunt. — Exlgua fortuna 



264 



SYNTAXIS. 



§ 396. 



intervenit sapienti. — Acerrimis pro el Us et maximis inter- 
fuit. — Subiciunt se homines imperio alterius et potestati de 
causis pluribus. 

2) Libertatem non solum ab hominibus, verum etiam a bestiis 
omnibus rebus anteponi videtis. — Fugiendum illud, ne offera- 
mus nos periculis sine causa. — Praefert mortem servituti. — 
Populo magistratus praesunt. 

Aanm. 1. Bij de composita met ad en con- wordt meer de praep. 
dan de dativus gebruikt, ook waar van geen plaatselijke betrekking sprake 
is; dus gewoonlijk: 

accedere ad nader komen aan, nog koraen bij; 

adicere ad voegen bij ; 

conferre cum, comparare cum, componere cum vergelijken met; 

congruere cum, consentire cum overeenstemmen met, enz.. 

Zoo ook: interest inter er is een onderscheid tusschen: 

Homines ad deos nulla re propius accedunt quam salutem hominibus 
dando. — Ad Appii Claudii senectutem accedebat etiam ut caecus 
esset. — Inter pacem et servitutem plurimum interest. 

Aanm. 2. Ook adverbia die van met con- samengestelde verba afgeleid 
zijn, worden somtijds met den dativus geconstrueerd, zoo: congruenter, 
conv enienter, constanter: 

congruenter naturae vivere in overeenstemming met (overeenkomstig) de 

natuur leven ; 
sibi constanter dicere zich zelven gelijk blijven in het spreken, consequent 

spreken. 

§ 396. T w e e e r 1 e i constructie hebben ook de volgende werkwoorden : 

adspergere sprengen op; besprengen 

circumddre leggen om, slaan om; omgeven 

circumfundere rondom gieten; omgeven 

donare geven, schenken; begiftigen 

exuere uitkleeden; berooven 

induere aankleeden; bekleeden: 

a) met eenen dativus en eenen accus. (alicui aliquid), of: 

b) met eenen accus. en eenen ablat. {aliquem aliqua re). 

Dus: 

dono amico anulum aureum, ik schenk mijnen vriend een 

gouden ring; of: 
dono amicum anulo aureo, eig.: ik begiftig mijnen vriend met 

een g. r. : 

Orationi adspergentur sales, qui in dicendo mirum quantum 
valent. — Vitae splendorem maculis adspergis. — Deus ani- 
mum circumdedit corpore. — (Dionysius tyrannus Syracusanorum) 






5§ 397-398. 



DATIVUS. 



265 



fossam latam cubiculari lecto circumdederat. — Ciceroni 
populus Rpmanus in contione immortal it at em donavit. — Ctesi- 
phon scitum fecit, ut Demosthenes corona aurea donaretur. — 
Herculi Deianira sanguine Centauri tinctam tun team induit. — 
(Non homines sunt, sed) beluae quae dam forma hominum indutae. 

Aanm. 1. Men zegt altijd: civitate donare aliquem, niet civitatem alicui. 

Aanm. 2. Exuere in eigenlijken zin heeft bijna altijd alicui aliquid 
(iemand iets uittrekken). Exuere aliquem aliqua re = iemand van iets be- 
rooven, bijv. : pecunia. 

§ 397. Bij het gerundivum staat de persoon, die iets doen 
moet, in den regel in den dativus: 

Semper ita vivamus, ut rationem reddendum (esse) nobis arbitre- 
mur. — Imprimis videndum erit ei, qui rem publicam administrabit , 
ut suum quisque teneat. - 

Aanm. 1. Waar de toepassing van den regel onduidelijkheid zoude 
veroorzaken, of wanneer men met nadruk de werkzaamheid van het 
subject wil aanduiden, wordt bij het gerundivum ook wel ab gebezigd: 
Crassus a consulibus meam causam suscipiendam esse dicebat (Cic. 
Sest. 41): Crassus zeide, dat door de consuls mijne zaak ter hand genomen 
moest worden. 

Aanm. 2. Ook bij het passivum der andere modi staat somtijds de 
handelende persoon in den dativus (in plaats van in den ablat. mttab: 
§ 426); de handeling wordt in dit geval voorgesteld als niet alleen door, 
maar ook voor den handelenden persoon geschied; men vindt deze con- 
structie het meest bij het perf. pass.: Honesta^bonis viris, non occulta 
quaeruntur (Cic. off. 3, 38): Wat eerlijk is, niet wat in 't geheim ge- 
schiedt, wordt door rechtschapen mannen nagejaagd. - Magno studio mini 
a pueritia est elaboratum (Cic. div. in Caec. 40) : Met grooten ijver is door 
mij van mijne jeugd af gewerkt. 

§ 398. Wat de adiectiva betreft die met eenen datief verbonden worden, 
en bij ons den datief, of de voorzetsels aan en voor (somtijds ook met) 
hebben (vgl. § 392), merke men nog het volgende op : 

1) amicus bevriend, — vriend 

inimicus vijandig, — vijand 

familiaris familie-, huis-, — huisvriend 

aequalis gelijk, gelijktijdig, — tijdgenoot, makker 

cognatus verwant, — bloedverwant 

affinis aangrenzend, door huwelijk verwant, — verwant 

vicinus naburig, — buurman 

en enkele andere, hebben, wanneer zij als adiectiva gebruikt worden, den 
dat., maar wanneer zij als substantiva voorkomen, den genet, (possess.); 
van de eerste drie volgen ook de superlativi dezen regel: 

Macedonia fidelis et arnica populo Romano fuit provincia. — Rex Antio- 
chus (Asiaticus) amicus et socius populi Romani erat. 



266 



SYNTAXIS. 



§ 399. 



2) De adiectiva aptus, idoneus, accommodatus, opportunus, die alle 
beteekenen: gepast voor, geschikt voor of geschikt tot, geschikt om 
te, regeeren den dativus of worden met ad geconstrueerd ; de laatste con- 
structie is de meest gebruikelijke : 

Locus ad insidias fait aptus. — Servos ad caedem idoneos emit. — 
Homo ad inflammandos animos multitudinis accommodatus (Cic. 
Cluent. 79). — Huic aetati hoc maxime aptum est (Cic. ac. I, 11). 

3) Similis heeft oorspronkelijk alleen den genetivus, terwijl later de 
dativus o verb. eersch end wordt. In het klassiek Latijn staat gewoonlijk de 
genetivus, waar de gelijkheid algemeen is en zich over het geheel uitstrekt, 
de dativus, waar zij alleen eene beperkte en gedeeltelijke is; vandaar 
dat men zegt: similis sum alicui in hoc, maar patris similis Cs vaders 
evenbeeld): Canis nonne similis lupo? — Maluit Epicurus deos hominum 
similes dicere, quam homines deorum. 

Uit dezen regel wordt duidelijk, dat men in het klassiek Latijn alleen veri 
similis waarschijnlijk, zegt. 

Ook wanneer similis een pr on omen bij zich heeft, moet men den gene- 
tivus gebruiken : dus: similis tui, vestri, sui, istius, enz.. Hetzelfde geldt voor 
dissimilis, dat ook overigens dikwijls den genetivus heeft: Cur semper 
tui dissimilis defendis ? 



§ 399. De dativus staat bij het werkw. sum, om den persoon of 
de als persoon gedachte zaak aan te wijzen, voor wien iets bestaat, 
die iets heeft; wat hij heeft, staat als subject in den nominativus 
(dativus possessivus): 

mihi est aliquid = ik heb iets: 

Est mihi tecum pro arts et facts certamen. — lam Troicis tempo- 
ribus erat honos eloquentiae. — Semper in civitate quibus opes 
nullae sunt invident bonis. — Sua cuique civitati religio est. 

Aanm. \. Van den genetivus possessivus met esse (§ 412) verschilt 
deze dativus in zooverre, als de genetivus een eigendomsrecht te 
kennen geeft, de dativus slechts een niet duurzaam, toevallig bezit. 
De dativus possessivus duidt daarom, althans in klassiek proza, niet het 
bezit van eene eigenschap aan; dus niet omnes illi regi sunt virtutes; 
men zegt daarvoor: omnes in illo sunt rege virtutes (Cic. Deiot. 26). 

Om het bezit van eene eigenschap uit te drukken, kan men overigens 
dikwijls den ablat. qualit. gebruiken: Multi homines excellenti virtute 
fuerunt (Cic. Arch. 15), of wel den genetivus: senatus ea virtus fuit, 
quae solet (Cic. Phil. 8, 1). 

Aanm. 2. Bij de uitdrukking nomen (cognomen) mihi est (datum 
est, inditum est) staat de naam of in den nomin. (als bijstelling bij 
nomen), of in den dativus (door attractio aan mihi, tibi enz.): 

Altera est urbs Syracusls, cui nomen Achradina est. — Scipioni 
Africano cognomen ex virtute fuit. 

Bij nomen dare, dicere alicui enz. staat evenzoo de naam in den 
dat. of in den ace; bij nomen habere staat de naam, wanneer hij een 



§§ 400-401. 



DATIVUS. 



267 



proprium is, in den accusat., wanneer hij een appellativum is, in 
den genet.: 

Nomen Danuvium habet Sail, (bij Cic. en Caes. komt geen voorbeeld 
voor). — Cato quasi cognomen iam habebat in senectute Sapientis. 

§ 400. Een eigenaardig gebruik van den dativus, dat vooral in de taal van 
den dageiijkschen omgang voorkomt en daarin ook bij ons niet onbekend is, 
is dat van het pron. pers. van den lsten en 2den pers. in,zinnen, die ver- 
wondering, toorn enz. uitdrukken (dativus ethicus, datief van gevoel 
(rj&os) of deelneming): Hie tibi rostra Cato advolat. — Hie mihi quisquam 
mansuetudinem et misericordiam nominat. 

Tot dezen dativus wordt ook gerekend die bij velle: Quid tibi vis, 
insane? — Avaritia quid sibi velit, non intellego. 

Aanm.. De dativus ethicus is een verzwakte dativus commodi et 
incommodi. 



b. De dativus tot aanwijzing van doel of strekking. 



§ 401. Bij de verba esse (in de beteekenis van: strekken tot, 
dienen als), dare, habere, ducere, venire, mittere en enkele 
andere, staat een substantivum (gewoonlijk een abstractum) in den 
(praedicatieven) dativus op de vraag: waartoe, met welk doel? 
Gewoonlijk komt bij den dativus van doel of strekking nog een datief 
van den persoon (als dativus van betrekking) : 

saluti esse tot heil zijn 

cordi, curae esse ter harte gaan, zorg dragen voor 

dono dare, muneri mittere ten geschenke geven, — zenden 

quaestui (rem publicam) habere als bron van gewin beschouwen 

honori ducere tot eer rekenen 

auxilio venire, mittere ter hulp komen, — zenden 

praesidio relinquere tot bescherming, bewaking achterlaten 

diem colloquio dicere eenen dag voor een onderhoud bepalen: 

L. Cassius identidem in causis quaerere solebat, cui bono fuisset, — 
Potestne bonum cui quam malo esse? — In id studium, adulescentes, 
in quo estis, incumbite, ut et vobis et amicis utilitati et rei 
publicae emolumento esse possitis. — Non est habendum reli- 
gio ni nocentem aliquando, modo ne nefarium impiumque, defendere. 

Aanm.. Cordi in cordi esse is oorspronkelijk waarschijnlijk een locativus 
(= in corde), dono in dono dare oorspronkelijk een (praedicatieve) accusa- 
tive (met niet geschreven m finalis: vgl. § 10, 5): *dono(m) dare. — 
Overigens is dono dare eigenlijk niet klassiek (wel bij Sail., vaak bij Liv.), 
terwijl ook cordi esse bij klassieke schrijvers weinig voorkomt (liever curae 
esse, of ook carum esse). 



268 



SYNTAXIS. 



§§ 402—403. 



§ 402. Bij dichters (zeer zelden in proza) vindt men eenen dativus van doel 
na verba die eene beweging te kennen geven, waar in proza ad of in ge- 
bruikt wordt: 

It clamor caelo (Verg. Aen. 5, 451): het geschreeuw verheft zich ten hemel, - 
Anchises caelo palmas cum voce tetendit (Verg. Aen. 2, 688): Anchises hief 
biddende zijne handen ten hemel. — Virgo Vestalis manus supplices pro vobis 
diis immortalibus tendere consuevit (Cic. Font. 38). 



III. DE GENETIVUS. 
a. De genetivus bij substantiva. 

§ 403. De genetivus wordt in het Latijn dikwijls als bepaling 
bij een substantivum gebezigd; in het Nederlandsch moet men 
dan veelal voorzetsels gebruiken; somtijds kan men ook beide woor- 
den door een samengesteld substantief weergeven : Caesaris commentarii 
de gedenkschriften van Caesar; amor matris moederliefde, amor patriae 
liefde tot het vaderland, vaderlandsliefde, cupiditas pecuniae begeerte 
naar geld, geldgierigheid, ordo equitum de ridderstand, auri fodina 
goudmijn. 

Naar den aard van de betrekking tusschen het bepaalde substantivum 
en den bepalenden genetivus onderscheidt men den genet sabiec- 
tivas, obiectivus, explicativus, possessivus, partitivas en 
qualitatis. 

Aanm.. Bij den genetivus possessivus kan somtijds het substantivum, 
waarvan de genetivus afhangt, onuitgedrukt blijven, indien dit een begrip 
als aedes of templum is en eene praepositie (bijna altijd ad) voorafgaat: 
Ad Castoris (sc. aedem). — Ad Vestae (sc. templum). 

In gevallen als Caecilia Metelli (C, de vrouw van M.), Hasdrubal Qis- 
gonis (H., de zoon van G. : zoo alleen bij niet-Romeinsche namen), Nea- 
polis Campaniae e. d. heeft men daarentegen geen ellipse van uxor, filius, 
urbs, enz., maar hangt de genetivus rechtstreeks van den eigennaam af. 

Vgl. nog § 480. 

1) en 2) Genetivus subiectivus en obiectivus. 

Wanneer bij eene omzetting van een substantivum verbale 
(bijv. amor) in een verwant werkwoord (bij v. amare) de bepalende 
genetivus (bijv. matris) subject wordt (dus mater amat), dan heet hij 
genetivus subiectivus; wordt hij echter object (bijv. cupiditas 
pecuniae — cupit pecuniam), dan heet hij genetivus obiectivus; 
deze laatste wordt bij ons gewbonlijk omschreven door verschillende 
voorzetsels: spes salutis hoop op behoud, metus mortis vrees voor 
den dood. 



§§ 403-404. 



GENETIVUS. 



269 



Genet, subiectivus Genet, obiectivus 

amor matris de liefde der moeder, amor patriae liefde t. h. vaderland, 

moederliefde vaderlandsliefde 

Aristidi fuga de ballingschap van fuga laboris afkeer van inspanning 

Aristides 

odium illius in me zijn haat jegens odium servitulis haat tegen de sla- 

mij vernij 

hostium expugnatio bestorming door expugnatio urbis de verovering van 

den vijand de stad 

hominum memoria sedert menschen- memoria beneficii de herinnering aan 

heugenis eene weldaad 

omnium avium desiderio op verlan- desiderium libertatis verlangen naar 

gen van alle burgers de vrijheid 

(mater amat; Aristides fugit; ille (amo patriam; fugio laborem; odi 

odit; hostes expugnant enz.) servitutem enz.). 

Aanm. 1. Beide genetivi bij een woord vindt men ook, bijv. in den 
volgenden zin : Caesar pro veteribus Helvetiorum iniuriis populi 
Romani ab his poenas bello repetivit (Caes. Gall. 1, 30, 2). 

Aanm. 2. In 't Latijn, mag men, na substantiva die eene gezindheid 
of eene gemoedsbeweging uitdrukken, voor de duidelijkheid, ook voor- 
zetsels bezigen, wanneer het object van het verbale begrip een 
persoon is: amor erga parentes bijv. kan men zeggen, wanneer amor 
parentum, omdat parentum zoowel genetivus obiectivus als subiectivus kan 
wezen, onduidelijk zou zijn; zoo ook: pietas adversus deos, odium 
in omnes, maar nooit bijv.: amor in litteras. 

Aanm. 3. Den genetivus subiectivus van het pronomen personate 
mag men niet gebruiken : dus niet amor mei mijne liefde of de liefde van 
mij, maar amor mens : vgl. § 474. 

2) Genetivus explicativus. 



§ 404. De genetivus kan somtijds eene appositio vervangen, daar 
deze gewoonlijk, evenals de genetivus, eene nadere bepaling van het begrip 
bevat (genetivus explicativus of definitivus). Men zegt in 't Latijn niet 
alleen zooals bij ons: ademit ei soceri no men mors filiae (Cic. Sest. 6): de 
dood zijner dochter ontnam hem den naam van schoonvader; o nomen 
dulce libertatis! (Cic. Verr. 5, 163): o zoete naam van vrijheid!, virtus 
iustitiae de deugd der gerechtigheid; maar ook: Triste est nomen 
ipsum carendi. — Dim ipsum Epicurum non intellegere quid sonet haec 
vox voluptatis, waar wij geenen genetivus kunnen gebruiken. 

Doch bij geographische appellativa plaatst men altijd den eigennaam 
als appositie in denzelfden naamval (§ 369): Urbs Roma, ex oppido Thermis, 
oppidum riimeram, insula Delos, insulam Siciliam, flumen Rubico, flumen 
Rhenus enz.. 

Aanm. 1. Zooals men den genetivus subiectivus dikwijls vervangt door 
een adiect. (carmina Horatiana, opus Sophocleum, mors paterna enz.), zoo 
ook dezen genet.: nomen senatorium, nomen regale. 



270 



SYNTAXIS. 



§ 405. 



Aanm. 2. Een genetivus materiae kent het Latijn niet: van goud, 
van marmer enz. kan in 't Latijn dus niet door een genet, worden uit- 
gedrukt: men moet adiectiva gebruiken of ex met den abl. : aurea pocula, 
columnae marmoreae, of: pocula ex auro, columnae e mar- 
more enz.. 

3) Genetivus possessivus. 

§ 405. a) De genetivus possessivus geeft den persoon (of 
de zaak) aan, die iets bezit (in den ruimsten zin), van wien iets 
uitgaat, met wien iets in verbinding staat. 

Dikwijls laat hij zich niet scherp scheiden van den genetivus 
subiectivus: 

servus accusatoris een slaaf van den aanklager, difficultates belli 

de met den oorlog verbonden moeilijkheden, coniuratio Catlllnae de 

van Catilina uitgaande samenzwering. 

Aanm. 1. Ook dezen genet, mag men niet gebruiken bij het pronomen 
personale: dus: meus filius (niet mei films): vgl. § 474. Zoo bezigt men 
ook liever alienus dan den genetivus van alius: aliena praecepta voor- 
schriften van anderen. 

b) Een genetivus possessivus schijnt oorspronkelijk ook de genetivus 
te zijn, die staat bij causa en gratia ter oorzake, ter wille van, 
we gens: deze woorden zijn ablativi causae (§ 427) en beteekenen 
eigenlijk: om de oorzaak van, uit gunst jegens; zij staan ge- 
woonlijk na den genetivus: 

Sophistae appellabantur ii, qui ostentationis aut quaestus 
causa philosophabantur. — Bestias hominum gratia generatas 
esse videmus. 

Aanm. 2. Uit A. 1 volgt, dat men ook bij causa en gratia het pron. 
pers. (en reflex.) door het possessivum moet vervangen : dus niet: mei 
causa, maar altijd: mea causa (tua, sua, nostra, vestra causa; 
met ipse: mea ipsius causa, nostra ipsorum causa (mea gratia 
vermijde men liever) : 

Epicurus aiebat sapientes omnia sua causa facere. 

Aanm. 3. Het verschil tusschen causa en het causale propter (dat niet 
alleen een uiterlijken, maar, gelijk causa, ook een innerlijken grond kan te 
kennen geven) is hierin gelegen, dat men bij propter, in tegenstelling met 
causa, meer aan datgene denkt wat reeds objectief bestaat, niet nog eerst 
moet worden verkregen (vgl. § 390, 6) : vandaar dat propter in het klassiek 
Latijn zelden finaal gebruikt wordt: 

Ut propter salutem militum ea quae salutis causa comparata 
sunt, hostibus tradantur. .— Non modo qui prata habent, ut potius oves 
quam sues habeant curant, sed etiam qui non solum pratorum causa 
habent, propter stercus. 

Om mijnentwille, mij ten gerieve is klassiek met propter me, maar 
mea causa. Daarentegen mijnentwege, wat mij betreft (in de betee- 
kenis: ik heb er niets tegen) niet mea causa, ook niet propter me, 



§ 406. 



GENETIVUS. 



271 



maar per me; zoo ook: per tempestatem venire non poterat, minder vaak 
propter tempestatem, bijna nooit tempestatis causa. Vgl. § 390, 29. 

Aanm. 4. Eenzelfden genetivus vindt men bij ergo (eig. *e rego uit de 
richting) wegens, dat echter in klassiek proza zelden voorkomt: virtutis 
ergo; en ook bij ins tar (zie § 133; een voorheeld geeft § 390, 1, c). 

4) Genetivus partitivus. 

§ 406. De genetivus partitivus (deelings-genetivus : vgl. § 167, 
A. 1) geeft het geheelte kennen, waarvan een deel genomen wordt. 
Het gebruik stemt voor het grootste deel met dat in onze taal overeen. 

Het volgende echter merke men op : 

1) a) In het Nederlandsch kan bij een superlativus de genetivus parti- 
tivus achterwege blijven en de superlativus onmiddellijk met een relatieven zin 
verbonden worden; in het Latijn mag dit niet. Men kan dus in 't Latijn niet 
zeggen : lugurtha homo sceleratissimus, quern terra sustinei, voor het Holland- 
sche: Jugurtha, de goddelooste man, dien de aarde draagt; — duo 
consules sapientissimi quos vidimus, voor het Hollandsche: de twee wijste 
consuls, die wij gezien hebben; — want in deze zinnen ligt het begrip 
van een deel opgesloten, wat in het Latijn moet worden uitgedrukt; daarom 
zegt men: lugurtha homo omnium quos terra sustinet sceleratissimus. — 
Duo consules omnium, quos vidimus, sapientissimi. De gewraakte Latijnsche 
zinnen zouden beteekenen: jug., een zeer goddeloos man, dien de aarde draagt. - 
Twee zeer wijze consuls, die wij gezien hebben. 

Aanm. 1. Men zou deze zinnen ook kunnen construeeren als den laat- 
sten in § 432; zie aldaar. 

b) Omgekeerd echter gebruiken wij soms een partitieven genetivus, waar de 
Romein van eene andere opvatting uitgaat. Men mag niet zeggen: Conviviis 
detector cum aequalibus solum, quorum pauci admodum restant. — fiomi- 
nibus opus est eruditis, quorum adhuc nostri nulli fuerunt, — want hier 
denkt de Romein bij de bijvoeglijke telwoorden in 't meervoud (pauci, nulli, 
complures) enz. niet aan een deel van het geheel, maar aan de groot- 
heid van een aantal; daarom zegt men: Conviviis detector cum aequalibus 
solum, qui pauci admodum restant. — Hominibus opus est eruditis, qui 
adhuc nostri nulli fuerunt. 

Zoo ook moet er (genet, plur. voor der) niet vertaald worden in uitdruk- 
kingen als: Er zijn er misschien meer anderen: Sunt alii plures fortasse 
(Cic- Phil. 13, 11). 

Het Latijn is in dergelijke gevallen nauwkeuriger dan onze taal, dat er van 
een partitieve verhouding in zulke zinnen eigenlijk geen sprake is. 

2) a) In plaats van den genetivus partitivus moet men de praeposities ex 
of de gebruiken, wanneer het deel door een hoofdtelwoord wordt uitge- 
drukt: een van hen, drie van dezen enz.: ab uno de illis door een van. 
hen (C. Mil. 65); ex eis ires erant, qui ... van dezen waren er drie, die 
(C. Vahn. 16): Ex navibus nostris duae portum capere non potuerunt. — De 
tribus et decern fundis tris nobilissimos fundos eum video possidere. 

Aanm 2.^ In zinnen als : unus omnium iustissimus fuisse traditur (Cic 
best. 141), behoort de genet, niet bij unus, maar bij den superlativus die 
door unus versterkt is (vgl. § 472). 



272 



SYNTAXIS. 



§§ 406-408. 



b) Men mag de praepositie ex (minder dikwijls de) gebruiken, wanneer het 
deel wordt uitgedrukt door een onbepaald telwoord, als: multus, nemo, 
nullus, solus, of door een superlativus: 

Nulla de vlrtutibus tuis plurimis, Caesar, nee admirabilior nee gratior 
miserlcordla est. — Ex omnibus pugnis (Pompel) acerrlma mlhl vldetur 
Ilia, quae cum rege Mlthrldate commissa est. 

3) a) Uterque en plerlque worden als adiectiva gebruikt, wanneer een 
substantivum volgt: uterque dux, uterque f rater {uterque beteekent de een 
en de ander (zie § 492) en heeft daarom het substantivum in 't enkelvoud), 
pleraeque causae, plerlque servl. Doch bij plerlque kan men, wanneer men 
duidelijk wil doen uitkomen, dat men slechts een deel bedoelt, ook een subst. 
in den genet, plaatsen, evenals wij dat doen kunnen : Imposltum vectlgal est 
plertsque Poenorum aan de meesten der Puniers werd eene schatting opgelegd 
(Cic. Verr. 3, 12). 

b) Uterque en plerlque worden als substantiva en dus met den genet, 
partit. gebruikt, wanneer pronomina volgen of voorafgaan : uterque nostrum 
(§ 473) ieder van ons beiden, plerlque vestrum, plerlque eorum, quorum 
uterque. 

Aanm. 3. Alleen bij het neutrum utrumque zegt men gewoonlijk hoc, 
quod, id utrumque, om alle onduidelijkheid ten opzichte van het genus 
te vermijden. 

4) a) De gen. partit. staat ook na bijwoorden van hoeveelheid als 
parum, satis, nimis: satis argenti zilver genoeg; satis temporls tijd genoeg: 

Parum in L. Scipione putabatur esse antmi, parum roborls. 

Na de bijwoorden van plaats, als ubl, ibi, nusquam, usquam, eo, 
staan vooral in de omgangstaal dikwijls de genetivi gentium, terrarum, som- 
tijds ook loci, locorum : 

Ubtnam gentium sumus? — Cedendum ex Italia, mlgrandum Rhodum 
aut aliquo terrarum arbitror. — Provincias praetores nondum sortltt sunt; 
res eodem est loci, quo rellqulstl. 

Vervolgens overdrachtelijk : eo magnitudinls procedere tot dat punt van 
grootte voortgaan, dat is: zoo groot worden; eo procedere trarum, 
eo miseriarum ventre, hue dementlae venire. (Cicero en Caesar gebruiken 
deze laatste constructie niet, Sallustius en lateren wel.) 

§ 407. 5) De genet, partitivus staat bij alle substantiva die 
eene maat, eene hoeveelheid, eene menigte te kennen geven, 
als: modius, libra, pondas, maltitudo, copia, numerus enz. {genet, 
qaantitatis of generis): magnus numerus fmmenti, vini eene 
groote hoeveelheid koren, wijn; grande pondus auri, argenti: 

Verres pro tritici modiis singulis denarios ternos ab aratoribus 
exegit. — Montes auri polliceri gouden bergen beloven (Ten Phorm. 68). 
Aanm. Over milta zie § 154. 

§ 408. 6) Dezelfde genet, staat ook na het neutr. sing. 
torn, en ace. (zonder praepos.) van (als substantiva gebruikte) 
adiectiva, die eene hoeveelheid te kennen geven {multum, 




§§ 408-409. 



GENETIVUS. 



273 



plus, minus, tantum'-, quantum enz. (maar nooit magnum en 
parvum)) en van pronomina {aliquid, quidquam, nihil enz.; 
somtijds ook na id, quod, enz.): multum vini, nihil boni, 
aliquid novi: 

Frugi hominem did non multum habet laud is. — Tantum cibi 
et potion is adhibendum est, ut reficiantur vires, non opprimantur. — 
Pythagoras, cum in geometria quid dam novi invenisset, Musis bovem 
immolasse dicitur. - Homo sum; humani nihil a me alienum puto. - 
Varro quod penes eum est pecuniae tradit (Caesari) et quid ubique 
habeat frumenti et n avium ostendit. 

Adiectiva van twee en van een uitgang, en aliud, staan echter na 
deze woorden niet in den genet, maar steeds als attribuut (in den- 
zelfden naamval dus): aliud nihil, aliquid aliud: 

Divinus eius animus mortale nihil habuit. - Nihil in te humile 
cognovi. — Nihil magnificentius cogitari potest. 

Aanm. 1. Wanneer niet het gedeeltelijke aangewezen, maar alleen 
eene eigenschap aangegeven wordt, staan ook de adiectiva van drie 
uitgangen in denzelfden naamval als het adiectivum van hoeveelheid of het 
pronomen, dat er bij staat: Ii, qui pecudum ritu ad voluptatem omnia refe- 
runt, nihil a It urn, nihil magnificum ac dlvtnum susptcere possunt. 

Aanm. 2. Plus wordt steeds substantive en dus met den genet, 
gebruikt: In hac re plus mihi animi quam consilli videtur habuisse. 
Vgl. § 125, A. 2. 

Aanm. 3. Veel geld is: magna pecunla (ook: grandls pecunia); meer 
geld: mator pecunia; zeer veel geld: maxima pecunia; zooveel geld: 
tanta pecunia; genoeg geld: satis magna pecunia (niet satis pecuniae). 
Een enkel maal vindt men echter ook : tantum pecuniae Cic. off. 2, 76 en 
tanta pecuniae Cic. Verr. 3, 173, evenals id pecuniae, quod pecuniae; zoo 
ook plus pecuniae (voor het gewone mator pecuniae) Cic. inv. 1, 88. De 
pluralis pecuniae in eigenlijken zin, van verschillende, afzonderlijke 
geldsommen, laat natuurlijk wel een adiect. numerale als multus toe. 

Evenzoo: vele troepen: magnae {malores, maxlmae) coplae; 
weinige troepen: exiguae coplae; zoovele troepen: tantae copiae; 
de menigte der troepen: magnitudo copiarum: copiae in den zin 
van exercitus geeft een gesloten geheel aan, en neemt daarom geen 
adiectivum numerale, maar alleen een adiectivum van grootte bij zich. 

5) Genetivus qualitatis. 

§ 409. a) De genetivus van een substantivum dat een 
adiectivum (partic, pronom., numerale) bij zich heeft, staat bij 
substantiva, om eene duurzame eigenaardigheid of blijvende 
eigenschap te kennen te geven {genetivus qualitatis). 

Deze genetivus kan ookpraedicatief gebruikt worden, d. i. door 
een hulpwerkwoord met het bepaalde substantivum verbonden zijn: 

Publius Sextius Baculus, primi pili centurio, et item Gains Volusenus, 
tribunus militum, vir et consilli magni et virtutis, ad Qalbam 
accurrunt. 

Magni iudicii, summae etiamfacultatis esse debebit orator. - 
WOLTJER, Lat. Qramm. 6e druk. 18 



274 



SYNTAXIS. 



§ 410.. 



Caesar reperiebat Nervios esse homines feros magnaeque virtutis. — 
Esse deos ita perspicuam est, at, id qui neget, vix eum sanae mentis 
(sc. esse) existimem. — In re publica permagni momenti est ratio 
atque inclinatio temporum. 

b) Tot den genetivus qualitatis worden ook gerekend de bepalin- 
gen van grootte en ouderdom in den genet: Compluribus fait 
dolor anno ram saepe multorum. - Fossa duo deviginti pedum. - 
Classis navium sedecim. 

Aanm. 1. Men lette er op, dat deze gen. niet, zooals in onze taal (een 
man van talent, een man van smaak enz.), zonder nadere bepaling 
kan gebruikt worden; men zegt dan: homo ingeniosus, elegans, enz.. 

Aanm. 2. Over het onderscheid met den abl. qual. vergelijke men §457.. 
b. De genetivus bij adiectiva. 

§ 410. De genetivus staat bij de adiectiva, die de begrippen: 
begeerig, kundig of ervaren, gedachtig, gewoon, deelachtig,. 
machtig, rijk, vol of het tegendeel uitdrukken, als: 
cupidus, avidus begeerig bijv. libertatis naar vrijheid 

studibsus strevend, begeerig » gloriae naar roem 

aemulus navolgend, naijverig » 

fastidiosus afkeerig » 



gndrus, igndrus 
perltus, imperitus 
conscius 



laudis alterius op d. 1. enz. 
Latinarum litterarum van de 

[Lat. letteren 
negotiorum in zaken 
iuris in het recht 



kundig, onkundig 

ervaren, onervaren 

medewetend, zich bewust van, bijv. tanti sceleris 
prudens, imprudens bekend, onbekend, bijv. impendentis mali met eene 

dreigende ramp 
inscius, nescius, rudis onkundig » rerum omnium in alledingen 

memor, immemor gedachtig, niet ged. „ meritorum aan de verd. 
insuetus niet gewend, ongewoon, bijv. pugnae aan den strijd 

particeps deelachtig bijv. coniurationis aan eene s. 

expers verstoken » humanitatis van beschaving 

proprius eigen „ oratoris (aan) den redenaar 

compos machtig, in 't bezit van, meester, bijv. mentis van zijn 

plenus vol bijv. consilii (van) beleid [geest 

fertilis vruchtbaar, rijk „ frugum aan veldvruchten 

inops arm « amicorum aan vrienden : 

Damnorix Aeduus cupidus erat rerum novarum, cupidus 
imperii. — Pythagoras dixit raws esse quosdam, qui rerum naturam 
studiose intuerentur; has se appellare sapientiae studiosos. — 
Apud Platonem Socrates se omnium rerum inscium fingit et 
rudem. — Bestiae sunt rationis et orationis expertes. — 
Appellata est ex viro virtus; viri autem propria maxime est forti- 
tudo. — Omnes virtutis compotes beati sunt. — Exactis regibus 
deinceps omnia nonne plena consiliorum, inania verborum 



I 



§§ 411-412. 



GENETIVUS. 



275 



videmus? — 5/ forte ceciderunt tyranni, turn intellegitur quam fuerint 
inopes amicorum. 

Aanm. 1. Sommige dezer adiectiva komen ook anders geconstrueerd 
voor, bijv. die, welke overvloed of gebrek te kennen geven: zie § 423. 

Aanm. 2. Ook reus aangeklaagd, schuldig, heeft den genet, doch 
dikwijls ook de: ret capitalis reus beschuldigd van eene halsmisdaad 
ambitus reus of reus de ambitu aangeklaagd wegens omkooperij 

Communis gemeen(schappelijk) wordt gewoonlijk geconstrueerd- 
ahcui est aliquid commune cum aliquo, of eenvoudig met den 
dat: haec nobis sunt communia; doch ook de genet komt voor- In 
Graecorum proverbio est, amicorum esse communia omnia. 

§ 411. Parti cipia op -dns en -ens van transitieve werkwoorden 
hebben den genetivus, wanneer zij de beteekenis van adiec- 
tiva hebben aangenomen en dus eene blijvende, duurzame 
eigenschap te kennen geven: 

Maxima pars eorum, qui in tabernis sunt, immo vera genus hoc 
universum amantissimum est otii. — Vos, Romani, semper appe- 
tentes gloriae praeter ceteras gentis atque avidi laudis fuistis. 

_ Aanm. 1. Bij dichters en prozaschrijvers na Cicero komen dikwijls adiec- 
tiva op -ax voor met den genet.: Tempos edax rerum de tijd, die alles 
verteert (Ov. met. 15, 234). - Tenax propositi vasthoudend aan zijn voor- 
nemen (Hor. carm. 3, 3, 1). 

Aanm. 2. De genetivus bij de verschillende in §§ 410 en 411 genoemde 
adiectiva en participia laat zich niet in alle gevallen op dezelfde manier 
verklaren: particeps, expers, inops bevatten substantia, die een genet bij 
zich hebben; plenus is een oud partic. (§ 453, A. 2) bij een wortel *pele- 
vullen (vgl. -pleo), waarmede waarsch. reeds in het Indo-Germaansch een 
gen. verbonden werd ; memor kreeg een genet, naar analogie van memini, 
waarmede men het in verband bracht; de constructie der participia op -ans 
en -ens met den genet, ging uit van bepaalde woorden als cupiens (onder 
invloed van cupio, dat in het oud-Lat. ook een gen. had), amans (naar 
amator, amicus), enz.. In het algemeen is de macht der analogie hier zeer 
groot gevreest. 

c. De genetivus bij verba. 

1) Genetivus possessivus. 

§ 412. Dikwijls staat bij esse (somtijds ook bij facere, fieri, putare 
enz.) de genet, om aan te wijzen, wiens eigendom, eigenschap, 
plicht, zaak, gewoonte enz. iets is; in de vertaling gebruikt men 
of deze zelfst. naamwoorden, of uitdrukkingen als: het verraadt 
het getuigt van en dergelijke. Deze genet, hangt niet af van het 
werkwoord, maar van het verzwegen substantief en is dus eigenlijk een 
genet, van bezit (genetivus possessivus): vgl. § 405: 

Omnia, quae mulieris fuerunt, virifiunt dotis nomine. — 
Tardi ingenii est rivulos consectari, fontes rerum non videre. - 
Est sapientis iadicis semper non quid ipse velit, sed quid lex 
et rellgw cogat cogitare. — Tempori cedere semper sapientis 
est habitum. 

18* 



276 



SYNTAXIS. 



§§ 413-414. 



Dikwijls is voor de duidelijkheid het substantivum ook uitgedrukt: 
Principum man us est resistere et leviiati multitudinis et per- 
ditomtn temeritati. 

Aanm. Ook hier moet men in plaats van den genet, der pronomina 
personalia de pronomina possessiva meum, tuum enz. gebruiken : Non- 
es t meum contra ius dicere. — Est tuum het is uw plicht. Zie §§ 405 
en 474. 

2) Genetivus obiectivus. 

§ 413. Een genet, obiectivus staat bij de werkwoorden: memini, 
reminiscor ik herinner mij; obliviscor ik vergeet: 

Cum est somno sevocatus animus a societate corporis turn mem in it 
praeteritorum. — Caesar reminisceretur pristinae virtutis 
Helvetiorum. — Est prop rium stultitiae aliorum vitia cernere, obli- 
visci suorum. 

Aanm. 1. De werkwoorden admoneo, commoneo en commonefacio 
iemand iets herinneren, construeert men 't best met aliquem de 
aliqua re, ofschoon ze soms met den genet, voorkomen: Extremum est, 
quod te oretn, ut Terentiam moneas de testamento. 

Aanm. 2. De bovengen. werkw. memini, reminiscor (dat overigens 
weinig voorkomt) en obliviscor (lett. : in zijne herinnering uitwisschen) 
worden ook met den ace. (voornamelijk van de zaak) geconstrueerd. De 
beide constructies onderscheiden zich in dier voege, dat memini met den 
ace. ongeveer gelijk memoria teneo aliquem of aliquid is, ik kan mij 
iemand of iets herinneren, ken iemand of iets, memini alicuius 
daarentegen zooveel beteekent als memor sum, ik denk aan iemand of 
iets, ben er in gedachten mede bezig. 

Memini en reminiscor hebben een enkel maal de aliqua re. Bij recor- 
dari (lett.: iets in zijn hart bewaard hebben), dat evenmin veel gebruikt 
wordt, staat de als regel van personen, van zaken daarentegen de ace: 
aliquam rem, ofschoon ook de aliqua re voorkomt. Een genetivus heeft 
recordari nooit: 

Memineramus Cinnam nimis potentem, Sullam postea dominan- 
tem. — Si recordari volueritis de novis hominibus, reperietis me esse 
unum ex omnibus novis hominibus, de quibus meminisse possumus 
qui consulatum petierim, cum primum licitum sit. — Non omnes possunt 
esse Scipiones, ut bella a se gesta, ut triumphos recordentur. — 
Obliviscor iam tuas iniurias, Clodia. 

Over de constructie met twee accus. zie § 384. 

Aanm. 3. De uitdrukking venit mihi in mentem mij schiet te 
binnen, wordt meestal onpersoonlijk en dan met den genet, gecon- 
strueerd: Non dubito quin in metu periculaque tuo tuorum tibi scele- 
rum veniat in mentem, doch ook persoonlijk met een pronomen 
of numerale als subj.: Veniunt in mentem mihi permulta. 

§ 414. Een genet, obiectivus staat verder bij de onpersoon- 
lijke werkwoorden miseret, paenitet, piget, pudet en taedet, 
om den persoon of de zaak aan te geven, die de oorzaak is der 
gewaarwording : zie § 380. 

Ook het persoonlijke misereor regeert den genetivus: Misere- 
mini familiae, iudices, miseremini patris, miseremini filii. 



§ 415. 



GENETIVUS. 



277 



Maar miserari en commiserari medelijden uiten, beklagen, 
bejammeren, zijn transitiva. 

Aanm. Bij pudet staat ook de persoon voor wien men zich 
schaamt in den genetivus: Si te municipiorum non pudebat, ne 
veterani quidem exercitus? — Pudet (me) deorum hominumque. 

3) Genetivus definitivus. 

§ 415. Bij de werkwoorden die beteekenen beschuldigen, aan- 
klagen, overtuigen, veroordeelen en vrijspreken staat: 

a) de schuld of misdaad in den genetivus: 

Eum tu accus as avaritiae, quern dicis sestertium viciens voluisse 
perdere? — Haec duo lev i tat is et infirmitatis plerosque con- 
vincunt: aut si in bonis rebus amicum contemnunt aut in malis 
deserunt. — Socratis responso sic iudices exarsemnt, ut capitis homi- 
nem innocentissimum condemnarent. — Judex absolvit iniu- 
riarum eum, qui Lucilium poetam in scena nominatim laeserat. 

b) de straf, vooral de boete, in den ablativus instrumen- 
talis (bij multare beboeten, straffen; doch ook bij damnare en 
condemnare veroordeelen): 

Miltiades capitis absolutus pecan ia multatus est. — US quin- 
quagenis milibus damnari: ieder tot (het betalen van) 50000 sester- 
tien (/ 5000) veroordeeld worden (Cic. Verr. 3, 69); quadruplo con- 
demnari (Cic. Verr. 3, 34). 

Aanm. 1. Deze genetivus werd vroeger als genet, definitivus (§ 404) 
beschouwd bij de substantiva in den ablat. crimine, iudicio, scelere en derge- 
lijke, die bij deze genetivi gewoonlijk weggelaten worden, maar zonder den 
genetivus regelmatig gebruikt worden (Quo crimine is esset accusatus 
praeterquam veneni (Cic. Cluent. 105), letterlijk: door (met) welke beschul- 
diging deze beschuldigd was behalve (door die) van vergiftiging, d. i. : 
van welke misdaad deze beschuldigd was behalve van vergif- 
tiging. — Accusatus est criminibus gravissimis (ibid. 59). Ofschoon blij- 
kens het gebruik van deze woorden de Romeinen dezelfde opvatting gehad 
hebben, bewijzen o. m. de Italische dialecten en de omstandigheid, dat deze 
gen. wisselt met de constructie met de (zie A. 2), dat we hier niet met eene 
ellipse te doen hebben maar met een ouden genetivus van betrekking, 
die datgene aangeeft, met het oog waarop men een. oordeel velt enz.. 

Aanm. 2. In bepaalde en vaststaande uitdrukkingen vindt men bij deze 
verba ook de praep. de in de plaats van den genet.: Ipsi debuerunt 
potius accusari de pecuniis repetundis quam ambitus; — accu- 
sare de vi, de veneficiis wegens gewelddadigheid, giftmenging. 

Verder zegt men: accusare inter sicarios wegens sluipmoord. 

Aanm. 3. Bij accusare in den zin van berispen heeft men de con- 
structie: aliquid alicuius, bijv. : inertiam accusas adulescentium gij berispt 
de traagheid der jongelieden, of: de jongelieden om hunne traagheid 
(Cic. de orat. 1, 246). 

Aanm. 4. Men zegt capitis damnare = rei capitalis damnare, over- 
eenkomstig a), doch ook capite damnare, overeenkomstig b), waarin caput 
de straf beteekent (het verlies van de vrijheid en van het leven). 



278 



SYNTAXIS. 



. §§ 416-417. 



§§ 417-419. 



ABLATIVUS. 



279 



4) Genetivus pretii. 

§ 416. Bij de werkwoorden die beteekenen schatten en achten 
als: aestimare (existimare), facere, putare, ducere, esse enz. staan de 
volgende genetivi om in het algemeen de waarde aan te geven 
waarop iets geschat wordt (genetivus pretii): 

magni, pluris, plurimi, 

permagni en ook maximi, 

parvi, minoris, minimi, 

tanti, quanti, nihili: 
Illud est hominis magni maximi aestimare conscientiam mentis 
suae. — Nostrum est honores si magni non put emus, non servire 
populo. — Agere considerate pluris est quam cogitare prudenter. — 
In honestate persequenda omnia pericula parvi sunt due en da. — 
Videte, indices, quanti vos, quanti existimationem populi Romani, 
quanti leges Verres fecerit. 

Aanm. 1. Zoo ook: flocci non facere geen zier achten. Men zegt 
liever pro nihilo ducere, habere, putare, dan nihili: Sanctissimas 
leges pro nihilo putavit. 

Aanm. 2. Deze genet, pretii is oorspronkelijk een genet, qualitatis 
bij het nomen geweest : uit res non magni pretii (attributief : § 409) ontwik- 
kelde zich: res non magni pretii est, en vervolgens: rem non magni pretii 
facio, daaruit (met weglating van pretii, dat echter ook toegevoegd kan 
worden): rem non magni facio. 

Aanm. 3. Wanneer eene bepaalde som moet worden aangegeven, ge- 
bruikt men den abl. pretii: § 455. 

§ 417. Wat de constructie der onpersoonlijke werkwoorden 
refert (perf. retulit) en interest er is aan gelegen, het komt 
er op aan, aangaat, merke men op: 

a) depersoon, wien aan iets gelegen is, staat in den genet, (in 
dit geval gebruike men echter alleen interest, niet refert, dat in het klas- 
sieke Latijn niet gaarne met den genet, van den persoon verbonden wordt 
en vrijwel alleen in de constructie mea enz. refert voorkomt) ; in de plaats 
der genetivi mei, tui enz. gebruikt men echter: mea, tud, sua, nostra, 
vestrd; dus: patris interest, eius interest; mea refert, mea interest, 
dicunt sua interesse; 

b) de zaak, waaraan iemand gelegen is, wordt niet door een 
substantivum, maar door eenen infinitivus (§ 570), eenen 
accus. cum infin. (§ 574) of eene afhankelijke vraag (§ 524) 
uitgedrukt, zelden door een bijzin met ut, ut non of ne; als subject 
kan er buitendien nog een pronomen in het neutrum aan toege- 
voegd worden: hoc, id, Mud; 

c) hoeveel iemand aan iets gelegen is, wordt door adverbia of 



ii 



door het neutrum van adiectiva en pronomina i) of door de 
genet, pretii magni, parvi, tanti, quanti (echter alleen door 
deze vier, niet door hunne comparativi of superlativi) aangewezen: 

Ipsi animi magni refert quali in corpore locati sint. — 
Sulla Boccho dixit, faciundum esse aliquid quod Romanorum 
mag is quam sua retulisse videretur. — Non ascripsi id, quod 
tua nihil referebat. 

Interest omnium recte facere. — Quid Milonis intererat 
interfici Clodium? — Thermitani magni sua putabant inter- 
esse publice emi (decumas). — Vestra hoc maxime interest 
esse test em. — Is valebat in suffragio plurimum, cuius plurimum 
intererat esse in optimo statu civitatem. — Illud mea magni 
interest, te ut videam. — Maxime interest quemadmodum 
quaeque res audiatur. ] 

Aanm. 1. Refert wordt meestal absoluut, dat is zonder casus, gebruikt. 
Aanm. 2. Over de oorspronkelijke beteekenis van refert bestaat geene 
zekerheid. Veelal neemt men thans aan, dat het ontstaan is uit res fert 
de zaak brengt het met zich, en van dit res het pron. poss. en de genetivus 
van den persoon afhangt: de pronomina hoc, illud, quid zijn in dit geval 
eigenlijk objecten bij refert : id mea re(s)fert: mijn belang brengt het mede; 
doordat men echter reeds vroeg re als een ablat. opvatte, zou uit een 
oorspronkelijk mea re(s)fert weldra mea refert zijn ontstaan. — Anderen 
houden re- voor een oorspronkelijken ablativus (= ex re), weer anderen 
gaan uit van een id (ad) meafsj refsj fert. 

Het jongere interest, dat in gelijke beteekenis gebezigd werd, zou zich 
dientengevolge in zijne constructie geheel bij refert aangesloten hebben: 
alleen ging men hier verder, door een genetivus van een nomen te ge- 
bruiken. — Volgens anderen hangt de genetivus bij interest niet van dit 
woord zelf af, maar van het bijwoord van hoeveelheid multum, quantum 
en dergelijke : bijv. multum interest rei familiaris tuae te quam primum 
venire, eigenlijk: veel van uw vermogen is er tusschen, is er bij (gemoeid), 
dat gij enz.. Van dit gebruik zou dan de genetief op andere zinnen met 
interest overgegaan zijn. 

Aanm. 3. Interest met de beteekenis er is verschil, wordt met inter 
verbonden : Inter me et te interest er is onderscheid tusschen ons. 

[§ 418]: zie § 480a. 

IV. DE ABLATIVUS. 

§ 419. De Latijnsche ablativus, dien wij alleen. door middel van 
voorzetsels kunnen weergeven, is van huis uit een adverbale casus, 



magis, maxime 



1) magnopere 
vehementer 
multum, plus, plurimum 
non multum s 



minus, minime 



parum 

quantum, tantum, quantopere 

nihil, quid, allquld enz.. 



280 



SYNTAXIS. 



§§ 420-421. 



' 



§§ 421-422. 



ABLATIVUS. 



281 



d. i. hij dient tot nadere bepaling van het verbum. Eigenlijk omvat 
hij drie naamvallen, namelijk: 

10 den eigenlijken ablativus (of separativus), die verwij- 

dering aanduidt en antwoordt op de vraag: van waar? 
20 den locativus (of ablativus localis), die de plaats aan- 

geeft en antwoordt op de vraag: waar? 
30 den instrumentalis (sociativus),- die het middel of werk- 

tuig en de begeleiding aangeeft en antwoordt op de vraag: 

waarmede? 

In het Latijn zijn deze drie oorspronkelijk zelfstandige casus tot een 
gemengden naamval, den ablativus, samengesmolten (vgl. § 54 en A.). 
Alleen van den locativus zijn nog enkele sporen overgebleven. 

Aanm. 't Is dikwijls zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk, te bepalen, tot 
welken van deze drie naamvallen een bepaalde ablativus behoort. Men 
gaat het veiligst door te letten op de praeposities, die den ablativus kun- 
nen ■ begeleiden. Zoo hebben wij bijv. den zoogenaamden ablat. limita- 
tion is (§ 428) tot den eigenlijken ablat. gebracht, omdat hij vergezeld 
kan gaan van de praep. ex. 

Ook kan men vragen, met welken anderen naamval de ablat. afwisselt. 
Zoo is bijv. de ablat. bij opus est tot den eigenlijken ablat. gerekend, 
omdat in plaats daarvan bij Plautus, Propertius, Livius en Quintilianus 
p. a. somtijds de genetivus staat, waaruit schijnt te blijken, dat het begrip 
van waar? voor het bewustzijn heeft gezweefd. - Zie ook § 422, A. 2. 

a. De eigenlijke ablativus. 

1) Ablativus separativus in engeren zin. 

§ 420. De namen van steden en kleine eilanden, benevens 
de appellativa domus en rus, staan op de vraag: van waar? in 
den ablativus zonder praepositie: 

Cicero cum esset biennium versatus in causis Roma est profectus. — 
Dolabella Delo proficiscitur. — Hannibal K.arthagine expulsus 
Ephesum ad Antiochum venit exsul. — Duae fuerunt Ariovisti uxores, 
una Sueba natione, quam do mo secum duxerat, altera Norica. — Ego, 
cum Tullius rure redierit, mittam eum ad te. 

Bij andere substantiva, ook wanneer zij voor eigennamen van 
steden of eilanden staan, gebruikt men de praepos. ab, de of ex: 
Vercingetorix expellitur ex oppido Gergovia. 

Aanm. 1. Ab voor den eigennaam eener stad beteekent: van de om- 
streken weg: Caesar consilia inibat, quemadmodum ab Gergovia discederet. 

Aanm. 2. Deze ablativus kan ook afhangen van een substant. verbale: 
Alexandred discessus het vertrek van Alexandria (Cic. Att. 11, 18, 1). 

§ 421. a) Bij de werkwoorden, die eene scheiding en verwij- 
dering te kennen geven (verba separandi), als: cedere, pellere, prohi- 



bere, arcere, abstinere en dergelijke, staat de ablat. met of .zonder 
de praeposities ab, de, ex, om te kennen te geven, vanwaar de 
scheiding of verwijdering plaats vindt: 

cedere vita en e vita uit het leven scheiden 

(exjpellere faro en e faro van de markt drijven 

prohibere Syria uit Syrie houden 

prohibere ab insula Sicilia van het eiland Sicilie afhouden 

arcere reditu beletten terug te keeren 

arcere a templis verre houden van de tempels 

(se) abstinere sceleribus en ab sceleribus zich van misdaden onthouden 

aqua et igni interdicere alicui iemand verbannen 

se abdicare magistratu (niet met praep.) een overheidsambt neerleggen 

intercludere aliquem aliqua re iemand van iets afsnijden, afsluiten. 

De meeste met ab, de en ex samengestelde werkwoorden herhalen de 
praepositie : 

abducere ab; abesse ab; decedere de, ex; depellere de, ab, ex; evadere ex; exire ex. 

Andere verba separandi hebben gewoonlijk alleen den ablativus, vooral 
in bepaalde uitdrukkingen, bijv. : 

tribu movere (van den censor) uit de tribus verwijderen 
movere possessionibus uit de bezittingen verdrijven 

fagd desistere ophouden te vluchten 

causa (formula) cadere zijn proces verliezen: 

Nemo loco cessit, sed circumventi omnes interfectique sunt. — Eum num- 
quam incursiones hostium loco movere potuemnt. — Nemo (Germanorum) 
agri modum certum aut finis habet proprios, ne potentiores humiliores posses- 
sionibus expellant. — Ea spe deiecti hoc conatu destiterunt. — 
Interclusus itinere Caesar in provinciam contendit. 

Aanm. 1. De constructie aqua et igni interdicere alicui berust op 
vermenging van interdicere alicui aquam et ignem en intercludere 
aliquem aqua et igni. 

b) De werkwoorden, die bevrijden beteekenen, als: liberare, solvere, levare 
ontheffen, vacare vrij zijn, supersedere vrij zijn, ontheven zijn, hebben 
gewoonlijk alleen den ablat., zonder praepositie: 

Quis beatiorem quemquam putet quam eum, qui sit omni perturbatione 
animi liberatus? — Ut religione civitas solvatur, civis Rpmanus dedi- 
tur? — Utinam vellent me labore hoc levare. — Vacare culpa magnum 
est solacium. — Supersedeas hoc labore itineris. 

Aanm. 2. In de beteekenis vrij zijn voor iets, tijd hebben voor 
iets heeft vacare den dativus: Ego philosophiae semper vaco voor de 
wijsbegeerte heb ik altoos tijd (Cic. div. 1, 11). 

2) Ablativus copiae et inopiae. 

§ 422. De werkwoorden, die een gebrek, een gem is te kennen 
geven of het tegendeel daarvan (verba copiae et inopiae), hebben 
den ablativus zonder praepositie: 



> aliqaem aliqua re 



iets missen, iets ontberen 
gebrek lijden aan iets 

iets in overvloed hebben, overvloed 
[hebben van 

iemand van iets berooven : 



282 syntaxis. § 423. 

carere aliqua re 

egere » „ 

abundare \ 

redundare > aliqua re 

affluere ) 

privare 

orbare 

spoliare 

nudare 

Miserum est carere consuetudine amicorutn. — Domo patriaque 
expulsi omnibus necesssariis egebant rebus. — Verres rebus 
omnibus undique ereptis circumfluebat atque abundabat. — 
Antiochia quondam erat urbs eruditissimis ho minibus adfluens. — 
Democritus dicitur se oculis privasse ut quam minime animus a cogi- 
tationibus abduceretur. — Veterem Karthaginem P. Africanus, nudatam 
tectis atque moenibus, ad aeternam hominum memoriam consecravit. 

Aanm. 1. Indigere heeft meer den genet, dan den ablat. : non tarn 
artis indigent quam laboris zij vereischen niet zoo zeer kunst als inspan- 
ning (Cic. de orat. 1, 156). 

Aanm. 2. Dat ook bij werkwoorden van overvloed het begrip van 
scheiding en verwijdering (de bron waaruit de overvloeiing 
voortkomt) den ablativus bewerkte, blijkt uit de constructie met ex en met 
den genet., die somtijds bij deze werkwoorden (ook bij Cicero) gevonden 
wordt (bij redundare zelfs dikwijls). 

§ 423. a) Ook adiectiva, die de begrippen van verwijdering, 
scheiding, vrij zijn, gebrek en overvloed te kennen geven en 
dus, wat hunne beteekenis aangaat, met participia van de verba copiae 
et inopiae overeen komen, kunnen den enkelen ablativus bij zich 
hebben : 
alienus vreemd aan, niet overeenkomende met: Id est alie- 

num maiestate deorum; 
liber vrij van: (Sapienlis) animus omni est liber cura et angore; 
orbus beroofd van (gewoonl. orbatus): orbus rebus omnibus; 
vacuus: ontbloot van, zonder: vacua moenia defensoribus. — 

Vacui metu esse debemus. 

b) Gewoonlijk echter hebben alienus, liber en vacuus de 
praepos. ab, die altijd bij alienus gevonden wordt, wanneer het de 
beteekenis heeft: afkeerig van: 

Homo sum; humani nihil a me alienum puto. — A Pyrrho propter 
probitatem eius non nimis alienos animos habemus. — Ab omni 
animi perturbatione liber est. — Provincia a praedonibus 
libera. — Oppidum vacuum ab defensoribus esse audiebat. " 

Aanm. Ook tutus beveiligd, veilig, heeft ab = tegen: Sieilia a 
belli periculis tuta erat. 









\% 424-425. 



ABLATIVUS. 



283 



c) Overigens hebben de adiectiva copiae et inopiae in den 
regel den genet, (zie § 410). 

Aanm. JRefertus (eig. part. perf. pass, van refercio) volgestopt, vol, 
heeft gewoonlijk bij zaaknamen den ablativus, bij persoonsnamen 
den' genetivus: Insula Delos erat referta divitlis. — Referta Gallia 
negotiatorum est. 

§ 424. De onpersoonlijke uitdrukking opus est er is noodig, 
lieeft den ablat. van de zaak, die men noodig heeft; de per- 
soon, voor wien iets noodig is, staat in den dativ.: 
opus mihi est aliqua re; 

opus est kan echter ook persoonlijk gebruikt worden en heeft 
dan gewoonlijk een pronom. neutr. gener. tot subject: Mud mihi 
opus est; 

eindelijk kan bij opus est een infinitivus of een accus. cum 
infinit. gevoegd worden: 

Quid nunc te, asine, litteras doceam? non opus est verbis, sed 
fustibus. — Quid tibi pecunia opus est, si uti non potes? — 
Quid cuique opus esset indagare solebat. - Nihil opus est exem- 
plis hoc facere longius. — Causam cognosci opus est. 

Aanm. 1. In plaats van een infinit. staat somtijds de ablat. van het 
partic. perf. pass.: Prius quam indpias consulto, et, ubi consulueris 
mature facto opus est. 

Bij Livius en eenige anderen vindt men een enkel maal den genetivus, 
in plaats van den ablat.. 

Aanm. 2. Dezelfde beteekenis als opus est heeft de oudere uitdrukking 
usus est, die dikwijls bij Plautus en Terentius voorkomt, maar in Cicero's 
dagen reeds verouderd was; de ablat. bij deze uitdrukking is de instru- 
mental is (vgl. den ablat. bij utor (§ 454), van welk werkwoord usus een 
subst. verb, is) : Jiac re mihi usus non est, eig. : ik heb geen nut door 
(van) deze zaak. — Sommige geleerden meenen, dat usus est het voorbeeld 
is geweest, waarnaar de constructie van opus est (dat oorspronkelijk den 
nominativus zou gehad hebben : auctor mihi opus est) gevormd is, zoodat 
de ablat. bij opus est een instrumentalis zijn zou: zie echter § 419 Aanm.. 

3) Ablativus originis. 

§ 425. Bij de werkwoorden nascor en orior staan de ablativi 
originis genere en loco (stand), zonder praepositie, gewoon- 
lijk ook matre, patre, parente, parentibus, om de afkomst 
aan te geven. 

Overigens bezigt men de praep. ex en ab, bepaaldelijk wanneer eene 
meer verwijderde afkomst of afstamming wordt aangeduid (waar- 
voor orior, niet nascor, gebruikt wordt), en bij pronomina: 

Homines tenues, obscuro loco nati, navigant. — Non idem mihi 
licet quod Us, qui nob Hi genere nati sunt. — Mercurius unus 
Caelo patre, Die matre natus. — Omnes leges omniaque iudicia 



284 



SYNTAXIS. 



§§ 426-427. 



ex improborum iniqaitate et iniuria nata sunt. - Neocles uxorem 
Acarnanam civem duxit, ex qua natus est Themistocles. — A Phoe- 
nicibus orti Poenl nihil se degenerasse docuerunt. 

Aanm. 1. Wanneer locus eenvoudig de plaats aangeeft, waar ieraand 
geboren is, gebruikt men natuurlijk in : In eo loco ipsum Apollinem natum 
esse arbitrantur. — Cicero zegt gewoonlijk: in familia natus, Caesar zon- 
der praepositie. 

Aanm. 2. Dichters en latere prozaschrijvers gebruiken nog andere parti- 
cipia op deze wijze: prognatus, genitus, satus, editus, cretus. Cicero heeft 
nog generatus met enkelen ablat. : Herculis stirpe generatus (rep. 2, 24). 

4) Ablativus rei efficientis. 

§ 426. De ablat. rei efficientis wordt bij werkwoorden in het 
passivum gebruikt om de zaak aan te duiden, waardoor iets be- 
werkt wordt: 

Undique loci naturd Helvetii continentur. - Aquilifer magna 
multitudine host turn premebatur. - Hie ira dementiaque inflam- 
matus numquam a me manus abstinebit. 

Wanneer bij passieve en intransitieve werkwoorden een persoon 
als bewerker wordt opgegeven, gebruikt men de praepositie ab 
met den ablat. (vgl. § 374 en § 433): 

Treveri ab Qermanis premebantur. — Alexander ab Apelle potis- 
simum pingi volebat. 

Aanm. 1. - Over per bij persoonsnamen zie § 390, over den dativus 
bij het gerund. § 397. 

Aanm. 2. Dikwijls wordt in 't Latijn een abl. rei efficientis met 
een participium passivi verbonden, waar wij in onze taal het partici- 
pium weglaten en alleen een substantivum met een voorzetsel gebruiken. 
Dit geschiedt vooral, wanneer de substantia eene gemoedsgesteldheid uit- 
drukken. Vertaal dus: 

Hij deed het uit medelijden : Misericordia ad duct us fecit (Cic.Mur.62) 
Uit haat sloeg hij hem dood: In census odio eum trucidavit (Cic. Mil. 63) 
Uit vrees voor straf (vluchtte hij) : Timore poenae exterritus (fugit) (Caes. 

Gall. 7, 43). 

Aanm. 3. Dikwijls worden zaken als personen voorgesteld en dus ab 
gebruikt, somtijds ook personen als zaken. Wanneer Caesar zegt: a multi- 
tudine hostium premi (Gall. 4, 33; civ. 1, 46), dan is dit eigenlijk eene 
constructio ad sententiam (zie § 366). 

Dieren worden gewoonlijk als personen beschouwd. 

5) Ablativus causae. 

§ 427. De ablativus causae dient om den grond of de oor- 
zaak aan te geven: 



§ 428. 



ABLATIVUS. 



285 



1° bij intransitieve werkwoorden, in 't bijzonder bij de verba 
affectuum, als doleo, gaudeo, glorior, laetor enz.: 

Mobilitate et levitate animi nonnulli Qalli novis imperiis stude- 
bant. — Vetus Oraecia quondam opibus, imperio, gloria floruit, 
hoc uno malo concidit, libertate immoderata ac itcentia con- 
tlonum. — Ardebant desiderio met. — Oportet delicto dolere, cor- 
rectione gaudere. 

20 bij transitieve werkwoorden in het activum (echter alleen 
van abstracta): 

Dissensione et pertinacia rem in summum periculum dedu- 
cunt. — Romani Collatinum innocentem suspicione cognationis 
expulerunt et reliquos Tarquinios offensione nominis. — Caesari 
dictatori perpetuo Antonlus consul populi iussu regnum detulit. — 
Feci rogatu tuo. 

6) Ablativus limitationis of respectus (van beperking). 



§ 428. a) De ablativus limitationis bevat eene beperking 
van het praedicaat, in zooverre hij het standpunt aangeeft, van waar 
men oordeelt; hij antwoordt op de vraag: in welk opzicht? 

Epaminondas fuit disertus, ut nemo ei Thebanus par esset eloquen- 
tid. — Non tu quidem totd re, sed temporibus errasti. — Agesilaus 
claudus fuit alter o pede. 

b) Met deze beteekenis staat de ablat. ook bij de werkwoorden van: 

schatten: aestimare, putare 

meten: metiri, pendere (wegen) 

oordeelen: iudicare, finire (bepalen) 

vergelijken: conferre, congruere (overeenstemmen) 

verschillen: differre, discrepare: 

Aquitania et regionum latitudine et multitudine hominum 
tertia (pars) Galliae aestimanda est. — Magnos homines virtute 
metimur, non fort una. - Qalli spatia omnis temporis non 
numero dierum, sed noctium finiunt. - Quern cum Democnto 
conferre possumus non modo ingenii magnitudine, sed eliam 
animi? - Belgae, Aquitani, Celtae lingua, institutis, legibus, 
inter se differ unt. 

Aanm. 1. Men verwarre dezen abl. bij aestimare niet met den abl. en 
genet, pretii: vgl. § 416 en § 455. 

Aanm. 2. Zeer dikwijls vindt men bij den ablat. ook de praepositie ex: 
Te non ex fortuna, sed ex virtute tua pendimus. — Quod sit omni ex 
parte perfectum wat in elk opzicht volmaakt is (Cic. Lael. 79). — Deme- 
trius Phalereus ex doctrina nobilis et clams (Cic. Rab. perd. 23). - Zelden komt 
ab in dezen zin voor : zie § 433 einde. Vergelijk verder § 390, ad 3 c). 



.286 



SYNTAXIS. 



§§ 429-430- 



Aanm. 3. Dezen ablat. vindt men ook in de uitdrukkingen mea sen- 
tentia naar mijne meening, meo iudicio, nomine; mea opinione; 
natione, specie, re, enz. : 

In Gallia factionum principes sunt, qui summam auctoritatem eorum 
iudicio habere existimantur. — Sunt quidam homines non re, sed 
nomine. 

7) Ablativus mensurae. 

§ 429. Voor comparativi en woorden, die het begrip van eenen 
comparatief uitdrukken {infra, supra, superare, praestare, antecedere enz.), 
staat de ablativus, om de maat aan te duiden van het meer of minder, 
dus als antwoord op de vraag: hoeveel? 
multo maior veel grooter quo maior hoe grooter 

paulo maior een weinig grooter eo maior des te grooter 

tanto maior zoo veel grooter paulo supra een weinig boven : 

Sol multis partibus maior est quam terra universa. - Hibernia 
dimidio minor est quam Britannia. - Recte monent, ut, quant o 
superiores simus, tanto nos geramus summissius. - Uri sunt 
magnitudine paulo infra elephantos. 

§ 430. Deze ablativus staat ook bij ante en post, die als bijwoord 
beteekenen vroeger en later, als voorzetsel voor en na. 
Wat de plaatsing betreft merke men op: 

1° zijn ante en post bijwoorden, dan moet de ablativus voor 
ante en post geplaatst worden, behalve wanneer hij uit een substan- 
tivum en een telwoord bestaat: in dit geval kunnen ante en post 
tusschen deze twee in staan; * 

2« zijn ante en post voorzetsel s, dan staat de accus. altijd a c fa- 
te raan, terwijl de ablat. vddr ante en post kan staan, of op den 
ace. volgen: 

1°. Biduo post Ariovistus ad Caesarem legates mittit. - Parthi 
paulo ante M. Crassum imperatorem interfecerant. - Socrates 
supremo vitae die de immortalitate animorum multa disseruit et 
paucis ante diebus, cum facile posset educi e cusiodia, noluit. - 
Iudices multis post sae cutis de te iudicabunt. 

20. Homerus annis multis fuit ante Romulum. - Post 
Clisthenis aetatem aliquot annis Themistocles fuit. 

Aanm. Zoo ook met quam: ante aliquanto quam est mortuus 
eenigen tijd, voor hij stierf. 

In plaats van ante quam en post quam met den ablat. kan men ook 
ante en post als praeposities nemen en door quam laten volgen; men 
gebruikt dan gewoonlijk ordinalia in de plaats van cardinalia: Ari- 
stides decessit fere post annum quartum, quam Themistocles Athenis 
erat expulsus (voor tribus annis of quarto anno quam enz.). 



§§ 431-433. 



ABLATIVUS. 



287 



§ 431. Denzelfden ablat. kan men gebruiken bij werkwoorden, die eene 
verwijdering te kennen geven, om de mate der verwijdering aan te 
duiden, waarvoor gewoonlijk de accus. staat (§ 388); regel zijn zoo de abla- 
tivi spatio en intervallo: Sulmo a Corfinio VII milium intervallo abest. — 
Castra Cleopatrae non longo spatio ab Ptolemaei castris distabant. 

8) Ablativus comparativus (of comparationis). 

§ 432. Het standpunt vanwaar men beoordeelt, wordt ook aan- 
geduid door den ablativus comparativus (abl. van vergelijking),. 
dien men na comparativi vindt voor onze omschrijving met dan, 
dat het klassieke Latijn gewoonlijk door quam weergeeft: 

Nihil est amabilius virtute, eigenlijk: van het standpunt der deugd 
uit beoordeeld is niets beminnelijker. 

Gewoonlijk zijn de vergelekene voorwerpen subject: 

Nihil lacrimd citius arescit (= quam lacrima). — Quern auctorem 
de Socrate locupletiorem Platone laudare possumus (of quam 
Plato est)? — Hero do turn cur veraciorem ducam Ennio (= quam 
Ennius erat: vgl. § 469)? 

Het pronomen relativum, afhankelijk van eenen compa- 
rativus, staat altijd in den ablativus, nooit met quam: 

Phidiae simulacris, quibus (niet quam quae) nihil in Mo genere 
perfectius vidimus, cogitare tamen possumus pulchriora. 

Aanm. 1. De omschrijving met quam is de jongere constructie: zij 
ontstond waarschijnlijk door contaminatie van filius minor est patre en 
filius tarn parvus est quam pater: vgl. ons als in de spreektaal: hij is. 
grooter als zijn broer. 

Aanm. 2, Den ablat. comparat. vindt men in het klassieke proza hoofd- 
zakelijk nog in bepaalde uitdrukkingen als: plus aequo meer dan billijk; 
longius necessario verder dan noodig; opinione maior grooter dan 
men meent (of denkt), enz.; opinione celerius; vita carior, enz.; en 
in negatieve zegswijzen (zie de voorbeelden hiervoor). 

Praeposities bij den eigenlijken ablativus. 



§ 433. Aanschouwelijker en bepaalder wordt de eigenlijke ablativus omschre- 
ven door de praeposities ab, de, ex. 

l) Ab (abs, a: § 312, A. 1) van-weg: a) van plaats: van, van-af, tegen- 
over ad: Sidera ab ortu ad occasum commeant. - — A tergo, a fronte, a latere, 
van achteren, van voren, van ter zijde. Deze aanschouwingswijze hebben 
de Romeinen ook, waar wij eene andere volgen: a laeva, a dextera aan de 
linker-, aan de rechterhand. 

Somtijds vertalen wij ab door aan de zijde van: Cappadocia patet a 
Syria. — Nemo a senatu et a bonorum causa stetit constantius. 

Verder: tutus ab (§ 423, b) A.); defendere, tueri ab beschermen tegen;. 



288 



SYNTAXIS. 



§§ 434-435. 



b) van tijd: ab eo tempore; ab hora tertia; a pueritia, a puero van de 
jeugd af, van kindsbeen af; ab initio, ab ineunte (of prima) aetate enz. ; 

c) overdrachtelijk: Quae nonnunquam requirimus in Catone, ea sunt 
omnia non a natura, verum a magistro. — Quid sentiant ii, qui sunt ab 
ea disciplina, nemo ignorat. 

Somtijds is ab te vertalen door wat betreft (vgl. § 428 en A. 2): Nihil isti 
adulescenti neque a natura neque a doctrina deesse sentio. 

Over ab bij passieve en intransitieve werkwoorden, wanneer het logische 
subject een persoon of persoonlijk gedachte zaak is, van wien de handeling 
uitgaat, zie § 426. 

§ 434. 2) De van, van-af: a) van plaats. De onderscheidt zich van ab 
in zooverre als het eene scheiding of verwijdering beteekent van twee verbon- 
dene zaken, of ook eene beweging van boven naar beneden, terwijl ab 
eene verwijdering uit de nabijheid, uit den omtrek, te kennen geefh 
Civi Romano anulus de digito detractus est. — Signum de caelo delap- 
sum Vestae custodiis continetur. — De caelo tangi door den bliksem getroffen 
worden ; 

b) van tijd: de media node te middernacht, de die overdag. — Non 
bonus somnus de prandio; 

c) overdrachtelijk: over, bij werkwoorden en substantieven van spreken, 
vernemen, oordeelen enz.: Ut vos nunc de vestris maioribus praedi- 
catis, sic vestri posted de vobis praedicabunt. — L. Piso primus de 
pecuniis repetundis legem tulit. -Van, uit: aliquis de populo iemand 
uit het volk; homo de plebe, navem de classe. — Met: Quid te facturum 
de belua putas? 

Aanm. In gelijken zin als met de worAt facere ook met den enkelen 
ablat. geconstrueerd : Quid hoc ho mine facias? wat moet men met zulk 
een man beginnen? (Cic. Verr. 2, 40). — Daarnaast: Quid huic homini 
facias ? (Cic. Caecin. ,30). 

§ 435. 3) Ex (e: § 312, A. 1) uit, geeft eene verwijdering te kennen van 
binnen uit: 

a) van plaats: Permulti et ex urbe et ex agris se in castra Catilinae 
conferre dicuntur. — Desilire ex equo van het paard springen. (Men zeide: 
sedere in equo te paard zitten). — Ex equis colloqui te paard met elkan- 
der spreken. — Pendere ex arbore aan den boom hangen. (Zoo ook over- 
drachtelijk: Ex unius tua vita pendet omnium.) — Ex itinere onderweg, 
op marsch. — Ex fuga op de vlucht. — Ex contrario integendeel. — 
Ex magna parte grootendeels. — Ex altera parte van den anderen kant; 

b) van tijd: ex illo tempore van dien tijd af; diem ex die van dag tot 
dag, dag aan dag; ex eo, ex quo sedert; ex tempore terstond, voor de 
vuist; ex fuga na de vlucht; 

c) overdrachtelijk: oorsprong: Ad Cantium fere omnes ex Gallia 
naves appelluntur. — Audire ex aliquo van iemand hooren. — Statua 
ex aere facta est van metaal. — Ex pauperrimo dives factus est van 
zeer arm enz.. 

Overeenkomstig, naar: Est autem iinus dies bene et ex praeceptis 
philosophiae actus peccanti immortalitati anteponendus. — Rede et ordine ex- 






\ 



§§ 436-437. 



ABLATIVUS. 



289 



que re publica facere overeenkomstig het belang van den staat (Cic. Phil. 
3, 38). — Ex auctoritate senatus overeenkomstig, krachtens het besluit 
van den senaat. 

Wijze: Ex usu ten voordeele, ten nutte van.-f* animo oprecht.- 
Ex improviso onverwachts. 

b. De locativus (ablativus localis). 

1) De locativus. 

§ 436. Om de plaats aan te geven waar, en den tijd waarop 
iets geschiedde (of was), bezat het Latijn oorspronkelijk een afzonder- 
lijken naamval: den locativus. In den historischen tijd zijn echter van 
dezen casus nog slechts bij enkele woorden sporen ovcrgebleven, hoofdza- 
kelijk bij eenige a- en o-stammen in den singularis; wat den vorm betreft, 
viel hij hier samen met den genetivus singularis, en werd 
dientengevolge door de Rom. grammatici ook als een genetivus beschouwd. 

Aanm. Dat de locativus der a- en o-stammen eigenlijk geen genetivus is, 
blijkt reeds daaruit, dat hij in den pluralis niet met den genetivus, maar met 
den dat.-abl. samenvalt: Romae, maar Athenis (§ 438); vgl. ook §98, A. 3. 

Het suffix van den locativus' was oorspronkelijk -i, dus voor de a- 
stammen -ai (een lange tweeklank: eenlettergrepig dus), evenals voor den 
dat, terwijl de genet, sing, -a! had (tweelettergrepig en met -I); zoowel 
*Romai (tweelettergrepig) als *Romd-i (drielettergrepig) werd echter Romae. 
Evenzoo werd bij de o-stammen de locat. *Delei gelijk aan den genet. 
*Deli. Zoo kon -I (in plaats van -i) als locatiefsuffix beschouwd en op 
consonantstammen als ra/7 overgedragen worden. Vgl. § 91a, A. 2 en § 98, A. 3. 

§ 437. a) Op de vraag: waar? wordt in het klassieke Latijn als 
afzonderlijke naamval nog de oude locativus gebruikt: 

1° bij de namen van steden en kleine eilanden, voorzoo- 
ver zij singularia en a- of o-stammen zijn: 

Romae te Rome, RhodI te (op) Rhodus; 

bij de pluralia valt de locativus geheel samen met den dat.-abl: 
zie § 438. 

Aanm. 1. Een appellativum als urbs, oppidum, insula bij den eigen- 
naam, heeft de praepositie bij zich: 

Albae, in urbe opportund. 
Staat de naam van de stad als appositie bij zulk een appellativum, dan 
gebruikt men den ablativus: 

in urbe Antiochia. 
2« bij de appellativa domas huis, humus grond, rus land, en 
(bijna steeds in bepaalde zegswijzen) bij enkele andere: 
domi manere te huis blijven 

humi iacere op den grond liggen 

ruri habitare op het land wonen 

domi militiaeque \ te huis en te velde, in vredes- 






doml bellique 
WOLTJER, Lat. Oramm. 6e druk. 



en in oorlogstijd. 



19 



290 



SYNTAXIS. 



§§ 437-438. 



Zoo ook: 

domi meae bij mij thuis 

doml nostrae bij ons Ihuis 

doml Caesaris in Caesars huis, enz. : 

Parvi /oris sunt arma, nisi est consilium do mi. - Animus in cor- 
pore est tanquam alien ae do mi. 

Aanm. 2. Doml meae is de oudere uitdrukking. Bij Nepos e. a. (echter 
niet bij Cicero en Caesar) vindt men ook: in domo mea, tua, sua enz., 
zoo ook: in domo patris enz.. De constructie met in verdient de voorkeur, 
wanneer bij domus nog een adiectivum komt: 
in domo locapleti. 

Aanm. 3. In de handschriften vindt men somtijds den vorm domui; 
men gebruike echter alleen domi: vgl. § 128, A. 2. 

Aanm. 4. Militiae en belli worden ook, hoewel veel minder dikwijls, 
nog op andere wijze in verbinding met domi gebruikt, bijv. : domi militiae, 
et domi et militiae, aut militiae aut domi (Cic), infelicior domi quam 
militiae (Liv.) ; - belli aut domi; vel belli vel domi; qui belli, qui domi de 
patria bene merentes (Cic.) ; animus belli Ingens, domi modicus (Sail. lug. 
63, 2). Alleen komen de locativi militiae en belli zeer zelden voor. 

Aanm. 5. Bij verba (in de poezie en het latere proza ook bij adiectiva), 
die een gemoedsbeweging of gemoedstoestand te kennen geven, vindt men 
zeer dikwijls den locativus animi, die echter door de Romeinen zelf reeds 
spoedig als genetivus werd beschouwd {ingens virium atque animi (Sail.)): 
Appropinquans aliquod malum metuit et pendet animi - Angor animi. - 
Dubius animi (Verg.). Men zegt echter ook in antmo, somtijds ook 
animo alleen. 

b) Op de vraag: wanneer? heeft het klassieke Latijn den locativus bijna 
nog alleen in vesperl des avonds (§ 128). 



Aanm. 6. In het oudere Latijn vindt men nog temperi (= 
luct (= luce), noctu e. d.. 

2) De ablativus local is. 



tempore), 



§ 438. Overigens gebruikt men in het klassieke Latijn op de vraag: 
waar? en wanneer? den ablativus localis, meestal met eene 
praepositie. 

1°. De ablativus loci. 

a) Op de vraag: waar? staan de namen van steden en kleine 
eilanden voorzoover zij geen a- of o-stammen in den singularis 
zijn (§ 437), benevens de woorden terra en mare in bepaalde uitdrukkingen, 
in den enkelen ablativus; de namen van landen en grootere 
eilanden daarentegen, en verder de appellativa (behalve de in 
§ 437 genoemde) in den ablativus met de praep. in: 



1 



§§ 439 440. 



ABLATIVUS. 



291 



A t hen is te Athene 
Baby lone te Babylon 

terra marique 
et terra et mari 



in Italia in Italie 
in urbe in de stad 

te land en ter zee: 



Ita multa Romae geruntur, ut vix ea, quae fiunt in provinciis, 
audiantur. - Talis Fabricius in hac urbe (Romae) quails Aristides 
A then is fait - Babylone Alexander est mortuus. - Fait Argan- 
thonius quidam Qadibus, qui octoginta regnaverat annos, centum 
viginti vixerat. - Rhodi ego non fui, sed fui bis in Bithynia. - 
Praepotens terra marique Karthago Romanorum imperio imminebat. 

Aanm. Ook hier geldt de regel van § 437, A. 1 : Neapoli in celeberrimo 
oppido (Cic. Rab. perd. 26). Vgl. § 387, A. 1. 











O v er z l c 


ht: 








R 


->mam t Athenas 


Babylonem,domum,rus 


ire 


naar .. gaan 


















(§ 387) 


R 


imae 


, Athenis, 


Babylone, domi, 


ruri 


esse 


te(in).. zijn 


R 


imd, 


Athenls, 


Babylone, domo, 


rure 


prof icisci van 


.. ver- 
















trekken 


(§ 420) 




ad 


(of in) urb 


em, 


in provinciam 


in Siciliam 


ire 






in 


urbe, 




in provincid, 


in Sicilia 


esse 






ex 


urbe, 




e provincid, 


e Sicilia 


prof icisci. 



§ 439 b) De ablativus loco wordt gewoonlijk zonder de prae- 
positie in gebruikt, wanneer er eene nadere bepaling, adiectivum 
of pronomen, bij staat (vgl. § 425 A); zoo ook in 't meervoud locis: 

Cogita quo loco sis. - Rhodanus nonnullis locis vado trans- 
itur. - Praetorem quaestori parentis loco esse oportet. 

Aanm. 1 [§ 440, A. 2]. Ook enkele andere woorden: liber, tnttium, 
prlnctplum, worden in den ablat. zonder praepos. gebruikt op de 
vraag: waar?: 

primo llbro in het eerste boek; superlore llbro in het voorgaande boek; 
alio llbro, alils Ubris in een ander boek, in andere boeken; his libris in 
deze boeken; Initio, princlplo orationis meae in 't begin mijner rede; quod 
initio dixlstl wat gij in 't begin gezegd hebt. 

Wanneer bij deze woorden de praepositie in gebruikt wordt, wat bij 
liber zeer dikwijls, bij Inttlum en prlnctplum zelden geschiedt, duidt men 
daardoor meer eene bepaalde plaats of plaatsen aan. 

Aanm. 2. Bij parte en partlbus doet men beter, de praepositie in 
(ab, ex) te bezigen, ofschoon zij somtijds zonder praepositie voorkomen, 
wanneer er bepalingen bij staan : ea parte, dextra parte, enz.. 

§ 440. c) Om eene verbreiding over eene plaats aan te 
geven, gebruikt men den ablat. localis zonder praep., wanneer 
bij het woord dat eene plaats aanduidt, lotus staat: 

19* 



292 



SYNTAXIS. 



441-442. 



§§ 443-444. 



ABLATIVUS. 



293 



Tot is castris teslamenta obsignabantur. — Nulla amquant civitas 
lota Asia et Graecia slgnum ullum, tabulam ullam pictam, sua 
voluntate cuiquam vendidlt. 

Aanm. 1. Sterker dan de ablat. is per: tota Italia over geheel Italie; 
maar per totam Italiam geheel Italie door, waarbij men meer aan een 
doortrekken denkt. Vgl. § 390, 29. 

Aanm. 2. Wanneer bedoeld wordt binnen de grenzen van, gebruikt 
men ook bij totus den abl. met in: Nego in tota Sicilia ullum argenteum 
vas fuisse, quin Verres conquisierit (Cic.Verr. 4, 1). Zieook§487, 2devoorb.. 

§ 441. d) De ablativus localis zonder in, staat bij de werk- 
woorden: tenere, continere, recipere, excipere, contendere, superare en som- 
tijds ook bij eenige andere, op de vraag waar?, waar wij in gebruiken: 

Memoria tenere in zijn geheugen hebben. — Recipere 
tecto in zijn huis opnemen. - Silvis occultare in de bos- 
schen verbergen. — Proelio contendere, congredi in een 
gevecht kampen, samentreffen, dat is: vechten, slaags 
raken. - Bello aliquid capcre in den oorlog iets nemen. - 
Trinis hibernis hiemare in drie winterkwartieren overwin- 
teren: 

Maltos menses castris se ac paludibus tenuit Ariovistus. - 
Graeca leguntur in omnibus fere gentibus, Latina suis finibus con- 
tinentur. — Omnes copiae (Oalliae) a Oermanis uno proelio 
pulsae (sunt) ac superatae. 

Zoo vindt men den ablativus localis zonder praep. ook in de 
uitdrukkingen: equo vehi, curru vehi te paard, op een wagen 
rijden; maar men zegt ook: in nave vehi in een schip varen, 
in raeda vehi in een reiswagen rijden. 

Aanm. 1. Anderen verklaren dezen ablativus als een instrumentalis: 
hier, gelijk elders, is verschil van opvalting mogelijk. Voor de in den tekst 
gegevene pleit, dat ook in gebruikt wordt. 

e) Ook het participium perf. pass, van contineo: contentus, dat 
tot een adiectivum geworden is (= tevreden), wordt met den 
ablativus geconstrueerd : Parvo est natura contenta. 

Aanm. 2. Contentus beteekende oorspronkelijk : zich zelf beperkt 
hebbende in (tot): vgl. In ilia cupiditate continebatur zij beperkte zich 
tot (eig. binnen de grenzen van) die begeerte (Cic. Cluent. 12). Sommi- 
gen beschouwen ook dezen abl. als een instrumentalis. Dat hier evenmin 
de grens scherp te trekken is, blijkt ook uit onze eigen taal: wij zeggen 
gewoonlijk vergenoegd met iets, maar 1 Filipp. 4: 11 staat in de Staten- 
vertaling: vergenoegd in. 

§ 442. /) De ablativus localis zonder praep. staat verder bij 
werkwoorden van beweging, om de plaats aan te duiden, waarover 






of waarlangs de beweging zich uitstrekt: wij vertalen door de voor- 
zetsels op, door, over, langs, it: Terra proflcisci over land ver- 
trekken. — Collibus circumvehi over de heuvels omtrekken: 

Catilina Aurelid via profectas est (Roma). - Egressus est non 
viis, sed tramitibus. — Videmus naturam suo itinere ad ultimum 
pervenire. 

§ 443. g) De ablativus localis zonder praepositie staat eindelijk 
bij de verba: niti steunen op, confidere vertrouwen op, 
stare blijven bij, zich verlaten op, en bij de adiectiva: sub- 
nixus steunend op, en fretus vertrouwend op: 

Karthago nixa duabus Hispaniis huic Rpmanorum imperio im- 
minebat. — Hoc unico filio nititur. - Quis potent aut corporis 
firmitate aut fortunae stabilitate confidere? - Si in oculis 
sis multitudinis, tamen eius iudicio stare noli. - Plerique ingenio 
freti simul cogitant quid dicant et dicunt. 

Aanm. Confidere regeert ook den dativus, vooral bij pronomina, 
diffidere in goed proza altijd (zie § 393). 

2°. De ablativus temporis. 

§ 444. a) De ablativus (localis) zonder praepositie, van sub- 
stantia, die eenen tijd of eene gebeurtenis te kennen geven, wordt 
gebruikt als antwoord op de vraag: wanneer?. In den regel hebben 
deze substantiva eene nadere bepaling bij zich: 



altero die 

eddem node 

prima luce 

node, luce 

tertio anno 

comitiis 

vere, aestate, auiumno, hieme 

Alexandri aetate V 

Alexandri temporibus j 

nostra aetate 

eo tempore 

bello Cimbrorum Teutonumque 

Caesaris adventu 

summd senectute 

extremd pueritid 



den tweeden dag 

dienzelfden nacht 

bij het aanbreken van den dag 

des nachts, over dag 

in het derde jaar 

tijdens de verkiezingen 

in de lente, den zomer, den herfst, den 

i-j a, i [winter 

ten hjde van Alexander 

in onzen tijd 

in dien tijd, op dien tijd 

in den oorlog tegen de Cimbren en Teu- 

bij (na) Caesars (aan)komst [tonen 

in (zijn) hoogsten ouderdom 

op het einde van (zijn) jongensjaren : 



Qua node natus Alexander est, eddem Dianae Ephesiae templum 
deflqgravit. — Prima Punico bello Regulus capias a Poenis de captivis 
commutandis Romam missus est. 



294 



SYNTAXIS. 



§ 445. 



Aanm. Men zegt echter: in consulatu gedurende het consulaat; 
zoo ook: in bello, liever dan bello (vgl. echter § 441), in pace, in proelio; 
in itinere, in calamitate bij een onheil, in oppugnatione bij de 
bestorming. — In hoc tempore in deze omstandigheden (maar: 
tempore of suo tempore te reenter tijd, op tijd). — In pueritia; 
in senectute. — Ter in anno; bis in die. 

b) De ablativus (local is) zonder praep. staat ook als antwoord 
op de vraag: in of binnen welken tijd?. Nauwkeuriger echter is 
het in dit geval intra of inter (§ 390, 25 en 26) te gebruiken: 

Divitiacas dixit: futurum esse paucis annis, uti omnes (Qalli) ex 
Qalliae finibas pellerentur. - Agamemno cum universa Graecia vix 
decern annis unam cepit urbem. - Dixit tridao ilium aut summum 
quadriduo esse periturum. 

c) Somtijds geeft de enkele ablativus ook den tijd te kennen, 
waarna iets geschiedt: 

Diebus decern, quibus materia (ad pontem construendum) coepta 
erat comportari, exercitus traducitur (= diebus decern poslquam enz.). - 
Accidit repentinum incommodum biduo quo haec gesta (erant). 

d) Eindelijk staat de ablativus localis zonder praep. somtijds ook op de 
vraag hoe lang?, waarvoor gewoonlijk de accus. gebruikt wordt (§ 388). 
Bij dezen ablat. stelt men zich den tijd als een geheel voor, waarin iets 
geschiedt, bij den accus. daarentegen als de opeen volgende tijden, die men 
doorloopt: Negari non potest, nisi omnem historiam perverterimus, mult is 
saeclis verax fuisse oraculum Delphis. 

Praeposities bij den ablativus localis. 

Van de bij den abl. localis gebruikte praeposities worden in, sub en super 
ook met den ace. verbonden (super zelfs in den regel): § 313. Om echter te 
vermijden, dat deze voorzetsels op twee verschillende plaatsen besproken worden, 
behandelen we hier ook hunne verbinding met den accus.. 



§ 445. 1) In in, a) met den ablat.. Bepaalder dan de enkele 
abl. localis geeft de praep. in, met den ablativus verbonden, de plaats 
te kennen waar iets is of zich beweegt, of ook wat als zulk eene plaats 
gedacht wordt: 

in agro vitam agit hij brengt zijn leven door op het land; morietur 
in cubiculo hij zal sterven in zijne kamer; in urbe versatur hij 
verkeert in de stad. 

Behalve hetgeen reeds in §§ 438, 439 A. 1, 440 A. 2, 441 en 444 Aanm. 
gezegd is, merke men over in met den abl. nog het volgende op: 

a) Bij de volgende werkwoorden, die een plaatsen, 1 egg en, in- 
drukken, vasthechten beteekenen, gebruikt men in met den 
ablativus (niet met den accusativus, zooals men zou verwachten), 



§ 445. 



ABLATIVUS. 



295 



in corpore in het lichaam 

in colle op een heuvel 

inforo op de markt 

in theatro in den schouwburg 

in libro in een boek 

in statua op een standbeeld 

in animis in de gemoederen 

in curia aan het raadhuis: 



omdat de Romein daarbij dacht aan de op de beweging volgende 

rust; bijv.: pono aliquid in mensa, eigenlijk: ik plaats iets, zoodat 

het nu op de tafel staat: 

ponere, locare, collocare zetten, plaatsen 

statuere, constituere stellen, plaatsen 

consistere gaan staan 

eonsidere gaan zitten 

inscribere schrijven in of op 

insculpere beitelen, graveeren in of op 

impriniere indrukken 

figere, defigere vasthechten 

Plato rationem in capite, sicut in arce, posuit, iram in pectore 
locavit. — Censor signum Concordiae fecerat idque in publico 
collocarat. — Considamus hie in umbra. — {Fait Agrigenti) 
signum Apollinis pulcherrimum, cuius in femore litteris minutis 
argenteis nomen Myronis erat inscriptum. — In trabibus colu- 
mellae pedum in altitudinem V defiguntur. 

Incldere insnijden, ingraveeren, heeft in het klass. Lat. in 
met den abl. alleen in het part. perf. pass., overigens in met 
den accus., dus: 

in het metaal ) 

op het voetstuk > staat gegraveerd, 

op het gedenkteeken J 



\ itirtc 



incidit. — In aes incidi iubebitis credo 



in aere 

in basi / inclsum est 

in monumento J 

maar : 

Acta Caesar is Me in aes 
ilia legitima. 

Aanm. 1. De composita van ponere hebben gewoonlijk ook in met 
den ablat, maar exponere en imponere hebben in met den accus.; 
imponere heeft buitendien een datief: bijv. imponere alicui onus. 

Impriniere heeft ook in met den ace: in animos. 

b) Anders dan ons in wordt in het Latijn in met den ablativus 
gebruikt: 

1) om eenen toestand of omstandigheden aan te duiden, 
waarin men verkeert, waar wij gewoonlijk bij vertalen: 

in tanta hominum perfidia et iniquitate bij zoo groote trouweloosheid 
en onrechtvaardigheid der menschen ; in magna copia rerum bij grooten 
overvloed van middelen en wegen; in infirmissima valetudine bij zeer 
zwakke gezondheid; 

2) in de beteekenis: met betrekking tot, wat betreft: 

in hoc homine saepe a me quaeris aangaande dezen man vraagt gij 
mij dikwijls enz. (Cic. Verr. 3, 6). — Quod ab altero postulant, in se 
recusant wat zij van een ander eischen, weigeren zij met betrekking tot 
zich zelven (Caes. civ. 1, 32, 5). 



296 



SYNTAXIS. 



§§ 446-447. 



Aanm. 2. Afwijkend van cms taalgebruik staat in verder in uitdrukkingen 
als: in monte, in via, in equo; accambere in convivio aan tafel of bij een 
gastrnaal aanliggen; pontem facere in flumine eene brug slaan over eene 
rivier; in armis onder de wapens; esse in numero onder het getal zijn. 

§ 446. b) met den accusativus. In met den accusativus 
geeft de plaats te kennen, waarheen zich iets beweegt of richt, of 
wat als zulk een plaats gedacht wordt, bij v.: 

ire in Italiam naar Italie gaan, ire in exsilium in ballingschap 
gaan, venire in cubiculam, in de kamer komen; verder: 

a) Cogere, contrahere, convenire in a num. locum op of in eene 
plaats. — In orbem consistere (vgl. § 445) tot een kring zich 
yormen. — Dividere in partes in deelen.verdeelen; distribuere 
in singulos verdeelen over ieder afzonderlijk. — Terna 
medimna in iugera singula drie schepei op iederen morgen 
lands. — Actipere in bonam partem in goeden zin opvatten. — 
Mirandum in modum op wonderlijke wijze. — Impelum facere in 
aliquem een aanval doen op iemand. — Statuere, constituere all- 
quid in aliquem iets bepalen, besluiten tegen iemand; — orationes 
in Verrem redevoenngen tegen Verres; — multa in deos nefarie 
facere vele goddeloosheden bedrijven tegen de goden. — 

Verder na adiectiva en substantia, die eene gemoedsgesteldheid 
te kennen geven (=jegens, tegenover: eig. zich bewegende in de 
richting naar iemd.): aequus, iniquus, crudelis, durus, severus in ali- 
quem; amor, benevolentia, iniuria, odium in aliquem: 

Non severus esse potest in iudicando qui alios in se sevens esse 
indices non volt. 

b) Overgedragen op den tijd: Soils defectlones itemque lunae 
praedlcuntur In niultos annos. — Cresclt In dies singulos 
hostium numerus. — Barbarorum est in diem vivere. — In perpetuum 
voor altijd, in posterum voor den volgenden dag, voor 't vervolg. 

§ 447. 2) Sub onder, a) met den ablat. op de vraag: waar?: 

a) van plaats: Saepe est etiam sub palliolo sordido sapientia. — Caesar 
cohortes sub infimo colle constituit; 

b) van den tijd zelden : sub bruma in den wintertijd; sub ipsa profec- 
tione juist bij het vertrek; 

c) overdrachtelijk: sub imperio, sub rege esse onder de heerschappij, 
onder eenen koning staan (echter niet: sub hac condicione, maar, zonder 
praep., hac condicione op deze voorwaarde); 

b) met den accus. op de vraag: waarheen? 

a) bij werkwoorden van beweging eigenlijk en overdrachtelijk: I. 
Mummius urbis Achaiae Boeotiaeque multas sub imperiunt populi Romani 
dicionemque subiunxit. — Sub iugum mittere exercitum een leger onder 
het juk laten doorgaan; 



I 



§§ 448-450. 



ABLATIVUS. 



297 



b) van den tijd: tegen: Sub occasum soils nostri se in castra recepe- 
runt. — Sub noctem tegen den nacht. — Ook: onmiddellijk na: sub 
eas litteras statim recitatae sunt time. 

§ 448. 3) Super over, boven, a) met den ablativus is bijna alleen 
dichterlijk: Destrictus ensis cui super impia cervice pendet (Hor. carm. 
3, 1, 17) = impendet cervicibus (Cic. Tusc. 5, 62). 

In proza komt het zelden voor en dan slechts overdrachtelijk = de 
over: Hac super re scribam ad te (Cic. Att. 16, 6, 1). 

b) met den ace zoowel op de vraag: waar? als: waarheen?: Turris super 
navem effecta (Caes^ Gall 3, 39) een toren over een schip opgebouwd. — 
Super I ate res coria inducuntur. 

§ 449. 4) Pro voor, wordt alleen met den ablat. verbonden; het be- 
teekent a) eigenlijk: voor een voorwerp, zoo, dat men dit achter zijn rug 
heeft (vgl. unte, § 390, 7): dus zegt men: pro portis in statione esse (Caes. 
Gall. 4, 32) voor de poorten op de wacht staan, dus: met de poorten 
achter den rug; ante portas zou wezen : met het gezicht naar de poor- 
ten gekeerd. — Caesar pro castris consedit (o.l. 7, 89). — Ante oppidum 
considunt (als vijand) (o.l. 7, 79); 

b) overdrachtelijk: voor, ter bescherming van, ten behoeve van, 
tegengesteld aan contra (zie § 390, 14): Convenit dimicare pro libertate, 
pro p atria; 

in de plaats van: Tibi nox erat pro die. — Omnis voluptas praeterita 
pro nihilo est. — Pecuniam solvere pro frumento geld betalen voor 
het koren; 

voor, naar, in overeenstemming, evenredigheid met: Helvetii pro 
multitudine hominum angustos se fines habere arbitrabantur. — Pro virili 
parte overeenkomstig den plicht van een man (eigenl. : naar het aandeel 
als man). — Pro se quisque ieder voor zich, ieder van zijnen kant. 

Van den tijd wordt pro niet gebezigd. 

5) Prae voor, vooraan, vooruit (vooral in composita: praedicere, prae- 
mittere enz), altijd met den abl: a) eigenlijk: Brutus stillantem prae se 
piigionem talit. 

b) overdrachtelijk: in vergelijking met: Hominibus Gallis prae mag- 
nit u dine corporum suorum brevitas Rpmanorum contemptui est. — W eg ens, 
wanneer men verhinderd wordt iets te doen (klass. dus ni&t in positieve 
zinnen) : Loqui prae maerore non potuit. Daarentegen: maerore consenescere, 
verouderen van droefheid. 

§ 450. 6) Procul verre, is in goed proza altijd adverbium en wordt met 
ab verbonden; sedert Livius en bij dichters is het ook praep. met den abl.: 
procul dubio. 

7) Tenus tot aan, komt in goed proza zeer zelden voor en dan alleen 
met den ablat; het wordt steeds na zijn casus geplaatst : Antiochus, rexAsiae, 
a Scipione devictus, Tauro tenus regnare iussus est. — Na Cicero en bij 
dichters met den genet.: labrorum tenus tot aan de lippen. 

Aanm. In comp. : hactenus, quatenus; verbo tenus tot aan het woord, 
d. i. alleen in woorden (niet in zaken of daden). 



298 



SYNTAX IS. 



§§ 451—453. 



c. De ablativus instrumentalis (sociativus). 

1) Ablativus instrumentalis in engeren zin. 

§ 451. Zooals de naam aanduidt, geeft de ablativus instrumen- 
talis het werktuig of middel te kennen, waarmede of waardoor 
iets gebeurt; hij staat dus van zaaknamen of van als zaken beschouwde 
personen. 

Wanneer personen als middel gebruikt worden, drukt men dit 
uit door per (§ 390, 29); doch collectiva, als exercitus, copiae, legio en 
andere, worden als zaaknamen beschouwd: 

Milites glad iis magnam partem (hostium) Interfecerunt. — Ait omnia 
pecunia effici posse. — Labienus Caesaretn per nuntios facit certlorem 
quid faciendum existimet. — Caesar ea legione quam secum habebat a 
lacu Lemanno ad montem Iuram murum perducit. — Pecunia, mul- 
tibus, el, quod maxime deerat, armis nostras duces adiuverunt. 

Ablativi instrumentales vindt men verder in de volgende 
uitdrukkingen: 

aled ludere dobbelen 

tibiis of tibia canere op de fluit spelen 
pedibus proficisci te voet vertrekken, gaan. 
Aanm. Sommigen rekenen hiertoe ook den ablat. in: proelio contendere, 
bello capere, curru vehi (vgl. § 441, A. 1). 

§ 452. De ablativus instrumentalis staat bij de werkwoorden van: 
voorzien, uitrusten instruere, armare, afficere 

versieren ornare, excolere, distinguere 

vullen, verzadigen explere, com-, farcire, satiare, imbuere 

gewennen, onderwijzen assuefacere, erudire, instruere 

voeden, onderhouden, leven alere, nutrire, sustinere, vesci, vivere: 

Natura oculos tenuissimis membranis vestivit et saepsit. — 
Deus bonis explevit mundum. — Haec res aegritudine Alcibiadem 
afficiebat. - Atticum pater omnibus doctrinis, quibus puerilis 
aetas tmpertiri debet, erudivit. — Suebi a pueris nullo officio aut 
disciplina assuefacti nihil omnino contra voluntatem faciunt. — 
Ex ilia provincia (Sicilia) re frumentaria alimur ac sustinemur. — 
Interlores (Britanni) lacte et carne vlvunt. — Numidae plerumque 
lacle et ferina carne vescebantur. 

Aanm. Erudire aliquem aliqita re is eigenlijk: iemand ontbolsteren, 
beschaven door iets, door kunsten en wetenschappen, voortreffelijke 
lessen, enz.. 

Erudire in wordt minder dikwijls gebruikt en dan van het onderwijs in 
afzonderlijke wetenschappen, bijv. : in iure civili. 

§ 453. De ablativus instrumentalis staat verder bij de werk- 
woorden van: zich onderscheiden, uitmunten, ora aan te geven, 



§§ 454-455. 



ABLATIVUS. 



299 



waarin (waardoor) men uitmunt, en bij de adiectiva dignus 
waardig, waard en indignus onwaardig, niet waard: 

Veneti scientid atque usu nautlcarum rerum reliquos antecedunt. — 
In Syria Chaldaei cognitione astrorum sollertidque ingeniorum 
antecellunt. — Graecia nos omni litterarum genere superabat. — 
Utile est rei publlcae nob ills homines esse dig nos maioribus suis. 

Aanm. 1. De personen of zaken, waarboven men uitmunt, staan in 
den dativus, . soms ook met inter: excellere ceteris of inter ceteros, 
Men zegt ook: Homo in omni virtute excellens. 

Aanm. 2. Dignus is waarschijnlijk een oud part. perf. pass, op -nus 
(uit *dec-nos: vgl. ple-nus gevuld, vol), verwant met decet (§ 381: vgl. decus), 
en beteekent dus eigenlijk: (terecht) gesierd met iets. 

§ 454. Den ablativus instrumentalis regeeren ook de verba 
deponentia : 

frui (perfrui) genieten van: , frui fort una 

fungi (de-, per-) verrichten, vervullen: officio, munere fungi 
potiri bemachtigen, verkrijgen: potiri imperio 

uti zich bedienen van, gebruiken, abutl 

verbruiken, mis-: uti pecunia: 
Si bellum omittimus, pace nunquam fruemur. — Orgetorix dixit 

perfacile esse (Helvetiis) totius Qalliae imperio potiri. — Multi 

deorum beneficio perverse utuntur. 

Aanm. In het oudere Latijn worden deze verba (vooyslfungor en potior) 
ook met den (objects)accusativus verbonden. Behalve bij potior, moet 
deze constructie als de oorspronkelijke beschouwd worden; in het klassiek 
Latijn vindt men haar echter, afgezien van het gerundivum (§ 607, A. 2), 
alleen een enkel maal bij potior. 

Potior heeft somtijds ook den genetivus; zoo altijd in de uitdrukking: 
rerum potiri de hoogste macht in handen krijgen. Deze genetivus 
laat zich gemakkelijk verklaren, als men bedenkt, dat potiri eigenlijk is 
potis fieri heer worden (vgl. § 138, 2 en § 255); bij Plautus vindt men 
nog een activum potire (gevormd bij potis op dezelfde wijze als partire bij 
par(ti)s), lett. ieind. tot heer maken, in het bezit stellen van: 
Amph. 78: eum nunc potivit pater servitutis: zijn vader heeft hem nu tot 
slaaf gemaakt. De constructie van potior met den gen. is dus oorspronkelijk, 
de abl., evenals de ace, door analogie te verklaren. 

2) Ablativus pretii. 

§ 455. Bij de werkwoorden van koopen, verkoopen, huren, 
verhuren en verruilen, staat de prijs in den ablat. instrum. 
(abl. pretii), omdat hij het middel is, waardoor men de zaak verkrijgt: 

Nulla pecunia fundum ilium emere poterat. — Eriphyle auro vlrl 
vitam vendidit. — Caellus cum domus patris a foro longe abesset, con- 
duxit in Palatio non magno domum. - (Germani metuunt) ne assidua 
consuetudine capti studium belli gerendi agricultura commutent. 



300 



SYNTAXIS. 



§ 456. 



Aanm. Pretio wordt bij de adiectiva gewoonlijk weggelaten, zoodat 
men alleen zegt: magno, parvo enz.. 

Door den invloed van de constructie der verba van schatten enz. 
(§ 416) staan ook bij deze verba enkele prijsbepalingen steeds in den 
genetivus, nl, : tanti, tantidem, quanti, pluris en minoris. 
Men heeft dus om in 't algemeen den prijs op te geven: 
magno (duur), pluris, plurimo 
parvo (goedkoop), minoris, minimo 
tanti, quanti, nihilo (om niet) 
tantTdem en permagno: 
Vendo meum non pluris quam ceteri, fortasse etiam minoris, cum 
maior est copia. — Permagno agrum vendidisti. 

Omgekeerd moet ook bij de verba van schatten enz. de ablativus ge- 
bruikt worden, wanneer men een bepaalde prijs of waarde wil uitdrukken : 
Denariis III aestimavit. 
Oorspronkelijk diende de genetivus om de waarde, de ablativus om 
den prijs uit te drukken. Doordat echter de genet, ook voor den prijs, 
de ablat. ook voor de waarde gebruikt werd, grijpen beide constructies in 
elkaar over. 

3) Ablativus modi. 

§ 456. De ablat. instru men talis (sociativus) wordt als ablativus 
modi gebruikt om de wijze, waarop iets geschiedt, aan te geven 
hij bestaat gewoonlijk uit een substantivum met een attribuut: 

Stellae circos suos orbesque confidant celeritate mirabili. — 5; 
quid obtigerit, aequo anitno paratoque moriar. 

Zonder attribuut kan men gebruiken: 
tare, merito te recht 

iniuria ten onrechte 

ordine op de rij af 

more institutoque naar oud, herkomstig gebruik 
silentio stilzwijgend (bijv. aadire) 

consilio met beleid (bijv. agere) 

vi, fraude met geweld, met bedrog 

via et ratio ne naar vasten gang, methodisch: 

Non Mud in iudicium venit occisusne sit Clodius; sed iure an in- 
iuria. — Duobus modis, aut vi aut fraude fit iniuria. 

Aanm. 1. Niet om de wijze, maar wel om de begeleidende of 
liever de bijkomende omstandigheden aan te geven, gebruikt men 
de praepositie cum (§ 458, 1). 

Uitgezonderd bij de boven opgegeven woorden iure enz., bezigt men 
regelmatig cum, wanneer de ablat. geen attribuut bij zich heeft, 
wat echter niet dikwijls gebeurt: cum laude ac virtute versari in peri- 
culis; cum audacia, cum virtute vivere. — Cum dignitate potius 
cadamus quam cum ignominia serviamus. 

Wanneer er, zooals gewoonlijk, attributen bijkomen, kan men cum ge- 
bruiken of weglaten : Semper equidem magno {cum) metu incipio dicere. 

Laat men cum weg, dan drukt men meer de wijze uit, plaatst men het, 
dan drukt men meer de omstandigheden uit, die de handeling verge- 
zellen; zoo zegt Cicero: Brutum vidi: quanto meo dolore, non dico! maar: 



§ 457. 



ABLATIVUS. 



301 



Quotiens ego Marcellum et quanto cum dolore vidi! — Multis cum lacrimis 
veniebat ad me. 

Aanm. 2. Cum kan dus niet gebruikt worden bij woorden, die zelf 
eene wijze, eene voorwaarde, een doel, eene gezindheid te kennen 
geven en die met een attribuut of attributieven genetief verbonden zijn: 
modo, ratione, via, more, ordine, condicione, lege, pacto, consilio, mente, 
animo; dus bijv. nooit: magno cum animo, impia cum mente, maar: 
magno animo, impia mente, more maiorum. 

Aanm. 3. Modo (zie A. 2) kan slechts met bepaalde attributen verbon- 
den worden : men zegt wel : hoc modo enz., nnllo modo, pari modo, simili 
modo, omni modo; maar niet bijv.: miro (mirando) modo; daarvoor zegt 
men: mirandum in modum. 

4) Ablativus qualitatis. 

§ 457. a) Als ablativus qualitatis eindelijk drukt de abl. instr. 
(sociativus) eene eigenschap of hoedanigheid uit, die met een 
begrip verbonden is, het als het ware aankleeft, vergezelt (vgl. in het 
Nederl. : iemand met vele goede eigenschappen). Het substantivum in 
den ablat. is altijd verbonden met een adiectivum of een gene- 
tief (dus zegt men wel: vir magna eloquentia, maar nooit vir elo- 
quentia; men gebruikt dan het adiect. : vir eloquens): 

Aristoteles, vir summo ingenio, scientia, copia, prudentiam 
cum eloquentia iunxit. — Erat inter Labienum atque hostem difficili 
transitu flumen ripisque praeruptis. 

b) De ablat. qual. kan ook door het hulpwerkw. esse met een subject 
verbonden zijn. Somtijds staat hij ook bij andere werkwoorden: 

Plato singulari suavitate orationis fuit. — Xanthippe praedi- 
cabat eodem vultu semper se vidisse exeuntem Socratem domo et 
revertentem. 

c) De ablat. qualitatis geeft niet slechts voorbijgaande, niet het 
wezen van de zaak of van den persoon kenmerkende, hoedanigheden 
te kennen, maar ook, evenals de genet, qualitatis, blijvende, wezen- 
lijke, kenmerkende eigenschappen : bono, puerili esse animo ; magna 
esse gratia, auctoritate. 

Over het geheel wordt de abl. qual. veel meer gebruikt dan de gen.; 
de laatste beperkt zich over het algemeen tot bepalingen naar maat, 
getal, gewicht, prijs, soort, waar hij regel is; eigenschappen en 
hoedanigheden van het lichaam staan daarentegen gewoonlijk in den 
ablativus: Britanni capillo sunt promisso atque omni parte 
corporis rasa praeter canut et labrum superius. 

Aanm. 1. Dat er geen innerlijk onderscheid bestaat, blijkt uit het 
gebruik; zoo zegt Cicero: Fimbria fuit et animi satis magni et consilii 
(Plane. 12) en: Consules sunt optima animo, summo consilio (Phil. 3, 2). — 
Summae auctoritatis homines (Font. 16) en summa auctoritate vir (p. red. 
in sen. 6). Zoo ook Caesar. 

Aanm. 2. Van modus gebruikt men alleen den genet, qualit., bijv.: 
eiusmodi, huius-, istius-, cuius-, eiusdemmodi (cukuimodi § 174, A.' 1); in 



302 



SYNTAXIS. 



§§ 458-459. 



het algemeen staan o-stammen gaarne in den genet, (op -1) : vir magni 
Inge nil summaque prudentla. 

Ablativus absolutus. 

Een ablativus instrumentalis is in vele gevallen oorspronkelijk ook de 
zoogen. ablativus absolutus, waarover nader zal gehandeld worden 
bij het Participium (§ 602 vlgg). 

Praeposities bij den ablativus instrumentalis. 

§ 458. Met den ablativus instrumentalis (sociativus) worden verbon- 
den de praeposities cum, sine, coram, clam (vgl. § 312). 

1) Cum met, geeft een samengaan, een samenzijn, eene gemeenschap 
te kennen; het gebruik stemt in 't algemeen met dat van ons met overeen, 
doch men lette op het volgende: 

esse cum allquo bij iemand zijn 

habltare cum allquo (ookapud allquem) bij iemand wonen 
cum animo coglto, considero ■ ik overdenk, overweegin mijn gemoed 

mecum (§ 312, A. 2) coglto, considero ik overdenk, overweeg bij mij zelven: 
Nobiscum nee animo certe est, nee corpore. — Hoc considerate cum vestrls 
anlmis vosmet Ipst (Cic. Verr. 3, 20). 

Waar wij met gebruiken om het middel en het werktuig aan te duiden, 
bezigt men in 't Latijn alleen den ablat. instrument.. Zie § 451 en verder 
§ 456, A. 1. 

Aanm. Bij troepen en schepen (coplae, mtlttes, exercltus, equltatus, 
naves enz.), die den veldheer begeleiden, kan men cum gebruiken: 
Ipse {Caesar) cum omnibus coptls In Morlnos proftctscttur (Caes Gall. 
4, 21, 3), doch ook den ablat zonder cum: Ipse {Caesar) omnibus 
coplis ad llerdam proficlscltur (Caes. civ. 1, 41, 2). - Accessum est ad 
Britanntam omnibus navlbus (Caes. Gall. 5, 8, 5). Dezen ablat. moet men 
brengen onder den in § 456 vermelden. 

Bij mlttere en zijne compos, en wanneer het getal der troepen of 
schepen wordt opgegeven, staat cum. 

§ 459. 2) Sine (vgl. § 30, biz. 29) zonder: Etiam sine lege poena est 
conscientla. 

Zooals de ablat. modi (§456) staat, waar wij met gebruiken, komt hij ook in 
de plaats van ons voorzetsel zonder, maar dan natuurlijk met een ontkennend 
attribuut. Zoo zegt men in het Latijn niet: sine meo merlto, maar: nullo meo 
mertto: Caesar a me nullo meo merlto altenus erat. 

Aanm. Absque zonder, komt in klassiek proza niet voor, evenmin 
slmul en procul als praepositie (wat procul betreft, zie § 450). 

3) Coram (§312, A. 3) in tegenwoordigheid van, voor, is meestal adver- 
bium, doch kan ook praep. cum abl. zijn : Mihl vero tpsl coram genero meo 
quae dtcere ausus es? 

4) Clam in 't geheim, zonder medeweten van, komt zeer zelden als 
praep. met den ablat. voor : Clam vobls salutem fuga petlvit. - In 't oudere 
Latijn heeft het ook den accus.. 

Aanm. Palam in tegenwoordigheid van iemand, komt in goed 
proza niet als praep. voor. 



§ 460. 



ABLATIVUS. 



303 



V. EENIQE WERKWOORDEN MET VERSCHILLENDE 
CONSTRUCTIE BIJ VERSCHILLENDE BETEEKENIS. 

§ 460. Sommige met de praep. ad en in samengestelde werkwoorden 
herhalen gewoonlijk de praepositie in de eigenlijke, plaatselijke 
beteekenis, maar hebben in eene min of meer overdrachtelijke be- 
teekenis hunnen naamval zonder praepositie (vgl. § 377). 

Aanm. 1. Dit is een gevolg van den aard der voorzetsels, die immers 
eene nadere en duidelijker bepaling geven van de door de naamvallen 
aangeduide betrekkingen (§ 390). 

Adesse in foro, — ad iudicium adesse alicui iemand bij staan, 
aanwezig zijn op de markt, hulp verleenen; 
voor het gericht; 

Adgredi ad aliquid overgaan, adgredi aliquem op iemd. afgaan, 
komen tot iets, bijv. ad singu- hem aanvallen, ook: zich tot 
las leges; iemd. wen den, hem lets verzoe- 

ken ; adgredi aliquid iets begin- 
nen, ondernemen; 
Adire adealoca heengaan naar adire ea loca die plaatsen bezoe- 
die plaatsen; adire ad Sullam ken; adire Bratum zich tot 
haar Sulla gaan; adire ad rem Brutus wend en; adire deos, 
publicam zich in staatsdienst oracala, aras zich tot de goden, 
begeven; de orakels, de altaren wenden 

(om hulp); adire hereditatem eene 

erf enis aanvaarden; adire peri- 

culam zich in gevaar begeven; 

Ingredi in templum, intra fines ingredi urbem, pontem, viatn de stad, 

binnentreden; ingredi in spent debrug,denwegbetreden; vitam 

hoop (beginnen te) koesteren; ingredi een leven aanvangen; 

ingredi in sermonem, in oratio- ingredi sermonem, disputationem 

nem; zijne rede, gesprek, beginnen; 

I nicer e aliquem in flammam iemd. timorem bonis inicere den goedge- 

in de vlammen werpen; se ini- zinden vreesinboezemen;/acm 

cere in medios ignis zich midden rei publicae inicere de fakkel (van 

in het vuur werpen; tweedracht) in den staat werpen; 

Convenire alicui of alicui rei (ook convenire aliquem iemd. bezoeken, 

in of ad rem) passen voor iemd. aanspreken, eenesamenkomst 

of iets, voegen; hebben met; 

convenit mihi tecum de aliqua re pax convenit, condiciones convene- 

of res mihi convenit tecum, of res runt men is het over den vrede, 

convenit inter nos wij komen of over de voorwaarden eens ge- 

stemmen met elkander overeen worden. 
over eene zaak. 



304 



SYNTAXIS. 



§ 460. 



Aanm. 2. Inire is, ook in eigenlijken zin, geheel transitief (vgl. 
§ 377), dus: 



inire domum, cubile in het huis, 
in de slaapkamer gaan; inire 
viam eenen weg inslaan; 



inire gratiam ab aliquo zich bemind 
maken bij ieind.; inire consulatum, 
societntem het consulaat aanvaar- 
den, een bondgenootschapaangaan; 
inire ratio nem overleggen. 



Daarenboven lette men nog op de volgende werkwoorden: 

Antecedere in ruimte of tijd voorafgaan, overdr. overtref- 
fen, heeft bij Caesar alieen den accusativus; bij Cicero heeft het 
den accusativus in de beteekenis: in ruimte voorafgaan; bij 
tijd bepalin gen en o verdrachtelijk gebruikt hij echter den dati- 
vus: expeditus antecesserat legiones; maar: aetate alicai antecedere, 
longe ceteris studiis antecedere. 

Anteire voorafgaan, overtreffen, heeft, zoowel eigenlijk als 
overdrachtelijk, gewoonlijk den dativus, doch ook den accusativus. 

Cavere alicai voorzichtig zorg dragen voor iemd.; cavere 
aliquem of aliqaid en ab aliquo of ab all qua re zich wach- 
ten voor iemd. of lets, op zijn hoede zijn: cave canem, cave a 
veneno. 

Consulere alicui zorgen voor iemd.; consulere aliquem 
iemd. om raad vragen, raadplegen. 

Defendere aliquem verdedigen; defendere iniuriam afwe- 
ren; defendere provinciam a calamitate behoeden voor, be- 
schermen tegen. 

Praestare alicui aliqua re iemd. in iets overtreffen; 
praestare aliquem (ook aliquid) voor iemd. (iets) instaan; praestare 
aliquid iets verrichten, uitvoeren, bewijzen; praestare se 
virum zich een man betoonen. 

Prospicere alicui zorgen voor; prospicere aliquid van te 
voren zien, voorzien. 

Temperare sibi zich matigen, onthouden; temperare homini 
iemd. verschoonen; temperare rei (bij v. irae) matigen, zich 
matigen in; temperare (gewoonlijk zonder sibi) ab aliqua re zich 
van eene zaak onthouden; temperare rem inrichten, besturen. 

Timere aliquid of aliquem vreezen, bang zijn voor; 
timere alicui vreezen, bezorgd zijn voor iemds. belan- 
gen; timere de bezorgd zijn met betrekking tot iets; timere 
aliquid ab aliquo iets vreezen of duchten van (den kant 
van) iemd.. 



§§ 461—463. BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER SUBST. 305 

VI. GRIEKSCH GEBRUIK DER CASUS BIJ DICHTERS. 

§ 461. Veelal door den invloed hunner Grieksche voorbeelden geleid, kwamen 
de dichters uit het einde der republiek en latere prozaschrijvers, die hen volg- 
den, er toe, om een betrekkelijk veelvuldig gebruik te maken van naamvallen in 
eene beteekenis, die wel niet rechtstreeks indruischte tegen den aard der Latijn- 
sche taal, maar toch in goed proza of niet of niet meer voorkwam. 

1) Zoo werden door hen passieve werkwoorden, vooral in het partic. perf., 
met den a ecus, verbonden," zoodat ze de beteekenis hadden der Grieksche media 
(vgl. §§226,A.2en200).Menvindtaldus gebrui kt de werkwoorden vanaantrekken, 
uittrekken, bekransen enz., bijv. : {Hector) redit exuvias indutus Achillis na 
zich aangedaan te hebben, bekleed met (Verg. Aen. 2, 275); in proza 
zou men zeggen: exuviis indutus. - Caput nectentur oliva zij zullen zich 
het hoofd met een olijfkrans omvlechten (Verg. Aen. 5, 309). - Verder: 
Expleri inentem nequit, letterlijk: hij kan zich het gemoed niet vervullen, 
kan zijn gemoed niet vervullen, verzadigen (Verg. Aen. 1, 713). 

Aanm. Het uitgangspunt voor deze constructie moet wellicht gezocht 
worden in het part. perl, indutus, dat reeds bij Plautus een objects-acc. bij 
zich had; mede onder inwerking van het Grieksch ging de ace. dan op 
andere participia, en vervolgens ook op vormen van het verbum finitum 
over; nog Vergilius echter heeft ongeveer achtmaal zooveel gevallen met 
het part., als met het verbum fin.. 

§ 462. 2) Dichters en latere prozaschrijvers gebruiken voorts in navolging 
van het Grieksch den accus. bij verba, participia en adiectiva, om het deel 
van het lichaam aan te wijzen, ten opzichte waarvan of waaraan de 
handeling of eigenschap wordt waargenomen (Accus. Graecus): Trem.it artus 
trilt aan zijne leden (Verg. georg. 3, 84). — Hannibal adversum femur 
tragula ictus cecidit van voren in de heup getroffen (Liv. 21, 7, 10). — 
Pectora duro transfossi ligno de borst doorboord door het harde hout 
(Verg. Aen. 9, 543). — Os umerosque deo similis in gelaat en schouders 
een god gelijk (Verg. Aen. 1, 589). 

In klassiek proza bezigt men in deze gevallen den ablat. (§ 428). 

C. Verschillend gebruik der nomina in het Latijn 
en in onze taal. i) 

i. HET SUBSTANTIVUM. 

§ 463. Ten opzichte van het gebruik van het getal wijkt het Latijn 
in enkele punten af van onze taal: 

a) Stofnamen worden meer in den plural is gebruikt dan bij 
ons; dit verschil heeft daarin zijn grand, dat de stofnaam in het Latijn 
veel meer overdrachtelijke beteekenissen heeft of kan hebben. - Zooals 
wij kunnen zeggen: de bronzen van het museum te Napels, 
de terracotten van Tanagra, de Fransche wijnen, de ijzers 
zijn losgegaan, enz., zoo heeft men in 't Latijn: 



l) Ofschoon veel van hetgeen in dit gedeelte (en ook elders) staat, streng genomen 
eerder in de Stilistiek (stijlleer) dan in de Syntaxis thuis hoort, houdt het toch met de 
laatste zoo nauw verband, dat het reeds daarom moeilijk hier kon worden weggelaten. 

woltjer, Lai. Qramm. 6e druk. 20 



306 



SYNTAXIS. 



§§ 464-465. 



§ 466. 



BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER ADIECT. 



307 



aes koper, 

cera was, 
gran do hagel, 
n ix sneeuw 

sal zout, 



a era koperen beelden, tafels, munten 

cerae stukken was, wastafeltjes 

grandines hagelbuien 
nives sneeuwjacht, sneeuwvlokken 

sales geestige gezegden enz. (vgl. § 131, A. 2). 

Vooral dichters maken van den pluralis een ruim gebruik. 

Aanm. 1. Omgekeerd staan namen van planten en dieren dikwijls 
in 't enkelvoud, waar wij het meervoud gebruiken of door een saraen- 
gesteld zelfstandig naamwoord de stof nader aanduiden : Boni assiduique 
dominl villa abundat porco , haedo , agno, gallina , lade, caseo, melle 
zwijnen of zwijnevleesch enz. (Cic. Cato 56) (vgl. 't fr. du pore 
enz.). — Pulvinus rosd fartus een kussen, met rozen (of rozebla- 
deren) gevuld. Vgl. ook § 129, A. 1 en 3. 

Aanm. 2. Een eigenaardig gebruik van dichters is het, dat zij soras den 
pluralis gebruiken om grootheid, pracht en voortreffelijkheid aan 
te duiden, bijv. monstra (eene) slang; Priami regno, het rijk van Priamus. 
In proza wordt deze pluralis intensivus zelden gevonden. 

Veel vaker gebruiken echter met name de epische en elegische dichters 
onder den dwang van het metrum den pluralis, waar in proza de 
singularis staan zou, en omgekeerd, zonder eenig verschil van betee- 
kenis. Men spreekt dan van een pluralis (en singularis) poeticus: 
otia, silentia; aequora, pectora, tecta, enz.. De oorzaak van deze poe- 
tische enallage der numeri is daarin gelegen, dat de door de Romeinen 
van de Grieken overgenomen dactylische versmaat eigenlijk niet paste bij 
den rhythmus der Latijnsche iaal. Van de poezie is dit gebruik dan ook 
in het meer dichterlijke proza overgegaan: zoo heeft Liv. 5, 16, 11 in een 
orakel templa van een tempel. 

§ 464. b) Ook de abstracta worden meer in 't meervoud 
gebezigd dan bij ons; vooral merke men op, dat, waar er van eene 
eigenschap, een toestand enz. van meerdere personen sprake is, 
het Latijn dikwijls het meervoud gebruikt, waar wij het enkelvoud 
hebben. Dit laatste geldt ook van concreta: 

Pythagorei sollti sunt mentes suas a cogitationum intentione cantu 
fidibnsque ad tranquillitatem tradacere. - Hostes terga vertemnt. - 
Germani ingenti magnitudine corporum sunt. 

Ook bij uitbreiding van beteekenis: 

Suae quemque malae cogltationes conscientiaeque anlmi terrent 

Zoo vindt men verder: audaciae (soorten van vermetelheid), 
quietes, fugae, immortalitates, invidiae, metus, mortes enz.. 
Ook dit gebruik is bij dichters nog veel uitgebreider. 

Over de pluralia (en singularia) tantum vgl. § 130 (en § 129). 

2. HET ADIECTIVUM. 
a) Adiectiva adverbialiter of substantive gebruikt. 

§ 465. De adiectiva extremus, imus, infimus, intimus, medius, novis- 
simus, postremus, primus, sumtnus, ultimus worden, ook wanneer zij 



een deel van een voorwerp te kennen geven, in hetzelfde 
geslacht, getalennaamval geplaatst als het substantivum ; dus: 
op den top van den berg ) 



J 



in sum mo monte 



boven op den berg 

inhetmiddenvanhetwoud 1 

midden in het woud j ln m ^ia silva 

met de toppen der vingers aanraken extremis digitis 

[attingere: 

Prima luce summus mons a Labieno tenebatur. - Tantum bellum 
Cn. Pompeius extrema hieme apparavit, ineunte vere suscepit, 
media aestate confecit. - Persuadent mathematici terram in medio 
mundo sitam quasi puncti instar obtinere. 

Aanm. 1. Zooals men ziet, staan deze adiectiva gewoonlijk voor het 
substantivum; zij kunnen echter ook volgen: in colle medio (Caes. Gall. 1, 24), 
in colle summo (7, 69); in foro medio (Cic. Verr. 5, 161); (maar ook: in 
'medio foro (3, 105), medio in foro (4, 86)). 

Somtijds maakt echter de plaats verschil in beteekenis: medius collis 
het midden van den heuvel of de middelste heuvel, collis medius 
de middelste heuvel. 

Aanm. 2. Uitdrukkingen als: de slag bij Cannae, Miltiades van 
Athene, Protagoras van Abdera, een oorlog ter zee enz. worden 
in 't Latijn gewoonlijk door attributieve adiectiva weergegeven : ptigna 
Cannensis, Miltiades Atheniensis, Protagoras Abdentes, bellum maritimum. 

§ 466. In het Latijn gebruikt men somtijds praedicatieve adiectiva, 
waar wij adverbia of adverbiale uitdrukkingen bezigen, bijv.: 
primus (van meer dan twee) ) 
prior (van twee: § 470) / 

postremus, novissimus 
unus, solus 
totus 



het eerst 



het laatst 

alleen 

geheel en al 

het naastbij 

hier en daar 

bij 't leven 

met inzicht, opzet 

tegen den zin, ongaarne 

gewillig, enz.: 



proximus 

rarus 

vivus 

sciens, prudens 

invltus 

lubens 

Quarla est urbs Syracusis, quae, quia post re ma coaedificata est, 
Neap o lis nominatur. - Nunquam conferti, sed rari magnisque intervallis 
proeliabantur. - Soli hoc sapienti contingit, ut nihil faciat invitus, 
nihil do lens, nihil coactus. - Hi orbes medii inter se dividuntur. 

Aanm. 1. Dit gebruik van adiectiva, dat zich in het klassieke Latijn 
binnen tamelijk enge grenzen houdt, neemt bij dichters en niet-klassieke 
prozaschrijvers veel grootere afmetingen aan: bijv. Hor. carm. 1, 2, 45: 
serus in caelum redeas. - Liv. 1, 16, 7: sublimis abiit, enz.; zoo vindt 
men in de omgangstaal ook praedicatief gebruikt nullus (= non\ bijv. bij 
Ter. : memini, tametsi nullus moneas (daarnaar ook Catullus, Ovidius, e. a.). 

20* 



§ 469. 



BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER ADIECT. 



309 



308 



SYNTAXIS. 



§§ 467-468. 



Aanm. 2. Naast primus gebruikt men ook de adverbia primum en 
primo (vgl. § 161,. A. 1, 2 en 3). Terwijl primus bij het onderwerp 
of voorwerp behoort (= de eerste, die . . . .), behooren primum en 
primo bij het gezegde. 

Primum en primo verschillen aldus, dat primum (ten eerste, in de 
eerste plaats) meer de logische, primo (eerst, aanvankelijk) meer 
de chronologische volgorde aangeeft: 

• L. Piso ille Frugi legem de pecuniis repetundis primus tulit. — Haec 
constitutio primum (niet primo) habet aequabilitatem quandam magnam, 
deinde firmitudinem. — (Ait Aristoteles), Lysiam primo profited solitum 
artem esse dicendi; deinde orationes eum scribere aliis coepisse. — Datur 
petentibus venia dissuadente primo Vercingetorige, post concedente. 

Dikwijls echter wordt het onderscheid niet streng in acht genomen en 
staat primum, waar men primo zou verwachten. Primum is ook voor de 
eerste maal, eerst (§ 162, A. 1): 

P. Decius primum pater, post aliquot annos filius se pro salute 
populi Romani devovit. 

§ 467. Ook in het Latijn kunnen adiectiva en participia ge- 
substantiveerd, d. i. als substantiva gebruikt worden, 'tzij door- 
dat men met den begripsinhoud van een adiect. (of part.) onbewust 
de algemeene voorstelling van een persoon, eene zaak, een toestand enz. 
verbond (bij v. boni, honestum), 'tzij door bewuste weglating van een 
substantivum, dat uit den samenhang gemakkelijk kan worden opge- 
maakt, omdat het adiectivum er bijzonder dikwijls mee verbonden werd 
(bijv. tertiana (febris), continens (terra), enz.). Vgl. § 598. 

Afgezien echter daarvan, dat de duidelijkheid geen schade mag lijden, 
houdt in het klassieke Latijn deze substantiveering nauw verband met 
genus, numerus, casus en stam der adiectiva: 

1) Men gebruikt niet gaarne het masc. sing, van een adiec- 
tivum of participium als substantivum in den nominat. of 
den a ecus, zonder praepositie, tenzij in verbinding met een pronomen 
(dat dan als subst. dienst doet) : dus liever vir sapiens of homo sapiens 
een wijze, virot homo doctas een geleerde, homo avarus een gierigaard; 
maar: nemo doctus geen geleerde, dodissimus quisque iedere geleerde; 
homo Romanus of Romanus aliquis of Romanas quidam een Romein. 

2) In 't femininum kan een adiect. in 't geheel niet als substant. 
gebruikt worden, tenzij het door het gebruik werkelijk een substan- 
tivum geworden is, zooals praerogativa (centuria), laeva (manus) : vgl. 
§ 468, A. 3. 

§ 468. 3) In het neutrum singular e worden in alle naamvallen 
vele adiectiva (vooral o-stammen, minder dikwijls i-stammen) als sub- 
stantiva gebruikt, met name als abstracta: bonum, honestum het 
goede, veram het ware, falsum het onware, inane het ijdele: 

Lex est recti praeceptio praviqae depulsio. Vgl. ook § 408. 

- 



I / 



4) In den pluralis komt het masculinum van gesubstanti- 
veerde adiectiva en participia in alle naamvallen dikwijls voor, het 
neutrum bij voorkeur alleen in den nominat. en accus.: docti ge- 
leerden, divites rijken, boni welgezinden, nostri de onzen; bona goederen, 
dicta gezegden, futara het toekomstige, omnia alle dingen (maar liever: 
omnium rerum, ofschoon zelfs bij Cicero ook uitdrukkingen als in omni- 
bus, de omnibus, his expositis e. d. niet zelden voorkomen): 

Quid est tarn commune, quam spiritus vivis, terra mortals? — 
Sapiens et praeterita grate meminit et praesentibus ita potitur, 
ut animadvertat, quanta sint ea, quamque iucunda. 

Aanm. 1. Bij de gesubstantiveerde adiectiva en participia, 
voorzoover ze personen aanduiden, kunnen adiectiva numeralia 
staan; doch zelden vindt men er andere adiectiva bij, dus: omnes 
stulti, multi boni; doch niet: veri sapientes, maar vere sapientes de 
ware wijzen; niet magni docti, maar homines doctissimi groote ge- 
leerden; zoo ook: inimicissimi aartsvijanden, leviter aegrotantes 
lichte zieken. 

Bij de neutra kunnen ook andere adiectiva gevoegd worden: praeclarum. 
responsum een beroemd antwoord (daar echter in het gesubstantiveerde 
partic. het verbum nog gevoeld werd, kan men ook zeggen: multa acute 
responsa); summum bonum enz.. 

Aanm. 2. Bij eigennamen plaatst men gewoonlijk geene adiectiva, 
tenzij ze een, bijnaam, eene afstamm.ing of eene philosophische 
school te kennen geven; anders voegt men eerst een substantief als 
appositie bij den eigennaam: Cato Maior, Cicero Arpinas, Zeno Stoicus; 
maar: Plato, dodissimus homo; Corinthus, urbs amplissima. 

Aanm. 3. Eenige adiectiva zijn geheel in substantiva overgegaan, 
als : patria (f.), dextra (f .), hiberna (n.) ; amicus, aequalis, iuvenis, adules- 
cens, sapiens (in de philosophische taal: een wijze, wijsgeer), enz.. 

b) Comparatio der adiectiva. 

§ 469. Wanneer op een comparat ivus die als bepaling bij een 
substantivum in een casus obliquus staat, quam volgt (in plaats 
van den ablat. comparat. : § 432) , moet men bij quam een nieuw 
werkwoord voegen: 

Homini hones to, sed non gratiosiori, quam Cn. Calidius est, argen- 
tum reddidit. — Magis idoneum, quam ego sum, ad earn causam 
profecto reperies neminem. 

Aanm. 1. In 't laatste voorbeeld echter zou men ook kunnen zeggen: 
quam me, ofschoon de eerste wijze van uitdrukking juister is. 

Aanm. 2. Somtijds kan men den ablat. na den comparat. door een ge- 

heelen zin met quam vervangen, bijv. in: opinione, exspectatione, spe, aequo: 

Latius op in io n e malum disseminatum est(= latius quam opinamuf). 

Aanm. 3. Bij plus, amplius, minus, longius kan men, wanneer men 
getal- Of maatbepalingen aangeeft, quam weglaten, zonder den 
ablat. te gebruiken. 



310 



SYNTAXIS. 



§§ 470-472. 



Men heeft dus drie construed es : 1° plus quam; 2° plus met derizelfden 
casus als na quam; en 3° plus gevolgd door den ablativus: 

Fieri non poterat, ut plus quam decern medimna ex iugero exara- 
rent. — Castra non longius milia passuum octo aberant. — Castra 
amplius milibus passuum octo in latitudinem patebant. 

Zoo zegt men ook: Maior annos sexaginta natus {Dionysius) decessit. 

§ 470. Wanneer slechts van twee zaken sprake is, die vergeleken 
worden, gebruikt men in het Latijn den comparativus; in onze taal 
bezigen wij dan den superlativus of- den positivus: Italia inferior 
Beneden-Italie. - Maior pars hominam 't grootste deel der menschen: 

Duas a te accept epistulas. Respondebo igitur priori prius. 

§ 470a. Wanneer twee eigenschappen van een voorwerp met elkander 
vergeleken worden, gebruikt men in 't Latijn gewoonlijk, evenals wij, niet den 
comparativus, maar het adverbium magis; in het Latijn mag men echter 
ook beide adiectiva in den comparativus plaatsen: 

Magis facilis disputatio est quam necessaria. — Hie orator acutior 
est quam ornatior. 

AanM. De tweede constructie laat zich moeilijk logisch verklaren : de 
comparatief-uitgang van het eerste adiectiviim schijnt eenvoudig op het 
tweede te zijn overgegaan. 

§ 471. De comparativus wordt in het Latijn ook gebruikt zonder 
dat eene vergelijking uitgesproken wordt; deze laat zich dan echter wel 
den ken: het tweede lid der vergelijking was namelijk: het gewone, 
de rechte, juiste maat: wij vertalen door de bijwoorden: al te, te, 
tamelijk, wat, een weinig, naarmate het verband het meebrengt: 

Omnia pleramque, quae absunt, vehementius hominam mentes 
perturbant. - Eo anno frumentam in Gallia propter siccitates angus- 
tius provenerat. - Qui plura loquitur, is ineptus esse dicitur. — 
Senectus est natura loquacior. 

Aanm. 1. Uitdrukkingen als te groot, dan dat worden in klassiek Latijn 
vertaald door den comparativus met ut: maior, quam ut: 

Isocrates maiore mihi ingenio videtur esse, quam ut cum Lysia com- 
paretur. 

Sedert Livius zeide men ook maior, quam qui. Vgl. § 530, Aanm.. 

Aanm. 2. Over longum est, het zou te lang duren, vgl. § 514. 

§ 472. De superlativus geeft niet alleen den hoogsten graad 
te kennen (r e 1 a t i v u s), maar zeer dikwijls ook, zonder vergelijking, 
eenen zeer hoogen graad (elativus), zoodat wij door zeer, 
hoogst, buitengewoon enz. moeten vertalen: 

Ex quattuor urbibus maxim is constare dicitur urbs Syracusae. — 
G ratissimae mihi tuae litterae fuerunt. 



§ 473. 



BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER PRONOM.. 



311 



Tot versterking van den superlativus dienen de woorden: multo 
en longe verreweg, vel zelfs, misschien, anus, unus omnium 
aller- (vgl. § 124): 

Sueborum gens est longe maxima et bellicosissima Germanorum 
omnium. — Centuripini erat civitas totius Siciliae multo maxima. — 
Protagoras, sophistes temporibus Mis vel maximus, Atheniensium 
iussu est urbe exterminatus. - Miltiades et gloria maiorum et sua 
modestia unus omnium maxime florebat. 

Aanm. 1. Zoo - mogelijk wordt in 't Latijn uitgedrukt door quam 
en den superlativus met of zonder possum: 

lugurtha quam maxim as potest copias armat. — Exercenda est me- 
moria ediscendis ad verbum quam plurimis et nostris scriptis et alienis, 

Aanm. 2. a) Dikwijls vindt men in het Latijn een superlativus (in 
den sing.) voor quisque (in de bet. ieder, alle), om eene klasse van 
personen of dingen aan te geven (vgl. § 490) ; wij kunnen in dit geval ook 
den superlativus gebruiken, maar geven quisque dikwijls weer door een 
-adverbium: telkens, altijd, juist: fortissimus quisque juist de dappersten: 
, In omni arte optimum quidque rarissimum est. 

b) Hoe meer iemand . . . ., des te . . . . (waarin wij een compa- 
ratief gebruiken) wordt in het Latijn weergegeven door ut quisque .... 
ita met superlativi: 

Ut quisque est vir optimus, ita difficillime esse alios improbos 
suspicatur. 

Men mag echter ook quo quis . . . . eo met comparativi gebruiken: 

Voluptas quo est maior, eo magis mentem ex sua sede et statu demovet. 



3) PRONOMINA. 
a) Pronomen personale. 

§ 473. 1) Als genetivus obiectivus (§ 403) gebruikt men bij 
substantia, adiectiva en verba, van het pronomen personale de 
vormen: mei, tui, sui, nostri, vestri: 

Clodius nihil contra me fecit odio mei, sed odio severitatis, odio rei 
publicae. — Habetis ducem memorem vestri, oblitum sui. 

2) Als genetivus partitivus gebruikt men eveneens mei, tui, 
sui, doch niet nostri, vestri, maar nostrum, vestrum: • 

Critoni non persuasi me hinc avolaturum neque mei quicquam relic- 
turum. — Quis est nostrum Uberaliter educatus cui non educatores 
cum grata recordatione in mente versentur? — Incertum est, quam longa 
cuiusque nostrum vita futura sit. 

Aanm. Quis nostrorum = wie der onzen: vgl. § 169, A. 4. 

3) Den genetivus possessivus der pronomina personalia van 
den lsten en 2den pers. (en van het reflexivum) kan men niet ge- 
bruiken: zie § 474. 



312 



SYNTAXIS. 



§§ 473a -476. 



§§ 476-477. BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER PRONOM.. 



313 



§ 473a. De als.pronomen personale van den derden per- 
soon gebruikte vormen van is worden, wanneer de nadruk er niet op 
valt, dikwijls weggelaten; zoo altijd, wanneer het pronomen als object 
een voorafgaand object (in denzelfden naamval dus) zou moeten vervangen: 

Fratrem taum in ceteris rebus laudo ; in hac una reprehendere cogor. - 
(Caesar oppidum Noviodunum) ex itinere oppugnare conatus, quod 
vacuum ab defensoribus esse audiebat, propter latitudinem fossae expug- 
nare non potuit. 

b) Pronomen possessivum. 

§ 474. a) In plaats van den genetivus possessivus der prono- 
mina personalia van den lsten en 2den pers. (en van het reflexivum) 
gebruikt men de pronomina possessiva: men vertaalt dus: Dat 
is de schuld van de rechters, niet van mij: Haec iudicum culpa, 
non mea est (Cic. Phil. 11, 11): 

Nulla in lege nostra reperietur maleficium exsilio esse multatum. 

De appositie en de bepaling bij een pron. poss. staan echter 
weder in den genet.: 

Iuravi rem publicam mea unius opera esse salvam. 

Aanm. 1. Gewoonlijk echter zegt men: omnium nostrum, niet noster 
omnium (ook niet nostrum omnium): 

Patria communis est parens omnium nostrum. 

Aanm. 2. Dikwijls heeft het pronom. possess, de sterkere beteekenis, 
die wij door toevoeging van eigen te kennen geven: 

Maiores nostri suos agros studio secoleb ant, non alienos cupide appetebant,. 
Vgl. ook het laatste voorbeeld van § 472. 

b) In plaats van het ontbrekende niet-reflexieve pronomen pos- 
sessivum van den 3den persoon gebruikt men den genetivus 
van het determinativum, meestal van is.- eias, eorum, earum (vgl. § 169): 

Aliqui casus eius consilium peremit. 

§ 475. Het pronomen possessivum wordt meestal wegge- 
laten, wanneer de nadruk er niet op valt en uit den samenhang 
duidelijk genoeg op te maken is, wiens bezit bedoeld wordt: 

Ap te, distincte, ornate dicere, in eo studio aetatem consumpsi. — 
Man us lava et cena. 

c) Pronomen reflexivum. 

§ 476. A. Een afzonderlijken vorm voor het reflexivum 
heeft in het Latijn alleen het pronomen personale (en possessivum) van 
den derden persoon (§ 168): sui, sibi, se, se; possess, suus. 






De pronomina personalia (en possessiva) van den eersten en 






tweeden persoon kunnen 
gebruikt worden; dus: 

niet- f me amat 
reflex, i meum lib rum legit 

maar: 

niet- / eum amat 
reflex. \ eius lib rum legit 



zoowel niet-reflexief als reflexief 



reflex. 



( me amo 



\ meum librum lego 



reflex. < 



( se amat 



\ suum librum legit. 



B. Het pronomen reflexivum kan direct of indirect ge- 
bruikt worden. 

1°. Direct reflexivum. Direct gebruikt staat het pronomen 
reflexivum in alle zinnen, waarin het pronomen van den 3den 
persoon h e t (logisch) subject van denzelfden zin aanduidt 
(daarop »terugslaat"): 

Est amans sui virtus. — Deforme est de se ipsum praedicare. — 
Veneti se sua que omnia Caesar i dediderunt. — Alexander, cum 
interemisset Clitum, familiarem suum, vix a se manus abstinuit. 

Zoo vindt men den genet, sui in: sui defendendi causa uit zelf- 
verdediging (vgl. § 435); - desiderium sui relinquere verlangen 
naar zich achterlaten; — . similis sui zijns gelijke; — pars sui 
een deel van zich zelf. 

Aanm.1. Men noemt logisch subject het subject dat handelend, 
werkend optreedt, in tegenstelling met het grammatische subject, dat 
ook passief kan zijn. 

Gewoonlijk is het logische subject ook het grammatische. Is dit in een 
zin niet het geval, dan slaat het pronomen reflexivum op het 
logische, niet op het grammatische subject, bijv. : Sapientiam nun- 
quam sui paenitet. Hier staat sapientiam, waarop sui slaat, wel is waar in 
den accus. bij het impersonale paenitet (§ 380), maar is toch naar den 
zin het handelende subject (= sapiens nunquam, quod paenitere possit, 
facit). — Has adversus copias spes omnis consistebat Dat ami in se 
locique natura (= Datames omnem spem collocabat in se). 

Aanm. 2. Participia en ablativi absoluti vormen geen nieuwe 
zinnen, maar zijn slechts deelen van den zin; derhalve slaat het pron. 
reflex, ook in deze op het logische subject van den zin: 

Caesar exercitu per se comparato pestibus rem publicam libera- 
vit. — Invitis suis civibus nactus est imperium. 

§ 477. 20. Indirect reflexivum. Indirect gebruikt staat het 
pronomen reflexivum in afhankelijke zinnen, waarin het pro- 
nomen van den 3den persoon het subject van den hoofdzin 
aanduidt, mits de afhankelijke zin de gedachte (den wil, de 
bedoeling) van het subject van den hoofdzin uitdrukt: 



314 



SYNTAXIS. 



;§ 478 -478a. 



A Pyrrho perfuga senatui est pollicitus se venerium regi daturum 
et earn necaturam (§ 588). - Dionysius instltuit ut (filiae) can- 
dentibus iuglandium putaminibus barbdm sibi et capillum adurerent. 

Maar: Aranti Cincinnato nuntiatam est earn dictatorem esse factum, want, 
hier slaat net pronomen (earn) niet op het (logische) subject van den hoofdzin 
(nuntius). - Epaminondas fait disertus, ut nemo et Thebanus par esset eloquen- 
tia, want hier drukt de afhankelijke zin zonder meer een gevolg, een graad 
uit, niet de gedachte, de bedoeling van het subject in den hoofdzin. 

§ 478. Het possessivum suits kan ook dan gebruikt worden, wanneer het 
niet op het subject van den zin slaat, maar op een object in de nabij- 
heid; suus heeft dan den nadruk (= zijn eigen: §474, A. 2); men vindt het 
zoo vooral bij quisque: 

Hannibalem sui cives ex urbe eiecerunt. - Desinant improbi insidiari domi 
suae consult. - Hostibus victls sua reddidemnt. — Sua quemque fraus et 
suus terror maxime vexat, suum quemque scelus agitat amentiaque adficit. — 
lustitia est animi affectio suum cuique tribuens. 

Aanm. 1. Staat het object ver van het pronomen verwijderd en 
heeft dit niet den nadruk, dan gebruikt men eius: Deuin agnoscis ex. 
operibus eius. Somtijds beslist de duidelijkheid van den zin, of men suus 
of eius gebruikt. 

Aanm. 2. Op zich zelf = per se: Nihil ipse per sese sine Sulla 
facere potaerunt. 

Aanm. 3. In een afhankelijken zin kan het pron. reflexivum meer- 
malen vodrkomen en daarbij op verschillende subject-en betrekking 
hebben, namelijk op dat van den hoofdzin en op dat van den afhan- 
kelijken zin : 

Ariovistus respondit quod sibi (§ 477) Caesar denuntiaret se (§ 477) 
Aeduoram iniurias non neglecturum, — neminem secum (§ 477) sine sua 
{§ 476) pernicie contendisse: sibi slaat op het subject van den hoofdzin 
(Ariovistus); se op dat van den regeerenden zin (Caesar denuntiaret); 
secum weer op het subject van den hoofdzin (Ariovistus respondit); sua 
echter op het subject van den zin, waarin het staat (nemo mecum sine sua 
pernicie contendit). 

Aanm. 4. Somtijds wordt ipse (§ 481) gebruikt in de plaats van 
het pron. reflexivum, wanneer er namelijk eene tegenstelling is en 
het niet duidelijk zou blijken, of het reflexivum op het subject van den 
regeerenden of van den afhankelijken zin zou slaan: 

Iugurtha legatos ad consalem mittit, qui tantummodo ipsi liberisque 
vitam peterent, alia omnia dederent populo Romano. 

§ 478a. Gelijkreedsin § 168, A. 2 opgemerkt werd, bezit het Latijn geen prono- 
men reciprocum(elkander). Gewoonlijk wordt de wederkeerigheidsverhouding 
uitgedrukt door inter se (vos, nos), zonder se: Inter sese aspiciebant. 

Men kan ook tweemaal alter (bij twee pers.), of alius (bij meer dan twee 
pers.) gebruiken (in verschillende naamvallen) : Alter alteri aaxilio erat. 



§ 479. BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER PRONOM.. 

d) Pronomen demonstrativum. 



315 



§ 479. Hie wijst op iets, dat (tijdelijk en plaatselijk) betrekking 
heeft op den spreker (den lsten pers.), 

iste op hetgeen betrekking heeft op den aangesprokene 
(den 2den pers.), 

ille op een persoon of zaak, die verwijderd is (bij den 
3den pers.): 

Mihi nee iste liber notas est nee illi (tres); sed haec mea culpa 
est. - Multae is t arum arborum (die gij daar ziet) mea manu 
sunt satae. 

Aanm. 1. I lie. bij een substantivum geplaatst, beteekent dikwijls die 
bekende, beroemde of beruchte: 

Appius ille Caecus Appiam viam munivit. — Honestum illud Solonis 
est, quod ait verslculo quodam, senescere se multa in dies addiscentem. 

Aanm. 2. Hie en is (§ 480) kunnen beide vertaald worden door deze, 
maar hie wijst altijd aan wat in gedachte of werkelijkheid tegenwoordig 
is bij den spreker, terwijl is slechts in 't algemeen slaat opjets, dat 
reeds genoemd is. 

Hie slaat dikwijls op hetgeen volgt: 

Ambiorix ad hunc modum (op de volgende wijze) locutus est (Caes. 
Gall. 5, 27, 1). 

Ook ille kan. wijzen op het volgende, maar met meer nadruk en 
tevens in tegenstelling met hetgeen voorafgaat: 

Tantum illud vereor, ne quosdam privata amicitia Iugurthae trans- 
versos a gat. 

Aanm. 3. Wanneer hie en ille slaan op wobrden die voorafgaan, 
heeft hie gewoonlijk betrekking op het laatstgenoemde, ille op het 
eerstgenoemde. Niet zelden echter wordt van dezen regel afgeweken 
en slaat hie op hetgeen eerst genoemd is, omdat dit in den gedachten- 
gang van den schrijver of spreker de eerste en naaste plaats inneemt: 

Cave Catoni anteponas ne istum quidem ipsum quern Apollo, ut ais, 
sapientissimum iudicavit .- huius (Catonis) enim facta, illius (Socratis) 
dicta laudantur. 

Aanm. 4. In zinnen en uitdrukkingen met quidem — sed (zelden 
tamen) wel — maar, plaatst men voor quidem .gewoonlijk een pronomen 
(bij een verbum een pronomen personale, bij een substantivum ille), 
dat het in het voorafgaande verbum besloten subject (pron. pers.) of het 
voorafgaande substantivum weer- opneemt en scherp doet uitkomen. 

In plaats van ego quidem zeide men gewoonlijk equidem (d. i. de 
aanwijzende partikel e + quidem), dat men ten onrechte als ontstaan 
beschouwde uit ego quidem: 

In eo non tu quidem tota re, sed temporibus errasti. — Consuluisti me 
per litteras de Capua tu quidem, sed idem de Casilino respondissem. — 
Veterani sunt fortes illi quidem, sed nimis feroces. - Multi esse Latini 
libri dicuntur, scripti inconsiderate ab Epicureis, optimis illis quidem 
viris, sed non satis eruditis. 

Locutus sum de re publica, minus equidem libere quam mea consue- 
tudo, liberius tamen quam periculi minae postulabant. 



316 



SYNTAXIS. 



§§ 480 -480a. 



e) Pronomen determinativum. 



§ 480. Is, ea, id is, gelijk reeds vroeger opgemerkt werd, in de 
eerste plaats determinativum, zoodat het een begrip nader bepaalt: 
is . . qui hij . . die; is . . lit van dien aard, zulk een . . dat. 

Het kan echter ook demonstrativum zijn, namelijk wanneer het 
slaat op een voorgaand woord (deze), of wanneer het gelijk is aan 
ons pronomen personale van den derden persoon: hij, zij, het: 

a) Eum, qui palam est adversarius, facile cavendo vitare possis. — 
Animi neque admirantur neque requirunt rationes earum rerum, quas 
semper vident. — Est nobis is animus, Quirites, ut nullius audaciae 
cedamus. 

b) Cams fuit Africano superiori noster Ennius, itaque etiam in 
sepulcro Scipionum putatur is esse constitutus ex marmore. 

Aanm. 1. Evenals bij ons, wordt is, ea, id gewoonlijk weggelaten bij 
qui, quae, quod, wanneer het in denzelfden naamval staat als dit laatste 
en geen nadruk behoeft te hebben : 

Dicam quod sentio (Cic. Sest. 85) of: Quod sentio dicam (Cic. Phil. 5,3), 
maar: Certe id dicam quod sentio (Cic. Pis. 32) of ook: Dicam id, 
quod sentio (Cic. Catil. 3, 17). — Felix, qui potuit rerum cognoscere causas 
(Verg. georg. 2, 490). 

Aanm. 2. Door et is (et is quidem, atque is, isque; ontkennend 
nee is) wordt eene bijzondere eigenschap van een reeds genoemde persoon 
of zaak op den voorgrond geschoven; het drukt hetzelfde uit als ons: 
en (dat) wel, en nog daarenboven: 

Vincula, et ea sempiterna, ad singularem poenam nefarii sceleris in- 
venta sunt. 

Heeft en dat wel betrekking op een verbum, dan gebruikt men het 
neutrum et id (idque): 

Te, Marce fill, annum iam audientem Cratippum idque Athenis abun- 
dare oportet praeceptis philosophiae. 

In et is (id) quidem kan is (id) ook achterwege blijven. 

Aanm. 3. Et idem' atque idem, idemque en tegelijk, en tevens, 
voegen aan een reeds genoemd praedicaat een tweede toe : 

Quidain nimis magnum studium in res obscuras conferunt easdemque 
non necessarias. 

§ 480a [§ 418]. In het Nederlandsch kunnen wij een pronomen determina- 
tivum bezigen in verbinding met een genet, possess, ter vervanging van een 
in het voorafgaande genoemd substantivum, bijv. : Zijn de redevoeringen van 
Demosthenes schooner dan die van Cicero? In het Latijn mag men in dit geval 
geen pronomen determinativum gebruiken; men laat het pronomen 
eenvoudig weg: 

Necessitatis inventa antiquiora sunt quam voluptatis. 



§§ 481-482. BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER PRONOM.. 317 

i Is echter de casus van het pronomen een andere dan die van het vooraf- 
gaande substantivum, dan wordt dit laatste herhaald : 

Nulla est celeritas, quae possit cum animi celeritate contendere. 

§ 481. Ipse legt nadruk door tegenoverstelling. Wordt het sub- 
ject van den zin tegenover een ander subject gesteld, dan richt ipse 
zich naar het subject; wordt het object tegenover een ander object 
gesteld, dan richt het zich naar het object (zie echter § 677 A.): 
Veritas se ipsa defendet (Cic. ac. 2, 36): niet een ander behoeft 
de waarheid te verdedigen, zij zelf zal het doen: 

Lucretia se ipsa interemit - Non egeo medicina, me ipse con- 
so lor. - Quaeso, nollte vosmet ipsos consolari. - Fac ut diligentis- 
sime te ipsum custodias. 

Aanm. Uit de beteekenis van ipse volgt, dat het op velerlei wijze ver- 
taald kan worden : 

Ipsa spes inopiam sustentabat (Caes. civ. 3, 49, 1) reeds de hoop all een 
maakte het gebrek dragelijk. 

Valvae se ipsae aperuerunt (Cic. div. 1, 74) de dubbele deuren openden 
zich van zelf. 

A multis ipsa virtus contemnitur (Cic. Lael. 86) door velen wordt zelfs 
de deugd gering geacht. 

M. Cato mortuus est annis LXXXVI ipsis ante me (Ciceronem) consulem 
(Cic. Brut. 61) M. Cato is juist 86 jaar voor mijn consulaat gestorven. 

In ipsis fluminis ripis proeliabantur (Caes. Gall. 2, 23, 3) zij vochten 
nog tot vlak aan de oevers der rivier, enz.. 



f) Pronomen relativum. 

§ 482. Rela.tiva worden in 't Latijn dikwijls gebruikt om een 
zelfstandigen zin met een yoorgaanden te verbinden, zoodat qui 
gelijk is aan: et is {hie), is (hie) vero, is (hie) autem, is (hie) 
enim, is (hie) igitur; deze conjuncties worden dan echter bij qui 
natuurlijk niet geplaatst (zie § 525 vlgg.): 

M alias ad res perutiles Xenophontis libri sunt: quos (= eos igi- 
tur) legite, quaeso, stadiose. 

Zoo heeft men in 't Latijn dikwijls verbindingen als: qui cum venisset, 
qui ut abiit, quod ubi audivit, qui postquam dixit, enz.. 

Aanm. 1. Dikwijls heeft er eene verplaatsing van den relatieven zin 
plaats of ook een overgang van het pron. relat. in een zin, die van den 
relatieven zin afhangt; men krijgt dan somtijds twee pron. relat. naast 
elkander en daardoor een zinsverband, dat in onze taal niet behouden 
kan worden. 

Het pron. relat. dat op het voorafgaande substantivum betrekking 
heeft, gaat voorop: 

Magna est vis conscientiae, quam qui neglegunl (= hanc enim of earn 
enim qui neglegunt), se ipsi indicant. — Qualia ista bona sunt, quae qui 
habeat, miserrimus esse possit. 

Aanm. 2. Voor vele conjuncties, als si, nisi, cum, quia, quoniam enz., 
komt dikwijls het pronomen quod (door velen als een oude ablat. 



318 



SYNTAX1S. 



§§ 483-485. 



beschouwd (= vandaar, daarom), waarschijnlijk echter een adverbiale * 
accus.: lett. : met betrekking waartoe), schijnbaar oveirtollig, inderdaad 
echter om den zin nauwer met den voorafgaanden te verbinden, met de be- 
teekenis: en dus, daarom, alzoo, namelijk, dikwijls ook niet vertaalbaar: 
quod si (niet quodsi) daarom wanneer, wanneer dus nu, bijaldien: 
Tyranni coluntar simalatione, dumtaxat ad temp us. Quod si forte — ut fit 
plerumque — ceciderunt, turn intellegitur quam fuerint inopes amicorum. 

Aanm. 3. Dikwijls wordt het pron. relativum gebruikt in plaats van het 
demonstrativum, alleen om eene nauwere aansluiting te verkrijgen aan het 
voorafgaande. 

§ 483. Verplaatsing van het antecedent (Bijvoegelijk gebruik 
van het relativum). 

a) Wanneer het pron. relativum vooropgaat, wordt dikwijls het 
substantivum, waarop het relativum betrekking heeft (het 
antecedent^)), uit den hoofdzin in den relatieven zin over- 
gebracht, zoodat het relativum adiective staat; het demonstrativum 
kan weggelaten worden: 

Quam quisque norit art em, in hac se exerceat. — Quae cupi- 
ditates a natura proficiscuntur, facile explentur. — Habeo quas ad 
eundem litter as misisti. 

Altijd construeert men zoo een adiectivum in den superlativus: 
Agamemno cum devovisset Dianae, quod in suo regno pulcher- 
rimum natum esset illo anno, immolavit Iphigeniam. Vgl. § 406, 1. 

Aanm. Ook quisque staat in het klassieke Latijn slechts zelden alleen in 
den hoofdzin, bijv. : Tantum quisque laudat, quantum se posse spend 
imitari; eerst sedert Livius wordt deze constructie veelvuldiger. Wei echter 
plaatst het klassieke Latijn gaarne quisque in beide zinnen, bijv.: Quod 
cuique obtigit, id quisque teneat. 

§ 484. b) Evenzoo wordt, wanneer het relativum betrekking heeft op eene appo- 
sitie, het substantivum appositum altijd in den relatieven zin getrokken: 

Capuaene te putabas, Piso, in qua urbe (dus niet: in urbe in qua) domi- 
cilium quondam superbiae fuit, consulem esse, an Romae, in qua civitate 
(niet: in civitate in qua) omnes ante vos consules senatui paruerunt? 

§ 485. c) Eindelijk wordt het antecedent in den relatieven zin over- 
gebracht in uitdrukkingen als qua prudential es of quae est tua prudentia en dgl. 
(voor prudentia, qua (abl. qual. : § 457) es, of : quae est tua), waarin het ante- 
cedent tot den geheelen zin in eene betrekking staat, die ook door pro c. abl. 
kan worden uitgedrukt (vgl. § 459, b) : 

Qua prudentia es, nihil te fugiet. — Copiam sententiarum et verborum, 
quae vestra prudentia est, perspexistis. - Qua mollitia sum animi 
ac lenitate, nunquam illius lacrimis ac precibus restitissem. 

Daarnaast (overigens niet volkomen gelijk): 

Tu pro tua prudentia, quid optimum facta sit, videbis. — Mihi pro 
cetera eius audacia atque amentia ne hoc quidem mirandum videtur. 



l) Zoo genoemd, omdat het gewoonlijk voor het pronomen staat (antecedit). 



§§ 486-487. BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER PRONOM., 



319 



Aanm. Het relativum kan ook bijvoegelijk gebruikt worden, zonder- 
dat het antecedent verplaatst wordt: het substantivum is dan voor 
de duidelijkheid na het relativum herhaald (zoo vooral bij Caesar) : Erant 
omnino itinera duo, quibus itineribus domo exire possent. 

§ 486. Wanneer een relatieve zin niet op een enkel woord, maar op een 
geheelen zin slaat, en bij wijze van tusschenzin (parenthetisch) gebruikt 
wordt, versterkt men het pron. relat. (neutr. gener.) gewoonlijk met id, dus: 
id, quod: 

Socrates videtur, id quod constat inter omnes, primus philosophiam ad 
vitam communem adduxisse. 

g) Pronomen interrogativum. 



§ 487. Quis? staat in den regel substantive: het vraagt naar 
het voorwerp zelf, niet naar de hoedanigheid; qui, omgekeerd, 
in den regel adiective: het vraagt naar de hoedanigheid. 

Vraagt men naar een van twee zaken of personen, dan gebruikt 
men liter (zoowel substantive, als adiective): 

Quis Karthaginiensium pluris fuit Annibale consilio? - Qui locus 
in Graecia tola tarn sanctus fuit in quo ullum simulacrum reliquum 
sit? — Quod no men unquam in orbe terrarum clarius fuit? — Quae 
sententia legis est? — Uter nostrum popularis est? tune an ego? — 
Arar in Rhodanum influit incredibili lenitate, ita ut oculis, in utram 
partem fluat, iudicari non possit. 

Aanm. 1. Somtijds staat bij quis toch nog een substantivum; 
dit moet dan als appositie beschouwd worden: Quis unquam Graecus 
comoediam scrip sit in qua servus primarum partium non Lydus esset? (Cic. 
Flacc. 65): wie, een Griek bedoel ik, enz.; men vraagt naar den naam, 
niet naar de hoedanigheid. — Quis locus tarn firmum habuit praesidium 
ut tutus esset? (Cic. Manil. 31) : in dit geval wil Cicero den naam der plaats 
weten ; in 't voorbeeld, boven in de paragraaf aangehaald, spreekt hij slechts 
van de hoedanigheid, den aard der plaats. 

Wanneer omgekeerd Cicero zegt: Cupio videre qui id audeat dicere 
(Phil. 5, 6), dan bedoelt hij niet: wie dat durft zeggen, maar: wat voor 
een mensch het is, die dat durft zeggen. Qui is dus eenigermate 'tzelfde 
als qua lis, maar dit laatste vraagt nog bepaalder naar de hoedanigheid. 
Vgl. Sail. Catil. 44, 5. 

Gelijk echter reeds in § .176 opgemerkt werd, gaat de onderscheiding tus- 
schen quis en qui niet altijd op : quis komt ook zonder meer adiective voor. 
In het neutrum evenwel wordt het verschil steeds in acht genomen : quod 
wordt altijd adiective gebruikt, quid altijd substantive: Quod erat 
tempus? quid causae est? quid hominis est? enz. (zie § 408). 

In Quid praeclarum non idem arduum! (Cic. Tusc. 84) is praeclarum 
praedicatief (= quid, quod praeclarum est): Wat is er voortreffelijk, 
dat niet tevens moeilijk is? 

Aanm. 2. Wanneer aan beide kanten, of ten minste aan een kant meer 
dan een is, en natuurlijk ook bij pluralia tantum, gebruikt men 't 
meervoud van uter (en evenzoo van uterque: § 491): 

Erat in celeritate omne positum certamen, utri prius angustias montesque 
occuparent. — Caesar e castris ut risque copias suas eduxit. 



320 



SYNTAXIS. 



§§ 488-489. 



h) Pronomen indefinitum. 



§ 488. Aliquis en quisquam (alius). Aliquis (adiective aliquT: 
vgl. § 177) drukt onzekerheid uit omtrent de hoedanigheid van een 
persoon of zaak; het beteekent: iemand, om het even wie; de een 
of ander, als het maar iemand (iets) is; zijne hoedanigheden 
doen niets ter zake. Overeenkomstig zijne beteekenis staat het hoofdza- 
kelijk in bevestigende zinnen. 

Quisquam (waarbij ullus adiective behoort) drukt onzekerheid 
uit omtrent het bestaan van een persoon Of zaak; het beteekent: 
iemand, al is het ook maar een, wanneer er maar iemand is. 
Quisquam komt daarom (evenals ullus) bijna alleen voor in ont- 
kennende zinnen, in vragende zinnen met ontkennende strek- 
king (bijv.: hebt gij (ooit) iemand gezien, die zich zooveel moeite 
gaf?), en in andere zinnen, waarin een negatief begrip opgesloten ligt 
(na een comparatief met quam; in bepaalde zegswijzen na si; na vix, 
quasi, enz.): 

Indicavil se audisse aliquid. - Negat se audisse quic- 
quam. - Honore potius aliquo, quam ullo supplicio dignus esse 
videtur. - Difficile est non all quern, nefas quemquam praeterire. - 
Aut nemo aut, si quisquam, Cato sapiens j uit. - Latins patet contagio 
quam quisquam putat (— nemo putat contagionem tarn late patere). - 
Nulla umquam civitas tota Asia et Graecia signum ullum sua 
voluntate cuiquam vendidit. - Potest Mo quicquam esse certius? — 
Hoc quisquam defendet? 

Aanm. 1. Zoo zegt men: sine ullo periculo zonder eenig gevaar, 
maar: non sine aliquo periculo niet zonder eenig (n. z. aanmerkelijk) 
gevaar, omdat hier de beide ontkenningen (sine = niet met) elkaar op- 
heffen (= cum aliquo periculo). 

Aanm. 2. Dezelfde verhouding als tusschen aliquis en quisquam be- 
staat er tusschen aliquando en unquam, alicubi en usquam. Zie het 7de 
voorbeeld. 

§ 489. Aliquis en quis. Quis is zwakker dan aliquis; het 
staat daarom nooit aan 't begin van een zin (dan gebruikt men aliquis), 
doch sluit zich als een encliticon (§ 47) aan bij een voorafgaand 
woord, vooral bij si, nisi, sive, ne, num, qui, quae, quod, quo (waarheen, 
naarmate, hoe), cum, quando, quanto, ubi, unde, an; dus: 
si quis, ne quis, quo quis, ubi quis, an quis, 

nisi quis, quod quis, cum quis, quando quis, enz.: 

Si qua reliqua spes est, ea tota in hac lege posita est. - Si cui 
quid Me promisit, id erit fixum. - Danda opera est, ne qua ami- 
corum discidia fiant. - Vultus hominum te intuentium atque admiran- 
tium recordare. Num quae trepidatio? num qui tumultus, num quid 



§§ 490-491. BIJZONDERHEDEN I. H. GEBRUIK DER PRONOM.. 



321 






nisi moderate, nisi quiete? - Quaeratur num quod Meat f acinus, 
num quae crudelitas. 

Aanm. I. Wanneer op quis de nadruk zou vallen, gebruikt men ook 
na si, nisi e. d. aliquis: 

Si aliquando alicuius furore et scelere concitata manus ista (Catilinae) 
plus valuerit, quam vestra (senatorum) ac rei publicae dignitas, me tamen 
meorwm factorum nunquam paenitebit. 

Aanm. 2. Dezelfde regel geldt voor aliquando en quando, alicunde 
(§ 309, A. 4) en unde', aliquo (ergens heen) en quo. 

Aanm. 3. Over quis en aliquis voor men vgl. § 359, 5°. 

§ 490. 1. Quisque is ieder wie dan ook (uit meer dan twee: 
ieder van twee is uterque), elk, alien, maar ieder afzonderlijk. 
Het sluit zich gaarne aan bij pronomina relativa, reflexiva en 
interrogativa, bij superlativi (§ 472, A. 2) en bij numeralia 
ordinalia: 

Defendat quod quisque sentit (niet: defendat quisque quod sentit: 
vgl. § 472). — Sua cuique iudicio est utendum. — Hostes constitue- 
runt optimum esse, domum suam quern que reverti. - Dicere ausus 
est sibi quern que consulere oportere. — Acute disputantis Mud est, 
non quid quisque dicat, sed quid cuique dicendum sit, videre. - 
Optimus quisque maxime gloria ducitur. — De moribus nostris 
quint o quo que anno iudicatur. 

2. Zou quisque vooraan in den zin moeten staan, dan gebruikt men 
unusquisque (§ 177): Unusquisque opiniones fingebat et ad id, 
quod ab alio audierat, sui aliquid timoris addebat. 

Aanm. 1. Zoo ook quotus quisque hoevele(n) (in den zin van: 
hoe weinige(n): quot is in dit geval niet gebruikelijk): Quotus quisque 
disertus, quotus quisque iuris peritus est? — Quotus est quisque, 
qui somniis pareat, qui intellegat, qui meminerit? quam multi vero, qui 
contemnant eamque superstitionem inbecilli enimi atque anilis putent! 

Aanm. 2. Bedoelt. men met ieder niet een individu, maar de geheele 
soort, alien te zamen, dan gebruikt men omnis: 

Omne animal (niet quodque animal) appetit quaedam et fugit a quibus- 
dam. — Laudati pro contione omnes sunt donatique pro merito quisque. 

Ook zegt men niet gaarne zonder telwoord: quoque anno, in elk jaar, 
die quoque iederen dag, voor singulis annis, singulis diebus, enz.. 

i) Adiectiva pronotninalia (§ 110, A. 2). 

§ 491. Alter en alius, a) Alter is de eene van twee, de 
tweede, de ander; alius staat in den regel met het oog op meer 
dan twee: (een) ander: alter parens een tweede vader; tua 

woltjer, Lat. Gramm. 6e druk. 21 



322 



SYNTAXIS. 



§ 492. 



altera patria uw tweede vaderland; anas aat alter {anas alterve) 
een of twee (bijv. excepto uno aat sammam altero). 

Hetzelfde onderscheid is er, wanneer alter en alius tweemaal staan: 
alter . . alter de een . . . de ander (van twee) 
alius . . alius de een . . . de ander (van meer dan twee) 
alii . . . alii eenigen . . . anderen: 

Duo templa sunt egregia, Cereris an am, alt e rum Liberae. — Duae 
dictae sunt sententiae, quarum neutram probo: alteram quia semper 
periculosam arbitror; alteram, quia alienam his tempo rib as existimo. - 
Alii nominatim relegabantur, alii metu et periculo terrebantur. 

Alter (uit : *aliteros) is van denzelfden wortel als alia gevormd door het suffix 
-tero-s, dat ter vergelijking met een, zuiver tegengesteld begrip gebruikt werd : 
vgl. § 353, A. 5. 

b) Zinnen als: de een doet dit, de ander dat, geeft de Romein 
veel beknopter weer, door herhaling van alius in twee verschillende 
vormen: alius aliud facit: 

Non possamus omnia per nos agere; alias in alia est re magis atilis. 

Zoo ook met van alius afgeleide adverbia (§ 309, A. 1): 

Idem versus alias in a Ham rem possunt accommodari. - Alii 
alio mittebantur. 

Aanm. 1. Alter geeft nooit een verschil in aard, in soort te kennen, 
alius daarentegen wel; vandaar, dat men soratijds alius vindt, waar men 
anders alter zou verwachten : 

Dolus malus est, cum aliud agitur, aliud simulatur. 

Aanm. 2. Over de herhaling van alius en alter ter vervanging van het 
pronomen reciprocum zie § 478a. - De anderen = ceteri, alle 
anderen = ceteri omnes. 

§ 492. Atnbo en uterque. Ambo beide, is collectief: het 
wordt gebruikt van twee reeds genoemde of bekende personen of zaken, 
die bij elkander behooren en tezamen gedacht worden. 

Uterque (d. i. uter + de onbepaalde partikel -que) ieder van beide 
(twee), is distributief: het wil zeggen: de een en de ander, 
ieder afzonderlijk gedacht: alter ambove consules de eene 
consul of beide; uterque filius elk van de beide zonen, beide 
zonen ieder; uterque nostrum (§ 406, 3) ieder van ons beiden: 

Sibi uterque confidebat et pares ambo videbantur. — Eteocles et 
Polynices ambo perierunt (maar niet: Romulus et Scipio ambo trium- 
pharunt, want dit geschiedde niet tegelijkertijd). 

§ 492a. Nullus en nemo bij persoonsnamen (§ 178, A. 2) onderscheiden 
zich aldus, dat nullus scriptor = nullus scriptor, quotquot sunt, nemo 
scrip tor echter = nemo scriptor, qualiscunque est. 






§ 493. VERBUM. GENERA. 323 

HOOFDSTUK II. 
HET VERBUM. 

A. GENERA. 

De aan de verbuiging der nomina genus verbi ter aanduiding van de verhou- 
ding van het subject tot de handeling is min juist, maar algemeen gebruikelijk. 

§ 493. a) Eenige intransitieve actieve werkwoorden worden als 
passiva geconstrueerd en vertaald: 

interire ab aliquo gedood worden door iemd, 

vapulare ab aliquo gestagen worden door iemd, 

venire (§ 259 A.) ab aliquo verkocht worden door iemd. 

Zoo ook: bene (of male) aadire ab aliquo geprezen (of berispt) 
worden door iemd. 

Aanm. 1. Ook perire kan dikwijls passief vertaald worden: te gronde 
gericht worden. Perire en venire worden gebezigd als passiva bij perdere 
en vendere, van wier passivum in klassiek proza alleen de vormen venditus, 
vendendus, en perditus, perdendus gebruikt worden. Zoo dient ook fieri 
als passivum bij facere (reddere), discere als passivum bij docere. 

b) Omgekeerd geven wij eenige passiva door intransitiva weer: 
vehi varen, rijden (partic. vehens varende, rijdende), rumpi ber- 
sten, mutari veranderen, pasci weiden, corrampi bederven, 
ferri s t r o o m e n, videri s c h ij n e n, enz. : 

Veritas mutari nullo modo potest. 

Aanm. 2. Van kleed veranderen, verwisselen is echter muta re vestem. 

c) Ook vertaalt men passiva dikwijls als reflexiva: 
aageri vermeerderd worden :zich vermeerderen, toenemen 
congregari verzameld worden: zich verzamelen 

lavari gewasschen worden: zich vvasschen 
moved bewogen worden: zich bewegen (liever: se movere) 
verti gekeerd worden: zich keeren, wenden (liever: severtere): 

Pares vetere proverb io cum paribus facillime congregantur (maar ook: 
Impii cives unum se in locum congregabant). - Quod semper movetur, 
aeternum est (maar ook: Patet aeternum id esse, quod se ipsum moveat). 

Aanm. 3. Men bedenke hierbij, dat het passivum zich eerst uit het 
medium (reflexivum) heeft ontwikkeld en in het Latijn ook als me- 
dium dienst doet (vgl. § 226, A. 2): iungor, feror e. d. moeten niet als 
oorspronkelijke passiva, maar als media beschouwd worden. Zoo is vehor 
eigenlijk: ik beweeg mij zelf voort, en dan eerst: ik word voortbewogen, rijd. 

Dichters gebruiken veel het passivum in den zin van het reflexivum 
of liever van het medium (zie § 461). 

21* 



324 



SYNTAXIS. 



§§ 494—495. 



Aanm. 4. Uit het in A. 3 gezegde laten zich ook de zoogenaamde 
deponentia verklaren : zij zijn, gelijk reeds in § 226, A. 2 betoogd werd, 
eigenlijk media tantum. 

Vele deponentia hebben nog mediale (reflexieve) beteekenis ook in 
proza, bijv. : ulcisci zich wreken, profitisci zich op weg begeven, 
laetari zich verheugen, misereri zich erbarmen, vesci zich voeden. 

d) Eindelijk worden sommige transitieve werkwoorden (inzon- 
derheid zulke, die eene beweging of verandering uitdrukken) 
somtijds intransitief gebruikt, bijv.: 

praecipitare afwerpen (bijv.: se (de) muro praecipitare) en: zich 
nederstorten, ten einde (ten ondergang) spoeden (bijv.: 
hiems praedpitat); - vertere keeren en zich keeren (annus vertens 
het loopende jaar); - minuere verminderen (tr. en intr.): 
minuente aestu toen de vloed afnam. 

§ 494. a) Behalve de deponentia en semideponentia hebben de 
volgende werkwoorden een partic. perfecti pass, met actieve 
beteekenis: 

cenare het middagmaal houden cenatus die gegeten heeft 

iurare zweren iuratus die gezworen heeft 

bibere drinken potus (§ 265) die gedronken heeft 

prandere ontbijten pransus die ontbeten heeft. 

Aanm. 1. De verklaring voor dit verschijnsel ligt in de natuur van het 
part. perf. pass., dat oorspronkelijk, als adiect. verbale, niet uitsluitend bij 
een bepaald genus van het werkwoord behoorde: vgl. § 207 en § 593. 

Het perfectum is natuurlijk cenavi. 

Aanm. 2. Iuratus heeft ook passieve beteekenis: (wat) bezworen 
(is). - Potus (vgl. bibo § 265, 1 en Aanm.) beteekent gewoonlijk: dron- 
ken, beschonken; somtijds komt het passief voor. 

b) Zoo hebben ook intransitieve werkwoorden somtijds een 
partix:. perfecti, bijv.: 

adolescere: adultus opgegroeid 

coniurare: coniuratus die samengezworen heeft 

inveterascere : inveteratus ingeworteld 

praeterire (ook transit.): praeteritus voorbijgegaan, verleden. 

Aanm. 3. Over nupta vgl. § 394. 

Hierbij komen ook tacitus zwijgzaam (ook pass.: verzwegen), cautus 
behoedzaam, quietus rustig e. d., die geheel adiectiva geworden zijn. 

§ 495. Dikwijls wordt het passivum door zich laten vertaald: 
Opinionibus vulgi rapimur in errorem. — Non fadle diiudicatur 
amor verus et f ictus. 

Aanm. Laten wordt op verschillende wijzen uitgedrukt in 't Latijn : 



/ 



§ 496. 



VERBUM. TEMPORA. 



325 



1° Beteekent het maken, dat een ander iets voor ons tot stand 

brengt, dan wordt het niet vertaald, bijv.: L. Piso volebat sibi 

anuluni facere. 
2° Staat het gelijk met bevelen, dan is het iubere, of het wordt door 

den coniunctivus adhortativus (§519: zie aldaar) uitgedrukt, bijv.: 

Aurificem iussit vocari in forum. 
3° Beteekent het zorgen, dat iets geschiedt, dan wordt het vertaald 

door curare, bijv.: Naves aedificandas veteresque reficiendas curabat. 
40 Beteekent het beschrijven, voorstellen als iets doende, dan drukt 

men het uit door facere met een part. (§601) of met eenen infinii: 

Polyphemum Homerus cum ariete colloquentem facit eiusque laudare 

fortunas. 
50 Staa't het gelijk met toestaan of dulden, dan is het sinere of pati, 

of het wordt door den coniunctivus concessivus uitgedrukt, bijv.: 

Cur tu hunc esse inultum tarn diu sinisP — Deludi vosmet ipsos diutius 

patiemini? en voorts de voorbeelden in § 520. 
6° Niets over laten is nihil reliquum (reliqui) facere. 

B. TEMPORA. 

§ 496. Eene handeling (actio) 
I. vindt plaats: tegenwoordige tijd: praesens 

II. of vond plaats: verledene tijd: praeteritum 

III. of zal plaats vinden: toekomende tijd: futurum. 

In ieder dezer drie tijden kan men onderscheiden : 

1. of de handeling aanstaande is: actio Instans 

2. of zij is en voortduurt: actio imperfecta 

3. of zij voleindigd is: actio perfect a. 

Zoo heeft men bijv. van scribere: 





I. Praesens 


II. Praeteritum 


III. Futurum 


1. actio 
in st. 


scnpturus sum 

ik sta op het punt 

te schrijven 


scnpturus eram 
ik stond op het 
punt te schrijven 


scnpturus ero 

ik zal op het punt 

staan te schrijven 


2. actio 
imp. 


scrlbo 
ik schrijf (d. i. ik 
ben bezig te schr.) 


scnbebam 
ik schreef (d. i. ik 
was bezig te schr.) 


scrlbam 
ik zal schr. (d. i. ik 
zal bezig zijn te schr.) 


3. actio 
perf. 


scrlpsi 

ik heb geschr. (d. i. 

ik ben klaar met 

schr.) 


scripseram 

ik had geschr. (d. i. 

ik was klaar met 

schr.) 


scnpsero 
ik zal geschr. hebben 
(d. i. ik zal klaar zijn 

met schr.) 



326 



SYNTAXIS. 



§§ 497—499. 



Aanm. 1. De actio instans kan dus in 't Latijn evenmin als in onze taal 
door een enkelen vorm van het werkwoord worden uitgedrukt; men bezigt 
er de coniugatio periphrastica voor (zie § 230). Men kan echter ook 
zeggen : in eo est at (onpersoonlijk) : 

Pausanias, cum iam in eo esset, at comprehenderetur, ex vultu 
cuiusdam ephori insidias sibi fieri intellexit. 

Aanm. 2. Oorspronkelijk waren er slechts twee tijden : 't zoogenaamde 
praesens en 't perfectum. Later kwara het futurum, daarna 't imper- 
fectum, 't plusquamperfectum en 't futurum exactum, eindelijk de 
coniugatio periphrastica. 

§ 497. Men kan den tijd eener handeling opgeven absoluut, dat is 
in volstrekten zin, alleen van het standpunt des sprekers 
Hit verleden, tegenwoordig of toekomstig: Ik zwijg. - Het 
is geschied. - Wij zullen zien; - of wel relatief, met betrekking 
tot eene andere handeling en ten opzichte van deze tegen- 
woordig, verleden of toekomstig: Toen hij sliep, gingikheen.- 
Eer ik hem kon helpen, was hij reeds gevallen. - Als hij komt, zal ik 
hem te woord staan. 

Absoluut zijn dikwijls 't praesens, 't perfectum en 't futurum; 
relatief gewoonlijk 't imperfectum, 't plusquamperfectum en 
't futurum exactum. 

Hoofdzinnen hebben zeer dikwijls absolute tempora, de afhan- 
kelijke zinnen relatieve. 

1) Praesens. 

§ 498. 1. Wat wij gewoonlijk praesens noemen, is eigenlijk 
een praesens imperfectum. 't Gebruik in 't Latijn stemt met dat 
in onze taal overeen. 

2. Ook in 't Latijn kan men in een levendig verhaal het praesens 
gebruiken in de plaats van een verleden tijd (praesens 
his tori cum), ora de verledene handeling als 't ware voor oogen 
te stellen: 

Mittuntur ad Caesarem confestitn ab Cicerone litterae; obsessis 
omnibus viis missi intercipiuntur. 

m 

Dit praesens historicum staat geregeld na dam terwijl (§ 655); dikwijls 
wisselt het af met een verleden tijd ; 

Dum paucos dies Caesar rei frumentariae causa moratar, tantus subito 
timor omnem exercitum occupavit, ui- omnium mentes perturbaret. 

2) Imperfectum. 

§ 499. Het imperfectum moest eigenlijk heeten praeteritum 
imperfectum: het geeft voor den verleden tijd te kennen, wat 






§§ 500—501. 



VERBUM. TEMPORA. 



327 



het praesens voor den tegenwoordigen tijd te kennen geeft: eene nog 
niet voltooide, maar vodrt durende handeling; ook kan het eene 
gelijktijdige en eene herhaalde handeling te kennen geven: 

Dionysius credebat {familiarium et proprinquomm) nemini, sed 
quibusdam convents et feris barbaris corporis custodiatn committe- 
bat. - Turn, cum Sicilia florebat opibus et copiis, magna artificia 
erant in insula. — Dum eram vobiscum, animum meum non vide- 
bat is, sed eum esse in hoc corpore ex iis rebus, quas gerebam, 
intellegebatis. 

Men gebruikt het imperfectum dus vooral bij beschrij vingen 
en schilderingen van gebeurtenissen, zaken, zeden, ge- 
woonten, en om de begeleidende omstandigheden eener 
handeling in 't verleden uit te drukken. Zie het voorbeeld uit Caesar 
in § 503. 

§ 500. Doordat het praesens en imperfectum de handeling als voort- 
durend, nog niet afgeloopen voorstellen, zoodat begin- en eindpunt buiten 
den gezichtskring blijven, worden zij somtijds zoo gebruikt, dat zij schijnbaar 
niet de handeling zelf te kennen geven, maar het streven naar de 
handeling of het voornemen om de handeling te verrichten. Men 
spreekt dan van een imperfectum of praesens de conatu: 

Pater mens Hamilcar puerulo me in Hispaniam imperator proficiscens 
Carthagine Iovi optimo maximo hostias immolavit. - Utrum pluris aestimemus 
pecuniam Pyrrhi, quam Fabricio dab at, an continentiam Fabricii, qui Mam 
pecuniam repudiabat? - Id f lumen Helvetii ratibus ac lintribus iunctis tran- 
sibant. - Nam dubitas id me imperante facere, quod iam tua spontefacietas? 

Aanm. De vertaling gaf, staken over, deedt zou hier onjuist zijn, 
omdat in het Hollandsch de werkwoorden geven, oversteken, doen 
steeds eene voltooide handeling uitdrukken (vgl. ook vinden tegenover 
zoeken), in het Latijn dare, transire, facere niet. Men zou voor dare hier 
ook aanbieden kunnen gebruiken. 

3) Futurum. 

§ 501. Het futurum geeft eene vdort durende, onvoltooide 
toekomstige handeling te kennen. In het gebruik van dezen tijd 
wijkt het Latijn door zijne grootere nauwkeurigheid van onze taal in 
enkele punten af: 

a) Wanneer van eene toekomstige handeling sprake is, wordt in 
het Latijn altijd het futurum gebruikt, ofschoon wij in onze taal dan 
dikwijls een praesens bezigen: 

Saga eras sumentur morgen trekt men ten strijde (Cic. Phil. 8,6). 

b) In afhankelijke zinnen, die behooren bij hoofdzinnen met 
een futurum, gebruiken wij gewoonlijk het praesens, ofschoon de 



328 



SYNTAXIS. 



5§ 502—503. 



§§ 504—505. 



VERBUM. TEMPORA. 



329 



tijdsbepaling van den afhankelijken zin dezelfde is als van den 
hoofdzin: in 't Latijn bezigtmen dan ook in den bijzin een futurum: 

Naturam si sequemar ducem, nunqaam aberrabimus. — Omnia 
si recte ratiocinabimur, uni accepta referemus Antonio. 

Zoo ook: Qui adipisci verant gloriam volet, iustitiae fungatur 
officiis, omdat de hoofdzin aanduidt wat van het standpunt des spre- 
kers uit nog gebeuren moet of zal. 

Aanm. Dikwijls wordt het futurum gebruikt, wanneer men beleefd 
of met bescheidenheid wil spreken. Zoo vooral in algemeene zinnen 
en gevolgtrekkingen: Consuetude/ laborum perpessionem dolorum effi- 
ciet faciliorem. 

Zoo nadert het futurum tot den coni. potentialis (§ 517) en wordt 
gelijk aan den Griekschen optativus met Sv : Hoc aliis quoquemultis 
locis reperietur (svgoi,g Sv). — Dicet aliquis (maar ook: dixerit quis- 
piam) (§ 517). 

Men bedenke hierbij, dat futurum en coniunctivus praes. nauw 
verwant zijn. 

4) Perfectum. 

Het Latijnsche perfectum, waarin naar den vorm het oorspr. Indogerm. 
perfectum en de Indogerm. aoristus zijn samengevallen (§ 193, A. 1), ver- 
eenigt ook syntaktisch de functies van den Griekschen aoristus en het 
Grieksche perfectum; het meest wordt het als aoristus gebruikt. 

§ 502. Het perfectum geeft te kennen, dat eene handeling 
op het oogenblik, waarop men spreekt, voltooid, afgedaan is. 

Of de handeling kort geleden of voor langen tijd heeft plaats gehad, 
wordt door het perfectum op zich zelf niet aangeduid : zoo zegt de 
redenaar aan 't einde zijner rede: Dixi, ik heb gezegd; maar met 
hetzelfde perfectum zegt men ook: Deus hanc mundum procreavit 
God heeft deze wereld geschapen (Cic. Tim. 12). 

De betrekking van het verleden tot het heden kan : 

a) geheel op den achtergrond treden en niet in aanmerking komen ; of ook : 

b) op den voorgrond treden, en dit laatste zoo dat : 

1° de werking, het gevolg van de handeling, voortduurt tot in het 

heden, of: 
2° in het heden de handeling geheel voorbij is. 
Vandaar drieerlei gebruik van het perfectum: 

§ 503. a) Men gebruikt het perfectum in 't Latijn in een ver- 
haal om te zeggen, wat gebeurd, geschied is, waar wij gewoonlijk 
het imperfectum bezigen : bijv. : Veni, vidi, vici (Suet. Div. Iul. 37). 
Men noemt dit perfectum perfectum historicum. Er wordt hierbij 
aan het heden niet gedacht: 

Macedo Alexander tertio et trices into anno mortem obiit. 



■ 



! 



Naar hetgeen hiervoor gezegd is van het imperfectum, bezigt men dit 
dus in een verhaal, wanneer men als het ware stil staat om iets te be- 
schrijven, om de begeleidende omstandigheden of gebeurtenissen te verhalen, 
maar het perfectum, om hetgeen achtereenvolgens gebeurde of was, 
al voortgaande en samenvattende mede te deelen (Perfecto procedit, im- 
perfecta insistit oratio) : 

Vercingetorix copias reduxit protinusque Alesiam iter facere coepit cele- 
riterque impedimenta se sabsequi iussit. Caesar (eum) secutus altero die ad 
Alesiam castra fecit. Ipsum erat oppidum in colle sammo, cuius collis radices 
duo duabus ex partibus f lamina subluebant. Ante id oppidum planities 
patebat; reliquis ex omnibus partibus colles mediocri interiecto spatio oppi- 
dum cingebant. 

Aanm. Het perfectum historicum stemt dus overeen met den 
indicativus aoristi in het Grieksch en den Passe defini in het 
Fransch. Men wachte zich te meenen, dat het imperfectum juist een 
langen duur te kennen moet geven en het perfectum historicum slechts 
eene korte handeling; wel bestaat dit onderscheid dikwijls, maar toch 
ligt het niet in den aard dezer tijden : 

Neque ego ea, quae facta sunt, fore cum dicebam, divinabam futura.- 
Qraecia parvum quendam locum Europae tenet semperque tenuit. 

§ 504. b) 1°. Het perfectum kan echter ook — hoewel veel 
minder dikwijls — eene handeling te kennen geven, die wel reeds 
voleindigd is, wier gevolgen en werkingen echter tot in den 
tegenwoordigen tijd voortduren. Bij de vertaling treedt de 
voortduring van het resultaat somtijds zoo op den voorgrond, dat wij 
zulk een perfectum door een praesens weergeven, zoo bij de ww. : 
■ memini (ik heb mij te binnen gebracht) ik herinner mij 

novi, cognovi (ik heb leeren kennen) ik ken, ik weet 
odi (ik heb haat opgevat)'ik haat, enz.. 

Bij andere ww. gebruiken wij ook het perfectum, doch kunnen er 
ook een praesensbeteekenis aan hechten, bijv.: 

didici ik heb geleerd en weet of kan nu; 

consedi ik ben gaan zitten en zit nu; 

consuevi ik heb mij gewend en ben nu gewoon; 

vici ik heb overwonnen, ik ben overwinnaar, enz.. 

Men noemt dit perfectum het logische of ook wel perfectum 
praesens (zie verder § 601, 30): 

Druides a bello abesse consuerunt neque tributa una cum reliquis 
pendunt. — Omnia sunt incerta, cum a iure discessum est. 

Aanm. Het perfectum logicum komt overeen met het Grieksche 
perfectum en den Passe indefini in het Fransch. 

§ 505. 2°. Eindelijk duidt het perfectum somtijds ook aan, dat 
de handeling niet alleen voleindigd is, maar ook geheel voorbij 



330 



SYNTAXIS. 



}§ 506—507. 



is, opgehouden heeft te bestaan in den tegenwoordigen 
tijd, bijv. : 

Actum est. — Trlste est no men ipsum carendi, quia subicitur haec 
vis: habuit, non habet. — Zoo ook in het bekende vers: Fuimus 
Troes, fuit Ilium et ingens gloria Teucrorum. 

Aanm. Het verschil tusschen het perfectum en het imperfectum 
betreft dus minder den tijd, dan wel de wijze waarop de handeling 
voorgesteld wordt: beide hebben betrekking op handelingen in het verle- 
dene, maar het laatste legt den nadruk op haar verloop, het eerste 
op hare afsluiting. Dit verschil dekt zich dus slechts ten deele met dat 
tusschen ons imperfectum en perfectum. 



5) Plusquamperfectum. 

§ 506. Het plusquamperfectum geeft eene handeling te 
kennen, die in een verleden tijd reeds voleindigd was, toen 
eene andere handeling intrad, en wordt daarom gewoonlijk (evenals bij 
ons) alleen relatief gebruikt: 

» 

Menapii ea iis aedificiis quae trans Rhenum habuerant, demi- 
graverant. 

Zooals het perfectum staat tot den tegenwoordigen tijd, 
staat het plusquamperfectum tot den verleden tijd; waar 
dus het perfectum somtijds vertaald wordt door een praesens (§ 504), 
wordt het plusquamperfectum dier zelfde werkwoorden vertaald door 
een imperfectum: oderam ik haatte; memineram ik herin- 
n e r d e m ij : 

Themistocles omnium civium perceperat nomina. 

§ 507. Evenals bij het futurum (§ 501), dient ook bij het perfec- 
tum en plusquamperfectum opgemerkt te worden, dat het Latijn 
nauwkeuriger de werkelijke betrekking der tijden onderling 
pleegt uit te drukken dan onze taal, bijv.: Non solum ipsa Fortuna 
caeca est, sed eos etiam plerumque efficit caecos, quos complexa est. 
Het complecti gaat voor het efficere; dit laatste is het gevolg. 

Scipio summam spem civium, quam de eo iam puero habuerant, 
continuo adulescens superavit. 

Zoo altijd, wanneer de hoofdzin eene bepaalde handeling 
of gewoonte te kennen geeft en de bijzin eene handeling, die 
daaraan voorafgaat: 

Messanam ut quisque nostrum venerat, Canephoros Polycliti visere 
solebat. 



5§ 508—509. 



VERBUM. TEMPORA. 



331 



6) Futurum exactu 



m. 



§ 508. Het futurum exactum staat tot het futurum in 
dezelfde verhouding als het plusquamperf. tot het per- 
fectum. Wegens den omslachtigen vorm gebruiken wij het in onze 
taal niet altijd daar, waar eene juiste tijdsbepaling het eischen zou, 
maar vervangen het door andere tijden: 

Ut sementem feceris, ita metes. - De Karthagine vereri non ante 
desinam quam illam excisam esse cognovero. 

Aanm. 1. Dikwijls worden in de plaats van een futurum simplex en 
een futurum exactum twee futura exacta gebruikt, om aan te duiden, 
dat de handeling in den toekomenden tijd zoo zeker zal plaats vinden, 
alsof ze reeds tegelijk met die van het fut. exactum gegeven ware: 

Cum causam iustam (moriendi) deus ipse dederit, vir sapiens laetus ex 
his tenebris in lucem illam excesserit. Vgl. § 561, 1, het laatste voorbeeld. 

Zoo ook somtijds in enkelvoudige zinnen, bijv. videro voor videbo: 
Rede secusne, alias viderimus. 

Aanm. 2. Ook de imperat., de conjunct, adhort. (§ 519) en 't 
gerundivum geven eene toekomstige handeling te kennen; wanneer 
wij na deze vormen 't perfectum gebruiken, bezigt men in 't Latijn 
daarom 't futurum exactum: Immuta paulum, perierit lota res. 
Wij verbinden de twee zinnen door 't voegwoord en. Eigenlijk staat hier 
immuta voor si immutaveris (zie A. 1). 

Gebruiken wij 't futurum in den slotzin, dan staat het ook in 't Latijn: 
Iracundus non semper iratus est: lacesse, iam videbis furentem. 

7) De tijden in den brief stijl. 

§ 509. In den briefstijl gebruikte de Romein in den regel de 
tijden niet van zijn eigen (des schrijvers) standpunt uit, maar ver- 
plaatste zich op het standpunt van den geadresseerde, 
wanneer deze den brief las en richtte daarnaar de tijden in zijn 
brief (zoo vooral bij de verba van schrijven en zenden). Dus niet: 

Nihil habeo quod scribam, neque enim novi quicquam audivi et ad 
tuas omnes rescripsi heri; maar: 

Nihil habebam, quod scriberem; neque enim novi quicquam 
audieram et ad tuas omnes rescripseram pridie. 

Zooals men uit dit voorbeeld ziet, worden in overeenstemming met 
dit gebruik der tijden ook dikwijls de bijwoorden van tijd veran- 
derd, zoodat men schrijft: 

eo die of eodem die in plaats van hodie 
pridie „ „ „ heri 
postridie „ „ „ eras enz.. 

Aanm. De voegwoorden, die gewoonlijk met het perfectum gecon- 
strueerd worden, als postquam, ut, ubi (§§ 653, 654), staan daarom in den 
briefstijl dikwijls met het plusquamperfectum verbonden. 



332 



SYNTAXIS. 



§§ 510—512. 



8) Coniugatio periphrastica.. 



§ 510. Het gebruik der tijden van de coniugatio periphrastica 
(§§ 230 en 231) stemt, wat de tijdsbepaling betreft, overeen met de 
gewone coniugatio. 

Slechts zij hier nog opgemerkt, dat, terwijl het niet-omschrevene 
futurum eenvoudig eene toekomstige handeling aanwijst zonder meer, 
het partic. fut. act., met sum verbonden, de toekomstige handeling 
voorstelt als gevolg van eene bedoeling of voornemen 
of ook van eenen aanleg, eene bestemming, geschiktheid, 
hoedanigheid: 

Omnia humana tolerabilla ducenda; ipsi enim quid sumus, aut quam 
diu haec curaturi sumus? — Me ipsum ames oportet, non mea, si 
veri amici futuri sumus. — Bellum scripturus sum, quod populus 
Rpmanus cum Iugurtha, rege Nutnidarum, gessit. — Quid igitur timeam, 
si post mortem beatus futurus sum? — An vos soli ignoratis, quas 
Me leges fuer it impositurus nobis omnibus? — Si natura confir- 
matura ius non erit, virtutes omnes tollentur. 

C, MODI. 

Onderscheid tusschen indicativus en coniuncti vus. 

§ 511. Daar het gebruik van de aanvoegende wijs in onze taal hoe 
langer zoo meer vermiridert, onder anderen door het slijten der vervoegings- 
uitgangen van het werkwoord, en daardoor ons taalgevoel in dit opzicht 
afstompt, kost het ons geen geringe raoeite, het onderscheid in het gebruik 
van den indicativus en den coniunctivus in de oude talen scherp in 't oog 
te vatten, te meer daar de Grieken en Romeinen, die ook onderling in dit opzicht 
verschillen, in menig geval eene andere wijze van beschouwing hadden dan wij. 
Verder houde men in 't oog, dat wij in de plaats van de aanvoegende wijs, 
dikwijls omschrijvingen bezigen door hulpwerkwoorden als: kunnen, zullen 
(zoude), mogen, willen enz., waar de Griek en de Romein.die niet gebruikt. 

§ 512. I. De indicativus toont eenvoudig aan (indicat), dat wil 
zeggen verklaart, dat iets is of geschiedt, stelt dus de handeling voor 
als onafhankelijk van de gedachte, de voorstelling, de bedoeling, den wil 
van den spreker, de vorm moge dan zijn bevestigend of ontkennend, 
stellend of vragend. 

a) De twee hoofdbegrippen, die oorspronkelijk in den Latijnschen 
coniunctivus liggen, zijn een willen (bedoelen) en een wenschen; 

terwijl in andere talen, als bijv. het Grieksch, deze twee begrippen door twee 
wijzen (modi) uitgedrukt worden : het willen door den coniunctivus, 
het wenschen door den optativus (pptare = wenschen), zijn in het 
Latijn beide in den coniunctivus samengevloeid. Sim, velim e. d. zijn, wat 
den vorm betreft, eigenlijk optativi (vgl. §§ 209, 3; 242, 1; 256, A. 2; 258), 



§ 513. 



VERBUM. MODI (INDICATIVUS). 



333 



scribam, laudetn eigenlijke coniunctivi, maar sim kan evengoed een willen 
aanduiden, als laudetn een wenschen. 

Als derde voegt zich daarbij het begrip der mogelijkheid, dat zich wellicht 
uit dat van het wenschen laat afleiden (vgl. in het Grieksch den optat. met av). 

II. b) In hoofdzinnen is het gebruik van den coniunctivus tot deze drie 
functies (als voluntativus, optativus en potentialis) beperkt gebleven; 
in bijzinnen echter heeft hij zich door verzwakking van zijne oorspronkelijke 
beteekenis veel verder uitgebreid en wordt dientengevolge ook gebezigd 
in vele gevallen, die zich uit die oorspronkelijke beteekenis niet 
meer laten verklaren; hij verbindt (coniungit) dan in het algemeen de 
handeling met de gedachte, de voorstelling, de bedoeling, den wil van 
den spreker, of drukt, nog algemeener, eenvoudig de afhankelijkheid uit, 
waarom hij ook wel subiunctivus genoemd wordt (sabiangere). 

Aanm. Uit het zooeven gezegde volgt niet, dat de handeling door den 
coniunctivus uitgedrukt, niet werkelijk is. Zeg ik bijv. : Equi Germanorum 
summi sunt laboris, dan verandert dit feit niet, wanneer ik zeg: Cotidiana 
exercitatione Germanl summi ut sint laboris equi efftciunt, maar nu is in 
dezen zin tusschen de exercitatto en den labor der paarden door mijn 
denken een verband waargenomen: dat namelijk het tweede een gevolg is 
van het eerste, dat er dus eene betrekking van afhankelijkheid bestaat 
tusschen beide. 

I. DE INDICATIVUS. 



§ 513. Het Latijn gebruikt den indicativus ook in de volgende 
gevallen, waar men op grond van ons taalgebruik een coniunctivus 
zou verwachten: 

1) Bij niet-werkelijkheid der hoofdhandeling. 

a) De werkwoorden, die een kunnen of moeten te kennen geven, 
als possum, debeo, oportet, convenit, necesse est, licet en 
esse, met het gerundivum staan in het Latijn in den indicativus, 
om eene werkelijk bestaande, doch niet vervulde mogelijkheid 
of verplichting uit te drukken, waar wij zeggen: ik zou kunnen, 
ik zou moeten enz., zonder dat er van eene voorwaarde 
sprake is. 

Oorspronkelijk gebruikt men het praesens, om uit te drukken, dat men 
iets zou kunnen of moeten doen, maar niet voornemens is het te doen; 
het imperfectum, om uit te drukken, dat men iets had kunnen of moeten 
doen, maar het niet doet; het perfectum, om uit te drukken, dat men iets 
had kunnen of moeten doen, maar het niet gedaan heeft; en het plus- 
quamperfectum, om uit te drukken, dat men voor een of ander tijdstip 
in het verledene iets had kunnen of moeten doen, maar het niet ge- 
daan had. 

In het klassieke Latijn wordt echter door eene soort verschuiving van tijd 
dikwijls het imperfectum gebruikt in de plaats van het praesens 
(zie het 4de voorbeeld), terwijl het plusquamperfectum zeldzaam is: 



334 



SYNTAXIS. 



§ 514. 



possum dicere ik zou kunn.en zeggen 

debeo dicere ik zou moeten zeggen 

poteram dicere ik had kunnen zeggen (ik zou kun- 

potui (potueram) dicere ik had kunnen zeggen [nen z.) 

debebam dicere ik had moeten zeggen 

debui (debueram) dicere ik had moeten zeggen 

dicendum mihi fuit ik had moeten zeggen. 

De infinitivus in deze uitdrukkingen staat altijd in het praesens. 

Possum persequi multa oblectamenta rerum rusticarum; sed ea 
ipsa, quae dixi, fuisse sentio longiora. -Ad mortem te, Catilina, 
duci iussu consulis iam pridetn oportebat. — Summi viri clarissi- 
mique homines omni tempore ad gubernacula rei publicae sedere 
debebant. — Etsi poteram remanere, tamen proficiscar hinc - 
Agamemnon immolavit Iphigeniam. Promissum potius non faciendum 
quam tarn taetrum f acinus admittendum fuit. - Id, quod ratio 
deb ue rat, usus docet. 

Aanm. 1. Het Latijn is in dezen nauwkeuriger dan onze taal. Immers 
niet het kunnen of het moeten zelf wordt in deze zinnen als niet ge- 
schiedend voorgesteld, maar de h an deling, die kan of moet geschieden; 
dat echter die handeling niet geschiedt, wordt niet uitdrukkelijk uit- 
gesproken, maar blijkt uit het zinsverband. Vandaar dat debebam 
en debueram soms ook kunnen gebruikt worden, wanneer aan de verplich- 
ting voldaan wordt: Sine praenomine familiariter, ut debebas, ad me 
epistulam misisti. 

Aanm. 2. Men gebruikt echter bij possum niet minder den coniunc- 
tivus, vooral in voorwaardelijke zinnen met si en nisi (§ 540 2de voor- 
beeld). Noodzakelijk is de coniunctivus bij possum, wanneer men 
wil uitdrukken, dat de handeling afhankelijk is van eene voorwaarde, 
zonder welke zij niet gedacht kan worden. 

Dit geldt ook van esse met het gerundivum. 

§ 514. b) 't Zelfde heeft plaats bij de uitdrukkingen: 

longum est 't zou te lang (te uitvoerig) zijn 

magnum est 't zou te veel zijn 

difficile est 't zou te moeilijk zijn 

melius est 't zou beter zijn 

aequum est 't zou billijk zijn 

satis est 't zou genoeg zijn 

non arbitrabar ik zou niet gemeend hebben 
nunquam putavi (putaram) ik zou nooit geloofd h'ebben 

, malueram ik zou liever gewild hebben, endgl.: 

Wat de tijden aangaat, geldt hier het in de vorige § opgemerkte. 

Quanta melius fuerat (Phaethonti) promissum patris non esse 
servatum! — Enumerare magnum est, quibus videmus optabiles 



§§ 515-516. 



VERBUM. MODI (iNDICATIVUS). 



335 



mortes fuisse cum gloria. - Tantum esse in homine sceleris nun- 
quam putavi. - Ilium annum ego mihi quam patriae malueram 
esse fatalem. 



§ 515. c) De indicativus perfecti volgt op paene en prope 
bijna, waar wij bij voorkeur een coniunct. plusquamperf. of een zin 
met zou bezigen : 

Me ipsum paene ille decepit. - Prope oblitus sum, quod 
maxime fuit scribendum. 



§ 516. 2) Bij eene algemeene mogelijkheid. 

De indicativus wordt voorts geplaatst na de pronomina (en 
adiectiva) relativa indefinita (dat zijn die, welke door verdub- 
beling ontstaan zijn of met -cumque zijn samengesteld : §§ 174 
en 179). Zoo ook na sive .... sive en na nisi forte en nisi 
vero (of het moest zijn, dat): waarvan het eerste dikwijls, het 
tweede altijd gewoon ironisch gebruikt wordt: 

quisquis est wie het ook moge zijn 

quotquot sunt hoevelen er ook mo gen zijn 

quoquo modo res se habebat hoe het met die zaak ook gelegen 

mocht zijn 



quicumque hoc fecit 

sive accusatores erant, sive rei 

nisi forte existimatis 
nisi vero putat 



wie dat ook gedaan moge hebben 
m o c h t e n zij aanklagers of aange- 

klaagden zijn 
of het moest zijn, dat gij meent 
tenzij hij misschien meenen mocht: 

Quisquis est, qui moderatione et constantia quietus animo est 
sibique ipse placatus, is est sapiens. - Quicquid conaris, quo 
pervenias cogites. - Veniet tempus mortis, sive retractabis, sive 
properabis. - Nemo fere saltat sobrius, nisi forte insanit. 

Aanm. 1. Ook hier is het Latijn juister: de inhoud van den geheelen 
bijzin drukt weliswaar slechts eene mogelijkheid uit, maar de handeling 
op zich zelve is werkelijk. 



Aanm. 2. Al deze zegswijzen kunnen natuurlijk om andere redenen 
in den coniunctivus komen : 

Hesterno die, cum domi meae paene interfectus essem, senatum convo- 
cavi (§ 560). - Sol Phaethonti filio factumm se esse dixit, quicquid 
optasset (§ 533) enz.. 

In de irreale hypothetische periode blijft bij paene echter de indicativus: 
Quod paene fecit nisi tua malitia adfuissent. 



336 SYNTAXIS. § 517. 



II. DE CONIUNCTIVUS. 

A. In hoofdzinnen. 

§ 517. In hoofdzinnen wordt in de rechtstree.ksche rede 
{oratio recta: § 618), afgezien van den imperaiivus, als modus de 
indicativus gebruikt. Den coniunctivus bezigt men in zulke zinnen 
alleen, om I. eene mogelijkheid (potentialis), II. een wenschen 
(optativus) of III. een willen (adhortativus, concessivus, 
dubitativus) uit te drukken. In het eerste geval is de ontken- 
ning non, in de beide laatste tie. 

De onder III genoemde coniunctivi kan men als voluntativus (finalis) 
samenvatten. Bij den concessivus is het willen verzwakt tot een toelaten, 
bij den dubitativus is de richting van den wil onzeker (Wat moet ik 
do en? is eig. : Wat wil ik doen?). 

1) De potentialis. 

De coniunctivus wordt somtijds in hoofdzinnen gebruikt, 
om de mogelijkheid eener handeling te kennen te geven of ook 
om met bescheidenheid een oordeel uit te spreken. Hij heet dan 
coniunctivus potentialis. 

De ontkenning wordt uitgedrukt door non. 
De tijden zijn: 
voor wat nu mogelijk is, het praesens of het perfectum; 
voor hetgeen vroeger mogelijk was, maar nu niet meer, het 
imperfectum: 



dicas (§ 359, 30) 
velim, nolim, malltn 
dixerim 



men zou kunnen zeggen 

ik zou willen, niet — , liever — 

ik zou zeggen 



diceres (§ 359, 3°) 
crederes 



men zou hebben kunnen zeggen 
men zou geloofd hebben 
vellem, nollem, mallem ik zou gewild, niet -, liever - hebben 
quis putaret? wie zou wel gemeend hebben? 



Cum Stipione quis negel actum esse praeclare? Quid non adeptus 
est, quod ho mini fas esset optare? — Hoc sine ulla dubitatione conflr- 
maverim, eloquentiam rem unam esse omnium difficillimam. — Peccavit 
Romulus, pace vel Quirini dixerim. — Quis dubitet, quln In vlrtute 
dlvitiae sint? 

Hoc tantum bellam quis unquam arbltraretur ab una imperatore 
(Pompeio) conflci posse? — Confecto proello, tarn vero cerneres, quanta 
audacla quantaque vis animi fulsset In exercltu Caillinae. 



§§ 518—519. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



337 



J 



Aanm. 1. Behalve in voorwaardelijke zinnen (§ 539 vlg.), en in den 
2den pers. sing, waar wij men bezigen (§ 359, 3°), is het gebruik van den 
coniunctivus potentialis in 't Latijn zeer beperkt. 

Gelijk uit bovenstaande voorbeelden blijkt, zijn het vooral de werkwoor- 
den velle, nolle, malle welke gaarne in den potentialis worden ge- 
bruikt, en verder alle verba, die eene geesteswerkzaamheid te kennen 
geven, als dicere, credere, enz.. 

Aanm. 2. Men kan den coniunctivus potentialis vervangen door den 
indicat. futuri (zie § 188, § 209, 3° en § 501 A.), somtijds ook door 
den indicat. praesent. of perf., of door omschrijvende uitdruk- 
kingen met possum. 

Aanm. 3. De coniunctivus perfecti (dixerit quispiam) beantwoordt 
aan den optativus aoristi met av in het Grieksch: hij duidt geen tijd 
aan. Vgl. § 519, A. 1. 

Aanm. 4. Over den potentialis (en den irrealis) in hoofdzinnen, die 
do'or een voorwaardelijken zin bepaald zijn, zie § 539 vlgg.. 

2) De optativus. 

§ 518. De coniunctivus kan een wensch uitdrukken (coniunc- 
tivus optativus). 

't Praesens (somtijds ook het perfectum), dikwijls voorafgegaan 
door utlnam (ook door vellm), wordt gebruikt, wanneer de wensch 
nog vervuld kan worden; 

't imperfectum en 't plusquamperfectum, a 1 1 ij d voorafgegaan 
door utlnam (ook door vellem), wanneer dat niet meer geschieden 
kan; 't imperf. staat bij zulk een onvervulbaren wensch voor den 
tegenwoordigen tijd; 't plusquamperf. voor den verleden tijd. 

De ontkenning wordt uitgedrukt door ne (met utlnam: utlnam 
ne; met velim: nolim): 

Quod dii omen avertant. — Quod dil omen averterlnt. — 
Utlnam tarn facile vera invenire possim quam falsa convincere. 

Utlnam, Qulrltes, vtrorum fortlum atque innocentium cop lam habe- 
retis. — Utlnam fllli ne degenerassent a gravitate patria! — 
Utinam, Pompei, cum Caesare socletatem nunquam colsses! 

Aanm.. Dezen optativus gebruikt men ook in verzekeringen en 
ver wensch in gen: Ita me dii iuvent. — Ne sim salvus, si aider scribo 
ac sentio. 

3) De (ad)hortativus. 

§ 519. De coniunctivus kan eene aansporing te kennen geven 
of ook een bevel in zachterenvorm (coni. hortativusof iussivus). 

De ontkenning wordt uitgedrukt door ne. 

a) Men vindt dezen coniunctivus vooral in den 1st en pers. plur. 
(zelden sing.) en den 3den pers. sing, en plur. van het praesens: 

Memlnerlmus etlam adversus Inflmos iustltiam esse servandam. — 
Morem till geram. — Amemus patriam. — Suum quisque noscat 

woltjer, Lat. Gramm. 6e druk. 22 



338 



SYNTAXIS. 



§§ 520-521. 



ingenium, - Ne difficilia op tenuis. - Donis impii tie placare 
audeant deos. 

b) In den 2deti pers. van het praesens wordt de coniunc- 
tivus hortativus gewoonlijk alleen gebruikt, wanneer men niet tot 
een bepaalden persoon spreekt, maar in 't algemeen (§ 359, 30); 
anders neemt men in den regel den imperativus: 

Date etiam f agios, fieri quod amarum potest. - Isto bono (corporis 
viribus) at are, dam adsit; cum absit, ne requiras. 

Een verbod aan een bepaald persoon wordt echter gewoonlijk 
weer uitgedrukt door ne met den 2den pers. van den coniunc- 
tivus, maar dan liefst van het perfectum (coni. prohibitivus: 
vgl. § 568): 

Quod dubitas ne feceris (Quod dubitas ne facias zou zijn: waar- 
over men in twijfel is, dat meet men niet doen). - Adversaria mea 
da istum patronum, delude mihi neminem dederis. 

Aanm. 1. Deze coniunctivus perfecti van den 2den pers. beant- 
woordt aan den Griekschen coniunctivus aoristi en duidt evenmin 
als deze een tijd aan. Vgl. § 568. 

Aanm. 2. In het imperfectum (en plusquamperfectum) kan de 
coniunctivus adhortativus gebruikt worden, om in den vorm van 
eene aansporing leedwezen er over uit te drukken, dat iets niet ge- 
schied is : 

Quod si meis incommodis laetabantur (consules), urbis tamen periculo- 
commoverentur (= debebant commoveri). - Sumpsisses iuo iure (= 
debuisti (debueras) sumere). 

4) De concessivus. 

§ 520. De coniunctivus concessivus geeft te kennen, dat men 
iets wil er kennen, toegeven dat iets geschiede of is. Als out ken- 
ning gebruikt men ne: 

Oderint, dam metuant. - Ne sit summum malum dolor, malum, 
certe est. - Esto: fecerit, si ita vis, Torquatus propter sums utilitates.. 

Over licet bij dezen conjunct, vgl. § 523. 

5) De dubitativus. 

§ 521. a) De coniunctivus dubitativus of deliberati vus- 
staat in eene vraag, die twijfel, overleg, beraad uitdrukt. De 
ontkenning is non: 

Quid agam, iudices, quo me vertam? - Haec cum viderem, quid 
agerem, Iudices? - Xenophon consulebat Socratem sequereturne 
Cyrum (onaffa.: Sequarne Cyrum? Vgl. § 524, A. 2). 

Aanm.. Daar deze coniunctivus een verzwakte voluntativus is, zou men, 
als ontkenning ne verwachten. Zij is non, omdat bij den contact, dubitat.. 
altijd de nadruk op de negatie valt (§ 624). 



; 1 1 



; , 



{ 






§§ 522-523. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



339 



b) Denzelfden coniunctivus vindt men in vragen met ontkennenden 
of a f k e u r e n d e n zin : 
Huic cedamus? huius condiciones audiamus? 



B. In afhankeiijke zinnen. 

§ 522. De afhankeiijke zin neemt de plaats in van een deel van den 
hoofdzin: van het onderwerp, van het gezegde, van het voorwerp of 
van eene andere bepaling, bijv. : Ik wist den tijd van zijn vertrek niet = 
Ik wist den tijd niet, waarop hij vertrekken zou = Ik wist niet, wan- 
neer hij vertrekken zou. - Uit achteloosheid hebt gij zooveel fouten 
gemaakt = Doordat (omdat, dewiji, daar) gij achteloos geweest zijt, 
hebt gij zooveel fouten gemaakt. 

Wij kunnen ons voorstellen, dat men eerst alleen in hoofdzinnen sprak; 
dat daarna hoofdzinnen naast elkander werden geplaatst; dat eindelijk 
de eene zin onder den anderen, van dezen afhankelijk, werd gesteld, bijv.: 
Het is twaalf uur. Wij zullen eindigen = Het is twaalf uur; wij zullen eindi- 
gen = Het is twaalf uur; daarom zullen wij eindigen = Omdat het twaalf 
uur is, zullen wij eindigen. 

De afhankelijkheid kan of door den modus alleen, of door voegwoord 
en modus, of ook alleen door het voegwoord worden uitgedrukt. 

a. Zander voegwoord. 
1. Na werkwoorden. 

§ 523. Somtijds staat een afhankeiijke zin eenvoudig in den 
coniunctivus, zonder nadere verbinding met den hoofdzin; de afhan- 
keiijke zin heeft dan den vorm van een en hoofdzin behouden. 
Zoo kan de coniunctivus gebruikt worden na licet het is geoorloofd, 
necesse est het isnoodzakelijken oportethtt is plicht (recht), 
men meet, echter alleen wanneer deze uitdrukkingen in den indicat. 
praes. staan (een enkel maal ook na licebit en oportebit): 

Ipsi hoc die as licet. - Tecum ipse licebit, quot et quanta sint 
crimina, recordere. - Ex luxaria.exsistat avaritia necesse est. - 
Ex rerum cognitione redundet oportet oratio. 

Deze coniunctivus is oorspr. een zelfstandige voluntativus, waarbij ter ver- 
duidelijking licet, oportet enz. gevoegd werden; langzamerhand echter voelde 
men den coniunctivus als van licet enz. afhankelijk. 

Aanm. 1. Gewoner is bij deze verba de inf. (accus. cum inf)- vgl 
§§ 582, 583 en 583a. 

Licet met den coniunct. is meestal zuiver voegwoord geworden • het 
dient dan tot inleiding van een concessieven bijzin in den coniunct. 
praes. of perf. (niet impf. of plusqpf.), en beteekent: ofschoon, ge- 
steld ook, toegegeven dat, moge (vgl. § 546, e): 

Fremont omnes licet, dicam quod sentio. - Licet quod caique libet 
loquatur, credere non est necesse. - Licet concurrant omnes plebeii 
philosophi, nihil umquam tarn eleganter explicabunt. 

22* 



340 



SYNTAXIS. 



524. 



524a. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



341 



Aanm. 2. Ook cave kan met den coniunctivus alleen gecon- 
strueerd worden : Cave sis mentiare Pas op, als je blieft, lieg niet (Cic. 
Mil. 60). - Gewoonlijk heeft het echter ne (§ 549). 

Zeer zelden vindt men in het klassiek Latijn den coniunct. na opus 
est (in plaats van den inf. of ace. c. inf.: § 5836): Diligentissime 
contendas opus est, ut de me scribant. 

Over fa c met den coniunct. zie § 567, A. 2. 

Aanm. 3. Op dezelfde wijze kan de coniunctivus ook staan na werk- 
woorden als velle, nolle, rogare, orare, decernere, die een wil of wensch 
te kennen geven: (Caesar Divitiacum) rogat, finem orandi facial. — 
Tu velim animo sapienti fortique sis. — Senatus decrevit, darent 
operant consules, ne quid res publica detrirnenti caperet (zie § 549). 

2. In afhankelijke vragen. 

§ 524. Afhankelijke of indirecte vragen zijn vragende 
zinnen die van een werkwoord of een verbaal substan- 
tief afhangen. Zoo kan de directe of onafhankelijke vraag: Hoe 
laat is het? op verschillende wijzen afhankelijk worden, als: 

Hij vraagt mij, hoe laat het is. Hij vroeg mij, hoe laat het 
was! 't Is de vraag, hoe laat het is. Ik weet niet, hoe laat 
het is. Zeg mij, hoe laat het is enz.. 
Zoo ook de directe vraag: Zult gij komen? (Zult gij niet 
komen?): 

Hij vraagt mij, of ik komen zal (of ik niet ....) 
Hij vroeg mij, of ik komen zou (of ik niet ....) enz.. 
Hoe de afh. vraag zich uit de onafh. ontwikkeld heeft, ziet men nog 
duidelijk in zinnen als deze: Die mihi: C. Antonius voluitne fieri septemvir? 

In het klassieke Latijn geldt de regel, dat alle afhanke- 
lijke vragen in den coniunctivus staan. 

Of, of niet wordt uitgedrukt door -ne; of misschien door num 
(vgl. § 644 vlgg.): 

Quaero qui id scire potuerit. - Quaerent sitae verum. - Quaero 
ex te sisne ex pauperrimo dives f actus. - Quaerit num. feriae es sent. - 
Si te interroget, num amplius quid desideres, quid respondeas? - 
Videmusne ut pueri aliquid scire se gaudeant, ut id aliis narrare 
gestiant? — Non quantum quisque prosit, sed quanti quisque 
sit ponderandum est. - Sophistae docere se profitebantur, q ue mad- 
mo dum causa inferior dicendo fieri superior posset. - Trihuni plebis 
permagni interest qui sint. 

Aanm. 1. Men onderscheide wel tusschen relatieve zinnen en afhan- 
kelijke vragen. Is het pronomen relatief, dan kan men er een deter- 
minativum voor plaatsen; is het interrogatief, dan niet: Dicam, 
patres conscripti, quae sentio (Cic. prov. 18) = ea, quae sentio 
wat ik meen, niet iets andeis, mijn ware meening dus (zie § 480, A. 1), 
maar: Libere quae sentiam de re publica dicam. (Cic. Phil. 1,27): enkelv.: 
quid sentiam wat ik meen, mijne meening, desgevraagd. 



i 






1 



In zinnen als: Quo utuntur argumento ad probandum, operae pretium 
est considerare (Cic. fin. 4, 67), heeft men geen afhankelijke vraag, 
maar eenen relatieven zin : Argumentum, quo utuntur, operae pretium est 
considerare. Zie § 483. 

In 't algemeen kan men zeggen : in 't Latijn moet men, wanneer 
men de keuze heeft tusschen een relatieven zin en eene afhan- 
kelijke vraag, de afhankelijke vraag kiezen ; dus: Quid iniquitas 
loci habeat incommodi, proponit (Caes. Gall. 8, 45) (niet: Incommodum 
proponit, quod iniquitas loci habet): Hij zet hun het nadeel uiteen, dat 
• de oneffenheid van het terrein oplevert. — Non sum praediccdurus quan- 
tas Me res domi militiaeque gesserit (Cic. Manil. 48): Ik ben niet van 
plan de groote daden te verkondigen, die hij in oorlogs- en in vredes- 
tijd verricht heeft. 

Aanm. 2. De coniunctivus hoort in de afhankelijke vraag als zoo- 
danig oorspr. niet thuis: hij heeft zich van zulke gevallen uit, waar hij ook 
in de onafhankelijke vraag staan zou (als deliberativus of dubitativus: 
§ 519), zooals: Quid faciam, nescio (oorspr.: Quid faciam? Nescio), langza- 
merhand tot alle indirecte vragen uitgestrekt: Die mihi, quis etnerit 
(oorspr. : Die mihi: quis emit?). In de volkstaal en bij dichters vindt men 
echter nog dikwijls den indicativus. 

Aanm. 3. Dikwijls moeten abstracte substantiva in 't Latijn door 
afhankelijke vragen worden uitgedrukt: 

de grond voor ons geloof cur credamus (Cic. Tusc. 1, 39) 

uwe vorderingen quantum profeceris (Cic. off. 1, 3) 

de beteekenis dezer wet quanta sit vis huius legis (Cic. dom. 130) 

zijn aard en wezen quid et qucde sit (Cic. Tusc. 3, 11). 

Aanm. 4. De uitdrukkingen nescio quis, nescio quomodo enz., 
mirum quantum, nimium quantum en dergelijke worden dikwijls met 
den indicat. verbonden, of liever, zonder invloed op den modus, 
als verkorte zinnen, bij wijze van tusschenvoegsel gebruikt: Nescio quo- 
m.odo, dum lego (Platonis Phaedonem), adsentior, cum posui librum 
adsensio omnis ilia elabitur. Zie ook het eerste voorbeeld van § 396. 

§ 524a [§ 554]. Afhankelijke vragen zijn eigenlijk ook de met quin 
ingeleide bij zinnen in den coniunctivus, die men gebruikt na 
non dubito, dubium non est, controversia non est en andere 
uitdrukkingen, waarin een twijfel ontkend wordt: 

non dubito, quin ik twijfel niet, of (twijfel'er niet aan, dat): 

Agamemnon non dubitat, quin brevi sit Troia peritura. — 
Orgetorix dixit non esse dubium, quin totius Galiiae plurimum 
Helvetii possent. - Quis dubitet, quin in virtute divitiae sint? 

Deze constructie wordt duidelijk, wanneer men den bijzin onafhankelijk maakt 
en daarbij in het oog houdt, dat quin (ontst. uit *qul-ne: § 652) letterlijk 
waardoor niet? waarom niet? beteekent: Non dubito, quin hoc verum sit 
was oorspronkelijk: Non dubito. Quin hoc verum sit? Ik twijfel niet. 
Waarom zou dit niet waar zijn? De coniunctivus is dus eigenlijk een 
zelfstandige dubitativus (§ 521). 



342 



SYNTAXIS. 



§ 525. 



Aanm. 1. De zin met quin kan nog door non genegeerd worden : 
Nunc dubium non est, quin tenturae non sint (Cic. epist. 2, \1, 5). 
Blijkbaar zag men reeds in Cicero's tijd in quin alleen nog de conjunctie. 

Aanm. 2. Behalve bij de in den tekst genoemde uitdrukkingen vindt 
men quin ook soms na non ignorare, non negare, non contradicere, quern 
ignorare? en enkele andere, die, omdat ze min of meer synoniem waren 
met non dubitare, ook de constructie daarvan konden aannemen : 

Quis ignorat, quin tria Graecorum genera sint? — Non cunctandum 
existimavit, quin decertaret. 

Aanm. 3. Cicero en Caesar gebruiken bij non dubitare e. d. in den zin 
van niet twijfelen, uitsluitend deze constructie met quin; bij schrijvers 
als Varro, Nepos, Hirtius e. a., die zich meer bij de gewone taal aansloten, 
vindt men ook den ace. c. inf.; later wordt deze zeer gewoon. 

Aanm. 4. Ookwanneer/zon dubitarebtteekent niet aarzelen, vindt men 
somtijds bij Cicero de constr. met quin, vooral wanneer het in het pass, of 
in het gerund, staat: Nolite dubitare, quin huic uni credatis omnia.— 
Domitius sibi dubitandum non putavit, quin proelio decerneret (Caes 
civ. 3, 37, 2); zoo ook non dubium est, quin ik ben vast besloten: 
Ut dubium non sit, quin cum periculo fugiamus, quod fugeremus 
etiam cum salute. 

Gewoonlijk echter heeft non dubitare in de beteekenis aarzelen den 
infinit. (§ 571): 

Sapiens non dubitat, si ita melius sit, migrare de vita. 

Aanm. 5. Staat bij dubitare twijfelen e.d. geene negatie, dan hebben 
zij nooit quin, maar in den regel eene afhankelijke vraag met utrum - an, 
-ne — an, of an: vgl. § 647; over dubitare an twijfelen of niet § 649. 

3. In relatieve zinnen. 

§ 525. Relatieve zinnen die alleen dienen om aan te 
geven, wie of wat de persoon of zaak is, die genoemd 
wordt, staan natuurlijk in den indicativus; maar relatieve 
zinnen wier doel het is om aan te geven hoe de aard en 
het karakter is van den persoon of de zaak, die genoemd 
wordt, staan in den coniunctivus. 

In relatieve zinnen staat derhalve de coniunctivus in de vol- 
gende gevallen: 

1) in causale relatieve zinnen. De coniunctivus staat in 
alle relatieve zinnen die dienen om een grond of reden aan te 
geven, zoodat 

qui = cum is daar, omdat hij (§ 560, 2). 

Somtijds wordt quippe immers, zonder twijfel, zelden utpote 
of at namelijk, voor het pronomen reiativum geplaatst: 

Alexander cum in Sigeo ad Achillis tumulum adstitisset: O fortunate, 
inquit, adulescens, qui tuae virtutis Homerum praeconem inveneris! — 
Caninius consul fait mirifica vigilantia, qui suo toto consulatu somnum 
non viderit. - Callidus adulator non facillime agnoscitur, quippe 




\% 526—529. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



343 



\ 



qui etiam adversando saepe adsentetur. - Frater eius, utpote qui 
peregre depugnarit, familiam ducil. 

Aanm.. Staat in dergelijke zinnen de indicativus (wat nooit met 
ut qui, en, althans in goed proza, evenmin met quippe qui geschiedt), 
dan heeft de schrijver niet willen laten uitkomen, dat de relatieve zin de 
reden bevat, waarom hij het in den hoofdzin medegedeelde beweert, bijv. : 
Habeo senectuti magnam gratiam, quae mihi sermonis aviditatem aux.it, 
potionis et cibi sustulit: Ik ben den ouderdom zeer dankbaar, die mij de 
zucht naar een (gezellig) gesprek heeft vermeerderd, maar de zucht naar 
eten en drinken heeft ontnomen (Cic. Cato 46). Stond in dezen zin 
auxerit .... sustulerit, dan zou de bedoeling zijn : ik ben den ouderdom 
zeer dankbaar, daar hij enz.. 

§ 526. 2) in adversatieve en concessieve relatieve zinnen. 
De coniunctivus staat in alle relatieve zinnen die eene tegen- 
stelling behelzen of iets toegeven, zoodat 

qui = cum is terwijl hij toch, ofschoon hij (§ 544): 

Sapiens posteritatem, cuius sensum habiturus non sit, ad se putat 
pertinere. 

§ 527. 3) in finale relatieve zinnen. De coniunctivus staat 

in alle relatieve zinnen, die een doel, eene bestemming uitdruk- 

ken, zoodat 

qui = ut is opdat hij (§ 548): 

Sunt multi, qui eripiunt aliis, quod aids largiantur. - Ho mini 
(natura) addidit ratio nem, qua regerentur appetitus. - {Artaxerxes 
Themistocli) Magnesiam urbem donarat, quae ei panem praeberet, 
Lampsacum autem, unde vinum sumeret, Myunta, ex qua opsonium 
haberet. 

§ 528. 4) in consecutieve relatieve zinnen. a) De coniunc- 
tivus staat in alle relatieve zinnen die een gevolg uitdrukken, zoodat 
qui = ut is zoodat hij; van dien aard, dat hij (§ 552): 

Plane quidem perfectum oratorem et cui nihil admodum desit 
Demosthenem dixeris. - Homines rationem habent sagacem, quae et 
causas rerum et consecutiones vide at. 

Die beteekenis ligt in qui gewoonlijk, wanneer de relatieve zin door et 
zich aansluit aan een adjectief, dat voorafgaat; zie het eerste voorbeeld 
hier boven; zoo ook: Xenophon leniore quodam sono est usus et qui ilium 
impetum oratoris non habeat. 

§ 529. b) Met deze beteekenis staat de coniunctivus met name: 

10 na is (in den zin van talis), talis, tantus, tarn enz.: 

Ego is sum, qui nihil unquam mea potius quam meorum civium 

causa fecerim. — Talem te esse oportet, qui te ab impiorum civium 

societate seiungas. - Quae domus tarn stab His, quae tarn firma 

civitas est, quae non odiis atque dissidiis funditus pass it everti? 



344 



SYNTAXIS. 



530. 



20 na est; sunt; inveniuntar; no n est; nemo (n alius, nihil) 
est; quis (quid) est? en dergelijke, wanneer niet bepaalde perso- 
nen of voorwerpen bedoeld zijn, maar men onbepaald spreekt, zoodat 
men zeggen kan: er zijn er, die (= van dien aard, dat . . . .): 

Sunt philosophi et fuerunt, qui omnino nullam habere censerent 
rerum humanarum procurationem deos. - Non temere nee fortulto creaii 
sumus; sed profecto fuit quaedam vis, quae generi consuleret 
humano. - Nihil est quod tarn, miseros (nos) facial, quam impietas 
et scelus. - Illud quis est qui dubitel? 

Na negatieve hoofdzinnen en na vragen met negatieven zin 
{non est; nemo, nullus, nihil est; quis est? quid est? enz.) kan in dit 
geval in plaats van het relativum met non ook quin gebruikt worden, 
echter alleen wanneer het pronomen in den nominativus 
(quod ook in den ace) staan zou (dus voor qui non, quae non, quod 
non, niet voor quern non enz.): 

Nemo est quin intellegat = er is niemand, die niet begrijpt: 

Nemo est quin (of qui non) Intellegat mere Mam rem publi- 
cum, ubi res iudicatae rescinduntur. - Nulla est natura, quin (of 
quae non) suam vim retineat a primo ad extremum. - Ecquis fuit, 
quin (of qui non) lacrimaret? - Nego in Sicilia tola ullum 
vas fuisse, quin (of quod non) Verres abstulerit. 

3° zoo ook na habeo, quod: 

Quod laetere habes. - Quod responderet non habebat. 

Aanm. 1. Indien er van bepaalde personen of zaken sprake is en dus 
de relatieve zin geene nadere beperking geeft van een algemeen 
subject, maar een bepaald subject omschrijft, staat de indicativus. 
Wanneer bijv. Caesar zegt, dat een groot deel der eilanden aan de monden 
van den Rijn a feris barbarisque nationibus incolitur, ex quibus sunt, 
qui piscibus atque ovis avium vivere existimantur (Gall. 4, 10, 5), 
dan bedoelt hij niet: tot welke ook menschen behooren, van wie men 
meent, dat zij enz., maar: tot welke ook die menschen behooren, die, 
naar men meent, enz.; hij heeft dus bepaalde menschen op 't oog. 

Zoo ook: Quis est qui ignoret? Wie is er, die niet weet enz., maar: 
Quis est qui ignorat? Wie is het, die niet weet enz.. 

Aanm. 2. Vergelijk verder: Sapientia est una quae maestitiam pellat 
ex animis, waar de coniunctivus aanduidt dat de schrijver bedoelt, dat de 
wijsheid van dien aard is, dat zij enz., met: Una est amicitia in rebus 
humanis de cuius utititate omnes consentiunt, waar alleen het feit 
wordt uitgedrukt, dat de menschen enz.. 

§ 530. 4° na dignus, indignus, aptus, idoneus: 

Qui modeste paret videtur qui aliquando imperet dignus esse. - 

Rufum Caesar id one urn ludicaverat, quern cum mandaiis ad Pom- 

peium mitteret. 

Ook in dit geval nl. laat zich de relatieve zin als gevolgaanduidend 
opvatten (van dien aard, dat hij enz.). Het is echter ook mogelijk, qui hier 
finaal te nemen ; daarvoor pleiten de verbinding van dignus met ut, die men 




§§ 531—533. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



345 



(reeds bij Plautus) soms vindt, en de in de Aanm. vermelde constructies van aptus 
en idoneus. Vgl. ook ons te (waardig te . .). Dan vallen deze zinnen onder § 527. 

Aanm.. Over aptus en idoneus met ad en het gerund, of den dat. v. 
h. gerund, vgl. § 614 en § 613. 

5° bij de schrijvers na Cicero na eenen comparativus met quam, bijv.: 
maior quam qui grooter of te groot dan dat; zoo zegt Niobe overmoedig: 
Maior sum, quam cui possit Fortuna nocere (Ov. met. 6, 195). Men gebruikt 
echter liever quam ut: vgl. § 471, A. 1. 

§ 531. 5) in beperkende relatieve zinnen. De coniunctivus 
staat verder in alle relatieve zinnen die eene beperkende bepaling 
aan den hoofdzin toevoegen, zoodat 

qui = voor zoover hij, zooveel hij althans: 

quod sciam zoover ik weet; quod meminerim zoover ik mij 
herinner (kan herinneren): 

Ex oratoribus Atticis antiquissimi stint, quorum quidem scripta 
constent, Pericles et Alcibiades. - Adeo excellebat Aristides absti- 
nentia, ut unus post hominum memorlam, quod quidem nos au die- 
rim us, cognomine iusius sit appellatus. 

Deze coniunctivus is de potentialis (§ 517): hij geeft hier aan de bewering 
een minder stelligen en dus meer bescheiden vorm (coniunctivus modestiae). 
Bedoelt men werkelijk eene bepaalde beperking van een oordeel, niet slechts 
eene bescheiden formuleering daarvan, dan gebruikt men quantum en den indie: 
quantum scio. 

§ 532. 6) De coniunctivus staat in alle relatieve zinnen die innerlijk 
afhankelijk zijn, d. i. de meening van hem over wien gesproken wordt, 
niet die van den spreker of schrijver bevatten : Socrates exsecrari earn 
solebat, qui primus utilitatem a lure seiunxisset (naar de meening van 
Socrates, niet van Cicero). Vgl. ook § 535, A. 1. 

Over het gebruik van het pron. reflex, in zulke zinnen vgl. § 477. 

Aanm.. Ook de gedachte, die de spreker zelf in een vroegeren tijd had, 
kan hij als eene vreemde aanduiden. 

§ 533. 7) Eindelijk staat de coniunctivus in alle relatieve zinnen wier 
inhoud een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een zin, die in den 
coniunctivus of accus. cum infinitivo staat (vgl. § 619, 5°) : 

Socrates dicere solebat omnes in eo quod scirent satis esse eloquentes. 

Aanm, 1. Een zin namelijk, die in den coniunctivus of ace. c. inf. staat, is 
afhankelijk, een relatieve zin, die met dezen als het ware een geheel uit- 
maakt, wordt dus ook afhankelijk, en komt dientengevolge in den coniunctivus. 

Zeg ik bijv. : Athenis laudantur in contione ii, qui sunt in proelio 
interfecti, Te Athene wordt in de volksvergadering eene lofrede gehouden 
op hen die in den strijd gesneuveld zijn, dan maakt de inhoud van 
den relatieven zin een wezenlijk bestanddeel uit van den hoofdzin: 
hij kan niet worden weggelaten. Maak ik nu den hoofdzin afhankelijk, 
bijv. van mos est het is de gewoonte, dan wordt ook de relatieve zin 
afhankelijk en komt in den coniunctivus : Mos est Athenis laudari in 
contione eos, qui sint in proelio interfecti (Cic. orat. 151). 



346 



SYNTAXIS. 



§§ 534—535. 



Aanm. 2. Is de relatieve zin eene bijvoeging van den spreker en 
dus zijn inhoud niet een wezenlijk bestanddeel van den zin in den infinit. 
of den coniunct., dan staat hij in den indicativus. Aristoteles zegt bijv.: 
Apud Hypanim fluvium bestiolae quaedam nascuntur, quae unum diem 
vivunt. Als Cicero deze woorden afhankelijk maakt van Aristoteles ait, 
komt natuurlijk de relatieve zin in den coniunctivus, maar een andere 
relatieve zin, dien Cicero ter omschrijving van Hypanim fluvium er aan 
toevoegt, komt in den indicativus: Apud Hypanim fluvium, quiab 
Europae parte in Pontum influit, Aristoteles ait bestiolas quasdam nasci, 
quae unum diem vivant. 

b. Met voegwoord. 

§ 534. Gewoonlijk worden de afhankelijke zinnen met de hoofdzinnen ver- 
bonden door middel van voegwoorden. Welk voegwoord men gebruikt, 
hangt af van den aard en de beteekenis van den afhankelijken zin; van den 
aard en de beteekenis van den afhankelijken zin hangt echter ook de modus 
af, dien men bezigt: vandaar, dat het schijnen kan, alsof de modus van de 
coniunctio afhing. In waarheid is dit echter evenmin het geval als de praepo- 
sities oorspr. casus regeeren (vgl. § 390). Evenals de praeposities eigenlijk 
samengaan met de casus, maar eene praepositie twee verschillende casus bij 
zich hebben kan, zoo gaan ook de conjuncties samen met de modi, maar 
kan ook eene coniunctio bij twee verschillende modi worden gebruikt. 

Aanm. De modi bestonden voor de coniunctiones ; 't gebruik der modi, 

tot dusver behandeld (behalve de oratio obi i qua), is dan ook ouder dan 

de verbinding der coniunctiones met de modi. 

1. In causale zinnen. 
§ 535. De causale zinnen geven eene handeling of toestand aan als 
grond of oorzaak van eene andere handeling of een anderen toestand. 
Zij worden met den hoofdzin verbonden door middel van de conjuncties: 
quod, quia omdat (Fransch : parce que) 

quoniam naardien (Fransch: puisque) 

quando, quandoquidem dewijl, dewijl immers (eigenlijk 

voegw. van tijd). 

a) De beteekenis der causale zinnen brengt mede, dat zij in den regel in 
den indicativus staan. 

b) De coniunctivus staat naar zijnen aard in causale zinnen alleen dan: 
1° wanneer de spreker wil doen uitkomen, dat hij niet naar zijne meening de 

oorzaak opgeef t, maar naar de meening van een ander of van anderen (zie § 532) : 
Aristides nonne ob earn causam expulsus est patria, q uo d praeter modum iustus 
esset? door den coniunctivus wil Cicero te kennen geven, dat niet hij, maar 
de Grieken het praeter modum iustum esse als oorzaak van Aristides' verbanning 
opgeven. - Damocles exoravit tyrannum, ut abire liceret, quod iam beatus 
nollet esse: de grond die opgegeven wordt is de grond, dien Damocles 
tegenover Dionysius aanvoert, niet een grond, dien Cicero opgeeft. 

Over het gebruik van het pron. reflex, in zulke zinnen zie § 477. Bij wijze 
van voorbeeld volge hier nog deze zin uit Caesar (Gall. VII, 19) : Indignabantur 
milites, quod conspectum suum hostes perfene possent. Was de causale zin 
niet innerlijk afhankelijk, dan zou er staan: quod conspectum eo rum hostes 
perferre poterent (naar het oordeel van den schrijver). 



§ 536. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



347 



Aanm. 1. a) De coniunctivus drukt in zulke zinnen dus de gedachte uit 
die wij kunnen weergeven door toevoegingen als: gelijk hij zeide, naar 
hunne meening e. d.. Ook in het Latijn worden een enkele maal uit- 
drukkingen als ut dicebat Hie e. d. duidelijkheidshalve parenthetisch 
(d. i. buiten het zinsverband) toegevoegd, terwijl dan toch de coniunctivus 
blijft. Dit gebruik komt echter zelden voor: in den regel verbindt men 
het verbum dicendi of putandi als hoofdwerkwoord met quod, en 
voegt het werkwoord dat de reden aangeeft, in den accus. c. inf. daar 
aan toe. Dikwijls wordt dan echter, door eene natuurlijke, maar 
logisch niet gemotiveerde assimilatie, het verbum dicendi of putandi 
(dicere, existimare, putare e. dgl.) in den coniunctivus geplaatst, ofschoon 
men den indicativus zou verwachten, daar men niet het zeggen, het 
meenen enz. op zich zelf, maar wat er gezegd wordt, als de gedachte 
van een ander wil aanduiden : 

Rediit, quod se oblitum nescio quid diceret (— quod oblitus esset). — 
Dumnorix omnibus precibus petere contendit, ut in Gallia relinqueretur, 
partim, quod insuetus navigandi mare timeret, partim, quod religionibus 
impediri sese diceret. 

b) Dit eigenaardige gebruik van den coniunctivus vindt men ook in 
relatieve zinnen: 

Litteras, quas me sibi misisse diceret, recitavit (= quas ego sibi 
misissem). 

2° dus ook, wanneer de spreker wil te kennen geven, dat de opgegeven 
oorzaak niet de ware is: Nemo unquam est oratorem, quod Latine loque- 
retur, admiratus. 

Zoo vooral na non quod of non quo, non eo quod, non ideo quod, 
non quia, terwijl dan gewoonlijk sed quod, sed quia volgt met den indicat., 
om de ware oorzaak op te geven: Pugiles in iactandis caestibus ingemescunt, 
non quod do leant animove succumbant, sed quia profundenda voce omne 
corpus intenditur ve nit que plaga vehementior. — Maiores nostri in dominum 
de servo quaeri noluerunt, non quin (= non quod non: § 652) posset verum 
inveniri, sed quia videbatur indignum esse. 

Aanm. 2. Non quo staat voor non eo quo en dit door attractie voor 
non eo quod. 

Over de causale zinnen met cum (quom), die altijd in den coniunc- 
tivus staan, zie § 560, 2°. 

2. In voorwaardelijke zinnen. 

§ 536. De voorwaardelijke (conditioneele) bijzinnen geven 
eene veronderstelling aan, welker vervulling voorwaarde is 
voor de verwezenlijking van hetgeen in den hoofdzin wordt uitgedrukt; 
zij heeten daarom ook wel hypothetische (veronderstellende) 
bijzinnen. 

Den zin die de voorwaarde bevat, noemt men protasis (eigenl.: 
de voorspanning, het voorgeplaatste of -gestelde (ngozaoig, van jiqotsivco), 
dan voorzin); den hoofdzin apodosis (eigenl.: de teruggave {anodoaig, 
van anodldcojui), slotzin). 

De voegwoorden zijn si, ontkennend si non en nisi (§ 326). 



348 



SYNTAX IS. 



§ 537. 



a) ST (uit *sei) is oorspr. een locat. sing, van den pronom.stam so-, met 
demonstratieve beteekenis (= sic [d. i. si + het deiktische -ce: § 170a, A. 1): 
ook de hypothetische periode heeft zich dus uit een parataktisch zinsverband 
ontwikkeld, op soortgelijke wijze als bij ons zoo voorwaardelijk gebruikt wor- 
den kan : Quiesce, si sapis (Plaut. Most 1173), Wees stil, zoo ge verstandig zijt, 
was dus eigenl. : wees stil: zoo (= dan) zijt ge verstandig. De voorwaardelijke 
verhouding kan ook later nog door zelfstandige zinnen worden uitgedrukt : 
Rogo hoc idem Epicurum, dicet sqq. (Cic. Tusc. 2, 28). — Roges me: nihil 
fortasse respondeam (Cic. nat. deor. 1, 57), enz.. Vgl. § 542. 

b) Si non staat gelijk met si, behalve dat een der woorden van den voor- 
waardelijken zin eene ontkenning bij zich heeft, of ook op de ontkenning 
de nadruk valt; nisi (d. i. ne [= non] si) daarentegen staat tegenover si, 
in zooverre als de geheele voorwaardelijke zin ontkennend wordt: 
de ontkenning gaat voor de voorwaarde. Nisi voegt dus eene uitzondering 
toe aan een algemeen oordeel; si non geeft aan, in hoeverre een bijzonder 
oordeel van kracht is : 

si non = indien . . . niet, wanneer . . . niet; 

nisi = (niet . . . indien), behalve wanneer, tenzij: 
Memoria minuitur, nisi earn exerceas. . — Nihil honesiius quam peainiatn 
contemnere, si non habeas, si habeas, ad beneficentiam liberalitatemque 
conferre. 

Aanm. 1. Wanneer eene tweede voorwaarde tegenover de eerste ge- 
steld wordt, gebruikt men, indien zij positief is, in plaafs van het 
tweede si gewoonlijk sin (§ 326 Aanm.), ook wel sin autem maar 
indien, indien daarentegen: 

Si delectamur, cum (de philosophia) scribimus, quis est lam invidus, 
qui ab eo nos abducat? Sin laboramus, quis est, qui alienae modum 
statuat industriae ? 

Is de tweede voorwaarde negatief, dan kan men in plaats van si non 
ook si (of sin) minus nemen. Dit laatste is regel, wanneer het 
werkwoord ontbreekt: 

(Hostes) partem suarum copiarum traducere conati sunt, eo consilio, ut, 
si possent, castellum expugnarent; si minus potuissent, agros popu- 
larentur. — Si mihi vemam, quam peto, dederit, utar illius condicione; 
si minus, impetrabo aliquid a me ipso. 

Aanm. 2. Over si met den conjunct, in den zin van ons of bij ex- 
spectare, conari, experiri e. d., zie § 646 Aanm.. 

Over sive — sive en nisi forte en nisi vero, die altijd bij den 
indicativus staan, vgl. § 516. 

§ 537. Modi. Naar hetgeen vroeger over den aard van den coniunctivus 
gezegd is, zouden de protasis en de apodosis beide altijd in den coniunc- 
tivus moeten staan, daar de eerste niet wat werkelijk is te kennen wil geven, 
maar wat aangenomen, gedacht wordt, en de tweede als afhankelijk van 
den eerste wordt voorgesteld. Toch gebeurt dit niet, daar de vorm van den zin 
door de particula si de afhankelijkheid reeds genoegzaam uitdrukt. 

Daarentegen wordt wel acht gegeven op de omstandigheid, hoe de spreker 
denkt over de verhouding tusschen de voorwaarde en de werke- 
lijk h e i d : 



538—540. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



349 



§ 538. Men onderscheidt drie gevallen, al naar men in den 
voorwaardelijken zin uitgaat van: 

1° eene werkelijkheid: indicativus; 

2" eene mogelijkheid: coniunctivus praes. of perf.; 

30 eene niet-werkelijkheid: coni. imperf. of plusquamp.: 

1) De indicativus wordt gebruikt in den voorwaardelijken 
zin zoowel als in den hoofdzin: a) indien de spreker wil te ken- 
nen geven, dat het in de protasis vervatte oordeel met de werke- 
lijkheid overeenstemt (bij v. wij zullen uitgaan, maar het begint te 
regenen. Nu zeg ik: als (indien) het regent, kunnen wij toch 
niet uitgaan); 

b) of ook, wanneer hij over de werkelijkheid of niet-werke- 
lijkheid niet wil oordeelen (bijv. : als ik kan, zal ik het 
doen; maar of ik zal kunnen of niet, dat weet ik niet; ik zeg alleen, 
dat ik het zeker zal doen, als ik kan): 

Si potes, libera (me). - Si potero , faciam. - Si amitti vita 
beata potest, beata esse non potest. - Si Fabius oriente Canicula 
natus est, Fabius in mart non morietur. - Si bellum omittimus, 
pace nunquam fruemur. - Dies affert vel horn potius, nisi provi- 
sum est, magnas saepe clades. 

Aanm.. Zoo in den hoofdzin een coniunctivus voorkomt, is het een van die, 
welke in §§ 517-521 opgenoemd zijn: Si stare non possunt, corruant. 

§ 539. 2) A. Wanneer de spreker de vervulling der voorwaarde 
als onderstelling, dus als mogelijk, voor het tegenwoor- 
dige of de toekomst aanneemt, gebruikt hij in den voorwaardelijken 
zin den coniunctivus (potentialis) van 't praesens of van 't 
perfectum-praesens, terwijl ook de hoofdzin in den coniunc- 
tivus staat; dit praesens wordt in onze taal een imperfectum of 
een daarmede gelijkstaande vorm: 

Non possim, si velim. - Si hoc dicat, timidus videatur. - 
Pro patria quis bonus dubitet mortem oppetere, si ei sit profu- 
turus? - Si gladium quis apud te sana mente deposuerit, repetat 
insaniens: reddere peccatum sit, officium non reddere. 

Aanm.. De hoofdzin staat dikwijls in den indicativus; dan geeft 
men den inhoud als vast en zeker op: Sapiens non dubitat, si ita 
melius sit, migrare de vita. Bij nisi is dit gewoonlijk het geval. Zie het 
eerste voorbeeld van §' 536. 

§ 540 '[§ 541]. B. Wanneer de spreker de vervulling der voorwaarde als 
mogelijk in het verledene aanneemt, gebruikt hij in beide zinnen den con- 
iunctivus imperfecti. Een zin als: Si sua res agatur, testimonium non dicat, 
Indien (Stel dat) zijn eigen zaak behandeld werd, zou hij geen getuigenis 
afleggen, moet derhalve, in een verleden tijd overgebracht, aldus luiden : 
Africanus si sua res ageretur, testimonium non dicer et, De Afrikaan zou, 
indien zijn eigen zaak ware behandeld geworden, geen getuigenis heb- 
ben afgelegd (Cic. S. Rose. 103): 



350 



SYNTAXIS. 



§ 541. 



Cur igitur et Camillas doleret, si haec post trecentos et quinquaginla fere 
annos eventara putaret? et ego doleam, si ad decern milia annorum gentem 
aliquam urbem nostram potituram p litem? 

Aanm.. Voor het uiterlijke komt deze potentialis van het verledene 
overeen met den irrealis (§ 541): inderdaad is er echter verschil : immers, 
de coni. imperf. drukt hier niet uit, dat het geval niet werkelijk is, 
maar dat het als mogelijk gesteld is in een verleden tijd. De vertaling 
van dergelijke zinnen is dan ook anders, dan die van de zinnen in § 541, 
want voor het imperfectum wordt in de vertaling het plusquamperf. gebruikt. 

§ 541 [§ 540]. 3) Stelt de spreker den inhoud van den voorwaardelijken 
zin als niet-werkelijk voor, dan gebruikt hij eveneens in beide 
zinnen den coniunctivus, maar dan van het imperfectum, om de 
niet-werkelijkheid in het tegenwoordige uit te drukken, of van het 
plusquamperfectum, om de niet-werkelijkheid in het verledene 
uit te drukken (modus irrealis), dus: Si viveret, verba eius audi- 
retis Indien hij leefde, zoudt gij zijne woorden ho or en (maar 
hij leeft niet, dus hoort gij zijne woorden niet) (Cic. Q. Rose, 42). - 
Si venisses, visas esses Indien gij gekomen waart, zou men u 
gezien hebben (maar gij zijt niet gekomen, dus heeft men u niet 
gezien) (Cic. in v. 1, 87): 

Si nihil aliud quaereremus nisi at deos pie coleremus, metus omnis 
a vi atque ira deorum pulsus esset. — Troiam Neoptolemus capere 
non potuisset, si Lycomedem multis cum lacrimis iter suum impedien- 
tem audire voluisset. — Id non facerem, nisi necesse esset. — 
Amisissetis Asiam, nisi Cn. Pompeium fortuna attulisset. 

Men vrage niet of de voorwaarde, op zich zelf beschouwd, wel vervuld 
kan worden, maar of de spreker wil te kennen geven, dat zij niet vervuld 
is of wordt. Zij kan onvervulbaar zijn, terwijl de spreker toch on der stelt, dat 
zij vervuld is of wordt ; men heeft dan het geval van § 539, bijv. : 

Haec si tecum patria loquatur, nonne impetrare debeat? Stel, dat het 
vaderland zoo met u sprak, moest het dan niet zijn wensch verkrijgen? 
(Cic. Catil. 1, 19). - Daarentegen: Sicilia tola si una voce loqueretur, hoc 
dicer et (Cic. div. in Caec. 19). 

Aanm. 1. De in § 513 opgenoemde werkwoorden kunnen in de apo- 
dosis ook in den indicativus blijven: Contumeliis onerasti^ quern patris 
loco, si ulla in te pietas esset, colere debebas. 

Over paene vgl. § 515, Aanm.. 

Aanm. 2. Ook gebruikt men in de apodosis den indicativus in de 
plaats van den coniunctivus, wanneer men de coniugatio periphrastica 
op -urus fui bezigt. Dus zegt men in de plaats van : fecissem, si scissem 
ook wel: fact urus fui, si scissem; de afhankelijkheid wordt door de 
coniug. periphr. reeds aangeduid. Onderscheid in beteekenis is er niet: 

Men vergelijke slechts: Quae ille (Caesar) facturus non fuitfiunt (Cic. 
Att. 14, 14, 2), en: Quae Caesar nunquam fecisset (nl. si adhuc vixisset: 
§ 542), ea nunc proferuntur (1. 1. 14, 13, 6): 

Si essetis recepti in provinciam, Caesarine earn tradituri fuistis ? 

Aanm. 3. Eindelijk gebruikt men in de apodosis den indicativus, 
wanneer men wil te kennen geven, dat het feit zeker en vast zou 



§§ 542—545. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



351 



gebeurd zijn, zoo maar de voorwaarde vervuld geworden ware, of dat 
de handeling reeds begonnen was: 

Quod si ita putasset, certe optabilius Miloni fuit dare iugulum 
Clodio. — Labebar longias, nisi me retinuissem. 

§ 542. Niet altijd hebben voorwaardelijke zinnen den tot dusver 
behandelden, volledigen, vorm; de voorwaarde kan ook onder een ande- 
ren vorm dan door een zin met si uitgedrukt, of ook wel geheel verzwegen 
worden (vgl. § 536a) : 

Ferrum, aes, aurum, argentum ex terra non effoderetur sine hominum 
lab ore et manu (= nisi homines manu laborarent). - Innocens est quis- 
piam (si quispiam est innocens), suspicione tamen non caret. — Attendite 
(= si attendetis, of attenderitis), iam intellegetls. — Horreo, quod tu abes, qui 
consilio occurreres (nl. : si adesses). — Quae Caesar nunquam neque fecisset 
neque passus esset (nl. : si adhuc vixisset), ea nunc ex f als is eius commen- 
tariis proferuntur. 

§ 543. Tot de voorwaardelijke zinnen kan men ook rekenen die, 
welke tegelijk eene voorwaarde en eenen wensch uitdrukken. 

De conjuncties zijn: 

dum, dummodo, modo indien maar; 

dum ne, dummodo ne, modo ne indien maar niet. 

Daar deze zinnen eenen wensch bevatten, staan zij altijd in den 
coniunctivus (optativus: vgl. § 518): 

Multi omnia recta et honesta neglegunt, dummodo potentiam con- 
sequantur. — Dum arator ne plus decumd det, expedit ei decumam 
esse quam maximam. Zie ook het eerste voorb.eeld van § 520. 

Feitelijk hebben we hier met het finaal-temporale dum te doen: zoolang 
maar: vgl. § 557. 

3. In concessieve zinnen. 

§ 544. De concessieve (toegevende) bijzinnen geven eene 
gedachte of oordeel toe, erkennen die, laten haar over aan het 
gevoelen van den spreker, terwijl dan door den hoofdzin eene gedachte, 
die daar tegenover staat, wordt uitgedrukt. 

De modi zijn dezelfde als bij de voorwaardelijke zinnen. 

§ 545. De voegwoorden der concessieve bijzinnen vindt men in 
§ 323. Over het gebruik ervan zij hier nog het volgende opgemerkt: 

a) Etsi, tametsi en quamquam worden gewoonlijk gebruikt, 
wanneer de spreker meent, dat hetgeen hij toestemt overeenkomt met de 
werkelijkheid, en staan daarom doorgaans bij den indicativus: 

Etsi ab hoste ea dicebantur, tamen non neglegenda existimabant. — 
Quamquam sunt hostes, tamen, quia sunt cives, monitos etiam atque 
etiam volo. 

Wat quamquam (eig. hoe ook) aangaat, vergelijke men den indie, na quis- 
quis e. d. (§ 516). 



352 



SYNTAXIS. 



'§§ 546—547. 



b) Etiamsi ook indien, zelfs indien, doet gewoonlijk meer de 
mogelijkheid of de niet-werkelijkheid uitkomen, en staat daarom 
meer bij den coniunctivus dan bij den indicativus. Vgl. § 539 vlgg.: 

Etiamsi Flaminius obtemperasset auspiciis, idem eventurum 
fa is set. - Maar ook: Omnes scelerati atque impia exules sunt, 
etiamsi solum non mutarunt. 

De bijzinnen met etsi, lametsi en etiamsi zijn eigenlijk voorwaardelijke 
zinnen, die tevens concessieve beteekenis hebben. 

§ 546. c) Quamvis zoo veel gij wilt, hoezeer ook, ofschoon, 
wordt alleen verbonden met begrippen die meer of minder, 
sterker of zwakker kunnen zijn, dus een graad toelaten, als: 
bonus, eruditus, multus, bene, diu en dergelijke adiectiva en adver- 
bia, florere, placere, probare en dergelijke verba. Wijl die graad niet 
van den spreker afhangt, maar hij dien overlaat aan het oordeel van 
anderen, wordt gewoonlijk de coniunctivus gebruikt (coniunc- 
tivus concessivus: § 520), en wel, daar quamvis ontstaan is uit 
quam vis, in den regel de coni. praes. of perfecti (zie § 562): 

Quamvis sit eruditus, non audiam. - Quamvis mihi res non 
place at, tamen non repugno. 

d) Over cum concessivum vgl. § 560, 3. 

•e) Over licet als concessieve conjunctie met den conjunct, praes. of 
perf. (ofschoon) vgl. § 523, A. 1. 

Aanm.. Ook ut kan_concessief zijn (hoe ook, wanneer ook, ofschoon) 
en wordt dan met den coniunctivus verbonden: Ut concedam incertum 
exitum esse belli, tamen decertandum est. 

Is zulk een zin ontkennend, dan zou overeenkomstig § 520 ne moeten 
worden gebruikt. Men vindt echter veelal ut non, omdat de negatie gewoon- 
lijk den nadruk heeft (vgl. § 624): Verum ut istos ego tudices tarn sevens 
non hub earn: ecquls est, qui hoc non lam dudum statuerlt et iudicarlt? 

4. In comparatieve zinnen. 

§ 547. Vergelijkende bijzinnen staan in den coniunctivus, 
wanneer datgene wat ter vergelijking dient, niet als werkelijk, maar 
slechts als ondersteld of aangenomen wordt voorgesteld. Als 
coniunctiones gebruikt men dan quasi (proinde quasi (iets sterker 
perinde quasi geheel alsof)), {proinde (perinde) ac si), tanquam 
(minder vaak tanquam si), velut si, ut si (non secus ac si), alsof 

(vgl. § 325). 

Ofschoon deze zinnen eigenlijk voorwaardelijke zinnen zijn, onder- 
scheiden zij zich daarvan, wat het gebruik der tijden aangaat, in zoo- 
verre, als dit zich gewoonlijk richt naar den hoofdzin (consecutio 
iemporum: § 562): staat het werkwoord van den hoofdzin 
niet in een verleden tijd, dan bezigt men in den bijzin den con- 
iunctivus (potentialis: § 539) praesentis of perfecti, staat 



§ 548. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



353 



het wel in een verleden tijd, dan den coniunctivus imper- 
fecti of plusquamperfecti (§ 539): 

Nolite a me, quasi dubium sit illiquid, argumenta exspectare. - 
Quasi mea culpa bona perdiderit, ita est mihi inimicus. - Sequani 
absentis Ariovisti crudelitatem, velut si coram adesset, horrebant. 

Aanm. 1. Quasi vera alsof, staat ironisch: Quasi vero Cn Pompelum 
non cum suls vlrtutibus tarn etlam allents vltlls magnum esse vldeamus! 

Aanm. 2. Wil men uitdrukkelijk te kennen geven, dat het onder- 
stelde met de werkelijkheid in strijd is, dan gebruikt men ook voor 
het tegenwoordige het imperfectum, en voor het verledene het 
plusquamperfectum, evenals bij de voorwaardelijke zinnen (modus 
541): Elus negotium sic vellm susciptas, ut si res esset mea. 



irreahs: 



5. In finale zinnen. 

§ 548. Finale zinnen drukken het doel uit van de in den hoofd- 
zin vervatte handeling. De modus is altijd de coniunctivus. 

De coniunctivus in deze zinnen, de zoogen. finalis, heeft zich uit den zelf- 
standigen wilsconiunctivus, den voluntativus (§ 519), ontwikkeld. Dat 
hij niet van de coniunctio afhangt, blijkt reeds daaruit, dat ook in het klas- 
sieke Latijn nog deze zinnen niet zelden zonder ut geconstrueerd worden. Bij 
velle is dit zelfs regel (vgl. § 523, A. 3). In het oudere Latijn vindt men nog 
ut als indefinitum aan den onafhankelijken coniunctivus voluntativus toege- 
voegd: Terttus servus una cum factorlbus uti cubet. Hoe op deze wijze finale 
bijzinnen konden ontstaan, wordt duidelijk, als men overweegt, dat naast den 
enkelen coniunctivus valeas het ga u goed, met gelijke strekking ut valeas 
{Balb. bij Cic. Att. 9, 76, 3) en fac ut valeas (epist. 16, 2, 1) staat; fac versterkt 
hier den coniunctivus, maar verandert evenmin iets aan zijn aard, als ut. 
Ook in onze taal laat zich het ontstaan van de hypotaxis uit de parataxis 
begrijpelijk maken: vgl. Marc. 1 : 41 : Ik wil, word gereinigd, met Joh. 17 : 24: 
Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt. 

De conjuncties zijn: 

ut en quo; ontkennend ne (ut ne), quo minus, quin. 

Aanm. 1. De ontkenning wordt in 't Latijn altijd door de conjunctie (ne), 
niet, als bij ons, door het pronomen of adverbium uitgedrukt, dus: 

ne . . quis dat . . niemand (ut . . nemo zou zijn: zoodat niemand), 
ne quando, ne . . unquam dat . . nooit, enz. : zie den lsten en 
den 3den zin op biz. 355, en verder §§ 634 en 635. 

Aanm. 2. Ut ne, dat vooral in het oude Latijn gebruikt wordt, staat 
meestal alleen na werkwoorden met eene positieve beteekenis: Postu- 
lant ut ab tnstitutts superiorum ne recedaiur. 

Aanm. 3. En (op-)dat niet is neve (neu), niet neque: zie § 635. 

Men onderscheidt : 

10 eigenlijke (adverbiale of begeleidende) finale bijzinnen, 
die in lossere verbinding met den hoofdzin staan (ut = op dat) 

20 finale voorwerpszinnen als noodzakelijke aanvulling bij verba, 

die op zich zelf reeds eene bedoeling uitdrukken (ut = dat). 
woltjer, Lat. Qramm. 6e druk. 23 



354 



SYNTAXIS. 



§§ 548a -549-. 



„ Daar de finale bijzinnen, evenals de afhankelijke vragen (§ 524 vlg.), uit den 
aard der zaak steeds van het standpunt van het subject van den hoofdzin 
(niet van dat van den schrijver) uit gedacht zijn, den bewustzijnsinhoud van 
dat subject (niet van den schrijver) uitdrukken (m. a. w. steeds innerlijk 
afhankelijk zijn: vgl. § 535), kunnen zij dit subject alleen door het pronomen 
reflexivum opnemen (vgl. §477). Dus: Caesar castella constituit tie hostes suos 
(d. i. Caesar's troepen) circamvenire possent (Caes. Gall. II, 8) : was hier het 
consecutieve ut non gebruikt, dan zou suos op de troepen der vijanden slaan. 

§ 548a. 1) Eigenlijke finale bijzinnen kunnen bij willekeu- 
rige verba staan, om de bedoeling aan te geven. De conjuncties zijn: 
ut opdat, quo (eig. waardoor; met finalen coniunct. opdat daar- 
door; inzonderheid bij comparativi: opdat des te), ne opdat niet 
In den hoofdzin gebruikt men dikwijls een demonstrativum als eo, ideo, 
idcirco daarom enz. : 

Legum idcirco omnes servi sumus, ut liberi esse possimus. — 
Esse oportet ut vivas, non vivere, ut edas. ~ Munitionem ad f lumen 
perduxerat, quo liberius ac sine periculo milites aquarentur. — Pater 
M. Crassi, ne vide ret victorem vivus inimicum, sibi vitam exhausit. 

§549. 2) Als noodzakelijke aanvulling staan finale voorwerps- 
zinnen met ut dat (ontkennend ne dat niet) na verba die een streven 
naar iets, eene bedoeling om iets te bewerken, te kennen geven: 

a) Dergelijke werkwoorden zijn die, welke beteekenen: 

10 maken, bewerken dat; 

20 zorgen, streven, bereiken dat; 

30 wenschen, verzoeken, aansporen, overreden, dwingen 

dat of (om) te; 
40 opdragen, besluiten, toelaten, veroorloven dat of 

(om) te: 

adduce re bewegen, overhalen 

adhortari aansporen 

admonere aanmanen 

id agere in den zin hebben, zoe- flagitare eischen 

[ken te hortari aansporen 

assequi bereiken, erlangen impellere aandrijven, aanzetten 

capere consilium 't plan opvatten imperare opleggen, bevelen 

cavere zorgen dat niet, zich hoeden te impetraregedazn krijgen, bewerken 

committere opdragen incitare aanzetten 

concedere toestaan inducere animum 't van zich ver- 
consequi bereiken, erlangen [krijgen, zich voornemen 

contendere zijn best doen, dringend laborare zich inspannen 

curare zorgen [vragen mandare opdragen 

dare operam zich moeite geven monere vermanen, aanraden 

edlcere bevelen movere bewegen, overhalen 

efficere bewerken obsecrare bezweren 



elaborare ijverig streven 
enlti zich inspannen 
facere maken 



I 



§ 549. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



355 



op tare wenschen, verlangen 
orare verzoeken, bidden 
perficere bewerken 
permittere toestaan 
permovere bewegen, overhalen 
persuadere overhalen 
pet ere streven, verlangen 
postulare eischen, vorderen 



voorschrijven 



praecipere \ 

praescribere j 

precari bidden 

prospicere voorzorg nemen 

providere zorgen 

rogare vragen, verzoeken 

suadere aanraden 

videre toezien dat, zorgen: 

Senatus Cn. Pompeio commisit, ut viderel ne quid res publico 
detrimenti caper et. - Cura ut vir sis. - Danda opera est, ne 
qua amicorum discidia fiant. - Regem (Aegypti) ut in sua potestate 
haberet, Caesar effecit. - Qui stadium currit, eniti et conten- 
dere debet, ut vincat. - Te hortor, ut maneas in sententia. - 
Quae res hominem impellit, ut sit intemperans? - Imperat mul- 
tibus Caesar, ut naves faciant. - Dumnorix a-Sequanis impetrat, 
ut per fines suos Helvetlos ire patiantur. - (Caesar Allobroges) 
monuit, ut ex sua amlcitla omnia exspectarent. - (Lex XII tabu- 
larum) permittit, ut furem noctu liceat occldere. - Themistocles 
persuaslt populo , ut classls centum navium aedificaretur. - 
Oeometrae solent postulare, ut quaedam sibi concedantur. - 
Colonis consulentibus Pythia praecepit, ut Miltladem imperatorem 
sibi (vgl. § 478) sumerent. - Te rogo atque oro, ut eum tuves. 

Aanm. 1. Sommige dezer verba worden 00k met den inf. (ace. c. inf.) 
geconstrueerd. Vgl. daarover § 581 (00k § 577 en § 578). 

Aanm. 2. Ook het oude (meest parenthetisch gebezigde) quaeso (§329 
en § 277, A. 8) ik verzoek, bid, dat klassiek alleen in dezen vorm en in 
quaesumus gebruikelijk was, kan met ut en den coniunctivus verbonden 
worden: Quaeso a vobis, Asiatici testes, ut vosmet ipsi describatis 
Asiam. 

Ut kan ook achterwege blijven (§523, A. 3): Deos quaesumus consilia 
tua rei publicae salutaria si tit. 

Quae re re moet men echter zoo niet gebruiken. 

Aanm. 3. Iubere, velle, nolle en malle hebben in het klass. Latijn 
slechts zelden ut (§ 578, A. 2 en § 577, A. 1), poscere en studere'nooit 
(Caes. Gall. 7, 14, 2 : Omnibus modis huic rei studendum, ut . . . . prohi- 
beantur is ut explicatief bij huic rei, zooals anders bij id). 

Aanm. 4. Videre ne beteekent ook: toezien, overwegen, of niet 
videre ne non: of wel: Videte ne honestius sit illis ducibus errare 
quam hoc magistro erudiri. - Credere omnia vide, ne non sit necesse 
Vgl. § 649. 

b) Ook werkwoorden, die gewoonlijk den accus. cum inf. hebben, 
omdat zij den inhoud van eene gedachte of verklaring te kennen geven 
(vgl. § 581), kunnen ut krijgen, wanneer zij uitdrukken een wil of streven, 
dat iets geschiede: zoo kan bij verba, die beteekenen zeggen, melden 
enz. en daarom in den regel met den ace. c. inf. verbonden worden, een 

23* 



356 



SYNTAXIS. 



§ 550. 



finale zin met ut komen, wanneer gezegd of vermeld wordt, dat iets ge- 
schieden moet, gedaan moet worden: 

Dicam Ms, ut librum meum des crib ant ad teque mitt ant. - Nun- 
tiatum est Simonidi, at prodiret: iuvenes stare ad ianuam duo quosdatn 
qui eunt magnopere evocarent. 

§ 550. 1. Na de werkwoorden en uitdrukkingen , die beteekenen 
verhinderen Of weerhouden, afschrikken, zich verzetten, 
weigeren, als: impedire, tenere, deterrere, obsistere, obstare, 
recusare, repugnare, resistere, interdicere e. a. (verba im- 
pediendi),' laat het Latijn ne volgen, waar wij in den regel eene 
constructie zonder ontkenning gebruiken (dat of eenen infinitivus). 

2. In de plaats van ne kan bij deze verba ook quo minus 
(quominus) staan, wanneer men alleen wil te kennen geven, 
dat eene handeling niet tot stand komt, terwijl ne aanduidt, 
dat men er naar streeft, dat zij niet tot stand kome. 

3. Eindelijk kan bij deze werkwoorden voor q uo minus ook quln 
staan, in het klassieke Latijn echter alleen wanneer ook 
de hoofdzin eene ontkenning bevat. 

De grond van deze constructie is daarin gelegen, dat deze bijzinnen zich 
uit zelfstandige zinnen met een'ontkennenden coniunctivus voluntativus 
(prohibitivus) ontwikkeld hebben : Ne veniat! Interdico, Hij moet niet komen! 
Ik verbied het, werd : Ne veniat, interdico; Interdico ne veniat. Vgl. ook § 553, kl. L 

Omdat deze werkwoorden alle negatieve beteekenis hebben (bij v. impedio 
ik verhinder, dat = ik wil niet, dat), kunnen wij den afhankelijken zin 
zonder ontkenning aan den hoofdzin toevoegen. 

Heeft het werkwoord in 't Nederlandsch geen negatieve beteekenis, dan 
gebruiken wij ook de negatie in den afhankelijken zin: Stetisse per Trebo- 
nium, quominus oppido potirentur, videbatur: Het scheen aan Trebonius 
gelegen te hebben, dat zij zich niet van de stad hadden meester gemaakt 
(Caes. civ. 2, 13, 4) 

1. Atticus ne qua sibi statua poneretur, res tit it. - Pythagoricis 
interdictum putatur, ne faba vescerentur. 

2. Aetas non imp edit, quominus multarum rerum studia teneamus 
usque ad ultimum tempus senectutis. - Isocrati duae res, quo minus 
in foro dice ret, confidentia et vox, defuerunt. 

3. Oermani retineri non potuerant quin in nostros tela conicerent. 
Aanm. 1. Quominus is eig. waardoor minder (= niet: minus 

eene zwakkere ontkenning), met een coniunct. finalis dus: opdat daar- 
door minder (ut eo minus). Quia is ontstaan uit qui- (een oude abl. 
naast quo: § 173, A. 2) en -ne (de oude ontkenning: § 329, A. 2) en dus 
feitelijk hetzelfde als quominus: vgl. §§ 524a, 553, 652. 

Aanm. 2. Somtijds is het verbum, waarvan quo minus afhangt, niet 
opzettelijk uitgedrukt: 

Vitia in sermone, quominus is Minus sit, duo possunt esse: soloe- 
cismus et barbarismus. - Haec subsidia succurrebant, quominus omnis 
deleretur exercitus. 



§§ 551—552. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



357 



; 



Aanm. 3. Na impedire, recusare en deterrere vindt men somtijds 
den infinitivus (ace. c. inf.). Bij prohibere is deze constructie regel. 
Vgl. § 577- 

§ 551. Evenzoo staat na de werkwoorden en uitdrukkingen, die 
vrees en bezorgdheid te kennen geven, als: timere bang, bevreesd 
zijn, metuere duchten, beducht zijn, vereri vreezen, periculum est 
er bestaat gevaar, e. a., de coniunctivus met ne voor ons dat, ut 
of ne non voor ons dat niet: 

metuo ne veniat ik vrees, dat hij komt. 

metuo ut veniat of ne non veniat ik vrees, dat hij niet komt. 

Waarom de negatie in het Latijn staat, waar wij haar niet hebben, en omge- 
keerd, wordt ook bij deze constructie begrijpelijk, wanneer men slechts rekening 
houdt met den oorsprong van zulke bijzinnen uit onafhankelijke zinnen, die hier 
bijzonder duidelijk is: ne veniat was van huis uit een zelfstandige voluntativus: 
hij kome niet, moet niet komen; ne veniat! metuo dus: hij moet niet 
komen: (maar) ik vrees; allengs werden zulke zinnen tot eene syntaktische 
eenheid verbonden en traden zoo in de verhouding van hoofd- en bijzin : ne 
veniat, metuo; metuo, ne veniat. Op dezelfde wijze laat zich metuo, ut veniat 
verklaren (hij moet komen: maar ik vrees!). Het Latijn construeert dus naar 
de bedoeling, den wensch, die in deze werkwoorden ligt opgesloten, bij v.: 
ik vrees, dat hij te laat komt, dat hij den trein niet halen zal = 
mijne bedoeling, mijn wensch is: dat hij niet te laat kome, dat hij den 
trein wel hale. 

Timeo, ne mihi in carcere habitandum sit. - Metuit ne con- 
demnaretur extrema servi voce morientis. — Venit in periculum 
ne haec, quae ab ipso parata sunt, a mitt at. 

Metuit ut earn (tempestatem) ipse posset opibus suis sustinere. 

Caesar veritus ne Pompeius Italiam dimittendam non existi- 
maret, exitus Brundisini portus impedire instituit. - Timere non 
debeo, ne non Verres cruce dignus iudicetur. — An timebant ne 
tot unum superare non possent? 

Aanm. 1. Uit de laatste drie voorbeelden blijkt, dat ne non (niet ut) 
gebruikt wordt: 

10 wanneer de ontkenning slechts bij een woord behoort; 

20 wanneer het werkwoord van vreezen eene negatie bij zich heeft; 

3° in eene vraag met ontkennenden zin. 

Aanm. 2. Wanneer timere, metuere, vereri beteekenen: uit vrees 
aarzelen iets te doen, nemen zij den infinitivus: Caesar timebat 
tantae magnitudini fluminis (Hiberi) exercitum obicere. Zie §§ 634, 635. 

6. In consecutieve zinnen. 

§ 552. Consecutieve bijzinnen drukken het gevolg uit van de 
in den hoofdzin vervatte handeling of toestand. 
De modus is altijd de coniunctivus. 



358 



SYNTAX IS. 



§ 552a. 



Deze coniunctivus laat zich niet, zooals in finale zinnen, uit den aard van 
de consecutieve bijzinnen als zoodanig verklaren : waar het gevolg iets reeels, 
iets objectief-gegevens is, dat uit iets anders voortvloeit, zou men veeleer den 
indicativus verwachten, die dan ook bijv. door het Grieksch in consecutieve 
zinnen (naast den infinitivus) gebruikt wordt. Het onderscheid van deze bijzinnen 
met de finale blijkt het duidelijkst, wanneer men beide uit het hypotaktische 
zinsverband losmaakt, zoodat ze zelfstandige zinnen vormen : terwijl bijv. in 
een zin als Te hortor, ut maneas in sententia neve cuiasquam vim aut minas 
pertimescas, wanneer men de woorden Te hortor, ut weglaat, of Hortor te als 
zelfstandigen zin achteraan plaatst, de modus onveranderd blijft, brengt in een zin 
als: In naturis hominum dissimilitudines sunt, ut alios dulcia, alios subamara 
delectent, de opheffing van de hypotaxis tevens de vervanging van den con- 
iunctivus door den indicativus mee: In naturis hominum dissimilitudines sunt: 
alios dulcia, alios subamara delect ant. Men kan dan ook in zulke zinnen 
de verhouding van hoofd- en bijzin omkeeren, door ze causaal te maken: 
Hij stierf te vroeg, zoodat hij zijn plan niet kon volvoeren beteekent 
precies hetzelfde als: Hij kon zijn plan niet volvoeren, omdat hij te vroeg 
stierf; het gevolg is een omgekeerde grond. De coniunctivus bij ut consecu- 
tivum schijnt van bepaalde gevallen uit, waar hij ook zelfstandig zou hebben 
gestaan (vgl. bijv. Cic. Tusc. 3, 71: Quis est tarn demens, ut sua voluntate 
maereat, waar de coniunctivus wellicht uit den deliberativus in eene veront- 
waardigde vraag (§ 521) kan worden afgeleid : Zou iemand zoo maar bedroefd 
zijn? Is zulk eene dwaasheid denkbaar?), algemeen te zijn geworden onder 
invloed van ut finale; men bedenke hierbij, dat de overgang van een 
bedoeld gevolg tot gevolg zonder meer niet groot is (vgl. § 552a, A. 1). 

Dat ook de Romein de werkelijkheid van het gevolg voelde, blijkt daaruit, 
dat hij als ontkenning in deze zinnen non gebruikte. 

De conjuncties zijn: ut zoodat, dat; ontkennend: ut non zoodat 
niet, dat niet: 

Fuit Iphicrates imperatoria forma, ut ipso aspectu cuivis iniceret 
admirationetn sui. — Multis gravibusque vulneribus confectus erat, ut 
iam se sustinere non posset. 

§ 552a. Als noodzakelijke aanvulling staat in het bijzonder 
een consecutieve bijzin: 

1° na tantus, talis, tot, hie, is, eiusmodi, sic, ita, tarn, 
iantopere, eo, adeo, ea condicione en dergelijke als correla- 
tiva (§ 179), die veelal een zekeren graad uitdrukken, waardoor 
het gevolg bepaaid wordt: 

tantus . . . ut: zoo groot . . ., dat . . .: 

Tanta tempestas subito coorta est, ut nulla navis cursum tenere 
posset. - Hannibal petens Etruriam adeo gravi morbo afficitur 
oculorum, ut postea nunquam dextro aeque bene us us sit. 

2° zoo ook na een comparatief met quam: maior quam ut . . te groot 
dan dat: zie § 471, A. 1. 

3° als onderwerpszin na enkele onpersoonlijke uitdruk- 
kingen, wier verbaalbegrip op zich zelf reeds het gevolg bepaalt. 






.§ 552a. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



359 



Zulke impersonalia zijn: 

1 ) die welke een gebeuren aangeven : 

fit \ 

, >, ut 
est ) ' 

fieri non potest, ut 

accidit, ut \ 

contingit, ut f 

mos (consuetude) est, ut 

lex est, ut 

locus est, ut 



't gebeurt wel 

het is (on)mogelijk, dat 



f 't gebeurt (bij toeval), dat 
\ het treft zoo, dat 

't is de gewoonte, dat 

't is eene wet, dat 

't is de plaats, om te, enz.: 



Fieri potest, ut recte quis sentiat, at id quod sentit, polite 
eloqui non possit. — Accidit, ut una node omnes Hermae, qui in 
oppido erant Athenis, deicerentur. — Quando fuit, ut quod licet 
non liceret? - Divitiacus Aeduus (dixit) futurum esse paucis 
annis, uti omnes (Galli) ex Oalliae finibus pellerentur atque omnes 
Germani Rhenum transirent. — Mos est Syracusis, ut, si qua de 
re ad senatum refertur, dicat sententiam qui velit; nominatim nemo 
rogatur. — Hie locus est, ut de moribus maiorum loquamur. 

2) sequitur (efficitur), ut (daaruit) volgt, dat 

relinquitur, restat, reliquum est, ut er blijft over, dat 
nihil relinquitur nisi ut er blijft geene andere moge- 

lijkheid over dan om 
accedit, .ut (vgl. § 640, 3) daar komt bij, dat, enz.: 

Relinquebatur, ut ex Gallia naves essent exspectandae. — 
Relinquitur, ut ab hoc non sit occisus. - Accedit, ut eo facilius 
■animus evadat ex hoc aere, quod nihil est animo velocius. 

Aanm. 1. Ook na facere maken en efficere bewerken en andere 
begrippen van bewerken en bereiken kan een consecutieve zin volgen, 
wanneer nl. niet aan eene bedoeling (§ 549), maar eenvoudig aan een 
gevolg der handeling gedacht wordt: de negatie is dan ut non. Wanneer 
het gevolg echter als eene bedoeling wordt voorgesteld, dan is de 
negatie ne of ut ne: 

In Timaeo Platonis rerum obscuritas, non verborum facit, ut non 
intellegatur oratio. — Ut non credam, facere non possum. — maar: 
Unas adhuc fuit post Romam conditam — di immortales faxint (§ 242) 
ne sit alter! — cui res publica se totam traderet, L. Sulla. — Quae res 
efficit, ne necesse sit iisdem de rebus semper quasi dictata decantare. 

(Omgekeerd vindt men bijv. bij reliquum est ne, wanneer de voorwerps- 
zin als doel wordt voorgesteld: Reliquum est, ne quid temere dicam.) 

Gemakshalve vatten we hier de verschillende constructies van facere 
en fieri samen : 

facio ut ik maak, dat: di faxint olfaciantut mogen degoden geven, dat; 
fit ut 't gebeurt, dat: eo fit ut daardoor komt het, dat; 
facio ne, ut ne of ut non ik maak, dat niet; 



360 



SYNTAXIS. 



§ 553. 



facere non possum, quin (§ 553) of ut non ik kan niet nalaten, 

te; ik moet wel; 
fac ut of fac met den coniunctivus alleen: zie § 567, A. 2; 
fac tie: zie § 568; 

facio met accus. cum infinit. : ik stel, neem aan, dat . . .: zie § 581; 
facio alqm loqaentem: § 601; 
facio, fio, quod: zie § 640, 2. 

Aanm, 2. Over efficitur, sequitur e. d. met den ace. c. inf. vgl. § 579. 

Aanm. 3. Eene bijzondere bespreking vereischt de uitdrukking longe 
(of multuiri) abest, ut . . . het is er ver vandaan, dat, bijv. : Longe 
abest, ut argumentis credat philosophorum. Komt bij dergelijke zinnen 
tantum (d. i. tarn multum) in de plaats van longe of multum, dan heeft 
dit een tweede ut ten gevolge : tantum abest ut ... ut ..., in welke 
uitdrukking abest alleen onpersoonlijk voorkomt: Tantum abest ut 
scribi contra nos nolimus, ut etiam maxime op tern as. 

Cicero laat dikwijls het tweede ut weg, zoodat de tweede zin zelfstandig 
optreedt, evenals bij ons in de constructie: wel verre van . . . veeleer, 
of: in plaats van . . . veeleer; niet alleen . . . niet . . ., maar: 
Tantum abfuit, ut inflammares nostras animos: somnum vix tene- 
bamus: Wel verre dat gij ons gemoed in geestdrift deedt ontvlammen,. 
konden wij nauwelijks den slaap uit de oogen houden (Brut. 278). 

Non multum abest, quin valt onder § 553. 

§ 553. Na negatieve hoofdzinnen en na vragen met nega- 
tieven zin, die als noodzakelijke aanvulling een consecutieven bijzin 
hebben, kan met dezelfde beteekenis als ut non ook quin (§ 550) 
met den coniunctivus staan. Wij geven quin op verschillende manie- 
ren weer, dikwijls door of. 

Zoo staat quin: 

1° na uitdrukkingen , die beteekenen: het is onmogelijk, het 
scheelt niet veel, e. d.: 



( het kan niet gebeuren, dat niet 



fieri non potest, quin 

... , . i het kan met anders, of ik . . 

(never: ut non) ., , , 

v ' ( ik moet wel . . 

non multum abest, quin . . het scheelt niet veel, of . . 

facere non possum, quin . . ik kan niet nalaten, te . . 

nihil praetermitto, quin . . ik verzuim geen gelegenheid, te . .; 

20 a. na negatieve hoofdzinnen met tarn, die een graad bevatten: 

non (numquam, nemo, nihil, enz.) . . tarn (of adeo) . . quin (of utnon) . .: 
niet zoo . ., of . .; 

b. dan ook na negatieve hoofdzinnen zonder tarn, alleen met non t 
numquam, nusquam, nullus, nemo e. a., waarbij quin = i n dier voege 
(op die wijze), dat niet beteekent en door ons veelal met zonder 
dat, zonder te weergegeven wordt. Ut non kan men in deze zinnen 
niet gebruiken: 



§ 553. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



361 



, 



1°. Fieri nulla modo poterat, quin Cleomeni parceretur. — 
Non multum afuit, quin etiam milites castris expellerentur. — 
Facere non possum, quin cotidie ad te mittam litteras. — Nihil 
praetermisi, quin Pompeium a Caesaris coniunctione avocarem. 

20. a. Nunquam tarn male est Siculis, quin aliquid facete et 
commode dicant. - Nemo erat adeo tardus aut fugiens laboris, 
quin statim castris exeundum putaret. 

b. Neque enim est fere quicquam quod homines palam facere 
audeant, quin eius facti aliqua ratione ratio nem adferre so leant. — 
Syracusis haec natura esse caeli dicitur ut nullus unquam dies fuerit, 
quin aliquo tempore solem homines viderint. — Non potestis hoc 
f acinus improbum iudicare, quin simul iudicetis omnibus esse 
pereundum. - Numquam illos aspicio, quin huius meritum in me 
recorder. - Quid potest dicere, quin se hostem confessus sit? 

Om deze constructies te begrijpen moet men weer uitgaan van de afleiding 
van quin: daar dit uit den ouden abl. qui + de ontkenning -ne ontstaan is 
(§ 550, A. 1) en dus oorspr. waardoor, waarom niet beteekent, zijn de 
bijzinnen met quin, gelijk reeds in § 524a betoogd werd, van huis uit afhan- 
kelijk geworden vragende zinnen (met dubitatieven coniunctivus), die allengs 
in zinnen met een voegwoord zijn overgegaan. Het duidelijkst merkbaar is deze 
oorsprong in zinnen met non dubito, quin e. d. (§ 524a). Ook finale bijzinnen 
met quin na verba impediendi (§ 550) kunnen alleen zoo verklaard worden. 
Op deze wijze is nu quin ook in zinnen als : Fieri non potest, quin te laudem 
gekomen: Quin te laudem? Fieri non potest: Hoe (Waarom) zou ik u niet 
prijzen? Het is onmogelijk (dat niet te doen). 

Zakelijk echter staat hier quin op eene lijn met het consecutieve ut non, 
en dit nu heeft ten gevolge gehad, dat quin voor ut non ook daar 
gebruikt werd, waar het oorspronkelijk niet thuis hoorde: vgl. bijv. 
Lucr. 2, 1026: Neque tarn facilis res ulla est, quin ea primum difficilis magis 
ad credendum constet; ontbreekt in zulk een zin het pronomen, dan heeft men 
het bekende type van 2° a: Nemo est tarn fortis, quin rei novitate perturbetur 
(Caes. Gall. 6, 39). Van hier uit kwam dan quin ook na hoofdzinnen die geen 
graad uitdrukken : Ut ne se quidem servare potuerit, quin (zonder dat hij . .) 
una rem publicam vosque servaret (Cic. Mil. 30). — 

Ofschoon men in plaats van Nemo est tarn fortis, quin . . perturbetur ook 
zeggen kon: Nemo est tarn fortis, qui non . . perturbetur, schijnt quin hier 
toch als conjunctie gevoeld te zijn. Daarentegen komt in zinnen als: Ecquis 
fuit, quin lacrimaret? — Nemo est quin intellegat . ., quin geheel . 
met een werkelijk pronomen relativum overeen (§ 529,2°). Het is mogelijk, 
dat quin hier gebruikt is naar analogie van quin in zinnen met tarn; aanne- 
melijker echter schijnt, dat het in zulke gevallen niet op den adverbialen 
abl. qui, maar op den nominativus masc. qui berust; de Romeinen 
schijnen het althans zoo opgevat te hebben, daar zij in deze zinnen quin 
alleen bezigen, wanneer men het door den nominativus met non 
kan vervangen (§ 529, 2°). 

Aanm. 1. De hiervoor gegeven verklaring van den coniunctivus na 
fieri non potest quin e. d. gaat niet meer op voor zinnen als : Neque tarn 
facilis res ulla est, quin . .; nihil praetermisi quin . .: hier is de con- 



362 



SYNTAXIS. 



§§ 554—556. 



iunctivus door eene soort analogiewerking doorgedrongen van die gevallen 
uit, waar hij ook in den onafhankelijken zin moest staan. Hetzelfde geldt 
voor zinnen als Nemo est, quin sciat, die als consecutieve zinnen behan- 
deld werden. 

Aanm. 2. Indien: 

1° de ontkenning in den afh. zin sterk moet uitkomen; 

20 of de ontkenning slechts bij een woord behoort; 

3° of de afh. zin in de plaats van een adiectivum staat, zoodat 
hij geen gevolg uitdrukt, 
vermijdt men quin : men bezigt dan at non (of ook qui non ; alleen dif 
laatste altijd in bijzinnen na nemo est e. d., waar ut non niet gebruikt 
kan worden : dus nooit : Nemo est, ut non videat) : 

Non possunt una in civitate multi rem ac fortunas amittere, ut non 
plures secum in eandem trahant calamitatem. - Dicere soletis nihil esse, 
quod deus efficere non possit. 

§ 554. Over non dubito, quin e. d. vgl. § 524a. 
7. Intemporale zinnen. 

§ 555. Temporale bijzinnen geven eene tijdsbepaling aan. Zij 
staan in den regel in den indicativus. 

a) De indicativus is in deze zinnen, evenals in onze taal, regel, wijl gewoonlijk 
slechts een feit vermeld wordt om den tijd van een ander feit te bepalen. Beide 
feiten staan onafhankelijk van elkander, slechts door de temporale coniunctio 
verbonden. Zeg ik bijv. : Turn, cum Sicilia florebat opibus et copiis, magna 
artiflcia erant in insula, dan kan hetzelfde uitgedrukt worden door de twee 
volgende zinnen: Sicilia florebat opibus et copiis. Eo tempore magna artificia 
erant in insula. - Zoo zou men voor: Postquam divitiae honori esse coepere, 
hebescere virtus coepit, ook kunnen zeggen: Divitiae honori esse coepere. Delude 
hebescere virtus coepit (vgl. § 522). Men gebruikt dus denzelfden zin met en 
zonder coniunctio; niets verandert er door de verbinding der zinnen. 

Uitsluitend op deze wijze (zuiver temporaal dus) gebruikt men de con- 
juncties postquam, posteaquam, ubi, ut (primum), sirnul (ac), 
ook quatndiu en quando, die daarom steeds met den indicativus 
verbonden worden (over de tijden vgl. §§ 653 en 654). 

Men kan aldus (zuiver temporaal) gebruiken de conjuncties dum ter- 
wijl, zoolang als, tot, en quoad zoolang als, tot, antequam en 
priusquam voor (dat), en cum (§ 559), die in dit geval met den indi- 
cativus verbonden worden (antequam en priusquam echter ook met den 
coniunctivus: zie § 558, Aanm.): Quoad potutt, forttssime restlttt. - 
Antequam pro Murena dicere Instituo, pro me ipso pauca dicam. 

Aanm.. Ook na donee, dat bij Cicero slechts viermaal voorkomt (altijd 
met den indicat, en in de beteekenis totdat), bij Caesar en Sallustius 
in het geheel niet, staat in den regel de indicativus: vgl. § 557, Aanm., 
§ 655. 

§ 556. b) Wanneer daarentegen eene meening, een inzicht, eene bedoe- 
ling, kortom eene subjectieve opvatting van den spreker het verband 



§§ 557-558. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



363 



der zinnen bepaalt en hij dit uit wil drukken, zoodat de bijzin niet meer 
enkel temporaal is, staat de coniunctivus. De tijdbepalende zin wordt in 
dit geval ondergeschikt gemaakt aan den hoofdzin: het tempus van den 
bijzin wordt dan niet meer bepaald alsof deze zin zelfstandig stond, maar 
afhankelijk van den hoofdzin, zooals uit de volgende paragrafen blijkt. 
Men kan aldus gebruiken de conjuncties dum, quoad = totdat; ante- 
quam, priusquam, benevens cum (§ 560). 



§ 557. Bij dum en quoad in de beteekenis totdat staat de 
coniunctivus, wanneer er eene bedoeling of verwachting in 
den zin ligt, en de handeling van den temporalen zin dus nog niet 
als een feit beschouwd wordt: 

Exspectemus dum rogemur. - Cato in ipsa curia solebat legere 
saepe, dam senatas cogeretar. - Caesar quoad manita hiberna 
cognovisset in Gallia morari constituit. 

Men ziet hoe hier de tijdbepalende zin geheel afhangt van den hoofdzin, 
daarmede als het ware eene eenheid vormt, niet maar eenvoudig er naast staat 
zooals in de zinnen van § 555; de bepaling van den tijd is afhankelijk van 
den wil van het subject van den hoofdzin, en dit komt in den modus tot 
uitdrukking: de coniunctivus is dus eenigszins finaal: totdat = opdat van 
te voren (eerst). Zegt 'men daarentegen: Neque finem sequendl fecerunt, 
quoad equltes praeclpltes hostls egerunt (Caes. Gall. 5, 17, 3), dan geeft de 
bijzin alleen het tijdstip aan, tot hetwelk de hoofdhandeling voortduurt, 
zonder dat daarbij tevens wordt uitgedrukt, dat dit tijdstip door 
het subject van den hoofdzin gewild en bepaald is: de nadruk valt 
op het nieuwe feit, dat de bijzin aan het feit van den hoofdzin toevoegt: 
deze feiten staan als zoodanig gelijk: men zou ze ook door twee gecoordi- 
neerde zinnen in den indicativus kunnen uitdrukken (De ruiterij dreef de 
vijanden .... Toen eerst eindigden zij ....), of zelfs de verhouding 
van hoofd- en bijzin omkeeren (Toen zij ... . eindigden, had ....). Bij 
de zinnen in de paragraaf is hiervan geen sprake. 

Aanm.. In de beteekenis zoolang als worden dum en quoad alleen 
zuiver temporaal gebruikt en staan Mass, daarom altijd metden indicat.. 
Het zelfde geldt van donee, dat echter in deze beteekenis niet klassiek is. 

Over dum = dummodo wanneer maar, vgl. § 543. 

§ 558. Evenzoo staat bij antequam en priusquam voor- 
dat de coniunctivus, wanneer de handeling van den temporalen zin 
niet als een feit wordt aangegeven, maar alleen als in de b e d o e 1 i n g 
of voorstelling van het subject in den hoofdzin liggende: ook 
hier is de temporale zin dan veelal tevens min of meer finaal (voor- 
dat = opdat niet. van te voren): 

Antequam verbum facerem, de sella surrexit atque abiit. - 
Priusquam se hostes ex terrore ac fuga reciperent, in fines Sues- 
sionum exercitum dux it. 

Zoo ook waar prius en quam gescheiden zijn: eerder . . . dan, 



364 



SYNTAXIS. 



§ 559. 



met name wanneer te kennen gegeven wordt, dat iets in geen geval 
aangaat (dus prius .... quam = potius .... quam) : 

Prius omnia, quam aat cum Antonils res publica aut cum re 
publica Antonil redeant in. gratiam. 

Aanm.. Antequam en priusquam worden ook bij zuiver tempo- 
raie beteekenis dikwijls met den coniunctivus verbonden. De handeling 
van den bijzin wordt dan als enkel voorgesteld aan gegeven : Equites 
prius in hostium castris constiterunt, quam ab his, quid rei gereretur, 
cognosci posset. 

Niet zelden echter schijnt de keuze van den modus vrijwel alleen van 
stilistische overwegingen af te hangen : vgl. bijv. : Neque prius hostes 
fugere destiterunt, quam ad f lumen Rfienum pervenerunt (Caes. Gall. 
1, 53), met: Nee prius finem fugae fecerunt, quam se in castra suorum 
reciperent (Gall. 8, 13). 

la. In zinnen met cum. 

§ 559. Bijzinnen van tijd zijn eigenlijk ook alle zinnen met 
cum (ouder quom: § 321, Aanm.). Daar echter het gebruik van deze 
zeer veel voorkomende temporale conjunctie in het klassieke Latijn zich 
in verschillende richtingen heeft ontwikkeld, verdient het aanbeveling, 
de zinnen met cum afzonderlijk te behandelen. 

Cum (uit *com, en dit uit *quo-m: §321, Aanm.) is een oude ace. sing, neutr. 
(of masc.) van den stam van het pron. relat. (en interrog. : relativum en inter- 
rogativum zijn oorspr. een : de relatieve functie heeft zich uit de interrogatieve 
ontwikkeld) quo- (§ 173, A. 1), die als adverbium van tijd gebruikt werd, correlatief 
met turn (uit "to-m: vgl. quam-tam) e. d. : quom-, turn wanneer : . . . dan 
(misschien oorspr.: Wanneer . . . .? Dan ....), toen .... toen; zoo ook: 
eo tempore quom, nunc quom enz.. Als relatieve zinnen hebben de zinnen met 
cum als zoodanig oorspr. den indicativus, en deze is in het oude Latijn nog 
regel, niet slechts na het verhalende cum, maar ook na cum adversativum 
en na cum causale, dat in het oude Latijn algemeen zoo met den indie, ge- 
bruikt wordt in plaats van het latere quod: Quom tu es liber gaudeo (Plaut. 
Epid. 711). 

Toen echter in andere relatieve zinnen de coniunctivus was doorgedrongen, 
kwam de coniunctivus onder invloed van deze zinnen in analoge gevallen 
ook na cum in gebruik. Men kan dan ook de gevallen waarin de con- 
iunctivus staat bij cum, vergelijken met die, waarin een relatieve zin 
den coniunctivus heeft (§§ 525-533). 

De coniunctivus is in het klassieke Latijn regel bij cum causale en cum 
concessivum (adversativum), terwijl de eigenlijke temporale zinnen met 
cum weifelen tusschen den indicativus (cum temporale) en den coniunc- 
tivus (cum historicum); in het laatste geval is de keuze tusschen beide niet 
zelden bijna geheel van stilistische overwegingen afhankelijk, en laat zich een 
innerlijk onderscheid niet aanwijzen (zie § 560, 1, A. 1). In het algemeen 
echter drukt de coniunctivus bij cum een nauwer verband tusschen 
hoofd- en bijzin uit. 



§ 559. 






VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 

a) met den Indicativus. 



365 



In het klassieke Latijn staat bij cum de indicativus, wanneer 
het is: 

1° cum temporale : wanneer, toen, als 

20 cum iterativum : zoo dikwijls als, (steeds) wanneer 

3° cum explicativum: daardoor dat: 

1°. a) Cum temporale noemt enkel den tijd, waarop de 
handeling van den hoofdzin plaats vindt (vond, zal vinden enz.), geeft 
als het ware den datum daarvan aan; in den hoofdzin staat dikwijls 
eene correlatieve bepaling, als: nunc, turn, tunc, tempus, dies, nox enz.: 

Patimur et silemus, cum videmus ad paucos omnis omnium natio- 
num pecunias pervenire. - An tu eras consul, cum in Palatio mea 
domus ardebat? — Ita fere of/icia reperientur, cum quaeretur quid 
deceat. - Expert us es istius perfidiam turn, cum ipse se ad inimicos 
tuos contulit. - Turn, cum in Asia res magnas permulti amise- 
rant, Rpmae fides concidit. Nemo me vestrum, cum hinc exces- 
sero, consequetur. 

b) Cum inversum. Dikwijls staat cum in den zin die grammatisch 
niet, maar logisch wel den hoofdzin vormt. De zin die voorop gaat, beschrijft 
gewoonlijk de tijdruimte, waarin de door den zin met cum aangegeven ge- 
beurtenis valt. In plaats van in den tijdbepalenden zin, staat cum in 
den hoofdzin: men noemt het daarom cum inversum (verplaatst cum). 

Op cum volgt de indicativus van het perfect, of het praes. hist., 
terwijl de hoofdzin den indicativus imperf. of plusquamperf. heeft. 

In den hoofdzin staat in den regel een der particulae iam, vix enz., in den 
zin met cum dikwijls subito, repente, enz. : 

Iam (Galli) hoc facere noctu apparabant, cum matres f am iliae repente in 
publicum, procurrerunt. - Sestius fretus sanctitate tribunatus venit in tem- 
plum Castoris, cum subito manus ilia Clodiana invadit. (De gewone con- 
structie van deze zinnen zou zijn : Cum Galli appararent, matres procurrerunt. — 
Cum Sestius veniret, subito manus invadit: zie § 560, 1.) 

20. Cum iterativum wordt gebruikt wanneer eene her haalde 
handeling moet worden uitgedrukt in den hoofdzin en in den tijd- 
bepalenden zin: 

Ager, cum multos annos quievit, uberiores efferre fructus solet. - 
(Verres) cum ver esse coeperat, dabat se laboribus atque itineribus. 
Cum autem rosam vide rat, turn incipere ver arbitrabatur. 

30. Cum explicativum wordt gebruikt, wanneer de handeling 
van den hoofdzin, wat de zaak betreft, samenvalt met de han- 
deling van den tijdbepalenden zin (coi'neidente zinnen: 
vgl. § 561, 1), zoodat de laatste den eersten verklaart: 

Quae cum taces, nulla esse concedis. - Cum Collatino collegae 
Brutus imperium abrogabat, poterat videri facere iniuste. - Cum 
(oraculum Apollinis) „nosce te" dicit, hoc dicit: nosce animum tuum. 



366 



SYNTAXIS. 

fi) met den Coniunctivus. 



§ 560. 



§ 560. De coniunctivus staat in het klassieke Latijn bij 
cum, wanneer het is: 

1° cam. historicum : 
20 cam causale : 

3° cum concessivum: 



toen, terwijl 

d a a r, d e w ij 1 

wanneer ook, ofschoon: 



10. 



Cum historicum wordt alleen gebruikt in het imper- 
fectum en het plusquamperfectum: men bezigt het, wanneer 
niet enkel de tijd, waarop de gebeurtenis plaats vond, opge- 
geven wordt, maar wanneer men beschrijtt hoe de zaken stonden 
in den tijd, waarin (imperf.) of waarna (plusquamperf.) de 
hoofdhandeling valt, m. a. w. de bijzondere omstandigheden 
(de situatie) wil aangeven, waarmede zij verband houdt: 

Alexander, cum interemisset Clitum, familiarem suum, vix a se 
manus abstinuit. — C. Marius, cum secaretur, vetuit se alligari. — 
Zenonem Epicureum, cum Athenis essem, audiebam frequenter. — 
Antigonus, cum adversus Seleucum Lysimachumque dimicaret, in 
proelio occisus est. 

Dat alleen de coniunctivus van het imperf. en plusqf. gebruikt wordt, 
is het gevolg van den relatieven aard dier tijden (§ 497), waardoor ze eene 
nauwe betrekking tot en afhankelijkheid van den hoofdzin kunnen te 
kennen geven. Waar die afhankelijkheid niet bestaat, maar deze tijden op zich 
zelf, overeenkomstig hunne absolute beteekenis, gebruikt worden, vindt men 
den indicativus (cam temporale, ook in 't imperf. en plusqpf.). 

Aanm. 1. Het ligt in den aard der zaak, dat men dikwijls zoowel cum 
historicum als cum temporale kan gebruiken: in dit geval geeft de 
klassieke literatuurtaal de voorkeur aan het eerste, dat bij de doorloo- 
pende vertelling van gebeurtenissen in het verledene de gewone conjunctie 
is. Van een wezenlijk onderscheid in beteekenis tusschen den coniunct. en 
den indicat. is dikwijls nauwlijks sprake. Vgl. bijv. Caes. Gall. 6, 24 : 
Fuit antea tempus, cum Qermanos Galli virtute superarent, met Cic. 
inv. 1, 2: Fuit quoddam tempus, cum in agris homines passim bestiarum 
modo vagabantur. 

Bij cum primum heeft de indicat. zich ook in het klass. Latijn 
weten te handhaven: vgl. § 653. 

Aanm. 2. Cum historicum met den coniunct. imperf. wordt ook 
gebruikt tot aanduiding van de begeleidende omstandigheden, die wij 
door een bijzin met terwijl aangeven; dergelijke zinnen met cum zijn 
ongeveer gelijk aan ablat. absoluti (§ 602 vlgg.) : 

Septimo die, cum iter non intermitterent, certior /actus est Ariovisti 
capias a nostris non longe abesse (gewoonlijk echter zegt Caesar: itinere 
non intermisso). — Cum templurn Vestae arderet, L. Metellus in 
medios se iniecit ignis et eripuit flamma Palladium (= ardente temp la 
Vestae). 



§ 561. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



367 



20. Cum causale (§ 535) wordt gebruikt in alle tijden, wan- 
neer men eenen grond of oorzaak wil aanduiden (vgl. § 525): 

Cum solitudo et vita sine amicis insidiarum et metus plena sit, 
ratio ipsa monet amicltias comparare. - Cum Athenas tanquam ad 
mercaturam bonarum artium sis profectus, mi Cicero, inanem redire 
turplssimum est. 

Cum zelf drukt oorsprOnkelijk geen grond uit, maar alleen den tijd; de 
grond is dan ook niet objectief voorhanden, maar wordt door het subject er 
bij gedacht. 

Men merke op, hoe ook in onze taal eene tijdsbepaling gemakkelijk eene 
bepaling van grond wordt, bijv.: Wanneer (of: Nu) ge er eenmaal zijt, 
moet ge er blijven = Omdat (of: Daar) ge er eenmaal zijt, enz.. - 
Ook ons wijl, dewijl, nu alleen causaal, is oorspronkelijk temporaal: vgl. 
terwijl, eene wijle. Zoo gaat het plaatselijke daar over in het causale daar. 

Aanm. 3. Causaal is cum ook in zinnen als de volgende: Meam 
potentiam criminabatur, cum diceret senatum non quod sentiret, sed 
quod ego vellem decemere. -Cum neget esse quicquam sempiternum, 
nonne deum omnino tollit? - Voluptatem cum summum bonum diceret, 
parum vidit. 

3°. Cum concessivum of adversativum (vgl. § 544) wordt. 
gebruikt in alle tijden, wanneer de temporale zin iets toes tern t,. 
de hoofdzin eene tegenstelling daartegenover bevat (vgl. § 526): 

Socrates cum facile posset educi e custodia, nolu.it - Cum omnia 
gymnasia philosophi teneant, tamen eorum auditores discum audire 
quam philosophum malunt 

Hier geldt hetzelfde als bij cum causale werd opgemerkt: het adversatieve 
gebruik heeft zich uit het temporale ontwikkeld. Bij ons terwijl kan men 
weer een zelfde verschijnsel waarnemen : in een zin als: Hij is op s.traat, 
terwijl hij thuis zijn moest, voelt men nog duidelijk de temporale betee- 
kenis der conjunctie (in de wijle, dat); zeg ik echter: Hij ging uit, terwijl 
hij heel goed wist, dat hij thuis moest blijven, dan is terwijl vrijwel 
synoniem geworden met ofschoon. 



c. Aanhangsel: de tijden van den coniunctivus in afh. zinnen 
(consecutio temporum). 

§ 561. 1. Onder consecutio temporum (opeenvolging der 
tijden) verstaat men in het algemeen de wijze, waarop de tijden 
in bijzinnen afhankelijk zijn van de tijden in de hoofd- 
zinnen. 

Wanneer in den hoofdzin en den afhankelijken zin het subject het- 
zelfde is en ook de beide praedicaten, 'tzij geheel, 'tzij wat den inhoud 



368 



SYNTAXIS. 



§ 562. 



betreft, samenvallen (zoogen. coi'ncidente zinnen: zie § 559,3), 
dan moet in den regel in zulke zinnen hetzelfde tempus 
gebruikt worden: 

Quidquid habuit, habuit ex disciplina. - Fecisti mihi pergratam, 
quod Serapionis libram ad me misisti. - Nee enitn Herculi nocere 
Deianira voluit, cum ei tunicam dedit. - Quamdiu vixit, vixit 
in luctu. - Qui Antonium oppresserit, is bellum confecerit. 

Aanm.. Ofschoon de volgende zinnen en soortgelijke niet volkomen 
coincident zijn, is het toch natuurlijk, dat zij in beide deelen dezelfde 
tijden hebben: Quoad potuit, fortissime restitit. - Quae voluisti, 
abstulisti. - Quae voluerat, dixerat. - Philosophiae praecepta ne 
obsolescerent, renovabam cum licebat, legendo. - Hoc feci, dum Licuit; 
intermisi quoad non licuit. 

2. In engeren zin echler - en dit is het gewone gebruik van 
dezen term - verstaat men onder consecutio temporum de wijze, 
waarop de tijden van den coniunctivus in afhankelijke 
zinnen bepaald worden door de tijden der zinnen waar- 
van zij afhangen. 

De leer van de consecutio temporum geldt in hare volledige ontwikkeling 
alleen voor het zuivere, klassieke Latijn. In vroegeren en in lateren tijd werd 
het verband tusschen afhankelijke zinnen en hoofdzinnen niet zoo streng opgevat 
en uitgedrukt. 

't Komt ei- vooral op aan goed in het oog te houden wat de grond is 
dezer leer. 

De betrekkelijke eenheid van gedachte in den hoofdzin en in 
den afhankelijken zin vindt hare uitdrukking in 't gebruik van 
gelijksoortige tijden (zie § 522). 

Die eenheid is echter niet in alle verband even sterk: 't sterkst is zij, wan- 
neer de afhankelijke zin de gedachte, de bedoeling, den wil en wensch 
van 't onderwerp in den hoofdzin bevat, m. a. w. innerlijk afhan- 
kelijk is (vgl. § 377). Ten deele hebben wij die consecutio temporum ook in 
onze taal (zie § 524). 

In tijd- en plaatsbepalende zinnen is de eenheid minder sterk en daarom 
de consecutio temporum minder streng; zoo ook in consecutieve 
zinnen (§ 566). 

§ 562. De tijden van een afhankelijken zin in den con- 
iunctivus moeten zoo met de tijden in den hoofdzin over- 
eenstemmen, dat op een hoofdtijd een hoofdtijd, op een 
historischen tijd een historische tijd volgt (vgl. § 182 Aanm.). 

Dus volgt: 

1. op een praesens (a), perfectum praesens {b) (§ 504 A.), 
futurum (c) en futurum exactum (d) in den hoofdzin, als tijd 
van den coniunctivus in den afhankelijken zin: 






§ 562. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



369 






a) bij eene gelijktijdigehandeling: het praesens 
/?) bij eene voorafgaande „ : het perfectum 
y) bij eene toekomstige » 

Onafhankelijk: 



het praes. d. con iug. peri phr. : 
Afhankelijk: 



( a) agis? 
Quid < /J) egisti? 
{ y) ages? 



iagas a) 
quid ' egeris /?) 

[acturus sis y); 



a) Scio 

b) cognovi 

c) sciam 

d) cognovero 

2. op een imperfectum (a), perfectum historicum (b) (§ 503) 
en plusquamperfectum (c) in den hoofdzin, als tijd van den 
coniunctivus in den afhankelijken zin: 

a) bij eene gelijktijdigehandeling: hetimperfectum 

/?) bij eene voorafgaande „ : het plusquamperfectum 

: het imperf. d. coniug.periphr.: 
Afhankelijk: 
a) Videbam ) (ageres a) 



y) bij eene toekomstige 
Onafhankelijk: 
( a) agis? 



Quid < /?) egisti? 
{ y) ages? 



b) vidi quid 

c) videram J 



egisses p) 
{ acturus esses y) : 

1. Membris utimur prius, quam didicimus (= scimus) cuius ea 
utiiitatis causa habeamus. - Molestissime few, quod te ubi visurus 
sim, nescio. 

2. Haec, si bis bina quot essent didicisset Epicurus, certe non 
diceret. - Quid responderet non habuit. - Exspectabant 
omnes quidnam acturus esset. - Lentulus subito scelere demens 
quanta conscientiae vis esset ostendit. 

Aanm. 1. R Het praesens en imperf. der coniugatio periphras- 
tica voor toekomstige handelingen (als „coniunctivus futuri" dus) 
wordt gewoonlijk alleen dan gebruikt, wanneer het met het oog. 
op de duidelijkheid noodig is, het toekomstige opzettelijk uit 
te drukken. Blijkt de toekomstigheid genoegzaam uit de ver- 
houding tot den hoofdzin, dan volstaat de coniunct. praes.of 
imperf. (men herinnere zich de nauwe verwantschap tusschen coniunct. 
praes. en futurum!). Daarom staat bijv. de coniunct. praes. of imperf. 
in finale zinnen met ut, na de werkwoorden van vreezen, enz. : 
Valde timeo, ne patria pereat (ondergaan zal): vgl. § 551. 

In het passivum en bij verba die geen part. fut. bezitten, kan men 
zelfs geen anderen vorm gebruiken. 

2°. Een vorm der coniugatio periphrastica die als „coniunctivus 
futuri exacti" dienst zou kunnen doen, is in het geheel niet in gebruik. 
Hiervoor bezigt men altijd den coniunct. perf. of plusquamperf.. 

Is het in dit geval noodzakelijk, het toekomstige opzettelijk uit te drukken, 
dan neemt men zijne toevlucht tot adverbia der toekomst als mox, 
iam, postea, brevi e. d.. 

Deze adverbia kan men ook bij den coniunct. praes. en imperf. 
plaatsen, wanneer deze op zich zelf niet voldoende, en omschrijving door 
woltjer, Lat. Gramm. 6e druk. 24 



370 



SYNTAXIS. 



§§ 563—564. 



het praes. en imperf. der coniug. periphrast. onmogelijk is (zie onder 
10 aan het slot). 

Aanm. 2. Het praesens historicum wordt gewoonlijk, naar zijn vorm, 
als praesens behandeld en daarom gevolgd door het praes. of perl; 
soms echter regelt de beteekenis de consecutio en volgt dus het imperf. 
of plusquamperf.; zoo altijd in zinnen met cum causale (vgl. § 550, 2, 
A. 1): Vercingetorix Oallos hortatur, ut communis libertatis causa arma 
capiant, obtestatur, ut in fide maneant. - Aedui cum se suaque ab 
Helvetiis defendere non possent, legatos ad Caesarem mittunt rogatum 
auxilium. 

Aanm. 3. Somtijds hangt de consecutio temporum in een afhankelijken 
zin af van een tusschenzin, in plaats van zich te regelen naar den 
hoofdzin: Servius Tullius curavit, quod semper in re publica tenendum 
est, ne plurimum valeant plurimi. 

§563. Eene bijzondere bespreking eischt het gebruik van de tijden van 
den coniunctivus in afhankelijke zinnen met den indicativus van een 
toekomstigen tijd, die in den coniunctivus komen te staan, doordat hun 
regeerende zin eveneens afhankelijk wordt (in de oratio obliqua dus: 
§ 619, 5: afhankelijkheid van den tweeden graad) : 

10. Wanneer in zulke zinnen de handeling gelijktijdig is met eene toe- 
komstige handeling in den oorspronkelijken hoofdzin (en dus volgens § 501 in 
het futurum zou moeten staan), wordt na hoofdtijden de coniunctivus 
praesentis, na historische tijden de coniunctivus imperfecti gebruikt 
(vgl. § 562, A. 1): 
Naturam si sequemur ducem, nun- Cicero negat si naturam sequa- 

quam aberrabimus. mur ducem, unquam nos aberra- 

turos. 
Bellum vobis non infer am, si stipen- Respondit se non esse bellum Us 

dium quotannis pendetis. illaturum, si stipendium quotannis 

penderent. 

20. Wanneer de handeling van den afhankelijken zin aan de toekomstige 
handeling van den hoofdzin voorafgaat (en dus in het fut. exactum zou 
moeten staan), wordt na hoofdtijden de coniunct. pert, genomen, na 
historische tijden de coniunct. plusquamperf. (vgl. § 562, A. 1): 
Facile egestatem meam feram si hac Roscius facile egestatem suam ^ se 
indigna suspicione liber atus ero. laturum putat, si hac ^indigna 

suspicione liberatus sit. 
Quae imperaveris faciemus. Ad Caesarem legati venerunt, qui se 

ea, quae imperasset, facturos 
pollicerentur. Zie § 588. 

§ 564 Is een zin afhankelijk van een infinitivus praes. of fut., een 
supinum, een gerundivum, een participium, een adiectivum of een 
substantivum, dan richt zich de consecutio temporum gewoonlijk met 
naar deze, maar naar het verbum finitum in den hoofdzin, daar inder- 
daad de infinitivus, het supinum enz., wanneer men ze zich onafhankelijk 
denkt denzelfden tijd aangeven als het verbum finitum in den hoofdzin: 



§§ 565-566. 



VERBUM. MODI (CONIUNCTIVUS). 



371 



Cato maior mirari se aiebat (— mirabatur), quod non rideret haruspex, 
haruspicetn cum vidisset. — Athenienses miserunt Delphos consultum (= 
qui consulerent, d. i. Ath. consuluerunt), quidnam face rent de rebus suis, 

Staat een infinitivus echter in het perfectum, dan bepaalt hij de con- 
secutio : Satis docuisse videor (= Satis docui) hominis natura quanta omnes 
anteiret animantes. 



§ 565. Irreale voorwaardelijke zinnen (in den coniunct. imperf. of 
plusquamperf. dus: § 541) zijn niet aan de consecutio temporum ge- 
bonden en blijven dus on veranderd, ook wanneer zij van een hoofdtijd afhan- 
kelijk zijn: Quod ille si repudiasset dubitatis quin ei vis esset adlata? 

Zoo moet geconstrueerd worden in het passivum. Wanneer echter de apo- 
dosis van een voorwaardelijken zin met een coniunctivus plusquam- 
perfecti in het activum staat, en deze zinnen afhankelijk worden van 
een zin met ut of cum of quin of doordien ze eene afhankelijke vraag 
vormen, dan gebruikt men in de apodosis de coniugatio periphrastica 
met fut (overeenkomstig § 541, A. 2). Maakt men bijv. den zin: Qualis tu, si 
ita forte accidisset, consul fuisses (== futurus fuisti, § 541, A. 2)? afhankelijk 
van: Cum haec reprehendis, ostendis, dan verandert fuisses in fueris futurus: 

Cum haec reprehendis, ostendis, qualis tu, si ita forte accidisset, fueris 
illo tempore consul futurus. - Zoo ook: An potest quisquam dubitare quin, 
si Q. Ligarius in Italia esse potuisset, in eadem sententia fuerit futurus? 

§ 566. Consecutieve zinnen staan in losser verband met 
hunnen hoofdzin dan andere, zijn daardoor minder afhankelijk en 
hebben daarom in den regel hun eigen tijd, onafhankelijk 
van den tijd van het werkwoord in den hoofdzin: 

non videam Hij is zoo groot, dat ik geen 

grooteren zie 
non viderim (tot nu toe) geen grooteren 

gezien heb 
non viderem (nu) niet zien zou (zelfs wan- 
neer ik mij moeitegaf) (§541) 
non vidissem (vroeger) niet gezien zou heb- 
ben (§ 541). 
(non videam Hij was zoo groot, dat ik (nu) 
geen grooteren zie 
Tantus erat at maiorem\non viderim geen grooteren gezien heb 
j non viderem (toen) niet zag 
^ non vidissem (toen) niet gezien had. 

Zoo ook: Tantus fait, fuerat enz.: 

Non ita generati sumus, ut ad ludam et iocum facti esse videa- 
mur. - Siciliam Verres per triennium ita vexavit ac perdidit, ut 
ea restitui in antiquum statum nallo modo pass it. - Aristides in 
tanta paupertate de cess it, ut qui efferretur vix reliquerit. - Quae 
tanta gravitas in ullis fait, ut sit cum maioribus nostris comparanda? 

24* 



Tantus est ut maiorem 



372 



SYNTAXIS. 



§ 567. 



Aanm.. Het gebruik van een hoofdtijd (praes. of perf.) in den bijzin 
niettegenstaande een verleden tijd in den hoofdzin (absoluut gebruik) is 
noodzakelijk, wanneer de handeling van den bijzin in het heden valt 
(coni. praes.) of althans in hare gevolgen nog in het heden voortduurt 
(coni. v. h. perf. log.); het is veelvuldig, wanneer eene gebeurtenis in het 
verledene nadrukkelijk van het standpunt van het heden uit medege- 
deeld wordt (coni. perf.): het zwaartepunt ligt dan in den bijzin die min of 
meer zelfstandig tegenover den hoofdzin staat (vgl. Grieksch &axe c indie); 
wordt in dit geval de coni. imperf. gebezigd (consecutio temp, dus), dan 
valt de nadruk op den hoofdzin, waaraan de inhoud van den bijzin 
slechts als een bijkomstig gevolg toegevoegd wordt (relatief tijdgebruik: 
Gr. coots c. inf.). Daarentegen is na accidit, fit ut e. d. in een verleden tijd, 
een bijzin met een coni. perf. zeer zeldzaam. 

III. DE IMPERATIVUS. 

De term imperativus (sc. modus) is eene letterlijke vertaling van den Griek- 
schen nQoaxaxxixi) (sc. syxhoig). 

§ 567. 1. De vormen van den imperativus op -to, -tote en -nto 
onderscheiden zich van de andere daardoor, dat zij meer uitdrukken 
wat men verplicht of schuldig is te doen, wat men doen moet, 
of ook wat men niet nu, maar later moet doen. Men noemt ze dik- 
wijls imperativus in engeren zin (ook wel imperativus futuri: 
§ 191), terwijl dan de andere iussivus heeten. 

Men gebruikt dus de vormen op -to, -tote en -nto inzonderheid in 
wetten en wettelijke voorschrif ten, in leefregels, in over- 
eenkomsten of verdragen. 

2. Daar de 3de persoon alleen de vormen op -to en -nto heeft, 
bezigt men, behalve in wetten en dgl., in den 3den pers., in 
plaats van den imperativus, liever den coniunctivus adhortativus 
(iussivus; § 519): 

Ad me de omnibus cotidie (velim) scribas; ubi nihil erit quod 
scribas, id ipsum scribito. - Diogenes Cynicus proici se iussit inhu- 
matum. Turn amici: Volucribus et feris? Minime vero, inquit, sed 
bacillum propter me, quo abigam, ponitote. 

Virgines Vestales in urbe custodiunto ignem foci publiti sempiter- 
num. - Consulibus salus populi suprema lex esto. 

Aanm. 1. Bij den imperativus en den coniunctivus adhortativus 
staan dikwijls andere woorden als toevoegsels, 'tzij als beleefd- 
heidsvorm, 'tzij om sterker aan te sporen : amabo te (bij dichters ook alleen 
amabo), obsecro, quaeso (§ 277, A. 8), sis (§ 258, A. 2), sultis (§ 258, A. 2), 
sodes (uit si audes), age, agesls, agedum, agite, agitedum: vgl. § 329. 
Natuurlijk komen deze uitdrukkingen bijna uitsluitend in de taal van het 
dagelijksch leven voor. 

Over quin bij den imperativus en den coni. adhort. vgl. § 652. 

Aanm. 2. Behalve door den imperativus en den coniunctivus 
adhortativus kan men een bevel, evenals in onze taal, ook uitdrukken 






568. 



VERBUM. INFINITIVUS. 



373 



door het futurum; zoo vooral in de omgangstaal : Si quid novi accident 
(voorvalt: § 508), fades, ut sciam (Cic. epist. 7, 14, 8). De ontkenning is 
natuurlijk non: Tu interea non cessabis (Cic. epist. 5, 12, 10). 

Ook omschrijft men den imperativus door cura of fac, met ut of ook 
met den enkelen coniunctivus: Magnum fac animum habeas et spent 
bonam. Vgl. § 523, A. 2. 

§ 568. De imperativus dient alleen voor het positieve bevel: 
een verbod wordt gewoonlijk uitgedrukt door ne met den twee- 
den persoon van den coniunctivus perfecti: ne feceris (= 
jui) noir]arjg: § 519, A. 1). 

Men kan echter ook eene omschrijving met noli, nolite (fac ne, 
cave ne of cave alleen : § 523, A. 2) gebruiken : 

Ne dubitaris quin, quod honestius, id mihi futurum sit anti- 
quius. — Ne vos quidem, indices, mortem timueritis. - Malum ne 
alienum feceris tuum gaudium. — Nihil gratiae causa feceris, 
misericordia commotus ne sis. 

Noli dubitare. — Nolite id velle, quod fieri non potest. 

Aanm.. Ne met den tweeden persoon van den imperativus komt 
vrijwel alleen voor bij dichters, die hierin blijkbaar de volkstaal navolgen : 
Equo ne credite, Teucri (Verg. Aen. 2, 48). 

De vormen op -to, -tote, -nto hebben ne in wetten, voorschriften en 
dergelijke: Hominem mortuum, inquit lex in XII tabulis, in urbe ne 
sepelito neve (§ 635) urito. 

Zelden staat ne bij den 2den pers. coni. praes.: ne conferas, ne 
requiras. Vgl. § 519. 

D. VERBUM INFINITUM. 

De vormen van het verbum infinitum onderscheiden zich van die van het 
verbum finitum door het ontbreken van persoonsuitgangen: het zijn 
substantiva en adiectiva verbalia, d. i. substantiva en adiectiva die van 
verbaalstammen gevormd zijn en aan de functies van het verbum deel hebben, 
inzooverre ze althans voor het meerendeel 

1° denzelfden casus regeeren als het verbum waartoe ze behooren: librum 
lego — librum legere (legens); 

2° nader bepaald worden door adverbia (niet door adiectiva): librum 
accurate legere (legens); 

3° tempora en genera hebben: legere, legisse. 

Dit laatste geldt echter alleen van de infinitivi en participia (niet van de 
supina) en geeft niet of slechts ten deele den oorspronkelijken toestand weer: 
van huis uit hebben infinitivi en participia (althans voor het meerendeel) even- 
min als andere nomina verbalia (bij v. de substantiva op -tid: § 341, 1) iets 
met het genus of tempus van het verbum te maken gehad : het part, op -tus 
wordt zelfs in het Mass. Latijn nog zoowel actief als passief (§ 494), zoowel bij 
het perf. als bij het praes. (§ 595) gebezigd; langzamerhand echter hebben de 
verschillende infinitivi en participia zich aan de verschillende genera en tem- 
pora van het verbum aangesloten. 

Terwijl de adiectiva verbalia (participia en gerundivum) door hunne decli- 



374 



SYNTAX1S. 



§ 569. 



natie duidelijk als nomina kenbaar zijn, is bij de supina en vooral bij de 
infinitivi de nomen-natuur geheel op den achtergrond getreden. 

Doordat de vormen van het verbum infinitum niet bepaald zijn ten opzichte 
van den persoon en dus geen subjectsbegrip bevatten, kunnen ze op zich zelf 
geen grammatisch volledigen zin vormen, maar alleen een ondergeschikt zinsdeel;, 
men pleegt ze daarom meestal niet door een leesteeken van het overige van 
den zin te scheiden. 

I. DE INFINITIVUS. 

De term infinitivas (sc. modus) is eene onnauwkeurige vertaling van den 
Griekschen term r\ djiaQef^paros (sc. syxXcaig) l waarmede de Grieksche gramma- 
tici den infinitivus bedoelden te karakteriseeren als een vorm, die het begrip 
van het verbum het zuiverst, zonder bijbeteekenis (aagefupaois), uitdrukt. 
Dat hij oorspr. een casus van een nomen, geen werkwoordvorm (en dus ook 
geen modus) is, heeft eerst de nieuwere taalwetenschap ingezien. 

§ 569. De infinitivus is een versteende casus van een substantivum verbale, 
naar zijne oorspronkelijke beteekenis een datief of locatief, naar zijn vorm, 
voor zoover althans het activum betreft, wellicht een locativus sg. van een s-stam 
(esse uit *es-s-i: vgl. § 59, A. 1, 4; zoo ook scribere uit *scrib-e-s-i: § 192). 

Als dativus gaf de infinitivus oorspronkelijk de richting aan van eene bewe- 
ging naar iets; en in dezen zin vinden we hem als infinitivus finalis nog 
in het oudere Latijn en ook bij latere dichters na ire, venire, mitterc e. d., waar 
het klassieke proza ut finale, het supinum of dergelijke constru cries pleegt te ^ 
gebruiken: vgl. bijv. Prop. 1, 1, 12: ibat .... videre ferns; Verg. Aen. 1, 
527 sq.: Libycos populare penates non venimas. Bij Cicero vindt men zoo 
den inf. bibere met dare en zelfs met ministrare verbonden, bijv. Tusc. 1, 26: 
ut lovi bibere ministraret. Van hier uit ontwikkelde zich dan het gebruik van 
den infinitivus als aanvulling bij verba als de in § 571 genoemde; bij de 
verba voluntatis laat zich de oorspronkelijke finale beteekenis nog benaderen, 
in zooverre de infinitivus hier de handeling aangeeft, waarop het begeeren 
zich richt. 

Doordat echter deze oorsprong van den inf. niet meer gevoeld werd, ging 
de speciale casusbeteekenis reeds vroeg te loor. Zoo laat het zich verklaren, 
dat de infinitivus, ofschoon eigenlijk een dativus, in het klassieke Latijn veeleer 
als nominativus en als accusativus zonder praepositie dienst doet; 
in de overige casus werd hij door het gerundium aangevuld (§ 605, II). Men 
bedenke hierbij dat het Latijn niet, zooals het Grieksch, een lidwoord heeft, 
dat ook het gebruik van andere casus mogelijk zou maken (tov ygdyeiv, t<5 
yQayuv, enz.). Vgl. echter ook § 570, A. 3. 

De infinitivus heeft een subject bij zich of niet; 

a) heeft hij een subject, dan staat dit (afgezien van den inf. hist., die 
afzonderlijk wordt besproken: § 592) niet in den nominativus, maar in den 
accusativus (ace. c. inf.: § 574 vlgg.); 

b) heeft hij geen subject bij zich, dan is: 

1) of het werkwoord zoo onbepaald, dat er geen bepaald subject bij 
gedacht wordt (§ 570); 

2) of het subject van het verbum finitum, waarvan de infinitivus 
afhangt, subject van den infinitivus (§§ 571-573). 



§§ 570—571. VERBUM. INFINITIVUS. 



375 






a) De enkele infinitivus. 

10 als subject. 

§ 570. Zonder subject kan de infinitivus staan, wanneer hij zelf 
subject is van een zin: 

1) bij het onpersoonlijke esse met een praedicaatsnomen: 
facile, difficile, optimum, consentaneum, necesse, opus est, enz.; 

2) bij andere onpersoonlijke werkwoorden, als: decet, pudet, 
paenitet, taedet, libet, licet, placet, videtur mihi, praestat, delectat, 
prodest, enz. : 

Difficile est tacere, cum doleas. - C. Galium deleclabat 
defectiones solis et lunae multo ante praedicere. 

Een praedicaatsnomen komt bij deze subjects-infinitivi 
in den accusat. te staan: 

Nonne s alius est milium esse quam quod nemo inteUegat 
dicere? - Medios esse iam non licebit. - Non esse cupidum 
pecunia est. 

Over den ace, c. inf. bij deze woorden vgl. §§ 579 en 580. 

Aanm. 1. V